donderdag 23 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - The Kledder of the Tigher Tai
Gepubliceerd op: 15-03-2011 Aantal woorden: 1181
Laatste wijziging: 18-11-2014 Aantal views: 1714
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

The Kledder of the Tigher Tai

Henk Gruys


Poesnée loopt door de stad, een vrouw van die naam. Een wolkachtige verschijning waar je dwars doorheen kan lopen zonder iets te merken dan haar lichaamswarmte, met een zwak parfum als een aangename prikkeling van de zinnen.
    Het is warm zomerweer.
    – Een. Poesnée wandelt op de Strandboulevard. – Twee. Zij steekt een verkeersplein vol geparkeerde, zonspiegelende auto's over. – Drie. Zij gaat via de beschaduwde Honkeldesteeg, Smidserslaan, Breestraat naar de Barneveldlaan, (waar glanzende Bugatti's geparkeerd staan onder reusachtige kastanjes).
    De ingang van het Krugerpark.
    Het Krugerpark, met uitzicht op bijna onmerkbaar glooiende heuveltjes, waar kromme zeedennen met vinnige boomkruinen zich verheffen. Verder links aan een bosrand is de ingang.
    Onder bomenoverwelving op de rondweg is het koel en vol schaduw. Poesnée loopt langs de loofbomen heel alleen, haar hakjes tikken; lichtjes spannen haar kuiten. Links overziet men het gazon en zo men wil enige stille boomgroepen.
    Zij herinnert zich haar heuptas, met de aankoop uit boekwinkel Euforbia. – Deze winkel; het interieur ziet zij voor zich. De eigenaar was een kale boekhouder; hij lispelde. Zij ziet nog de etalage die de straat weerspiegelde tegenover een wijd grijs plein, vol openhartig zonlicht.
    Zij heeft in deze winkel een standaardpocket gezien, èn gekocht en is zeer tevreden. Zij meende door de titel dat het over oosterse mystiek ging. The Kledder of the Tigher Tai.
    Veel te warm was het daar om staande een alinea te lezen; bijna al haar energie was haar door de hitte ontvloden. Geen nood, het boek is voor 's avonds in bed. Vanavond zit zij in haar slaaphemd, (onstoffelijk als een lentezucht) onder de kegel van de leeslamp als in een roze piramide. En het boek: – zij hoopt op een originele, unieke ervaring.
    Ovenheet was het op het plein, maar droog, een droge hitte; in de zonnige straten echter met zijn overbevolkte terrasjes, daar werd men spoedig drijfnat. Of was het juist andersom? Dat leek maar weer eens de vraag.
    Bij een bankje in het park opent zij haar tas met een klik. Tussen haar vingers ritselen bij het bladeren de pagina's van het boekje geroutineerd, als was zij een ervaren kaartspeelster.
    Veel tijd neemt het niet, een paar seconden, het zijn slechts honderd en zestien bladzijden. Grote letters. En een geur, visachtig.
    Poesnée loopt verder. Op haar hele lichaam is zweet uitgebroken, overal, vooral op haar benen. Zij denkt: dat het de tas is die zo hindert... ze heeft die al tien keer overgebracht, linker schouder, rechter schouder, maar de tas blijft zwaar trekken aan de riem. – Zij weet: het komt door dat boek; en zij zet zich in de koelte opnieuw.
    Zij opent de tas. Is het boek inderdaad zoveel zwaarder geworden? Bijvoorbeeld vijfhonderd pagina's en weegt het straks kilo's als een bijbel?! – Had de auteur het nog niet af? (Oosterse toverkracht nietwaar!) Of is het nat van zweet en kleven de bladzijden aan elkaar? Vervelende toestand; zoiets hoort niet. Slordig beleid!
    Ze bladert door het boekje, maar vindt niets afwijkends.
Een ordinair werkje trouwens, naar alle waarschijnlijkheid veel minder interessant dan zij hoopte. Weggooien dan maar? Bijvoorbeeld in de vijver aan de overkant, die gevlekte zwanenpoel onder laag overhangend gebladerte?
    – Maar dan nadert aarzelend een gestalte, groot van stuk. Bij het bankje houdt hij in, kijkt opzij, en knikt hij haar glimlachend toe, alsof alles in zijn plan past. – Maar een afspraak hadden ze toch niet? zij is op haar qui-vive... maar bang niet, – want zelfvertrouwen van nature overwint iedere beduchtheid.
    De man – rijzig als een boom – gaat zitten. Zijn gezicht is een en al vriendelijke, geconcentreerde aandacht. Hij steekt zijn hand uit en roept: "Ik zag dat u mijn boek hebt aangeschaft! Zeer goed! Het is heel bekend en zal beroemd zijn binnenkort, let maar eens op! Een meesterwerk, zoals iedereen nu al zegt! – Wat een verrassing, deze ontmoeting met u! Ik zal u namelijk verklappen: ik ben de schrijver."
    Hij heeft een gelige huidskleur en een zwarte volle baard met glinsteringen door de zon, alsof er minuscule spiegeltjes in verborgen zijn, en eigenaardige handen, die beweeglijk rondgaan als moeten zij voortdurend kleine reptielen verplaatsen. Zij gaat ostentatief bij hem vandaan zitten. Ze gelooft natuurlijk niet dat hij met het boek te maken heeft. – Maar ook hij schuift op, zodat de afstand weer is hersteld.
    Poesnée beveelt: "Hoepel op en ga ergens anders heen! Laat me met rust."
    "Nee. Ik zal u voorlezen uit mijn boek. – Ja, dat doe ik. Overhandigt u mij even het boek alstublieft." Hij tracht het haar af te pakken, maar dat lukt niet.
    "Nee?! Dan nodig ik u uit om nu met mij mee te gaan, samen gezellig de stad in een glaasje drinken." Poesnée zit nu aan het uiterste randje van de zitbalk. Met de rug naar hem toe, maar hij is weer verplaatst. Ze hoort de raspende stem: "Heeft u niet vijf euro; ik moet straks met de bus mee, en ze hebben mijn portemonnee gestolen en nu kan ik geen brood meer kopen, och ach..."
    Maar is zijn gezicht angstaanjagend als een beschilderd mombakkes als ze omkijkt. Hij is helemaal veranderd en schreeuwt: "Stom wijf! Vrouwen! Belachelijk gedoe! Vrouwen zijn nu eenmaal niet intelligent genoeg om in zo'n intellectualistisch en ingewikkeld boek te lezen! – Eenvoudiger gezegd: ze zijn daar veel te stom voor! Geef hier! Een vrouw hoort zo'n boek niet te hebben!"
    Poesnée staat op. Een ordinaire draaideurcrimineel zonder vaste woon- of verblijfplaats is hij. Zij loopt een paar passen de weg op, staat stil en gooit haar bellettristische aanwinst met een wijde boog de vijver in. – Ze hoopte op een waterzuil van minstens tien meter als een explosie, met een krans zilverachtige uitstulpingen van een kelk, vol vriendelijk lachende gezichtjes aan de bovenrand.
    Maar het veroorzaakt nauwelijks een plons, een vloedgolfje spoelt aan de kant; het riet, gras, de struiken, de rijtjes rode begoniaatjes worden niet eens bereikt.
    De schrijver is achter gebleven, hij heeft alles gezien, en nog heftiger klinkt zijn amechtig gescheld.
    Poesnée is hooghartig doorgelopen. Bij haar hoef je nooit meer aan te komen met zogenaamde aanbiedingen uit de literaire wereld. Geen flauwekul! Dat boek had niets te betekenen; even onzinnig als zijn titel was zijn inhoud
    Al bleef het niet uit te sluiten dat de baardman toch de auteur was van de Tai.
    Maar die kans was klein.., klein...
    En dan nog... misogynie of straatgekte, dat was de keuze: in beide gevallen dus niets.
    Enige twijfel niettemin zou haar de eerste tijd niet verlaten.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens