zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Feestavond - Afl. 4 (slot)
Gepubliceerd op: 12-03-2011 Aantal woorden: 2413
Laatste wijziging: 12-03-2018 Aantal views: 1504
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Feestavond - Afl. 4 (slot)

Henk Gruys


We draaiden aan het eind de straat uit naar rechts. "Ik heb de muziek van "Side by Side," zei Dick. "Mooi," zei Jan Koele, "dan kunnen we dat spelen. Wat extra repertoire kan nooit kwaad." – "Nou, ik weet het nog niet," zei Dick Voerman, "Piet Jager kent het niet." En, zich half omdraaiend, aan mij: "Ken jij het," – "Een beetje," antwoordde ik, "wel het begin." – "Piet rammelt het zo mee," zei Jan Koele. Het was duidelijk dat hij zich geen zorgen maakte over de komende zaken.
    Ik keek voortdurend uit het raam. Het was druk op straat. In de buurt van de winkels haastten mensen zich, volle boodschappentassen torsend. Bakfietsen en geparkeerde auto's langs de kant, fietsers met uitpuilende fietstassen en net uitstappende automobilisten die we passeerden. De accordeonkoffer drukte af en toe tegen mijn linker knie. "Nol komt vanavond pas," zei Dick Voerman. "Hij kon niet eerder." Ik keek mijn twee metgezellen in de rug; de krulletjes van Dick Voerman en de vette zwarte manen van Jan Koele. Ik boog mij naar voren. "Hoe laat is het afgelopen vanavond?" – "Wat?" vroeg Jan Koele vriendelijk, zonder zijn oog een moment van de weg te halen. "Hoe laat het afgelopen is." – "Een uur of twee denk ik." – Nog negen uur moet ik deze spanning volhouden, dacht ik. Negen uur!
    Ik kon niet altijd volgen wat de twee zeiden, maar het was duidelijk dat Dick Voerman weer de opschepper was van altijd. En dat Jan Koele tegen hem op een of andere wijze anders leek te praten dan tegen mij, meer volwassen. Ik begon me op de achterbank steeds meer figurant te voelen.
    De Oude Hoofdstraat, die de hele stad doorkruiste met zijn gebouwen, café's en winkels, schoof voorbij, zo vluchtig en gehaast dat je slechts een vage indruk overhield als op een film. Maar soepel bleven we ons in het verkeer voegen, dat in alle richtingen voorbij golfde. Het leek of iedereen op weg was naar een feest, meisjes flanerend met petticoats om aandacht te wekken van jongens, die in groepjes stonden te kletsen of aan kwamen lopen. Ik zag geen bekenden, al was het soms net of er voorbijgangers de wagen in wilden gluren.
    Geleidelijk kreeg ik het warm en maakte mijn jas en sjaal los.
    Mijn hart bonsde en mijn voorhoofd gloeide, maar de situatie leek op een of andere manier toch niet zo gevaarlijk meer.

Al te gauw kwamen we aan bij de recreatiezaal van het grote houtbedrijf. Daar stapten we uit en ik liep achter de anderen aan de dubbele deur van een laag gebouw in. Binnen waren al mensen, en stond er in fel schijnwerperlicht een piano en een drumstel vóór het toneel opgesteld. De aanwezige regisseur was kennelijk een bekende van de anderen. "Hallo Wout."
    Er liepen een paar luidruchtige jongens rond, die iets moesten verplaatsen op het toneel of uitproberen. Een zeulde met een grote lampekap aan een statief. En die jongen was "een grote oplichter" volgens Wout. Iedereen deed branieachtig en wilde grappig zijn. Ook bij het eten zouden ze dit doen, bedacht ik. En daar zou ik krampachtig tussen zitten, alsmaar denkend hoeveel liever ik thuis was gebleven.
    We haalden onze instrumentkoffers uit de auto, zetten ze naast het drumstel en bleven toekijken naar het toneel omdat we toch niets te doen hadden. Er was een soort generale repetitie aan de gang. Een optreden van drie meisjes van een jaar of achttien die poppen van een draaiorgel voorstelden. Ze maakten houterige gebaren als poppen en zongen een lied over een draaiorgel, muzikaal begeleid door iemand in smoking, die geroutineerd de toetsen bespeelde van een orgeltje naast het podium. Maar dat zingen ging telkens verkeerd en dan moest het opnieuw en zette de smoking weer in bij het begin. Je kreeg de indruk dat de speelsters hun tekst niet hadden voorbereid. Dit tot wanhoop van regisseur Wout.
    Het middelste meisje, met een glad en rondgekapt zwart haarkopje, had van zichzelf al iets popachtigs, met een fijn gezichtje dat steeds mijn aandacht trok.
    Ik stond voor het podium en bleef de hele tijd naar haar kijken.

Na een kwartier verliet ik met de anderen de zaal, om te gaan naar een ander gebouw. In een zaaltje daar stond een lange witgedekte tafel. Er waren schalen broodjes op gezet, schotels met ham, plakken kaas en fruit. Een stuk of tien jonge mannen en vrouwen die ik nog niet had gezien, hadden al plaatsgenomen. We trokken stoelen achteruit en schoven aan bij de papieren tafellakens.
    "Gaan jullie maar weg", riepen mijn begeleiders meteen tegen de aanzitters, "want jullie hebben al gehad!" – "We waren zo beleefd om op jullie te wachten," zei een ronde olijke man, "maar als we geweten hadden dat jullie zó laat waren..." Algemeen gelach.
    Bediening was er niet, iedereen nam zelf het zijne en schonk koffie in uit thermoskannen. Ik had in het geheel geen honger, voelde me in opperste staat van opwinding of koorts, daarbij tegelijk min of meer verdoofd, maar voor de vorm nam ik brood en koffie. Ik was bij de muur gaan zitten, naast Dick Voerman. "Eten hoor," riep deze als had hij mijn gedachten geraden, "anders word je geen grote jongen". Hijzelf had er geen problemen mee, want het duurde niet lang of hij was al aan zijn zesde kadetje toe. Ik hoorde in het algemeen gepraat niet alles wat de anderen zeiden, vaak in gedachten als ik was. Piet Jager was het onverschillige, bijna fluisterende middelpunt van een groepje meisjes, en scheen in hen meer geïnteresseerd te zijn dan in de conversatie en de grappen die over de tafel gingen. Ja, hij had een zeer laatdunkende oogopslag over zich, stelde ik vast. – Nee, dan zo te zijn als Jan Koele! Beheerst en kalm, – rustig en traag. Hoewel de pret ook aan hem grotendeels voorbij leek te gaan. Maar hij scheen toch een opmerking gemaakt te hebben, want er ontstond een groot gelach. De meisjes schudden lachend hun hoofd, en toen ze uitgelachen waren, wezen ze naar mij en riepen: "Hij is de enige normale."
    Ik had nog steeds geen woord gezegd. Maar ik voelde steeds sterker dat ik niet kon blijven zwijgen, als ik niet te veel zou willen opvallen. Maar wat moest ik zeggen?.. De aandacht op me vestigen in deze hoogst onzekere situatie joeg me vrees aan. Ook al leek iedereen hier nog zo vriendelijk en zachtaardig, (want het was toen nog een gemoedelijke tijd). –
    Het zwarte meisje van het draaiorgel zag ik niet, die was zeker naar huis om te eten. Toen ik weer opkeek zag ik dat een ander meisje mij over haar bril zat aan te staren, waarschijnlijk al een hele tijd. Geen wonder natuurlijk, want ik viel hier ernstig uit de toon, zo in mijzelf gekeerd, dat wist ik maar al te goed. Toen ze zag dat ik het merkte, draaide ze haar ogen gauw weg. "Zijn jullie allemaal van de muziek?" vroeg mijn overbuurvrouw en wees op ons. Ze had de vraag gesteld aan niemand in het bijzonder.
    Ik antwoordde haar dat dat zo was, blij dat ik eindelijk het zwijgen kon verbreken. Ik had er ook niets meer aan moeten toevoegen, maar ik maakte nog een mislukte opmerking over jazzmuziek, – en dat ik daar vooral belangstelling voor had. – Maar niemand die dat leek te interesseren. Ik voelde mij, terwijl ik aan het woord was, duizelig worden, de tafel draaide en de gezichten werden wazig, en ik deed er maar gauw het zwijgen toe. Ik voelde het zweet op mijn voorhoofd prikken en verroerde mij een tijdje nauwelijks.
    Regisseur Wout zat als een voorzitter aan het hoofd van de tafel. Met het volle gewicht van zijn ego sneerde hij over de treurige rolkennis van de dames en heren artiesten van vanavond! Daarna imiteerde hij onder groot gelach van iedereen de voorzitter van de personeelsvereniging tijdens zijn welkomstspeech. – Dit leven kende ik nog niet, dacht ik.
    Toen de broodjes op waren, werd er hier en daar nog een sinaasappeltje gepeld, maar de disgenoten begonnen steeds luidruchtiger met hun stoelen te schuiven. "Kunnen we straks nog broodjes meenemen voor op het toneel?" vroeg Dick Voerman. Een grapje. Algemeen gepraat en gelach. Bij een tafel verder gaf een man van een jaar of vijfentwintig een demonstratie op een contrabas met één snaar, zelf gemaakt van een theekist en een bezemsteel. "Ik wil nog een glas water,' riep iemand. "Waar is Paul toch," vroeg het meisje met de bril aan haar buurvrouw. Maar die begon precies tegelijk, een vertrouwelijk gesprek met Wout.
    Degenen die op het toneel moesten, waren al verdwenen om zich om te kleden en te schminken. Wout rookte aan de kop van de halflege tafel zwijgend en alleen een sigaret.
Het werd al donker buiten achter de hoge ramen van het zaaltje.

Met de anderen liep ik over het parkeerterrein van knarsende sintels terug naar de toneelzaal. De buitenlucht rook fris en zuiver, en naar vers gezaagd hout.
    In de zaal was het reeds drukker, er zaten al een paar mensen op de voorste rijen. Mijn bandleden zag ik niet meer; waren zij achtergebleven of stonden ze ergens te praten? Zo was ik toch weer alleen. Ik had geen zin hen te gaan zoeken en zocht mijn weg tussen de stoelen.
    Ik ging zitten in afwachting van wat er ging gebeuren. Harde houten stoeltjes. Mijn hart bonsde. Het lamplicht hoog in het zaaltje was gelig, vrij gedempt, en gaf het idee dat het plafond de ruimte van de zaal omlaag drukte op de stoelen en het toneel. Ik voelde me licht duizelig. Het podium was nog afgesloten met een goudkleurig gordijn, van onderen verlicht; dat deed denken aan een bioscoop. Af en toe keek ik de zaal in, waarin steeds meer mensen hun plaats opzochten. Uiteindelijk kwamen Dick Voerman en Piet Jager schuin voor me zitten, misschien toevallig, want het ging zonder teken van herkenning, of ze zagen me niet.
    Mijn nervositeit leek tot een koortsachtige roes omgevormd en mijn hoofdpijn klopte. Het was bij achten. Nog vier uur... De zaal liep langzaam voller en het geroezemoes nam toe. Hier en daar bleven er lege stoelen. Om kwart over acht werd het licht gedimd en de feestavond begon zoals zo'n feestavond altijd begint: opening door de voorzitter van de personeelsvereniging die iedereen welkom heet, alle medewerkers bedankt, en aan het eind alle aanwezigen een prettige avond toewenst.
    Toen het licht uit was werd mijn comfort er niet beter op. Dat ik over enkele uren zelf in actie moest komen, vervulde me in de duisternis af en toe met vreemde, irreële gedachten.

Ik zat in het donker tegenover de verlichte rechthoek van het toneel, waarin mannen en vrouwen, die doordeweeks op kantoor werkten, nu worstelden met de liedjes of teksten die ze weliswaar hadden ingestudeerd, maar goeddeels vergeten leken te zijn. Waarbij de souffleur duidelijk hoorbaar was, maar na afloop toch applaus uit de zaal opklaterde.
    Na een half uur was de draaiorgelscène met de drie poppenmeisjes aan de beurt. Nu was hun optreden definitief. Alledrie hadden ze zeer korte rokjes aan, en hun benen, tot dusver verborgen geweest, vertoonden zich, glanzend in het toneellicht. En het gaf werkelijk een schok het zwartharige meisje in het midden te zien. Ik voelde me licht en flets, mijn hart bonsde, maar nee, ik mocht niet flauwvallen; dat mocht niet gebeuren! Niet hier!
    Een man en vrouw, die ik ook aan de broodtafel had gezien, kwamen na de orgelscène op en zongen een droevig tweestemmig lied, waarbij de man begeleidde op een gitaar. Het ging over een zwerver, die geen thuis had en vol onrust alsmaar ronddoolde. Het licht op het toneel veranderde langzaam in paars. Traag kwam telkens terug: "Nergens vind ik meer een huis...//Géén leven is dit, zonder thuis..."
    Ik hield af en toe de angst voor een flauwte, vermoedde dat ik ondanks mijn gloeiende wangen een dodelijke bleekheid vertoonde, duidelijk zichtbaar voor iedereen, als het klaarlichte dag was geweest. Ik moest ziek zijn. Wat was dat toch met mij! Dit was toch niet normaal... Ik had het gevoel steeds verder weg te drijven, naar een plaats waar ik helemaal alleen was. Van de zaal vol mensen merkte ik nog nauwelijks iets, want het was of ik niet naar een toneelvoorstelling keek, maar naar de wereld zelf. Ik durfde daar bijna niet over na te denken.
    Was dit nu wat ik altijd had gewild? Om in situaties als deze te belanden? Ziek van de spanning en onmacht over wat komen ging? Met deze omstandigheid had ik nooit rekening gehouden. Hoe meedogenloos werden alle droomachtige idealen en visioenen verdreven door de onaangename, overvallende realiteit!
    Op de achtergrond beeldde zich in mijn hersens nog vaag de vrees af voor het bal na. Maar het leek langzamerhand tot iets anders samengebald, iets waarin de angst gedeeltelijk was weggeëbd en had plaatsgemaakt voor een gevoel van absolute onvermijdelijkheid.
    En steeds dacht ik: ik kàn het niet, ik kan dit straks niet aan...

Toen als in een opleving, overwoog ik: ik zit hier, maar heb nog de kans om weg te lopen. Stiekem naar de uitgang, zonder dat het iemand opvalt. En morgen zeggen dat ik ziek was geworden, griep gekregen. Een heel plausibel excuus. – Dan ben ik hier tenminste vandaan...
    Maar zo'n stap was niet zonder onberekenbare risico's. Mijn moeder zou me niet geloven, en de andere jongens denkelijk ook niet...
    – En, zoiets dóe je nu eenmaal niet.

Maar, bedacht ik vervolgens, heel misschien zou ergens iemand mij, omdat ik niet allang in het donker was weggeslopen, en alles tot het einde toe bleef verdragen, – mij juist buitengewoon moedig vinden.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens