dinsdag 16 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Slopers Gevraagd - Afl. 3
Gepubliceerd op: 25-02-2011 Aantal woorden: 2373
Laatste wijziging: 08-04-2018 Aantal views: 1878
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Slopers Gevraagd - Afl. 3

Henk Gruys


Overal waren trappen en terrassen. Die omgeving herinnerde hem aan niets zo sterk dan aan het platform van een grote luchthaven. Maar hij gunde zich nauwelijks tijd om de vergelijking te toetsten en begon meteen werk te maken van zijn zoektocht.
    Hij kwam in restaurants waar de bezoekers verbazend veel herrie maakten en toch niet veel van plaats veranderden. Hij ontdekte beneden ook zijn schoolgenoten weer. Ze leken te overleggen wanneer en waar ze eindelijk ook zouden gaan zoeken, met een ijver die op zijn minst verdacht leek.
    De zon stond dezer dagen zeer warm aan de hemel. Het zweet brak hem uit op de betonnen vlakten. Hij zocht in de mensendrommen, tuurde in de verte en spiedde langdurig het uitzicht af; beklom een uitgestrekte schuinte en zag boven alles uit een zandstrand vol badstoelen, dat naar beneden afliep, als was de zeespiegel sterk gedaald. Dan weer besteeg hij een lange trap en het werd nog heter, als kwam men zo dichter bij de zon. Dat ik mij met mijn slechte conditie nog zoveel moeite moet getroosten, dacht hij herhaaldelijk.
    Hij liep alsmaar verder. De immense ijzeren constructie van de Eiffeltoren consequent in de rug houdend, overzag hij het strand met parasols, soms van een verhevenheid en later weer op gelijk zandniveau, omdat de trappen en terrassen niet allemaal even hoog waren. Ik zou op deze intensieve manier toch enige voortgang moeten boeken, bedacht hij keer op keer.
    Maar diep in zijn hart had hij de hoop op gunstig resultaat eigenlijk al opgegeven.
    Daarom kocht hij tenslotte in een grote schuur bovenaan de heuvelbebossing maar een kaartje voor de kabelballon die erachter afgemeerd lag; teneinde zich een beetje te ontspannen.

Het viel Lino op, toen de ballon los was, in hoe volmaakte vierkanten verdeeld de grote tuin was waar hij overheen dreef. Hoe verbazend recht de paden waren, hoe zuiver kwadratisch de gazons, hoe nauwkeurig cirkelvormig de vijvers, waarin de zon schitterde als dunvloeibaar zilver.
    Het luchtschip daalde echter weer spoedig. De tuin waarin het landde, hoe mooi van boven ook, bleek toen Lino was uitgestapt slechts een miniatuur. De paden waren niet breder dan een halve meter, de parkvijvers niet groter dan tafellakens, de bomen niet hoger dan driekwart manslengte. Gigantisch in de nevelige verte evenwel het vuilroze skelet van de Eiffeltoren. – Al had Lino er niet lang oog voor. Meer benauwde hem op dit ogenblik de zandkleurige Arc de Triomphe met zijn beeldhouwwerk in reliëf, aan het einde van de boulevard. Hij voelde opnieuw de tegenzin, deze net als de vorige dag, te moeten bestijgen teneinde zich een overzicht van de omgeving te verschaffen.
    Maar dichterbij gekomen zag hij dat de Arc eveneens een model was. Zelfs van karton naar het bleek, met de voorstelling van de boog er gewoon op gedrukt. Toen hij hem nog meer naderde, zag hij op de zijkant een Franse reclame voor schuurpoeder, in letters die hij alle op twee na kon ontcijferen.
    Plots brak fel de zon door en de dauwdruppels op de struiken glinsterden blauwig als briljanten.
    Lino bedacht nu dat hij de hinderlijke schoolmakkers dan wel van zich had afgeschud, maar hij op een gunstig resultaat van zijn zoektocht toch ook niet kon bogen.


Opkomende maan

Lino had eindelijk een rustplaats gevonden: in een tent op een tamelijk armoedige camping nabij Parijs.
    Iedere ochtend als hij ontwaakte, werd hij dadelijk door grote ongerustheid overvallen: dat de oude pater die de camping beheerde en met wie hij vriendschap had gesloten, die zelfs zijn toeverlaat was geworden, vertrokken zou zijn. Bijvoorbeeld dat hij was afgereisd, of door zijn kerkelijke superieuren overgeplaatst. Een tamelijk ongegronde gedachte natuurlijk, die hij evenwel niet uit zijn hoofd kon zetten.
    Pas als hij het van onrust niet meer dacht te kunnen uithouden, ging het tentdoek omhoog en verscheen het ootmoedige gelaat van de geestelijke als een opkomende maan voor de opening.
    Père Alosyanus, van Nederlandse afkomst, scheen er veel aan gelegen te zijn hem te mogen bijstaan in het oplossen van zijn familievraagstuk. Deze merkwaardig sjofele pastoor, die een afgesleten boordje van zinkachtig metaal om de nek droeg, scheen geen moeite te veel hem te helpen. Hij had toegezegd een oproep in zijn parochieblad te zullen doen en zelfs het kerkregister ervoor open te stellen.
    Desondanks bleef Lino bijna de hele dag in zijn tent liggen. Hij had zich een zwaarwegend excuus voor zijn intertie en tegenstrijdige gedachten aangemeten: zou hij zich maar even buiten wagen, dan zou hij zich weldra zo zwak voelen, dat hij niet meer uit zichzelf terug zou kunnen komen.
    In de voetsporen van Frits treden, dacht hij, zich voor de zoveelste maal uitstrekkend op zijn luchtmatras en sigarettenrook de hemel in blazend. – Het is mij verteld en misschien zou ik, om niets onbeproefd te laten, er op een of andere wijze gevolg aan moeten geven. Maar ik mis daar in toenemende mate de energie voor.


Place de Samphêtérieur

Toch had hij weer ergens een hele nacht zijn diensten kunnen aanbieden. In een smerige Franse garage had hij, tot zijn verbazing over zijn conditie, urenlang met emmers water gesleept. Nu, in de vroege ochtend, was hij vrij, liep hij buiten, al kon hij nog slechts met grote moeite rechtop staan.
    Er lag een grauwe wolkendeken tegen de onderkant van de hemel, maar regenen deed het niet. De straat die hij uitliep heette Rue de St. Clovis, en was zo droog als een stuk grijs karton. De straat maakte halverwege een flauwe bocht en liep dan uit op een plein, Place de Samphêtérieur volgens een blauw bordje, alwaar een kermis bleek te zijn, die ondanks het vroege morgenuur reeds in vol bedrijf was.
    Maar nu Lino zo lang niet meer in Parijs was geweest, bemerkte hij bij zichzelf een heftige vrees voor onverwachte en nieuwe beschouwingen, – die feitelijk niets anders waren dan de hergeboorte van zijn oude waakzaamheid, die door zijn terugkomst in de wereldstad weer verhevigd was. – Ik moet me voorbereiden op elke toevallige ontmoeting met Frits, dacht hij. En dus, zoals oom dokter in Nederland heeft bevolen: nadenken, handelen en voortdurend keuzes maken. Al weet ik niet precies welke keuze of handeling ik zou moeten maken, respectievelijk zou moeten verrichten.
    Uit voorzorg waagde hij zich alvast niet midden op de weg. Want: "àls er wat gebeurt en het gáát mis, dan ben ik verloren."

De kermis was zonder één kleur, zwart, grijs en wit. Er was niemand bij te zien; niet op straat en ook niet in de nutteloos draaiende attracties.
Toch begon langzamerhand een opgelucht gevoel zijn ongerustheid te overvleugelen. Er gebeurde niets angstwekkends. – Het is niet zoals ik vreesde, stelde hij vast. "Slechts een kermis zoals overal. Alleen in wit-met-zwart en zonder publiek."
    Nadat hij nogmaals probleemloos om het hele terrein was heengelopen, concludeerde hij: "Ik heb mij ongeveer voor niets weer ongerust gemaakt. Er is niemand. Het is een ongevaarlijk Frans plein en niets meer."
    Maar tenslotte ook: "Hoe heb ik ooit kunnen denken dat het speuren naar Frits' verblijfplaats onder deze omstandigheden ook maar tot het geringste resultaat zou kunnen leiden."


Tipje van de sluier

Naderend geldgebrek dwong hem zijn strategie van willekeurigheid en goed geluk enigermate aan te passen. Het kwam hem als effectiever voor, indien hij voortaan plaatsen frequenteerde waar men hem, al was het tijdelijk, betaalde arbeid zou kunnen aanbieden. Of hem tenminste een kleine tip daarover zou willen geven. Dan wel bereid zijn hem op z'n minst daarover te woord te staan. Desnoods slechts een voorlopige afspraak met hem te maken. Dat, meende hij, zou de kans op een ontmoeting met zijn broer, indachtig diens werkende status, in een dergelijke omgeving aanzienlijk vergroten.
    Het was echter niet gemakkelijk om als étranger in den vreemde daartoe de meest geschikte gelegenheden te kiezen.
    In het rokerige huiscafé Météore, in de Rue St. Bernard bijvoorbeeld bleken zich welgeteld maar vier bezoekers op te houden: een clown in een geel-rood pak, een sjofele oude man vergezeld van een hond met zonnebril en geruite pet, een dikke vrouw in avondtoilet en een Formule 1-coureur in een paarse overall. Veel meer klanten zouden er ook niet bij hebben gekund, want de gelagkamer was zó smal dat hij eerder op een huisgàng dan een huiskámer geleek.
    De baas die in een nevel van verschaalde sigarettenwalm en gemorst bier de tap droog hield, had het dan ook niet druk met de bediening van zijn dorstende klandizie.
    Geen der aanwezigen wist waar een baantje voor Lino te vinden zou zijn, de bezoekers niet en de baas niet. Niemand had zelfs maar ooit van het vergeven van baantjes aan buitenlanders vernomen. – Lino liet zich van zijn laatste geld een sandwich met goedkope camembert aanreiken en speurde, het gortdroge brood in zijn mond proppend, naar zijn laatste kansen door bij de gaande en komende man zijn nood te klagen. – Alleen de chasseur in rood uniform, die te half elf de gelagkamer kwam binnengekropen uit een voorwereldlijke ijzeren liftje, kon Lino's gebrekkige Frans geheel begrijpen. Hij was dan ook zèlf een Hollander.
    De chasseur meende nu dat Lino precies leek op een man die hij ontmoet had in dit land, op vakantie twee maanden terug. – Inderdaad, zei hij na enig voorhoofdfronsen, "Frits" had die persoon geheten. Maar niet te Parijs had dat plaatsgevonden, maar in Versailles, waar deze Frits als employé van een buitenlandse reisorganisatie werkzaam was. Hij, de chasseur, had over dit treffen nog een stukje geschreven in een bekend magazine, dat moest Lino beslist eens lezen.
    Maar nadat hij hem dit ten overstaan van de andere bezoekers had medegedeeld, knipoogde hij leep. – Alsof hij heel goed wist dat men hem meestal wat te serieus nam, en hij beslist niet wilde nalaten Lino op deze voorwaardelijkheid attent te maken.


De god van de tabakswalm

Lino, eindelijk aangeland in de directeurskamer op de bovenste verdieping van de wolkenkrabber waar het hoofdkantoor van het gidsbedrijf van zijn broer gevestigd was, kon op het moment suprême geen woord uitbrengen. In de gangen had hij nog kunnen veinzen de bordjes ENTRÉE INTERDITE niet te hebben begrepen. Maar nu hij, verbaasd genoeg, in de half ronde kamer stond, werd hij zo geïmponeerd door de peperdure inrichting, dat hij zich nauwelijks realiseerde waar hij was. Achter het bureau-ministre troonde de zware president-directeur, een dikke Havanna in de mondhoek, als een tegen alle weerspraak bestendige god van de tabakswalm.
    Een god die zijn wenkbrauwen steeds hoger optrok toen Lino als in een droom naderbij schreed.
    Maar voor hij de directeur de vraag had kunnen stellen over zijn geliefde broer, schoten er al twee bedienden uit onzichtbare hoeken toe, die hem met fikse drang de gang weer op werkten.
    Hoe zacht glanzend was binnen alles geweest, bedacht hij toen hij terug was in het gangenlabyrint. Zelfs de enorme kluis van mosgroen titanium verspreidde een air van achteloze voornaamheid. En achter het bureau van de corpulente president-directeur was de welving van een hoge glazen wand, met daarachter prominent zichtbaar de talrijke wijzerplaten van alle kerktorens der wereldstad.
    Nauwelijks bekomen van de verpletterende nabeelden, was hij als in een droom weer met de lift afgedaald. Had hij de liftzaal verlaten en de hall overgestoken. Waar père Alosyanus hem met vragende blik tegemoet trad.
    "Alweer niets," verzuchtte Lino, "alles weer tevergeefs, nutteloos en overbodig. Gelooft u me, ik kan mijn pogingen hem in Parijs te vinden maar beter opgeven."
    "Houd moed, mijn zoon," zei de pater op de zalvende en ietwat ridicule toon zijn roeping eigen. "Eéns, ééns komt de tijd dat je hem weer zult ontmoeten! – En," voegde hij eraantoe: "als mijn voorgevoel mij niet bedriegt, zal die heuglijke dag thans niet zo heel ver meer zijn."
    Maar het was duidelijk dat hij dat zei om Lino moed in te spreken; want over de toekomst kon de geestelijke immers even weinig weten als iedereen. Intussen stonden ze alweer buiten in de fletse zon, op de Boulevard Lipmann. Waar het verkeer hen werkelijk grandioos onoverzichtelijk voorbijraasde.


DRIE



Een gids als Frits

Reeds werd het licht en nog liep de gids Frits met zijn groep te dwalen in de wereldstad. Niemand van de reizigers wist hoe lang ze al hadden rondgezworven. In de nachtelijke uren waren zij afstotelijke pleinen van asfalt overgestoken. En bij lantaarns met ondefinieerbaar toneellicht hadden ze langs de stoepen onnederlandse vuilnisvaten en brandkranen opgemerkt. De hele nacht hadden ze geen ander mens gezien.
    Na verloop van tijd waren de pleinen opgevolgd door enorme kruispunten van beton, verlicht door hoge schijnwerpers. Nog steeds was alles zonder verkeer, ja zonder enig leven in de omtrek.
    Het gezelschap rustte uit op een trottoir van vijftig meter breed, van onmenselijk grote tegels aangelegd.
    Gevoelens van heimwee naar zijn geboorteland, welke hem vroeger nog parten zouden hebben gespeeld, belaagden Frits niet meer. Het leek of hij dat in zijn nieuwe vaderland definitief had overwonnen. – Hij drentelde rond tussen zijn gasten.
    "Blijf opletten als jullie voor het eerst in Parijs bent," leraarde hij tegen twee oude mensen, man en vrouw die op de stenen zaten. "Het is niet makkelijk om de goede route kiezen, juist omdat ze van alles aan het veranderen zijn. Maar we komen beslist waar we wezen moeten."
    "Ik zie nergens huizen,"zei de vrouw die frappant op zijn moeder leek. "Dat is juist," antwoordde hij bewust wat achteloos, "het is alles wellicht iets anders dan jullie hadden verwacht. Normale straten bijvoorbeeld komen hier niet voor. Maar blijf vertrouwen hebben in de goede afloop."
(Wordt vervolgd met nog twee afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens