woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Slopers Gevraagd - Afl. 2
Gepubliceerd op: 23-02-2011 Aantal woorden: 2521
Laatste wijziging: 08-04-2018 Aantal views: 1762
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Slopers Gevraagd - Afl. 2

Henk Gruys


Ze gingen op een bankje zitten in de regen, en Lino begon daar weer over zijn verdwenen broer.
"Als we ooit in Frankrijk op vakantie gaan en in de buurt van Parijs komen, zal ik misschien naar hem gaan zoeken,"zei hij.
Maar dat vond Cara maar onzin. "Als we daar zijn, dan moeten we geen tijd met zoeken gaan verdoen! Zonde en verloren moeite. Je zult hem immers toch nooit vinden!" Ze leek er niet gerust op, ondanks dat hij zich over dit onderwerp meer veronderstellend dan bevestigend had geuit.
Opeens nam zij kortweg afscheid, stond op en liep weg. "Cara," bracht hij onthutst uit, maar zij antwoordde niet, ook niet op zijn herhaald roepen. Lino zag haar steeds kleiner worden in de enige overgebleven laan van het Utopiapark. Ze keek niet een keer om. Het leek of ze doof was voor haar eigen naam.


Kilte, regen

Hij bleef in gelatenheid achter en bedacht dat alles weer op niets was uitgelopen. Alles weer hetzelfde, dacht hij, hetzelfde en hetzelfde zoals altijd... En ik had het kunnen weten; met een meisje duurt het nooit langer dan een dag. Dat is steeds zo... (of geldt dat alleen voor mij...)
    Hij voelde eerder berusting dan verdriet om deze waarschijnlijk voorgoed verloren liefde.
Na een kwartier in gepeins op het bankje te hebben gezeten, schoot hem te binnen dat hij vandaag nog een afspraak had voor het ziekenhuis voor de medische keuring! Ja, ik ben nog steeds onder behandeling, dacht hij, dat moet ik niet vergeten; de afspraak mag ik onder geen beding laten verlopen. Hij zag op zijn horloge dat hij al aan de late kant was en hij zich moest haasten. En tijd om na te denken over het pijnvolle afscheid van Cara zou hij nog genoeg krijgen.

Ondanks voorgaande bezoeken wist hij niet precies meer hoe bij het ziekenhuis te komen. Maar na speuren bij de rand van een nieuwe stadswijk, wees een politieagente hem dat hij zich daartoe naar een meertje achter de huizen had te begeven. "O ja," zei hij, "de vorige keer ook, ik was het vergeten." Hij waadde door het natte gras van een klein stadsplantsoen en stapte in de wankele roeiboot die tussen het riet lag. Een onbekende helper achteraan maakte het touw los. Langzaam, maar onweerhoudbaar dreef hij vanzelf het uitgestrekte, maar ondiepe binnenmeer op.
Hij lag enige tijd voorover op de doft en staarde over de plas naar de regenwolken. Wat een kilte altijd op het water, dacht hij. Net als op de schoolvakantie vroeger: koude, ledigheid en regen. Geleidelijk bereikte hij het midden van de wijde plas waarin een ondergelopen rietschoot lag te verdrinken.
Toen, ineens, zag hij van links een losgelaten deel van het Utopiapark komen aandrijven. Een eilandje met geboomte, een witte brug met drie zwanen eronder. Dit heb ik nog nooit meegemaakt, dacht hij, wat zou er gebeurd zijn... Nu zag hij met een schok dat Cara op het bruggetje stond. Ze keek niet naar hem, maar naar de zwanen.
En hoe hij ook probeerde haar aandacht te trekken, te roepen, Cara zag hem niet. En zijn roeiboot kon hij met geen mogelijkheid tegenhouden in zijn gestage drift.

De onverwachte ontmoeting bleef hem bezighouden, terwijl hij steeds verder het meer op dreef. Hij dacht: er heeft iets plaatsgevonden waarvan ik niet op de hoogte ben... Maar ik kan niets doen; hoe zou ik. Ik kan haar niet meer bereiken. Cara is nu voorgoed weg. De tranen van spijt over dit dubbele afscheid prikten hem in de ogen.
Nadat Cara zo goed als uit het gezicht was verdwenen, zag hij uit het westen een zwarte bui aankomen. De wind stak op, de golven werden donker en rafelig en de bosschages lang de waterkant begonnen te deinen als een korenveld in de storm. Zijn boot schommelde hevig; het water stoof over de boorden. En misschien was het vaartuig van aanvang af lek geweest, want er stond wel een decimeter water onder de vlonders. De toestand werd steeds gevaarlijker. Hij sloot de ogen. Misschien verdrink ik over een minuut, zei hij bij zichzelf. Dat gebeurt dan maar, het is het logische vervolg. Maar opeens brak flitsend de zon door. De vlagende stortregen vluchtte over de duistere golven weg naar de verten en de bedreiging was geweken.
Even later kwam Lino veilig aan de overkant op het eiland aan, doornat maar ongedeerd. Zijn vaartuig stootte op de oever en twee wijkagenten hielpen hem op de wal.


Nummer 283

Het ziekenhuis lag in de parktuin. De parktuin was donkergroen en het ziekenhuis opgetrokken van verweerde leisteen. Net als bij eerdere gelegenheid zag hij het al van ver boven het geboomte uitsteken.
Zijn wachtkamer lag op de zesde verdieping, zoals hij zich herinnerde van het laatste bezoek. Nadat hij met de lift weer talloze keren op en neer was gegaan, bereikte hij eindelijk de juiste gang. Hij was door dit alles zoals gewoonlijk iets te laat. Ik moet me haasten, dacht hij nerveus. Hij voelde altijd een sterke weerzin om in de wachtkamer plaats te nemen bij de andere zieken. Het volstrekt hopeloze gevoel van rusteloosheid waaraan hij de laatste jaren met tussenpozen leed, was weer komen opzetten. En hij kon zich, zoals hij wist, daar nooit goed tegen te weer stellen.
Een vrouw met een verkreukeld gezicht, die hij hier vroeger ook al gezien had, vroeg quasi-belangstellend: "Wat is uw nummer?" Hij ging direct terug naar een gietijzeren lantaarnpaal midden voor de deur en graaide zonder te kijken een verbleekt kartonnetje uit de gleuf. Nummer negentig. Geen erg gunstig voorteken, dacht hij, want nummer 283 was aan de beurt zei men.
Op banken langs de kant zaten minstens vijftien schimmige mensen; alles op deze afdeling was denkelijk al uren in bedrijf. Terwijl hij duizelend terugliep dacht hij: wat is het in de wachtkamer toch altijd heet en benauwd. Aan het wachten op de arts went men nooit.
Een oud grijs echtpaar onderhield hem uitvoerig (en tegen zijn zin), over de kundigheid van de dokter, de lengte van de wachttijden en het niet onwaarschijnlijke vooruitzicht van zeer langdurige behandeling.
De wachtkamer had een hoge, eiken betimmering. In een hoek was een raam met, zoals hij zag toen hij zich even ging vertreden, uitzicht in een steegje vol neergesmeten vuilnis. De treurigheid van die situatie voelde hij tot in het merg.


Een ziekelijk soort verveling

"Het is steeds z dat je wandelt langs de rand van de krater," zei de nog jonge arts, (dezelfde als de vorige keer) tegen hem. "Mogelijk val je binnenkort over de rand. Mogelijk ook niet. Hierbij treed je enigszins in de voetsporen van je verdwenen broer, die immers eveneens problematisch gedrag vertoonde."
Lino had tijdens deze deprimerende woorden steeds de ogen laten dwalen over de eiken wanden van de behandelkamer. Aan de zijkant in de glazen kasten glommen flessen. Pas nu zag hij dat het medicijn- en pillenpotten waren. De inhoud was echter op een enkel tablet na verbruikt.
"De enige die je hieruit zou kunnen helpen," zei de arts terwijl hij energiek opstond om het gesprek te beindigen, "dat ben je zlf, maar daar hebben we het al meer over gehad. Om je angsten te overwinnen, dat weet je, moet je nadenken, handelen en voorturend keuzes maken. Over drie weken terugkomen, half negen en plas meenemen."
Half negen in de ochtend of de avond, dacht Lino. Maar de arts was weggegaan door een andere deur dan waardoor hij was gekomen en liet zich niet meer zien.
Dan maar terug naar huis. Een onaangename situatie was dit ontegenzeglijk, net als vorige keer, dacht hij. Het overstelpende ziekelijke vervelingsgevoel dat weer de kop had opgestoken en hem verlamde en verstikte, kon hij steeds minder verdragen. Weer die onrust, dacht hij, het stompt binnenin, het moet eruit deze razende zielepijn (want pijn dd dit, altijd). Ik moet dringend naar huis, of in ieder geval ergens heen. Niet stil blijven staan, in beweging blijven, doorgaan. Alleen dn is er kans dat ik iets van deze ellende vergeten kan.
In de voetsporen van Frits treden, mompelde hij zacht, terwijl hij naar de gang terugliep. Wt een troosteloze wereld.


De loc in de bibliotheek

Een uur later zat Lino in de trein naar Parijs.
De eerste tijd verbaasde hij zich erover hoezeer de coup een geelachtig verlichte tunnel leek die voort schommelde binnen de grotere (onzichtbare) van de avond. In het spiegelend glas van de raampjes kon hij niets ontwaren dan duisternis, en in de trein brandde slechts spaarzaam licht. Het is nog steeds z dat rijden in de trein hoogst onaangenaam is, stelde hij duizelend en zwetend vast.
Toch leek de reis tamelijk vlug te gaan. Zijn we Utrecht al voorbij, vroeg hij zich op zeker moment af. Utrecht herinnerde hij zich niet zozeer van een bezoek, alswel van kranteberichten die melding hadden gemaakt van een nieuw verkort spoortraject. Een hele pagina pasfoto's had hij erbij gezien. Het leken wel koppen van gezochte misdadigers. Wat die ermee te maken hadden, had hij niet begrepen. Ging het nog over die brand in dat hoekhuis waarover hij had gelezen? Het had ook, zo leek het, aansluiting met de sfeer van zijn ouderlijke woning en omgeving...
Er bleken zich enige schoolvrienden van vroeger op het treinbalkon op te houden. Van tijd tot tijd kwamen ze naar hem toe om hem laatdunkend toe te spreken. Toch durfden ze het onderwerp van hun bemoeienis blijkbaar niet rechtstreeks aan te snijden. Maar Lino voelde heel goed wat ze bedoelden. Dat ze hem over de vroegere verdwijning van zijn broer Frits wilden onderhouden.
Uit gne voor onthulling van familiezaken had hij grote tegenzin hen daarover wat uit te leggen, hen hierin maar iets tegemoet te komen, en hij deed net of ze er niet waren.

In het begin van de nacht stopte de trein bij een groot doch rustig station. Eindelijk kon hij zijn coup voor een korte verpozing verlaten. Hij stond op een buitengewoon breed, maar uitgestorven perron, dat door hoge kwiklampen werd verlicht en keek rond als om een excuus voor zijn weglopen te verzinnen. Waar waren hier de automaten?
Hij ging op goed geluk een ouderwetse restauratie in, waar ondanks het late uur nog veel mensen waren. Hij haastte zich tussen hen door, bang door de obers voor een bestelling aangesproken te worden (want hij had weinig geld) en belandde in een eikenhouten zijzaaltje waarin een ouderwetse bibliotheek bleek gevestigd. Er was helemaal niemand. Hij liep weer door en opende een deur naar de volgende kamer.
Daar stond, o wonder, een chte locomotief onder stoom. Hoe reusachtig dit opgepoetste gevaarte! Het plafond van het vertrek, met ornamenten van gips, die voortzetting vonden langs stijlen en lambrizeringen, was er nauwelijks hoog genoeg voor.
De rook uit de locomotief waaierde langs het kastwerk, waarin opgestapelde documentmappen en notitieboeken lagen, die zwartig aangeslagen waren door de walm. De schoorsteen van de locomotief braakte ook af en toe vlammen, en sommige folianten smeulden duidelijk langs de randen door de uitgestraalde hitte. Maar daarna kon de rook vrijelijk naar buiten trekken door een opengezet bovenlicht. Spoorwegpersoneel was nergens te bekennen. De zware rails onder de locomotief liepen door de kamer naar roze suitedeuren, die vooralsnog gesloten waren, met een gewoon nikkelen haakje.
Lino voelde, ondanks dat hij nu van de schoolvrienden was verlost, geen opluchting. Hij dacht slechts: waarom weer hier die suggestieve indrukken en situaties; ze putten de geest uit, versmallen de blik, en mijn zenuwen zijn toch al zo zwak. Onder de locomotief zag hij dat de nylon vloerbedekking onnoembaar was bevuild door steenkolengruis en lagervet.
Ik moet hier niet te lang blijven, dacht hij uiteindelijk. Deze machine staat al onder stoom, dus zal het niet lang meer duren of ook mijn eigen trein vertrekt. Als het al niet te laat is! Hij moest bijna braken van de zwavelstank die zich in de kamer verspreidde.
Maar het bleek niet eenvoudig de weg terug te vinden. Hij kwam, na verward zoeken, aan op een verlaten perron met goederenloodsen en rangeersporen, waarschijnlijk helemaal aan de buitenkant van het complex.
Nergens iemand bij wie hij kon informeren naar zijn trein. Een grote ronde klok in de hoogte stond op negen uur, de wijzers in een hoek van precies negentig graden. Dat leek een behoorlijk verontrustend teken; al wist hij niet precies waarom.
Gelukkig zag hij verderop een zeer lange trein. De conducteur blies juist op zijn fluitje en daarmee ook enigszins zijn hals op.
Lino keek niet eens of er wel PARIJS op de wagens stond en holde zo vlug hij kon naar de portieren. De trein begon al te rijden, steeds sneller.
Twee schoolmakkers stonden in de achterste wagen en hesen hem nog net op tijd naar binnen.


TWEE


Les dpts de la plage

Parijs! De beroemde stad had weinig fabrieken binnen zijn grenzen, laat staan straten die uitsluitend uit fabrieken bestonden.
Watercircussen waren er nog wel, maar het gemeentebestuur overwoog deze, met het oog op de volksgezondheid, geheel te verbieden. En daar de autobussen hun nut goeddeels verloren hadden door het metronet dat overal prima functioneerde, reed slechts hier en daar nog een enkele rond.
En dag was Lino nu in Parijs; dat betekende een hernieuwde kennismaking sinds jaren. Veel rust was hem overigens niet gegund, dat bleek spoedig. En weer waren het de schoolvrienden die hem last bezorgden. Ze maakten hem nerveus met hun voortdurende bemoeienissen en insinuaties.
Maar hij had zich voorgenomen zich door niets of niemand meer van de wijs te laten brengen en direct met het speurwerk naar zijn broer te beginnen.
En waar zou die beter kunnen aanvangen dan bij het meest bekend geworden, meest beschreven, zelfs bezongen symbool van deze stad: de Eiffeltoren?
De omgeving van de Eiffeltoren bleek sinds de laatste keer sterk veranderd. In de buurt was thans een ruime zanderige heuvel aangelegd, met wandelpaden, een pier en een brede boulevard, waarop het deze zomerzondag buitengewoon druk was. Nog slechts twee van de zogenaamde vrienden groepten bijeen, (waar de anderen waren, wisten ze niet zeiden ze). Maar zij zegden toe hem te zullen helpen. Lino besteedde niet veel aandacht aan hen. Hij ging liever in eenzaamheid zijn gang en nam afscheid zonder meer.
(Wordt vervolgd met nog drie afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens