zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Slopers Gevraagd - Afl. 1
Gepubliceerd op: 22-02-2011 Aantal woorden: 2455
Laatste wijziging: 08-04-2018 Aantal views: 1700
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Slopers Gevraagd - Afl. 1

Henk Gruys






Een stroeve aanvang per fiets

De kranteberichten die melding maakten van een brand in een hoog hoekhuis in een oude straat– waarvan de oorzaak werd toegeschreven aan vreemdelingen die het bevolkten – hielden Lino slechts bezig tot het moment dat hij op zijn fiets was geklommen.
   En hoe onbegrijpelijk zwaar bleek zijn fiets te rijden op het enigszins oplopende plein dat hij moest oversteken. Het deed denken aan een ziekte van zijn spieren of algeheel verval van krachten. Toch hield hij nog een sprankje hoop dat het slechts een kwestie was van smeren van het kettingwerk, of een nader te verrichten afstelling van pedalen en zadel, en zijn conditie er niets mee te maken had.
   Al spoedig verzadigd door deze onzekere overwegingen, liet hij zijn fiets tegen een lantaarn vallen en ging, zonder hem op slot te zetten, te voet verder. De stad in grauw ochtendlicht was dodelijk verlaten.
   Nadat een rode autobus in de straat kwam aanronken en bij een vrijstaande winkel gestopt, klom Lino, nog steeds bezwaard door vreugdeloze gedachten, in de wagen. – Ondanks tegenslag kan ik mijn plannen niet wijzigen, dacht hij nadat hij op het rode leer van de bank was neergestreken. Want het belangrijke einddoel mag in geen geval uit het oog verloren worden.
   Razende clavecimbelmuziek klonk voortdurend van buiten, of misschien uit een luidsprekerinstallatie in de bus.


Op de omring

In de bus bemerkte hij dat hij naast een mager meisje was gaan zitten. Ze reden buiten de stad, op een immense dijk die een wijde bocht beschreef om nevelige, zonloze weiden beneden. De bus wielde voort zonder te schudden. Het leek soms wel of hij zweefde. Het was niet zeer licht buiten (alsof het avond was of vroege ochtend, dacht hij). Of er andere passagiers waren, kon hij niet ontdekken door de onduidelijke rode droomwaas die alles omgaf.
   Het meisje leek weinig belangstelling voor hem te hebben. Daarom bepaalde hij zijn aandacht maar tot het weinig opwekkende uitzicht buiten. Dat strekte zich tot grote diepte uit. Ver beneden lagen boerderijen ter grootte van luciferdozen, waaromheen bonte koeien stonden in het formaat van muizen. Lino voelde zich nog immer treurig en zonder vooruitzichten. Om zijn gedachten te verzetten zei hij maar tegen het meisje hoe hij heette, en dat hij op weg was naar zijn werk. "En hoe heet jij?"
   "Cara," antwoordde ze buiten verwachting vriendelijk. Ze lachte en legde meteen haar zachte dij over zijn knie. "Ik moet bekennen: ik zit wel in de bus, maar heb helemaal niet het gevoel ergens naartoe te gaan, weet je." – "Dat is nogal vreemd," zei hij, "wat zou dat voor bijzonders te betekenen kunnen hebben?"
   Voor zij antwoord had gegeven, stopte de bus bij een zwarte fabriek aan een smerig kanaal. Hier stapten zij uit, waarmee hun bestemming voorlopig leek te zijn bepaald.


Gidsneigingen

Op de vraag of ze een stukje mee wilde lopen, had ze direct ja gezegd. Ze had hem vanzelf haar arm doorgestoken. Zij was eigenlijk tamelijk lelijk, dacht hij zonder daar overigens enige tegenzin aan te verbinden. Maar ze had wel een heel mooie jurk aan, hemelsblauw met linten. Mijn hart klopt weer, zei hij bij zichzelf toen hij de warme weekheid van het meisje tegen zich aan voelde.
   Hij had haar van zijn zoeken naar werk verteld, en Cara had geantwoord dat ze hem daar gerust bij wilde helpen.
   "Maar dit is wel een héél sombere omgeving," zei ze een minuut later, toen ze op zijn verzoek een heldonkere straat waren ingeslagen.
   "Dat moet je me maar niet kwalijk nemen," antwoordde hij, "dit hebben ze me zo opgegeven per telefoon."
   "Dan hoop ik niet dat je er al te veel last van zult ondervinden," vervolgde ze, opziend naar de afstotelijke gevels. – Hoe komt ze dáárbij? dacht hij. Dat ik last zou hebben van naargeestigheid en wanhoop is met mijn constitutie in het geheel niet ondenkbaar, maar daar is zíj toch niet van op de hoogte?..
   "Dit is een straat waar ik wel eens van droom," vervolgde Cara, "al die ellendige bouwsels, laten we maar voorzichtig zijn."
   Ze liepen langs een vuil water en sloegen af naar een hoge handelsmuur van ruïneachtige vemen en pakhuizen, waar het stonk naar verrotte huiden en afgewerkte olie. Midden op een smalle kade stond een groot blauw bord: Verboden Toegang Voor Onbevoegden.
   Daarom gingen ze een smalle ijzeren brug maar over en een andere, iets minder nauwe straat in.
   Deze bestond in wezen uit twee hoge en lange fabrieksmuren aan weerszijden, van een ongemeen ingewikkelde en zeer lelijke bebouwing. Oude bakstenen muren, eindeloos als een bergwand, met honderden vensters, ornamenten, duizenden buisleidingen, onbegrijpelijke machinefragmenten en uitgebouwde installaties omringden hen weldra aan alle kanten. En in de verte niet anders. Lino keek links, rechts, dan weer achter zich of naar boven. Op de weg liepen vreemde tramsporen, lagen verhoogde wegroutes met richtingpijlen, raadselachtig gemarkeerd zover als ze konden kijken. Van dev rije hemel was bijna nergens iets te zien. "Deze fabrieken zijn beangstigend," zei hij. "Maar in zekere zin toch indrukwekkend."
   Halverwege hun route liep een manshoge verbindingstunnel van gegalvaniseerd plaatijzer dwars over de weg, minstens vijf meter boven de grond. Daaronder had zich een aantal mensen verzameld die heen en weer liepen en nogal ontdaan schenen. Van enige calamiteit was niets te bespeuren, maar in een nis zagen zij, toen ze dichtbij kwamen, drie ambulances met verspringende blauwe lichten geparkeerd. Op aandringen van Cara gingen ze er direct voorbij.
   Zij bleven de eindeloze fabrieksstraat volgen. De gebouwen en installaties aan weerszijden werden steeds hoger, onbegrijpelijker, gecompliceerder en afstotender. De middenstraat werd breder en hier en daar kletsnat, of hij met brandslangen was bespoten. De hemel was steeds praktisch verduisterd door de dakconstructies met pijpleidingen, ventilatoren en schoorstenen. Soms zagen ze werkers in blauwe kielen met gereedschappen tussen de tramsporen en vluchtheuvels. Maar dan waren ze meteen weer verdwenen, alsof ze schuw waren of angstig. Achter de veelheid van ramen weerklonk een intrigerend gegil, gedaver of gebrom. "Ik zie nergens het kantoor om naar werk te vragen," zei hij klagend, "en ze hebben dat tòch gezegd..." En nadenkend: "Moeten we soms een van die zijstraten in?.." – "Dan verdwalen we misschien," zei Cara beducht, "moet je kijken wat ingewikkeld daar! Laten we maar rechtdoor gaan en zien waar we uitkomen."
    In een hoek van een rustiger deel kusten Cara en hij elkaar herhaaldelijk, de armen voorzichtig om elkaar, als waren zij breekbaar. Ze stonden elk beurtelings met de rug tegen de vermolmde muren, soms één been optillend, dan weer lange tijd onbeweeglijk. Tenslotte vervolgden ze hun tocht tussen de industriële bergwanden.
   De complexen om hen heen werden allengs opener, eenvoudiger. Ertussen werden watertjes zichtbaar. Arbeiders ontwaarden ze nergens meer, niet bij de kanalen en in de gebouwen. Geleidelijk wandelden ze tussen de laatste fabrieken uit. "Nu heb ik helemaal niemand te spreken gekregen," klaagde hij, – maar met zijn aandacht nog bij haar kussen en zachte omarming. "Wees blij dat we niet helemaal terug hoeven, langs die enge fabrieken," zei Cara, en gaf hem nog een zoen. – Ze bereikten een kleine kale vlakte en kwamen bij een hoge groen begroeide dijk.
   Achter elkaar beklommen ze een stenen trap tegen de dijk. Eenmaal bovenop hadden ze een prachtig uitzicht over een diepe polder aan de andere zijde. In de laagte stond een tiental groen-met-witte huisjes. Op de dijk lag nog een dun laagje smeltende sneeuw. Juist op dit moment brak de zon door.
   "Wat een mooi uitzicht," riep Lino. Hij opende gauw zijn fototoestel en maakte een paar opnamen van het groene gehucht in de klare winterse schijn. Cara bleef geduldig wachten.
   "Weet je dat dit heel oude huizen zijn?" zei hij, zijn camera weer om hangend. "Heb ik ergens gelezen." En toen lachend: "Ik krijg hier gidsneigingen."


Laag-bij-de-gronds-leven

"Nu we bij elkaar horen, moet je van je leven vertellen," zei Cara, met een vertrouwelijkheid die hem nog steeds ongelooflijk voorkwam. Ze wandelden langs een zwarte sloot waaraan morsige achtererven met bouwvallige schuurtjes stonden. "Ik bedoel," zei ze, was je gelukkig vroeger?"
   "Dat weet ik niet," antwoordde hij aarzelend maar oprecht, "of we gelukkig waren of niet, met ons gezin. Want juist dat laag-bij-de-grondse-leven dat wij leidden is het, wat de veronderstelling van geluk zo hachelijk maakt." – Hij keek in gedachten naar de smerige achteroms.
    "Ja, laag-bij-de-gronds-leven," vervolgde hij, "dàt was wat we deden, mijn broers en ik. En ach, wat zou men op een zwaarbewolkte namiddag in die zwarte buurt ook anders hebben te doen dan op het achtererfje staan en naar het drassige tuintje kijken, zelf spoedig vochtig van de motregen? Heel ongezond bovendien. Daarom bleven we meestal maar bij de brandende kachel zitten. Daar kon mijn rare broer Frits nog wel 'ns een aardige mop vertellen of een komische voordracht doen. Of je kon de porseleinen vaas op de schoorsteen bekijken, het pronkstuk van de familie, voorstellende een jonge vrouw in het wit, met bruine takken en groene blaadjes om haar heen in het glazuur gebakken. – Op zeker moment hield je dan wel altijd een of ander brandend stompje kaars in je hand. Want het werd in de kamer al gauw te donker om het reliëf op de vaas te kunnen onderscheiden, maar dat gaf niet." – Hij maakt een afsluitend gebaar, als aan het eind van zijn relaas. "Maar jij? Was het bij jou thuis anders?"
   Dromerig zei Cara: "Wij hadden iets met gedichten. Die speelden we altijd na, als toneelstukjes. De hele familie. Wij waren dan bijvoorbeeld vertegenwoordigers. "De Zomer En De Handel" heette zo'n beroemd gedicht. "Om stille orders te boeken/Rijden onder bomen in te warme treinen/En zwijgend verhit in de straten thuis te komen/Zomerboden komen aan als vliegen" – Nu ja je kent dat wel." Ze keerde haar gezicht af. "Maar die tijd is voorgoed voorbij."
   ...Aardig dat ze met haar confidenties niet achter wilde blijven, dacht hij, ze is heel lief.
   Ze bereikten een zompige demp aan de achterkant van een eindeloze woonkazerne. Al voort wandelend vervolgde hij peinzend: "Die lucht hè, op dat achterstraatje, die klam aanvoelde en niet koud. Het was dan aan het einde van de middag ook ongeveer droog geworden... Op de top van ons schuurtje stond een roodgeschilderde haan die dik en vadsig glom. En binnen stonk het naar rotte mispels en augurken. Je stapelde in de schuur vier brokken steenkool op elkaar, ging terug in huis en stortte alles op de klep van de kachel. Die wàlm van petroleum, die je dan de tranen in de ogen deed komen!"
   "Toch heeft mijn broer al vroeg ons huis verlaten," zei hij even daarna. "Om naar Frankrijk te gaan toen hij veertien was. Hij had de grootste problemen op de middelbare school waarop hij zat."
   Cara keek hem aan, maar vroeg geen nadere details over deze onthulling.
   "Sedertdien hebben we nooit meer wat van Frits vernomen," vervolgde Lino. "En daardoor kan ik dus niet meer precies leven en denken als daarvoor. Het is treurig maar waar... Ik was altijd zo bijzonder op hem gesteld..." Hij keek op, niet al te dramatisch. "Mijn broer is volgens berichten een tijdje stadsgids geweest in Parijs. — Ik ben natuurlijk werk aan het zoeken, maar stadsgids zou ik in geen geval willen wezen. Want dat is slopend, werd mij gezegd."


Een eerste pogen

Aan het eind van de avond werd Lino toch nog een baantje toegezegd. Na schier eindeloos voortlopen in de zwarte nacht, kwamen hij en Cara om half vier in de morgen bij het werkterrein aan. Het werkterrein bestond uit een ronde waterplas, zo groot als een zwembad.
   "Hier moet het circus op het water komen," vertelde de bedrijfsleider, die met moeite tijd had vrijgemaakt voor uitleg, in zijn kantoortje vol nachtelijk bellende telefoons.
   Wat Lino moest doen, was: tientallen rustbedden, tafels en plateaus van roodgeverfde planken in bepaalde verdeling in het water leggen. Daar waren werktekeningen van, waarvan hij er enige meekreeg. Hij was er helemaal alleen en moest voortdurend tot aan zijn middel in het koude water staan.
   Maar de tekeningen werden spoedig doornat en scheurden. De attributen die hij in het water voortbewoog, dreven steeds naar verkeerde plaatsen of dobberden af tegen de smalle steigers die om het "circus" waren geconstrueerd. Cara, op de kant, bleef in zijn buurt, maar was vaak nergens meer te bekennen, urenlang. Ondanks dat zij mij herhaaldelijk heeft verzekerd dat ik haar liefste ben, dacht hij.
   Eindelijk, 's morgens vroeg, brak de zon door. Het was half acht, het werk goeddeels af en hij en Cara konden zich eindelijk als vrij beschouwen. Lino was geheel verkleumd en doodmoe. Zij wandelden in de zon over de steigers van een jachthaven. Langs de plankieren zaten overal dagjesmensen, soms hele gezinnen in de grasbermen of in afgemeerde motorbootjes in het morgenlicht te picknicken.
   Cara ontdekte onder hen soms vroegere buren, die zij dan uitbundig begroette. Ook zag zij af en toe een oude kennis. Er werd veel gekust, tot Lino's eigenaardig genoegen, want jaloers was hij niet in het minst.


Doof voor haar eigen naam

Toen ze de steigers waren afgelopen, en zij nergens meer vakantiegangers zagen, kwamen ze bij het voormalige sprookjespark Utopia aan. Thans waren daar weinig sprookjes meer te beleven; het park was vergroeid en kaalgeslagen tot een min of meer aangelegde wildernis. De zon verdween achter bewolking en er vielen enige grote druppels regen. Lino voelde zich door een vage, beangstigende neerslachtigheid aangetast en zei:
   "Toch beviel het me niet zeer, vanmorgen. We moeten zeker nog wat anders proberen. Dat water wil ik voorlopig niet meer zien, ik moet ook aan mijn gezondheid denken! Ik was namelijk al een beetje ziek weet je. Al zijn het altijd vooral de zenuwen die mij parten spelen."
   Cara staarde met een strak gezicht in het geboomte langs het pad waarop ze gingen. Het was of iets in Lino's gedrag de laatste uren haar sterk was tegengevallen. "In ieder geval moet je je medisch laten keuren," zei zij. "Anders kom je niet eens meer voor een baantje in aanmerking!"
   "O zeker," sprak hij instemmend. Zij was iets voorop geraakt en hij haastte zich haar in te halen. "Inderdaad zal dat het beste zijn."
(Wordt vervolgd met nog vier afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens