zondag 17 december 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Eureka, euforia, utopia - Afl. 3 (slot)
Gepubliceerd op: 20-02-2011 Aantal woorden: 1908
Laatste wijziging: 20-11-2015 Aantal views: 1286
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Eureka, euforia, utopia - Afl. 3 (slot)

Henk Gruys


De komende uren zijn me tot nu toe alle vaag en onduidelijk gebleven. Maar ze beschaduwen alle opvolgende gebeurtenissen niettemin als een dichte zwarte rook. Teken misschien van wat komen ging? Wel vaker ging ik herinneringen uit de weg om later niet in de consequenties ervan verstrikt te geraken, teruggeslagen te worden. Wat een mens vreest, gebeurt immers toch. En het is helaas de waarheid dat ik van niemand meer te duchten heb dan van mijzelf.
Een verlaten kerktoren sloeg zeven uur, toen ik koortsig en dodelijk vermoeid aankwam op dezelfde plaats als 's morgens, bij dezelfde rij huisjes in hetzelfde zanderige bollenland. Ik droeg een doorzichtige plastic jerrycan aan de hand. De zon stond aan een heel andere kant dan ik eigenlijk wilde, straalde nog slechts avondlicht uit, gedegenereerd licht, feitelijk tot niets meer inspirerend dan tot ondergang. De tijd had ik wel willen terugdraaien, maar ik wist dat ik daarvoor kracht te kort zou komen.
Evenals 's morgens naderde ik die lege huizen weer van de zijkant. Met bezwaard gemoed liep ik op dezelfde woning toe als welke ik 's morgens ook het eerst was binnengegaan.
Maar nadat de gammele deur als een vloekwoord achter me was dichtgevallen en ik weer in dat lege huis stond, kon ik mijn ogen nauwelijks geloven! Hoe anders was hier alles sinds vanmorgen! Hoe weerzinwekkend, ja angstaanjagend was deze omgeving op dit intense avondlijke uur!
Alle dromen van eerder leken vervlogen, onbereikbaar geworden voor altijd. Toch begon ik het hele complex opnieuw te doorlopen. Maar nu bang en opgewonden als had ik koorts.
Ik kwam weer in het ene ellendige krot na het andere, die nu zonder uitzondering geniepig waren weggescholen in het gemeniede avondlicht, of zwartachtig beschaduwd door molmig scheef kozijnhout dat overal stond. Ik steeg zoals 's morgens op naar wrakkige slaapkamertjes waar het stinkende behang van vorige generaties nog op de wanden zat. En langs gevaarlijk krakende trappen daalde ik af in de allerbedroevendste portaaltjes als kelders, waar ik moest oppassen niet door de gammele vloeren te zakken, gewond te raken. Zo doorliep ik rillend woning na woning, huiskamer na huiskamer, slaapvertrek na slaapvertrek, zolder na zolder. Af en toe struikelend over splinterige planken, oude metselstenen, achtergelaten gas- of elektrabuizen en verscherfde toiletpotten.
En overal, tot in de kleinste hoeken en gaten bespeurde ik afval, verrotting en stank. Ja, vooral stank. Mensenlucht.
Ik goot mijn gevaarlijke benzine uit over alle vloeren van de huisjes. Ik smeet de schuimende vloeistof tegen de bladderige wanden of het wijwater was en ik priester, en ze moest zegenen of het kwaad bezweren. Maar alleen op de gevloekte benedenverdiepingen deed ik het, want de trappen durfde ik niet meer op, zoveel angst was er inmiddels in mijn aderen ontstaan. Eerder al had ik de elektrische batterij aangesloten; een zware condensator werd tot noodlot opgeladen.
De reusachtig verdampende vloeistof, die binnen tot ontelbare liters gas uitzette, begon mij al gauw de adem af te snijden. Ik wierp mijn container op de grond en kokhalzend maakte ik dat ik in de buitenlucht kwam. Daar leunde ik enige tijd tegen de deur van een schuurtje, de brakende narcose van benzine nog om mij heen. Mijn duizeligheid nam zo wel af, maar de vrees voor het naderende gevaar groeide tegelijk ontzaglijk.
Tenslotte had ik nog maar n primitieve gedachte die mijn spieren aanzette: Zo snel mogelijk weg hier vandaan! Weg van die afschuwelijke huizen!
Op de straatweg moest ik mezelf dwingen het niet op een rennen te zetten van angst! Het enige dat mij weerhield was mijn beduchtheid de aandacht te trekken van mogelijke passanten.
Ik begon het bollenstraatje af te lopen in dezelfde richting als 's morgens. Maar toen ik op enige afstand van het huizenrijtje was beland en een kuilig gedeelte had bereikt, nog steeds zogenaamd slenterend, keek ik, hoewel ik eigenlijk niet wilde, op zeker moment toch om.
Zulke toevalligheden moeten van tevoren vaststaan, want juist n ontbrandde er in een van de voorkamertjes iets vurigs als een kleine fladderige ster. Daarna was achter de ramen een tweede lage zon te zien, groot en rood, voortrollend onder de zolderingen en telkens dalend bij de tussenmuren. Mijn condensator had met n enkele vonkontlading het vonnis over de hele rij voltrokken.
Ik liep de straatweg af, nog steeds kwansuis kuierend, maar voelde van opwinding mijn spieren schokken.
Juist op dat moment vertoonden zich tot mijn ontsteltenis op de weg grote aantallen mensen. Ze waren nog vrij vr, maar naderden onwerkelijk snel, de zon scheen op hun gezichten. Opeens werkte zich een ongeordende troep los van jongens en meisjes op fietsen, die luid roepend en kraaiend uitgolfden over de hele breedte. Verblindend witte, sportieve kledij droegen ze. Grote tassen met letters hielden ze op de sturen van hun rijwielen vast. Het was alles zo vlug en overrompelend dat ik niet eens de gelegenheid kreeg me te verbergen.
Zodra de jongelui mijn brand in de gaten kregen, begonnen ze nog harder te gillen, terwijl ze elkaar uitgelaten de vurige woninkjes aanwezen. Toen ze erbij kwamen, smeten ze hun fietsen tegen de straat en repten ze zich naar de huisjes, waarvan de eerste ruiten al rinkelend in scherven vielen en vlammen en rook door de lage zon doorzichtig werden. Hun fietsen lieten ze achter en hun sporttassen. Hun stemmen fladderden nog secondenlang als grillige golflijnen in de lucht. Het was of de brand eigenlijk allang hun doel was geweest en alles ervoor slechts als tijdspassering had gediend. Ze waren in een oogwenk verdwenen, achter de naar alle kanten vuurbrakende woninkjes gehold.
Tot mijn onuitsprekelijke verbazing schonken ze aan mij niet de geringste aandacht. Misschien dat ze zeiden: daar staat weer z'n ontsnapte uit... (ze wisten de naam van het gesticht). Maar de aanwezigheid van een dader van deze in hun ogen zeer amusante brand leek hen absoluut niet te interesseren. Ik kon zo naar mijn bromfiets lopen, die nog tegen de geknakte lantaarn leunde waar ik hem 's ochtends had achtergelaten. Ik zette hem recht en kon opstappen zonder dat ze zelfs maar op het idee kwamen me tegen te houden.
Even speelde ik nog met de gedachte, door jarenlange zelfkwelling en vernedering ingegeven, naar ze toe te gaan, me als dader bekend te maken, hen te verzoeken onmiddellijk de politie te halen, enzovoorts.
Maar dat ik dat serieus van plan was, is natuurlijk absurd; alleen al bij de gedachte huiverde ik voor de onverwachte, fatale wendingen en vreselijke ineenstortingen die daarvan het gevolg zouden zijn.
Terwijl de huisjes steeds gretiger begonnen te branden, trapte ik mijn oude brommer aan die gelukkig meteen aansloeg met zijn kalme geruststellende geknetter.
De jongelui zag ik nergens meer. Waarschijnlijk stonden ze zich te vermaken op de achtererven of fietsmeisjes te zoenen, en keerden ze voorlopig niet terug.
Zij hadden immers hun eigen gedragingen. Hoe jaloers op zulke kinderen was ik altijd geweest. Al had ik thans niet lang hun goddelijke aanblik in mij kunnen opnemen... En al haatte ik hen natuurlijk nog steeds. Want ook nu bespeurde ik weer de afgunst, voelde ik de verongelijking, de mislukking van mijn eigen leven. En kwamen die duizeligmakende vragen weer op als vanzelf. Uit welke verbijsterende milieus waren zij afkomstig, in welke overdadigheid woonden zij. Wat waren hun ongrijpbare plannen? En uiteindelijk als altijd: hoe was het in hemelsnaam mogelijk dat ze zulk geheiligd gedrag konden vertonen? Wat gaf hen de kracht, de energie?..
De juiste antwoorden kende ik niet, maar ik wist dat ik niet tot hun wereld behoorde en ook nooit behoord hd; omdat ik daar niet in pas. Het is hn domein dat zij als enig denkbare herkennen. Nu gaf mij dit besef een zacht troostende pijn, deze eeuwige waarheid, bij alle onrust en gejaagdheid die ik thans ondervond.
Ik weet niet meer wat mij verder nog bezig hield. Maar op zeker moment had ik genoeg van alles, de huisjes, de brand en alle kwelling van dien.
Ik draaide aan de gashendel, schakelde de versnelling en wilde juist met mijn motortje optrekken, toen ik een ontzettend lawaai achter mij hoorde; en zag ik in een opstormende vonkenmassa de helft van het dak en de zijmuur van de huizen ineen donderen.
Tumult ontstond daarachter en een geweldig geschreeuw, waardoorheen het vrijwel constante gegil van n meisje te horen was.
Een vreselijk ongeluk moest er gebeurd zijn ! Dt had ik niet voorzien.
Ik overwoog af te stappen en achter de rookwolken te gaan kijken wat er gebeurd was. Het die kinderen te vragen.
Maar toen besefte ik dat dat absoluut geen zin zou hebben. Zij hadden mij zoven niet opgemerkt, dus waarom zouden ze mij nu ook niet links laten liggen? Ze zouden mij niet eens zen, mij compleet negeren...
En ach, eigenlijk wilde ik ook niets meer met dit alles te maken hebben. Afgelopen. Fini. De huizen, de brand, het ongeluk; het lag allemaal definitief achter mij, ik had geen zin meer om te recapituleren nu er zoveel onvoorspelbaars gebeurde... Mijn wangen gloeiden van koorts, mijn hart bonsde van ongedurigheid en opwinding. Opeens wilde ik weg, weg van dit alles, hiervandaan...
Ik draaide het gashendel langzaam, bijna arrogant naar me toe en begon dwars door de stinkende rook de lange liniaalrechte weg af te rijden. Rillend, maar met een opgelucht gevoel, eindelijk weg. De wandelaars die ik eerder had gezien, schoven me tegemoet. Hele drommen waren het, ze gingen in groepjes. Ze schenen zich te haasten naar de brand, maar ook zij letten niet op mij.
.....Toen drong het langzaam tot mij door. Een onthutsende constatering, die tegelijk de onontkoombare waarheid van het voorgaande was.
Want dat niemand nog op mij reageerde... dat iedereen mij over het hoofd zag, het feit dat ik de hele dag wonderwel met rust was gelaten... en nu ook weer, dat kwam doordat men mij niet meer kon zien!
Ik bestond niet meer voor anderen... Niemand kon mij nog waarnemen... Ik was niet meer zichtbaar...
Nu had ik dikwijls genoeg gehoord dat zoiets inderdaad voorkomt, en zelfs vaker dan men denkt...
Maar nu ik het zelf ondervond ... Het gaf z het besef dat het de finale afrekening was met de wereld waarin ik misplaatst ben... een zo verpletterend gevoel van rechtvaardiging, dat ik wist dat ik mijn geheime bestemming hiermee definitief had bereikt.
.....Uitverkorene was ik. Uitverkorene, en slachtoffer tegelijk... Want het beduidde dat ik als mens niet meer meetelde... Nooit meer... Ik was uitgewist... Verdwenen... En dat ging letterlijk alles voor mijn toekomst bepalen...

Ik werd zo door al deze gedachten bedwelmd dat ik niet eens direct merkte dat ik weer op weg was naar de stad. De stad met zijn beangstigende dromen, kwaadaardigheid en verderf die ik juist had willen ontvluchten.
Terwijl ik eerder van plan was geweest na de brand terug te keren naar het oude dorp bij de zee, waar ik me 's morgens ook al enige uren had opgehouden



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Ren Claessens