zondag 17 december 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Noordwestenwind - Afl. 4 (slot)
Gepubliceerd op: 15-02-2011 Aantal woorden: 1910
Laatste wijziging: 09-11-2015 Aantal views: 1413
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Noordwestenwind - Afl. 4 (slot)

Henk Gruys


Na enige tijd deelde Stoffel mee dat Sjorsie tot "hopman" bij de padvinders was bevorderd, en dat zijn broer daar nu ook bij wou.
"Ok als leider, of hoe heet dat?" vroeg ik, uit mijn overpeinzingen ontwaakt. "En jij ook?"
"Bij die padjakkers?" Stoffel keek honend en ongelovig tegelijk. "Mij niet gezien."
Nadat er weer een stilte was gevallen, Stoffel een krant van de divan had gepakt en de bladen omsloeg op een wijze of hij daar alweer spijt van had, vroeg ik na lang peinzen: "Zullen we vanmiddag eigenlijk nog wat gaan doen?" al rekende ik er nauwelijks meer op dat een nieuwe aanzet ons nog uit deze impasse zou kunnen halen. Niettemin leek Stoffel mijn vraag te overwegen; hij was het eigenlijk nooit met me oneens. Hij knikte, maar ging er toch niet op door. Bij hem moest je voor een initiatief nooit zijn. Was het dat hij verwachtte dat ik dan ook met een plan zou komen? Ik kon evenwel niets bedenken, en zo bleven we maar zitten, met op de achtergrond de radiomuziek die ongeveer de stemming aangaf, die alsmaar dieper scheen weg te zinken op deze verloren maandagmiddag.
Langzamerhand voelde ik mij zo lusteloos en mismoedig dat ik bijna niet toe kon komen op te staan op mijn stoel. De eerste dag van de vakantie alweer bijna voorbij, zei ik bij mezelf, zelfs het veelbelovende begin van vanmorgen eindigt weer in moedeloosheid. Het is toch weer teruggekomen, ook hier, de verveling, het gevoel van nutteloosheid.
Door het achteraam had ik allang gezien dat het weer aan het verslechteren was. De zon was minder zichtbaar en er trok een egaal grijze bewolking over de hemel, waarin nog slechts een lichte plek zat.
Ik vroeg mij herhaaldelijk af hoe laat het was; ik had mijn horloge vergeten. De bruine klok op de schoorsteenmantel wees tien over vier; maar die liep waarschijnlijk niet gelijk, die klok was oud; bovendien wist ik dat dit geen huishouden was waar de klokken gelijk liepen. Een langwerpige bruine boven de theekast stond op vijf over half twaalf... De oudste broer vroeg na een poosje uit het voorkamertje met klagende stem de radio maar helemaal af te zetten, "want zo kon hij toch niet studeren?"
Och, die dienst wilde ik hem wel bewijzen. Stoffel gaapte.
Weer was het stil. Alleen het tikken van de klok en gestommel uit het keukentje waren hoorbaar.
"Wat doen we morgen eigenlijk," vroeg ik. Het was ongeveer mijn laatste hoop; ik had bedacht dat het morgen, onder betere omstandigheden, mogelijk moest zijn alle impasses en verveling achter ons te laten door met frisse moed iets te ondernemen, waardoor het misschien weer beter zou gaan.
"Ik ga morgen logeren bij ome Chris," antwoordde Stoffel trouwhartig, nadat hij zijn bijziende blik even op mij had gericht.
O ja dat was waar ook! Dat had hij me inderdaad verteld! Niet eens lang geleden, maar ik had het vergeten!.. Een domme vraag, alsnog een flater op het eind... en nog wel tegenover Stoffel met zijn slome gedachten... Ik kon mij dan wel voorhouden dat zo'n "afwezigheid van geest" iedereen wel eens kon overkomen, maar ik voelde de schaamte op mijn gezicht en hoopte dat hij er niet veel van had gemerkt.
Tegen half vijf fietste ik met een verder opkomend gevoel van neerslachtigheid en mislukking naar huis. De hele hemel was inmiddels met dichte bewolking overdekt, al was het nog droog. Het vakantiegevoel van vanochtend was totaal verdwenen. Ik probeerde nog wel te denken: dat men bij zulk somber weer vroeger van Amsterdam heel mooie foto's had gemaakt, maar zelfs dat beeld van gelukkiger dagdromen maakte mij niet opgewekter. 's Middags om deze tijd, peinsde ik, dan kan ik me niets prettigs meer voorstellen. Dan begint het "verkeerd" denken. En het is nog wel vakantie, de grote schoolvakantie waarnaar ik al zo lang heb uitgezien, met de zomer, de bomen in het groen... Ik zou dus eigenlijk heel gelukkig moeten zijn...
Dat het gevoel van spijt hierna nog sterker werd, kon ik met geen mogelijkheid tegenhouden.
Toen ik bij ons huis was gekomen, bonsde mijn hart of ik hard had gefietst. Tot mijn onaangename verrassing vond ik de achterdeur van ons huis op slot; terstond geheel moedeloos ging ik de sleutel uit de wasschuur halen en maakte de keukendeur los.
In de keuken stond op het petroleumstel de vleespan te pruttelen. Het was warm in huis alsof de kachel nog volop brandde. De geur van het gebraden vlees deed mij aan aangebrande melk denken en liet zich zelfs voelen in mijn de laatste tijd een beetje zwakke maag. Geuren schenen belangrijk tegenwoordig... over de raadselachtige betekenis daarvan dacht ik na, terwijl ik bezweet mijn jack aan de kapstok hing.
Op de tafel in de achterkamer lag een briefje waarop mijn moeder in haar schoolse schrift had geschreven dat ze boodschappen aan het doen was. Op het tafelkleedje stond een vaas met blauwe gladiolen die muffig geurden. Ik word van alles moe, zei ik in mezelf, het zijn de dingen die iedere dag weer terugkomen; de middag, de geuren, de gedachten, het weer, de kamer. Ik hoorde de wind ruisen in de appelboom tussen de schuren en zag de schaduwen bewegen op het behang en de schoorsteenmantel. "Tijd van leven," mompelde ik.
Ik legde het briefje terug en liep naar het voorportaal. Van dit huis houd ik eigenlijk niet meer, zei ik in mezelf. Vroeger leek alles zo erg niet, maar het is geleidelijk zo geworden. En er valt niets tegen te doen.
Ik hees mij met trage stappen de trap op en liep over de zolder, waar enige lakens en een lichtblauwe wollen deken te drogen hingen, door naar de slaapkamer. Valer, ouder dan anders leek alles. Laatste hoop, mompelde ik. Ik pakte de box van het theekastje, nam voorzichtig de film eruit, plakte het schutblad vast en legde het rolletje op het blad. Vervolgens tilde ik het luik van triplex op, waaromheen ik stukken van oude binnenbanden had gespijkerd voor de afdichting en klemde het met vier wervels voor het dakvenster vast. Daarna trok ik, op een stoel staand, het matglazen lampekapje door de opening naar binnen en draaide het lampje in de plugfitting los. Tenslotte propte ik in de opening het slaapkamerkleedje.
Hierna ging ik afgemat op het bed zitten. Mijn hart voelde ik overdreven voort bonzen. Bewegingloos staarde ik in de schemering. Fragmenten van wat ik vandaag had beleefd trokken, zonder dat ik dat wilde, voorbij, de watertoren, foto's maken, bij Stoffel thuis... Mijn wangen gloeiden of ik koorts had.
De tijd verstreek, de minuten zonken weg, zonder dat ik aanstalten maakte iets te doen. En evenals de langzamerhand zo tegenvallende eerste vakantiedag begon dat mij te verontrusten. Ik bleef echter zitten op het bed. Verdere voorbereidingen om aan het werk te gaan, trof ik niet; ik was weer in die verlammende mengeling van vermoeidheid en inertie beland, die ik maar al te goed kende en waarvan ik ondervonden had er niet op eigen kracht aan te kunnen ontkomen.
Ik stelde vast dat zich gedurende het laatste jaar een onmiskenbare neergang in mijn leven had ingezet. Dat kon ik aan alles merken, en wist toch niet hoe het kwam. Ik bemerkte uitgerekend k die droomachtig had willen leven dat het je bezighouden met dingen die prettig behoorden te zijn, of zelfs de voornemens daartoe, onoverkomelijke tegenzin en moedeloosheid opriepen. Het was of op die middaguren alle mooie herinneringen en veelbelovende toekomstplannen waren verbleekt en zinloos geworden.
Slechts 's morgens met mooi weer, ja dan leek alles er nog wel aanvaardbaar uit te zien. Maar als eenmaal weer dat gele of grijze namiddaglicht ging heersen, dan werd alles zo ontzield en zonder doel... Droomachtig leven, hoe had ik daar ooit in kunnen geloven...
En als ik mij afvroeg hoe dit toch allemaal zo kwam, dan ontmoette ik slechts raadsels en duisternis. Toch kon ik mij nooit aan de suggestie onttrekken, dat de oorzaak van dit alles niet alleen aan mij lag, maar zich toch ook buiten mij moest bevinden, in huis... de straat, de school, de omgeving, in de tijd, zelfs in het weer... terwijl alles om mij heen leek uit te ademen: zoals het vroeger was, wordt het nooit meer..
Na een poosje vond ik, in een poging de matheid en knagende gedachten van me af te zetten, dat ik aan het werk moest gaan. "Zien hoe de foto's van vanochtend zijn geworden." Ik bracht me er toe op te staan, het ontwikkeltankje en de flessen uit het theekastje tevoorschijn te halen, en de klemmende deur dicht te trekken. Maar vervolgens ontstak ik de rode lamp niet, raakte de ontwikkelflessen niet aan, liep terug en ging weer op het bed zitten, als om de voorgaande lusteloosheid verder over mij heen te laten komen.
Toen ik enige minuten in het donker zat, zag ik overal kiertjes licht en kon ik duidelijk stoelen, linnenkast en glimmende zeilvloer van het kamertje ontwaren.
Ik kon er echter niet toe komen de bakelieten doos met vloeistof te vullen en mijn belichte film te ontrollen. De foto's waarop ik vanmorgen zo mijn best had gedaan, leken zinloos en achterhaald.
Ik vond het na een tijdje benauwd in het steeds minder donker lijkende kamertje en zette de deur weer op een kier. Daarna liep ik terug en nam opnieuw plaats op het bed. Willoos en afwezig luisterde ik naar geluiden die van buiten doordrongen: een klap van een huisdeur, een op afstand voorbijrijdende auto, een flard van een stem, gerammel van melkbussen bij de handelaar drie huizen verder; gedempt gerucht dat zich mengde met het zachte gesuis van de stilte in mijn oren.
Hier zit ik dan, dacht ik, als een gek of zenuwzieke die zichzelf heeft opgesloten in de duisternis.
Of waren de ontmoediging en hopeloosheid toch alln aan mezelf te wijten? Moest ik op momenten maar wat opgewekter zijn, zorgelozer door het leven stappen, niet zo tobben, kop op en lachen, dan zou het wel beter gaan? Maar als ik eenmaal weer in de moedeloze gedachtencaroussel was terechtgekomen, dan wist ik allang dat onder deze omstandigheden, in dat grijze licht, het onmogelijk was levenslustig te wezen. En dan voelde ik mij tegelijk zo eigenaardig tekortgedaan.
Hoe vaak had ik trouwens al vastgesteld, dat zelfs als er, heel misschien, wel een uitweg zou zijn en ik een ander leven zou willen leiden, dit een onmogelijke aanpassing zou vergen, en ik er nooit in zou slagen blijvend iets aan mijzelf te veranderen. Dat was altijd dezelfde hopeloze conclusie.
Met schaamte bedacht ik dat al deze overwegingen zo geheim en onbegrijpelijk voor anderen waren, dat ik er nooit met iemand over zou kunnen praten.
Tegen het dakvenster hoorde ik dat het inmiddels was beginnen te regenen.
Ik trok mijn benen op het bed, en ging op mijn zij liggen. Mijn ogen hield ik open.
"Zelfs slapen nu zou geen oplossing zijn," mompelde ik.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Ren Claessens