zondag 24 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Noordwestenwind - Afl. 1 van 4
Gepubliceerd op: 12-02-2011 Aantal woorden: 2098
Laatste wijziging: 09-11-2015 Aantal views: 1746
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Noordwestenwind - Afl. 1 van 4

Henk Gruys


Toen ik wakker werd, was het in mijn slaapkamertje heel licht. Dus was het lt, later dan doordeweeks wanneer ik naar school moest. Dat bracht me even in verwarring... want zondag was het toch ook niet...
Toen drong tot mij door dat vandaag de zomervakantie was begonnen en ik mij over school helemaal niet hoefde te bekommeren. Ik bleef deze weelde overdenken en werd wakkerder, met de gewone beelden van de dag, ons huis, de straat, de omgeving, de school... en het boek waarin ik de vorige avond had zitten lezen.
Door het ijzeren dakvenster boven mijn bed was een stukje blauwe hemel te zien; ik volgde een scherp getekende witte wolk. Geleidelijk voelde ik mij energieker worden, nam mijn bril van de stoel, trok de deken weg en ging op het bed staan. Ik zette mijn door schimmelvlekjes aangetaste dakraampje op de pin en keek door de kier naar buiten.
En prachtig weer was het! De ochtendzon scheen buitengewoon helder op de huizen aan de overkant en er hingen grote witte wolken boven de daken.
"Noordwestenwind!" zei ik in mijzelf. Ik bezag de zonneschijn op de kapellen en de schoorstenen, de stegen, waarin zware ochtendschaduwen lagen. "Noordwestenwind geeft de helderste luchten en prachtige wolken; het beste weer om buiten foto's te maken."
Door dit klare licht en de vakantie voelde ik mij tamelijk zorgeloos. Zelfs het uitzicht op de overkant (hoeveel maal had ik dat al gezien?) scheen minder gevoelig voor de kwellende en versomberende vragen van anders. En ik nam mij voor 's avonds nooit meer zo te piekeren en te tobben, zoals ik de laatste tijd vaak deed. Onterecht, dat bleek op deze mooie vakantiemorgen weer eens.
Een frisse ochtendkoelte trok door het dakraampje langs mijn gezicht en blote schouders. Verwaaide geluiden van rijdende auto's in de Hoofdstraat en geklop van een matje dreven aan.
Maar ik wilde niet langer treuzelen, haakte het dakvenster op een kleinere kier, stapte van het bed en begon vlug mijn kakibroek aan te trekken en mijn kousen.
Van vandaag af, nam ik me voor, zou ik alles op een andere, prettige manier gaan doen; ik zou mij alleen nog met leuke dingen bezighouden. Gedachten over school, het huis, de straat waarin ik al zolang woonde, eigenlijk heel de essentie van mijn bestaan van veertienjarige leken bij alles vaag op de achtergrond mee te doen.
Terwijl ik me aankleedde, zag ik uit mijn ooghoeken het slaapkamertje, het houten ledikant, crme-met-blauw geschilderd, twee stoelen en de linnenkast in dezelfde kleuren. Het geheel ademde mijn leven uit; dit kamertje was ooit door mijn vader van de zolderruimte afgeschut met twee slappe wanden van behang, het plafond was van grijs geverfd karton in blauw latwerk. Bovenin had hij een vierkante opening uitgespaard waarin een klokvormig matglazen lampje hing. Van praktische zuinigheid was dit een voorbeeld, want zo kon dit ene lichtpunt zowel slaapkamer als zolder voor dezelfde stroomkosten verlichten.
Nadat ik mij had aangekleed, ging ik naar het theekastje dat tegen de behangwand stond en klapte de voorkant omlaag. Daar stonden, in plaats van een theeservies, mijn flessen foto-ontwikkelaar en fixeer, een door chemicalin vlekkerig geworden ontwikkeldoos, drie gemailleerde fotobakjes en het afdrukraampje.
Het was nog pas enkele maanden dat ik fotografie beoefende. Het betekende dat ik niet alleen foto's nam, maar ook mijn films ontwikkelde en afdrukjes kon maken. De fotografie had de afgelopen maanden veel aangename gedachten gegeven en prettige vooruitzichten bij alle verveling en alledaagsheid die ik tegenwoordig zo vaak (en ietwat verontrustend) ondervond.
Uit het kastje kwam flauw de geur van ether; van die vluchtige stof moest je volgens voorschrift altijd een paar druppels op de ontwikkelaar gieten om deze niet te laten bederven tot koffiebruin vocht. Geuren konden aangename herinneringen oproepen, veelbelovende perspectieven openen die op fotografie betrekking hadden. En vanmorgen werd mijn gevoel van voorspoed nog versterkt door het denken aan de fotofietstochten die ik komende dagen zou kunnen ondernemen. "Zelfs naar zee, want die is hier maar vijftien kilometer vandaan." Broos leek mijn gemoedsrust toen weer... en ik twijfelde of ik misschien t rooskleurige verwachtingen had voor de komende tijd. Maar daarop stelde ik dat met een beetje goede wil en doorzettingsvermogen het deze keer wel zou meten lukken.
Ja, vanmorgen zou alles naar wens verlopen. Ik sloot het kastje, want ik voelde mij te onrustig om, nu het zulk mooi weer was en ik zoveel plannen had, langer te wachten. Ik stak de zolder over in een wak zonlicht dat op het vloerzeil scheen; en intussen mijmerend over wat ik allemaal zou gaan doen, begon ik langzaam de trap af te dalen, bij iedere stap mijn gedachten toeknikkend. Ik memoreerde de tekening in het boek om zelf een fotovergrotingstoestel te bouwen; dat boek ging ik nog eens bekijken...
Toen ik onze huiskamer binnenkwam, was daar niemand, maar mijn moeder had mijn boterhammen op tafel klaargezet.
Terwijl ik het brood met chocolavlokken opat, kwam het mij voor of ik in een soort huis zonder wanden zat, bijna als in de buitenlucht; misschien omdat onophoudelijk de zon doorbrak en weer verdween voor een paar seconden en ik steeds aan de noordwestenwind moest denken. De vakantie is begonnen met prachtig weer, zei ik telkens bij mezelf. De eerste dag is al goed!
Toen het ontbijt op was, leek het dat ik nog niet toe was aan de uitvoering van mijn plannen. Ik stond op en ging naar de voorkamer.
Het onderscheid tussen de kamers gold bij ons nog slechts in naam, want de laatste jaren liepen ze zonder scheidingswand in elkaar over; die was al lang weggehaald. Toch leek het in de "voorkamer" altijd killer, zelfs 's zomers; en ik rook weer de muffe eigenaardige geur die er altijd hing, die aan schimmelige chocola deed denken, die uit het dressoir of zelfs uit de fruitschaal leek te komen. Ik kon mij niet anders heugen dan dat het hier zo rook.
Maar ook de geur maakte mij deze morgen niet zwaarmoedig, zoals 's avonds, als ik aan het bureautje mijn huiswerk deed. Vanmorgen leek alles, bruine meubels, vloerzeil, karpet, bureau en ingelijste platen aan de wanden van weinig betekenis en licht van gewicht.
Ja zei ik bij mezelf, ook deze kamers, al zijn ze nog zo bekend, horen bij de nieuwe start, en ik keek om naar waar het zonlicht in schuine banen binnen viel. Beslist droomachtig moest ik gaan leven, concludeerde ik, heel anders dan tot nu toe. Op die manier zou ik, wist ik zeker, vanzelf van de ene prettige situatie in de andere terechtkomen.
Ik zag mijn moeder buiten langs het achterraam gaan met de wasketel om in de keuken op het gas te zetten. Ik keerde me om, liep naar het bureautje, pakte mijn boxcamera, haalde hem uit het tasje en onderzocht in het rode venstertje achterop hoeveel opnamen er nog op zaten. Vier. Daarna liep ik naar de voorramen, schoof een plant opzij en nam, behoedzaam of ik aan het spioneren was, de huizen aan de overkant in mijn zoekertje op.
Maar ook nu leken die verweerde bakstenen gevels, ramen en voordeuren, ondanks de zonneschijn, niet de moeite waard om er een foto aan te spenderen. En ook alle fotoboeken die ik de laatste tijd in de Openbare Leeszaal had ingekeken, maakten duidelijk dat er van zo'n onderwerp geen mooie foto ws te maken. Daarvoor konden, begreep je, uitsluitend stokoude, halfbeschaduwde straatjes, landschappen met stapelwolken, spooremplacementen met enorm rokende locomotieven, nevelige Amsterdamse grachten of sneeuw op opgestapelde boomstammetjes dienen...
Maar eigenlijk was ik ook niet van plan om hier de sluiter te laten klikken; ik wilde alleen de camera in handen houden, de knopjes en hendeltjes voelen, turen in de postzegelgrote zoekertjes en heimelijk de "fotogeur" opademen die de box had. Ik was nog zo onervaren met de materie, dat zulke speelse, half ernstige handelingen mij iedere keer weer een geluksgevoel gaven. Dus bekeek ik alles met mijn camera, deed stappen opzij, naar achter, naar voren. Richtte op de wolken...
En het mooiste hield ik natuurlijk voor het laatst. Ik haalde voorzichtig het geelfilter uit het doosje, recapitulerend wat ik in de fotoboeken daarover was tegengekomen.
"Het middelgeelfilter zorgt voor een betere afbeelding van
wolken en hemel. Het maakt in het algemeen de weergave der
toonwaarden op ortho- en panchromatisch materiaal bij
daglicht juister."

Het was een formulering die een welhaast betoverende werking op me had. Foto's in tijdschriften die met zo'n filter waren opgenomen, leken mij nog blijmoediger te maken dan andere.
Ik hield het citroengele glaasje in nikkelen ring voorzichtig voor de lens, want het was van te kleine maat om het erop vast te klemmen toen voor het zoekertje, en op het laatst tuurde ik er even door naar de wolken. Daarna borg ik haastig camera en filter op in het tasje, hing het om mijn hals en liep door naar de keuken.
"Ik ga hoor," zei ik tegen mijn moeder, terwijl de lauwe zeepdamp mijn bril besloeg. Mijn moeder stond met een schort voor achter het gasstel en roerde met een houten spaan in de wasketel. Op de kokosloper lagen overal slordige hopen wasgoed.
"Doe je windjack aan," zei ze, "want het is koud."
"'t Is juist mooi weer," wierp ik tegen, "er staat alleen een beetje wind. Maar je kunt hem wel aan hebben", gaf ik toe omdat ik het toch al van plan was.
"Eigenlijk moest je even voor me naar de slager," zei zij, terwijl ze aarzelend met een prop zakdoek aan haar neus veegde, "kun je dat eerst nog niet even doen?" "Nee, daar heb ik geen tijd voor," antwoordde ik, het jack dichtritsend, "ik ga weg, anders is het de moeite niet meer."
"Kom je dan niet te laat terug voor het eten? Twaalf uur komt vader thuis. En kijk je uit? Waar ga je heen?"
"O, vlakbij," zei ik een beetje onwillig door al deze bemoeienissen op het laatst nog. Ik opende de buitendeur. Toen ik het stoepje afstapte, koelde de damp om mij heen sterk af.
Ons achtererf was niet groot; er stonden twee schuren en er waren terzijde van het middenpad twee tuintjes, in het linker waarin een flinke appelboom wortelde.
Met een nerveus gevoel reed ik mijn fiets uit de werkschuur, opende de klinkdeur naar de steeg en sprong in het zadel.
Meteen energiek op de pedalen fietste ik onze straat uit. Die kwam uit op de veel bredere Eemstraat, tegenover twee winkels met een pleintje ervoor. Was onze straat zo smal en donker dat de zon zelfs 's zomers de paarsige klinkertjes alleen via de stegen kon beschijnen en het vocht opdrogen, in de Eemstraat straalde het licht en de zon me volop tegemoet. Magnifieke wolken hingen in een reusachtige koepel boven de stad en ik voelde mij opgewekter dan ik sinds lang was geweest.
"Vandaag moet het allemaal lukken," zei ik bij mezelf, "met de vakantie en dit weer, alles is er gunstig voor."
In de Eemstraat was het stil. Misschien door de maandagse wasdag, veronderstelde ik, want doordeweeks om deze tijd was ik hier niet vaak. Ik sloeg de Forinthstraat in, en aan het eind bereikte ik de autoverkeersweg. Druk was het niet; ik stak over en nam het rijwielpad, dat langs die weg naar het noorden loopt.
Terwijl ik krachtig voortreed, bedacht ik dat het een groot voordeel van de hobby fotografie was, dat je er alln op kon uittrekken. Dat je er anderen niet bij nodig had. Zlfs kon je zo je eigen ideen beter uitvoeren! En ik moest onwillekeurig denken aan oude afbeeldingen die ik in een boek van de Openbare Bibliotheek had aangetroffen van een gebaarde artiest die met een grote platencamera op z'n rug door het land trok; overdag zijn glasplaten belichtend en 's avonds zijn negatieven ontwikkelend, zoals ik mij dat voorstelde. Zo'n leventje zou ik ook wel willen leiden...
Maar voorlopig kwam daar nog niets van in.
(Wordt vervolgd met nog drie afleveringen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en Ren Claessens