woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Nonchalance
Gepubliceerd op: 08-11-2010 Aantal woorden: 3076
Laatste wijziging: 04-04-2018 Aantal views: 1335
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Nonchalance

Henk Gruys


Dit is het verhaal over een student die Job Leertouwer heette. Of eigenlijk over de omstandigheid dat ik z tegen hem opkeek, dat ik jaloers op hem was.
Ik ben iemand niet zonder exaltatie, dat geef ik toe; een eenzaam mens, en sta geheel op mezelf. Vrouw of vriendin heb ik niet, en veel vrienden evenmin. Ik kende deze Leertouwer alleen doordat wij aan dezelfde universiteit studeerden en in dezelfde stad woonden. Aldus ontmoette ik hem regelmatig, vrijwel uitsluitend bij gelegenheid die de studie betrof. Er was trouwens geen sprake van echte vriendschap laat staan dat we bij elkaar over de vloer kwamen.
Wat dan wel? Kort gezegd: pure fascinatie. Betovering door de eigenschap die het meest van hem opviel: zijn uiterst gemakkelijke gedrag, zijn schijnbare zorgeloosheid en optimistisch-nonchalante houding bij alles wat hij deed. Niets meer en niets minder.
Bij anderen zou zijn pose waarschijnlijk niet eens zijn opgevallen, maar ik heb, door gebrek aan voldoende eigen presentatie talloze malen geprobeerd mij in gezelschap net zo losjes en onverschillig te gedragen als deze Leertouwer. Dat mag dan curieus lijken, maar ik ben met enorme onhandigheid en verlegenheid behept, voortvloeiend uit tal van complexen die mijn leven ernstig ontregelen vandaar. Ik kan mij niet ontspannen voelen tussen anderen.
Uiteraard lukte het niet de imitatie van zijn persoon, dit hachelijk toneelspel, langer dan twee minuten vol te houden... Om daarna weer terug te vallen op mijn eigen nutteloze en krampachtige gedrag van mislukking en zelfverwijt...
Nu bestaan er volgens mij twee soorten nonchalance. De eerste is die irritante "wat-heb-ik-ermee-nodig"-mentaliteit. De ongeliktheid die je aantreft bij fantasieloze proleten en goedkope druktemakers die de aarde zo overvloedig bevolken. Maar er bestaat ook nonchalance op verfijnde wijze; een die zich kenmerkt door voortdurend, schijnbaar achteloos, maar beheerst, zorgeloos en moeiteloos te reageren op alle toevalligheden in het leven. Volgens mij ht kenmerk van echt nonchalante personages. Deze Leertouwer nu was naar mijn idee een waar genie op het gebied van de absolute natuurlijkheid en onbekommerd genieten.
Maar nu dat voorval. Aan deze ongelukkige en onzinnige geschiedenis heb ik een schuldgevoel overgehouden. Wat is er precies gebeurd?
Ondanks mijn karakterachterstand en grote bedeesdheid was ik op de bewuste avond vroeg aanwezig op de kamer van Van der Karre. Deze, derdejaars, was een dag eerder jarig geweest. Ik wilde mij, hoewel in mijzelf gekeerd, toch weer niet t veel aan het sociale leven van de universiteit onttrekken en bij Van der Karre was altijd iedereen welkom. Waarom hij zijn jaardag een dag later vierde, weet ik niet. Maar de verlate visite, voornamelijk lui uit de studentenwereld en enige vrienden of buren, telde aan het begin van de avond al een man (en vrouw) of vijftien. Wij allen hingen voorlopig wat rond op die iets golvend lijkende huurkamer, op de eerste verdieping van dat stokoude pand in de Breestraat waar Van der Karre verblijf had.
Het was pas acht uur in de avond, maar de drankvoorraad was al flink aangesproken en de kamer zag blauw van de rook van de sigaren waarmee Van der Karre was rondgegaan. Zelfs de paar aanwezige vrouwen zag ik een sigaar roken, met rare, onbeholpen trekjes. Van der Karre zelf is een rusteloze jongen met het uiterlijk van een enigszins van postuur gekrompen Anton Geesink. Hij was nu weer hier, dan weer daar. Hij zette uiteindelijk tegen de rook maar een extra raampje van zijn kamer open.
Het was de tijd van hoogzomer, hoewel het niet echt warm was. Ditmaal leek deze zomer een onbepaalde, ondefinieerbare periode in het seizoensverloop. Ook nu was het dubbelzinnigheid troef: de zachte hemel was voor de helft bedekt met fijne, fel witte wolken, waaruit af en toe een lauw buitje viel.
Job had ik nog niet gesignaleerd; hij was zelfs niet, zoals meestal, in de nabijheid van de vrouwen te ontdekken. Maar misschien haatte hij sigaren.
Toch voelde ik al: dit zal zo vredig niet blijven. Ik was reeds een weinig aangeschoten, maar de alcohol werkte vanavond niet zodanig dat ik er wat losser van werd. Integendeel, het maakte mij onrustig, alsof er iets vaags, maar benauwends stond te gebeuren, waar zich nog niemand van bewust was. Wel begon alles er door de drank wat waziger dan normaal uit te zien, zonder dat dit door de vlagen sigarenrook werd veroorzaakt.
Naarmate de avond vorderde werd het een gepraat en geroep van belang, vooral als er weer een groepje branieschoppers binnenkwam. Ik zag op zeker moment zelfs een kerstboom in de kamer staan, met brandende kaarsen en al. In juli! Een waarlijk studentikoos verjaarscadeau van de laatst gearriveerden!
De meesten studeerden rechten. Dat was uiteraard, zoals buitenstaanders hadden vastgesteld, om ng meer praatjes te maken. En dan vooral in de luizige advocatuur uiteraard; in de hoop niet alleen de komende jaren een riant honorarium op te strijken, maar ook magistratuur en slachtoffers regelmatig te kunnen schofferen. Want al heeft geachte "clint" negen moorden op een rij begaan, dan nog als pleiter je heilige verontwaardiging uiten over de infame beschuldigingen van mijnheer de officier, omdat er werkelijk geen beter mens dan juist deze verdachte op de hele wereld te vinden was! Zulk een vererende ambitie was de meesten dan ook duidelijk aan hun schijnheilige tronies af te lezen.
Op ogenblikken was het mij wel eens een raadsel waarom ik deze studierichting had gekozen. Want voor kouwe kak was ik ten enen male niet in de wieg gelegd, dat was duidelijk; ook uitdaging speelde nauwelijks een rol, en al helemaal geen zakkenvullerij... Misschien min of meer toeval?.. Nu ja, pillendraaien had mij ook nooit aangelokt, dat moet ik toegeven...
Job zag ik tot mijn teleurstelling nog steeds niet. Deze Job die zachtjes swingend door het leven ging. Het leek soms of hij bij alles wat hij deed onmerkbaar een deuntje stond te fluiten... En zulke mensen lukt in het leven ook letterlijk alles! En niet omdat zij dat niet serieus nemen. Oh nee, ze nemen het wel degelijk serieus, juist door er zich op strikt onserieuze, maar tegelijk onnavolgbare manier doorheen te bewegen! Ze lijken zich daarbij voor een bewonderend bespieder vreemd genoeg bijna onzichtbaar te maken.
Ik stelde intussen vast dat de aanwezige vrouwen of meisjes allemaal eenzelfde spaghetti-achtig kapsel droegen, van een vreemde onbestemde kleur, alsof dat voorschrift was voor studentes. Ook de decaan bleek gekomen om te feliciteren. Hij groette zelfs mij vriendelijk. Iedereen leek in mijn oren steeds luidruchtiger te worden. Wel begrijpelijk misschien, want na een dag hengsten op zijn kast wilde men 's avonds wel weer eens goed uitrazen. Misschien zou men straks dat leuke spelletje weer doen: een gekozene blinddoeken op een stoel en laten raden wat hij te zuipen krijgt. Jenever, cognac, wodka, wisky, enzovoorts. Rum, Berenburg, Spaanse wijn, noem maar op. Als hij het raadt, mag hij de drank opdrinken. Hopelijk zit er ditmaal geen glaasje urine bij.
Mijn sigaar verveelde me en ik hing hem zolang in de kerstboom. De kamerdeur naar het bovenportaal stond al de hele tijd open. Ik zag op de trap iemand staan kletsen van wie ik de naam niet kende, maar die ik in stilte De Reuzenpit noemde, naar Bordewijks verhaal: Dr. Testals Dubbelganger, omdat hij groot was en altijd witte pakken droeg. Ik lijk natuurlijk totaal niet op de ik-figuur uit dat verhaal, maar dit terzijde. In de buurt van de Reuzenpit hing ook Dorrestijn rond, zoals meestal. Ik sloop quasi-achteloos naderbij. Ik zag ook Sok, derdejaars, uiterlijk van een jonge Rimsky-Korsakov met zwart baardje en stalen bril. Het groepje was kennelijk iets van plan; dat leidde ik af uit een zekere geheimzinnigheid die van hen uitging. Omdat het feest van Van der Karre hen te saai bleef? Ik was ondanks de drank scherp oplettend; en steeds dwingender werd het dat ik mij niets van wat er plaatsvond moest laten ontgaan. Het was inmiddels zeer druk in het huis; wel zo'n man en vrouw of vijftig denk ik dat er rondliepen.
Plotseling ontdekte ik dan toch Job op de overloop, eigenlijk vlakbij, met zijn kortgeknipte, blonde krullekop, wit coltruitje en mooi tweedjasje misschien was hij later gekomen.
Ik werd ogenblikkelijk alert, maar sprak hem niet aan, bleef in zijn buurt en wachtte af. Het algemene gedrang leek op zeker moment zich uit te breiden tot de overloop waar wij stonden; er kwamen steeds meer mensen bij. Job leek zich lichtelijk te amuseren. Het dreigt wat uit de hand te lopen," spotte hij tegen mij, zonder een groet, zonder teken van herkenning, maar zijn gezicht zoals altijd n grijns. Ik wist niet precies wat hij bedoelde. De drukte?.. Of iets anders... Ik vroeg geen uitleg.
Ik moet bekennen dat het mij telkens verbaast dat hij altijd zo aardig tegen mij is. Tegen mij, de nauwelijks bekende, bleke onhandige medestudent, die toevallig in zijn nabijheid is omdat hij op dezelfde universiteit staat ingeschreven en per ongeluk bij dezelfde faculteit. Ik kan die vriendelijkheid volstrekt niet begrijpen, maar het maakt mijn verering voor hem des te subtieler.
Een onzichtbaar iemand met een bekakte stem in de buurt van de deur riep boven de herrie uit: "Geen kotspak aan de kapstok?" Die had zeker in dat taalboek van Battus gelezen. Alsof deze flauwiteit typerend was voor het niveau van de avond, sprongen Job, Dorrestijn, Sok en de Reuzenpit met grote sprongen de trap af.
Ik ging volgen op gepaste afstand. Ook anderen sloten zich aan, zonder dat het overigens een hele uittocht werd. Zo onopvallend mogelijk drong ik weer, toen we op straat waren, tot de voorste gelederen met Job door.
Dat gaat naar de kroeg toe, dacht ik. Maar dit leek vooralsnog onduidelijk. Het begon lauw te spatregenen. We liepen met ons achten of tienen, waaronder twee spaghettivrouwen, door de licht vochtige straat, marcherend in de maat, daarbij luide boeren latend. Ik merkte dat ik een champagnefluit vol jenever in mijn hand hield.
De meesten van de groep leken al behoorlijk bezopen, maar dat stond hen een ijverig en strak marstempo niet in de weg.
Toch gingen we niet naar een taplokaal in de oude binnenstad en zelfs niet naar onze vertrouwde soos aan de overkant. We staken grachten over, klosten lawaaierig over stenen bruggetjes en sloegen een paar hoeken om. Er werd geroepen tegen voorbijgangers en vooral gelachen om volstrekt onbegrijpelijke zaken. Job vooraan, gaf steeds tempo en richting van de parade aan.
In een volgende straat zette ik haastig mijn lege glas in een raamkozijn en holde terug naar de groep. Tegelijk zag ik de Reuzenpit, die zich eerder had laten afzakken, weer voorbijkomen op een paarse damesfiets met oranje vlaggetjes erlangs, zijn dikke witte broekspijpen gebogen onder het stuur. Sok stond op de bagagedrager, de rug gekromd, zijn handen op de schouders van de fietsendief. Ze reden de juichende groep voorbij en zwenkten vervaarlijk scheef de eerste de beste zijstraat in.
Waar gingen we naartoe? Ik wist het nog steeds niet. Toch leek men een vast doel voor ogen te hebben. Job dirigeerde ons onmerkbaar, straat in straat uit, steeg in steeg uit. Zoals hij alles onmerkbaar leek te doen en van de ingenomen drank was bij hem zoals gewoonlijk niets te bespeuren. Hij was op zeker moment zelfs in zwaar dispuut gewikkeld met een tweedejaars medicijnen, een droog figuur die Philippus van zijn voor- of achternaam heette.
We bereikten via een steegje het Kerksplein. De regen was opgehouden. Voor het godshuis reed de Reuzenpit rondjes op zijn opoefiets, maar Rimsky-Korsakov had hij onderweg zeker verloren, want die zag ik nergens. En misschien was er inderdaad iets afgesproken, want we gingen zonder omslag naar de hervormde kerk, stampten de blauwstenen stoep op en gingen naar binnen.
In de kerk marcheerden we eerst nog tussen de banken door, maar toen dat ging vervelen, leidde de polonaise ons via een zijdeur naar het vertrek met torentrap. Daar stuitten we op de koster, die bezig was met kaarsen, en verschrikt bezwerend: "Heren, heren!" riep. Dat had natuurlijk niet het minste effect, en we liepen hem gewoon voorbij. Wij, de generatie immers waar de hele toekomst van ons land van afhing, men moest van hen wat kunnen verdragen.
Ik deed nog wel mee, maar kreeg angst in het hart voor wat komen ging geplaagd als ik nu eenmaal word door hoogtevrees. Maar ik wilde mij, ook omdat Job erbij was, niet laten kennen.
Er kwam geen einde aan de donkere smalle trap en ons gestommel. We waren minder luidruchtig dan buiten, al zongen er nog een paar studentenwijzen. Het gekke was dat ik steeds moest denken aan alpinopetten, zomaar. Ik zag ze ook voor me, donkerblauwe, Franse, met zo'n steeltje bovenop. Hoe kwam ik hierbij? Door het amechtig klimmen, bergbeklimmen, de Alpen? Ik raakte de gedachte weer kwijt toen we steeds hoger kwamen en de bronzen kerkklok van een meter doorsnee passeerden. Ik zag het luidtouw door een vierkant gat in de vermolmde zoldervloer omlaag hangen.
De voorsten openden nu het deurtje naar de torenomloop. Hier hernam de vrolijke polonaise zijn gang, maar ikzelf hield mij, duizelig als ik was, zoveel mogelijk verwijderd van het hekje met de afgrond. Het uitzicht was vrijelijk over pannendaken, grijze cementgevels, volle zomerse bomen en grachtjes met hun bruggetjes en steegjes. De hele topografie van de antieke stadswijk was eraan af te lezen, en ik werd er draaierig van. De anderen schenen daar niet de minste last van te hebben; vier man leegden op de omloop onbekommerd hun volgelopen blaas, naast elkaar over het hekje. "Wl met de wind mee, h," hoorde ik Dorrestijn roepen, wel drie keer achtereen volgens mij. De meisjes lagen slap van het lachen tegen elkaar en tegen de wijzerplaat van de klok. De zon begon ook weer te schijnen, opeens, laag over de stad.
Job, onaantastbaar als altijd, scheen alles wat om hem heen gebeurde minder relevant te achten. Hij reikte mij zijn jasje aan. Ik voelde mij op het moment verrassend helder en nauwelijks meer dronken. Ik zag dat ze het ruige touw van de klok hadden meegenomen. Job wikkelde het hele bos om zijn arm, misschien wel een meter of dertig. De anderen riepen ondertussen van alles, moedigden hem aan en sloegen hem op de schouders. De vrouwen applaudisseerden, leken hem te willen zoenen.
Ik zag dat hij het uiteinde van het touw aan het hekje had geknoopt. En dat hij vervolgens het hele bos er als een lasso overheen wierp. Toen stapte hij kalm, en inwendig fluitend als altijd, langs het touw over de reling. Het swingde nog steeds bij hem; die houding had hem geen seconde verlaten. Nu liet hij zich achteloos aan het touw naar beneden zakken, als een alpinist langs een bergwand, met zijn voeten op de torenmuur. Ik zag hem niet meer van de plaats waar ik stond, maar de dikke knoop aan het hek was steeds in beweging.
Op dat moment kwam me te binnen dat een alpino ook wel studentenpet werd genoemd. En zo dacht ik juist dit raadsel naar tevredenheid te hebben opgelost, toen een meisje een snerpende gil slaakte waar geen einde aan leek te komen.
In het groepje bij de reling brak paniek uit. Sommigen wilden wegrennen zonder te weten waarheen, of sloegen in ontzetting hun handen voor het gezicht om niets meer te hoeven zien. Ik zag de Reuzenpit in zijn witte pak aan het hek een breed bezwerend gebaar maken, alsof hij iets religieus openbaarde. Hier en daar huilde men en iemand had zijn armen om een ander heen geslagen.
Job bleek naar beneden te zijn gevallen, met touw en al, zeker van twintig meter hoogte. Hij had die knoop met zijn bekende zorgeloosheid of wellicht automatisch rekenend op zijn gelukkig gesternte, er veel te losjes in gelegd en dat was hem noodlottig geworden. Hij lag met een verpletterde schedel beneden op het klinkerstraatje.
Zo vertrouwd was ik inmiddels met zijn zorgeloze levenshouding, dat ik me de volgende tijd niet kon vrijmaken van het idee dat hij tijdens de val, liggend, nog comfortabel n hand onder zijn hoofd had gehouden alsof hij nog over zijn toekomst nadacht. Of dat hij, op weg naar zijn einde, de koster met de kaarsen voorbijscherend, nog even een komische grimas had getrokken. Als hij zich tegenover het leven zo luchtig opstelde, waarom dan niet tegenover de dood?

Ik heb me nog dikwijls afgevraagd of ik zijn ongeluk niet had kunnen voorkomen door hem op het gevaar van zijn escapade te wijzen. Of door op z'n minst het touw en de knoop te controleren. Maar dan zou hij mijn bezwaren glimlachend van de hand hebben gewezen.
Maar ik had het niet eens geprobeerd... Misschien als ik wat minder had gedronken... misschien dan, misschien...
Op het fatale moment stond ik slechts dom, met zijn mooie jasje nog in mijn hand, met knikkende knien op de torenomloop tussen de schreeuwende en snikkende anderen.

Ik ben niet naar hem wezen kijken toen hij in de aula opgebaard stond, in gesloten kist.
Lauwhartigheid of zelfs verraad? Was de bewondering voor zijn persoon dan niet meer geweest dan een vluchtige illusie? Een droombeeld over een gedealiseerd personage?..
Maar het was geen gebrek aan moed of wegschuilen; een week eerder had ik in de krant een door een professor geschreven stuk gezien met de weinig hoopgevende kop: "De dood is een tamelijk morsige aangelegenheid."
Daar moest ik steeds aan denken, tot de dag van de teraardebestelling toe.
En ik vond het enige eerbetoon dat ik hem kon geven: het beeld zoals ik dat van hem had opgebouwd, zo weinig mogelijk te laten besmeuren door zo'n stom en onsmakelijk ongeluk.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens