zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Onthulling - Afl.1van 2
Gepubliceerd op: 03-11-2010 Aantal woorden: 3137
Laatste wijziging: 06-12-2015 Aantal views: 1208
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Onthulling - Afl.1van 2

Henk Gruys


Die middag was het in de huiskamer van Alit een grote bende. En zijzelf was het die de vloer van haar kamer steeds meer bezaaid had doen geraken met tijdschriften, boeken, foto's, krantenknipsels en opgerolde tekeningen. Uit slordige stapels trok zij telkens andere papieren tevoorschijn die zij in brede, gebroken waaiers op de grond stortte.
Na alles haastig doorzocht te hebben, stond zij iedere keer zuchtend op en haalde weer nieuwe bundels uit de kasten; diepte ze nog meer paperassen op uit kartonnen dozen of laden.
Maar hoeveel planken zij ook al afzocht, hoe vaak zij de paneeldeuren van haar kastmeubilair al had doen openzwaaien, zij kon de brief maar niet vinden.
Af en toe overwoog ze, als de vermoeidheid weer in volle hevigheid op haar neerdrukte, het zoeken te staken. Maar dan weer was volgens haar de brief zo enorm belangrijk dat zij haar inspanningen hem te vinden geen moment kon laten verflauwen.
Zij voelde zich van het voortdurend lopen en bukken in de kamer en door de spanning van de situatie toch al zo zenuwachtig. En nu ging ze van vermoeienis slordigheden en ongecontroleerde acties vertonen. Dientengevolge had ze een paar maal per ongeluk een tijdschrift vertrapt, was zij zelfs een keer op een boek gaan staan, waardoor de band was losgescheurd. Ja, ze was uitgeput; zij had de laatste tijd ook zo slecht geslapen...
Veel ruimte om zich te bewegen had ze in haar kamer ook niet. Zo stonden er de meubels die zij van haar ouders had gerfd. Niet veel daarvan had zij alleen al om de herinnering willen wegdoen. Bovendien had zij de laatste tijd regelmatig zelf aankopen verricht. Vooral waren dit kasten. Daarvan stonden er wel vier in het vertrek; grote staande antieke exemplaren, die als gevolg van haar aangeboren bewaarzucht bijna alle met de meest uiteenlopende geschriften en bedrukt papier waren gevuld.
Des te vreemder dat zij die brief niet kon terugvinden. Want natuurlijk kon hij niet weggeworpen zijn! En met hernieuwde ijver wierp zij zich op de bundels, verplaatste zij weer van alles zonder dat de wanorde eigenlijk iets verminderde.
En ook zonder dat zij minder wanhopig werd! Want o, telkens als zij terugdacht aan dat voorval, op die avond een week geleden, dan leek het wel of het leven voor een deel uit haar wegvloeide. En zag zij de ramp weer voor zich. Precies de situaties, exact de kleuren en vormen van alles, de geluiden in die zaal. Nog hoorde zij Louis' stem, zag zij als in een droom zijn lippen de woorden vormen terwijl hij sprak, zijn hoge voorhoofd, gouden bril en onberispelijke merkkleding.
Zoals zij beiden hadden vertoefd in het bekendste Hongaarse restaurant van de stad... Het was daar die zaterdagavond zo druk geweest met luid converserende gasten en met dienbladen rondhollend personeel, dat het leek of dat jankende en zagende zigeunerorkest middenin er eigenlijk niet meer bij had gekund.
En o, ze wist nog precies wanneer het ogenblik voor Louis leek aangebroken om haar die onthutsende mededeling te doen. Dat was toen de zigeunerprimas van het orkest, een man met een glimmende, bijna kegelvormige schedel, waar zijn vette zwarte haren aan de achter- en zijkant tegenaan geplakt waren, opnieuw zijn viool onder de kin bracht en vervolgens het gorgelend stuk dat zijn orkest net had beindigd en dat haar eetlust om een of andere reden toch al niet bevorderd had voor de tweede maal inzette. Dit geschiedde op verzoek van een der gasten, een oudere heer met grijs haar en in grijs kostuum. Maar het leidde haar zo af van de betrekkelijke vertrouwdheid van haar tafeltje dat het plots was of zij droomde. En juist nu had Louis op aarzelende toon gezegd dat zij beiden zich misschien eens moesten afvragen of hun samenzijn van de laatste tijd wel zo zinvol was geweest als het hun misschien had toegeschenen. Hij benadrukte: dat je je dat eventueel zou kunnen afvragen...
Was het toeval dat dit n gebeurde? Het leek van Louis' kant weliswaar meer een overweging dan een feitelijke constatering, maar het kwam haar in haar verbouwereerdheid voor dat juist dt moment van allesbepalende betekenis was.
Nadat zij de schrik weer wat te boven was, had ze gestameld: "Afvragen... maar waarom... Heb ik soms iets verkeerds gedaan?"
Zij werd duizelig en dacht: hij houdt niet meer van mij... Hoe is dat dan zo ineens gekomen?..
"Dat is het niet," had Louis met neergeslagen ogen geantwoord. "De kwestie is, we kennen elkaar nu enige tijd, en ik vind je ook nog steeds erg aardig, maar toch... doorgaan met deze afspraken... elkaar ontmoeten in restaurants... Ik bedoel... krijgt het zo langzamerhand niets iets... iets onwezenlijks, dit bijeenzijn... iets onechts..." Hij leek naar woorden te zoeken.
"Onechts? Hoe dat zo?" vroeg zij intens. "Wat zeg je nu? En dan zo opeens vanavond?.."
Maar Louis antwoordde dat hij dit vanavond niet zomaar even had bedacht; nee, hij vroeg het zich al vele weken af. Hij had het allang overwogen, was het ook niet voor honderd percent met zichzelf eens... maar kon haar wel verzekeren dat er van plotselinge verandering van gevoelens tegenover haar of zinloze impuls geen sprake was.
Zij had haar hand over het tafeltje verliefd naar hem toegeschoven, een flauw glimlachje tevoorschijn gebracht, zijn pols gepakt en gevraagd: "Wat wil je dan nog zeggen? Dat je mij... Dat je mij niet meer wil zien?" Zij wachtte, speelde met zijn vingers naast zijn bord. Louis antwoordde niet.
"En die brief dan?" Ze keek hem strak en hoopvol aan. Want deze brief dateerde pas van drie dagen terug. En daarin had hij haar juist uitgenodigd voor het etentje in dit poestarestaurant, en zich zelfs nog lovend uitgelaten over de hartelijkheid en warmte van hun bijeenkomen telkens. Want hoewel enigszins ongewoon misschien: ze schreven elkaar brieven. Deels omdat zij niet in dezelfde stad woonden en elkaar niet dagelijks ontmoetten, maar vooral ook omdat zij ooit had gezegd het prettig te vinden brieven te ontvangen. En dan vooral natuurlijk brieven van hem...
"O... die brief?" hakkelde hij, nog bedeesder dan anders. En daarop leek hij te beschaamd om er wat aan toe te voegen.
Ze had nu wel zijn beide armen willen vastpakken, hem recht in de ogen kijken, hem bijstaan om een uitweg uit zijn verlegenheid te zoeken. Maar deed toch niets... omdat zij dat eenvoudig niet kn... ze niet wist hoe...
"Ik weet niet meer precies wat ik heb geschreven," zei hij zacht. "Maar wat dat ook was, je moet het vergeten... er niet meer aan denken... En zeker je avond niet laten bederven door wat ik daarnet heb gezegd." Hij glimlachte verlegen, sloeg de ogen neer en trok zijn hand onder de hare uit.
Alit voelde zich tijdens het verdere verloop van het diner voornamelijk verdoofd, al kreeg zij ondanks haar verwarring na een poosje weer controle over haar gedachten. Want zij werd steeds ongeloviger over zijn uitlatingen. Hij beeldt zich iets in, dacht ze. Iets dat achter zijn woorden schuil gaat. Maar wat is het?.. Heb ik iets verkeerd gedaan? Nee dit is toch onzin, natuurlijk houdt hij nog steeds van mij! En er is vanavond niets gebeurd dat het tegendeel bewijst! Hoe kn hij dit zeggen... Hij is ook nog altijd heel aardig tegen mij. Het moet iets anders zijn, iets bijkomstigs, iets van weinig belang; want dit geloof ik niet; hij moet nadenken, dan komt hij wel weer tot ander inzicht.
Maar op een of andere manier leken Louis en zij niet meer op de juiste wijze met elkaar te kunnen spreken, en Alit kon geen hap meer door de keel krijgen.
Na het voor een deel onaangeroerd achtergelaten diner, reeds op de terugweg naar huis, was Louis zwijgzamer dan ooit. Ze zaten naast elkaar in zijn wagen. Alit hoopte dat hij op het onderwerp zou terugkomen, maar dat deed hij niet. Ze vroeg opnieuw waarom hij zich zulke dingen in het hoofd haalde. Maar ze kreeg geen andere antwoorden dan die welke hij haar al in het restaurant had gegeven. Alit prepareerde intussen wel tien beginzinnen voor een nieuwe aanzet, doch vond er geen geschikt om aan te voeren; en zo kon zij haar gedachten erover niet tot klaarheid brengen.
Voor haar huis had hij met een snelle kus afscheid genomen en was meteen weggereden in de duisternis. Weggevlcht leek het wel.

Maar eenmaal weer thuis en in eigen omgeving, raakte zij meer en meer overtuigd van de ongeloofwaardigheid van Louis' nog in haar echonde ontboezeming. Wat haar overwegingen voornamelijk bepaalde, (en ook beperkte), was: haar volstrekte onervarenheid in de liefde, in relaties met een man. Louis' aarzelingen, zijn terughoudendheid als ze iets grotere toenadering zocht zo heel ver waren ze nog niet gegaan hadden haar op zijn minst enige reserve in haar houding kunnen geven... Maar ze had niet de minste argwaan gehad. In haar naviteit geloofde zij dat juist de door haar opgemerkte distantie niet ongewoon was bij de diepste liefdesaangelegenheden, waar zij nog zo weinig van wist...
Ja zij was onervaren... zij wist het. Louis was de eerste man in haar leven. Vroeger had zij gedacht nooit een man te kunnen krijgen, omdat zij het idee had voor mannen niet aantrekkelijk te zijn. Zo was zij nog ongehuwd op haar vijfendertigste...
Toen was Louis gekomen... En zij werd meteen verliefd op hem; niet in het laatst doordat hij de eerste man was die enige aandacht aan haar gaf ... Ze kon hem al spoedig niet meer uit haar gedachten bannen. Louis, die zij boven alles en iedereen achtte, ja zo vreselijk bewonderde sinds hun eerste kennismaking twee maanden terug... Die zij bij zichzelf "haar grote liefde" noemde. Louis... hr Louis, altijd zo correct gekleed, zo zuiver en rein...
Dat hij mogelijk wat al te zachtzinnig was, op het weke af, soms wat neurotisch zelfs, en zo met zichzelf bezig, vermocht haar oordeel over hem niet noemenswaard te verscherpen.
Zelfs zou zij hem in zijn problemen kunnen bijstaan, dacht zij niet zelden. Hem helpen waar dit mogelijk was...

De dagen na Louis' gevoelsuitlating was zij steeds stelliger beginnen te geloven dat hij de mededeling in een melancholische opwelling had gedaan. Zij meende dat het volstrekt niet onmogelijk was, en dat mannen zoiets wel vaker hadden (hoewel zij daar absoluut geen ondervinding mee had), en hij wel weer spoedig ten goede zou veranderen.
Maar Louis liet niets meer van zich horen. En hoe zij ook haar best deed, hoeveel pogingen zij ook in het werk stelde hem te spreken te krijgen, zij slaagde daar niet in. Hij leek niet meer te bereiken. Niet op zijn kantoor en niet op zijn adres, zelfs niet via de telefoon.
Dit maakte haar zeer nerveus. Zij kon dit eenvoudig niet accepteren.
En nu had zij dit idee: ze zou Louis op haar beurt zo gauw mogelijk uitnodigen; bijvoorbeeld in een stil caf, waar geen muziek was. Of hem opwachten bij zijn werkadres. Of nog beter: hem inviteren op een etentje bij haar thuis. Dan zou ze op het juiste moment de brief tevoorschijn toveren, hem onder zijn ogen houden en zeggen:
"Je wist niet wat je geschreven had? Lees zelf dan wat hier staat; al die gemeende woorden, de uitnodiging voor die zaterdagavond in dat restaurant. Dat kan toch geen onzin zijn? Ach Louis, je was moe van het werken, misschien zelfs overspannen, het werd je allemaal te veel en je wist niet meer precies wat je wilde zeggen." Daarna zou het allemaal weer goed komen, helemaal, daarvan was zij overtuigd.
Zij had talloze malen zijn telefoonnummer gedraaid, brieven geschreven. Zij stond een uur voor zijn huis in die andere stad. Maar het wilde niet lukken contact te krijgen. Misschien... bedacht zij, na alweer een vergeefse reis, zat Louis onverwacht een weekje in het buitenland voor de zaak, zoals immers vaker. En dat hij dat door de drukte vergeten was haar te zeggen... Dan zou hij zeker, zodra hij terug was, weer naar haar toe komen... En alles wat hij gezegd had vergeten... en werd het weer als vanouds... enzovoorts enzovoorts...
Maar op minder voorspoedige ogenblikken, als zij zich realiseerde dat zij hem misschien moest overtuigen van zijn ongelijk zonder dat zij daarvoor iets zwaarders dan een brief kon inbrengen, dan begon het haar soms te duizelen...

Waar was nu toch die lichtcrme envelop... Zij staakte een ogenblik het zoeken, omdat zij zich door de middaghitte en nervositeit bijna geen raad meer wist. Ze liep naar de balkondeuren, om door het dichttrekken van de gordijnen tenminste de zonnestraling af te schermen en de warmte te verminderen. In het voorbijgaan stootte zij per ongeluk tegen de tafel. De koffiekan wankelde, viel bijna om en een deel van het niet meer drinkbare vocht vloeide tussen de kranten en tijdschriften. Maar zij was al zo afgestompt dat ze het niet eens merkte.
Ze schoof het overgordijn voor de balkondeur dicht op een kier na, maar liep niet meteen terug, keek nog even door de opening naar buiten.
Alit had zich al vaak in gemoede afgevraagd of zij in dit huis wel gelukkig kon zijn, gelegen aan de uiterste stadsrand. Hoewel haar woonomgeving in de buurt van de zee was, waar ze van hield, behoorde ze tot het meest stoffige en vervuilde deel van de provincie. De staalfabrieken en hoogovens in de nabijheid, die zonder ophouden vuil en rook de lucht in bliezen, hadden het omringende landschap hoofdzakelijk kaal gemaakt. Alles in de omgeving was bedekt met donkergrijs glinsterend stof en erts uit de zeestomers, waarvan de zware basstemmen in de loshavens soms te horen waren. Overal werden voor uitbreiding der complexen braakliggende terreinen opgekocht. Rond de laatste woonhuizen en afbrokkelende straatwegen strekten zich nog slechts golvende zandvlaktes uit, waarin slechts taaie grasplukken en doornige struiken, runes, kuilen, afval en uitgebrande vuurtjes van de spelende jeugd te vinden waren.
Een oud huis was het, dat van Alit, smal en torenachtig, een van de weinige die in de kaalslag nog overeind waren gebleven, of eigenlijk resteerde nog slechts de helft van het oorspronkelijke bouwsel. Een aanpalend gedeelte was jaren terug gesloopt. Stenen lidtekens stonden nog op de muren. Zelfs een deel van de oude vloeren was nog te zien als een slordig mozaek. Een roestig spoorlijntje liep in de buurt van Alits huis, op n plaats op niet meer dan vijf meter van haar verveloze deur.
Alit voelde duidelijk hoe moe zij was. Maar zij zou niet kunnen opgeven, ook de verdere middag, avond en misschien zelfs de hele nacht zou ze door blijven zoeken. Hoe onbegrijpelijk was dit manco; hoe was het mogelijk dat juist zijzlf de brief had weggemaakt! Het leek haar wel of het lot tegen haar samenspande! De gedachte aan de verdere beproeving maakte dat ze tranen in haar ogen kreeg van spijt en ongerief.
Stel dat de brief onvindbaar bleef, dan zou, nog afgezien van een verloren gegaan bewijsstuk, dit alles op z'n minst als een zeer slecht voorteken kunnen worden beschouwd... Een blijvende bijgedachte voor hun relatie ... Dit benauwde haar niet minder, bijgelovig als zij nu eenmaal was.

Juist was zij teruggekomen van de wc en gelopen naar de grootste kast in de kamer een reusachtig exemplaar van gevlamd mahonie met dubbele deuren, waarvan het uiterlijk iets had van een roofdier gereed voor de sprong toen de telefoon zich deed horen. En de bel ging op zeer dwingende manier. Het geluid had iets angstaanjagends, naar het haar door zenuwachtigheid toescheen. Tegelijk klonk het dof, minder hoorbaar dan gewoonlijk. Ze keek rond, waar was het toestel gebleven? Ze had zoveel rommel gemaakt, dat ze het niet meteen kon vinden.
Ze kroop op handen en knien door de kamer, haar te korte rok opgeschort tot de boorden van haar kousen, zoekend tussen stapels kranten, kunstaffiches en samengebonden pakketten ansichten, maar vond het niet. Hulpeloos bewoog ze zich in de chaos. Het was door het sluiten der gordijnen wel minder licht in de kamer geworden, maar niet minder warm, benauwder misschien zelfs nog. Met afkeer rook ze haar zweet dat als damp om haar heen leek te hangen.
Eindelijk vond zij de telefoon, in de buurt van de overgordijnen. Ze groef hem uit en riep hallo in de hoorn. Maar hoorde in de schelp een gebruis, als de branding van alle oceanen ter wereld. Storing op de lijnen was hier niets nieuws, want de geweldige fabrieken in de buurt benvloedden altijd de ontvangst. Ze legde neer en wilde opstaan, toen het belletje opnieuw ging. Maar nu was er helemaal niets meer in het apparaat te horen, alsof men de verbinding had verbroken.
Juist wilde zij zich voor de tweede maal afkeren, toen ze in de telefoon een verre stem opving, die zij dacht te herkennen. "Maggie?" riep ze op goed geluk.
"Waarom nam je niet op," vroeg een vrouwenstem verwijtend. Zij klonk lijdzaam als was ze ziek.
"Maggie," riep Alit, "dat vind ik aardig." Ze probeerde haar stem niet geforceerd te laten klinken, maar de onderbreking kwam haar natuurlijk nogal ongelegen.
Deze Maggie was een oud-collega, ooit ontmoet op het kantoor waar ze werkte, en een paar jaar jonger dan zij. Ongeveer twee jaar terug raakten ze bevriend, en plachten Maggie en zij wel samen te winkelen en kwamen ze regelmatig bij elkaar op de thee.
Maar een jaar geleden was Maggie naar een andere stad verhuisd en dat had daarin verandering gebracht. Alit had aanvankelijk het contact nog wel proberen te onderhouden, maar door gering enthousiasme van de andere kant hadden ze elkaar daarna nog slechts een paar keer ontmoet. Maggie was zelfs niet op de begrafenissen van haar ouders geweest. "Wat klink je zwak, ik kan je haast niet verstaan," riep Alit.
"Het gaat ook niet goed met mij," antwoordde de vrouw. "Ik ben niet in orde, eigenlijk al een hele tijd."
"Wat dan, waar ben je dan?" Alit bespeurde een duidelijke tegenzin in dit gesprek, maar onderdrukte die.
(Wordt vervolgd met nog n aflevering).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens