zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Brief - Afl. 3 (slot)
Gepubliceerd op: 26-09-2010 Aantal woorden: 2265
Laatste wijziging: 26-11-2015 Aantal views: 1239
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Brief - Afl. 3 (slot)

Henk Gruys


Voor een zijwand, op ezels, stonden drie kleine schilderijen. En ook die waren zo te zien zelfportretten en bijbelse voorstellingen tegelijk.
    "Zoals je ziet," zei de schilder, "het is nog steeds mezelf, alleen mezelf en niets dan mezelf! En dit is nog maar het begin!"
    "Is dit dan ook weer met echt bloed?" vroeg George zacht. En de ander knikte, terwijl hij quasi-onverschillig naar de werkjes staarde.
    Een jaar geleden of iets eerder was de vriend op het idee gekomen bloed, speeksel, haren, afgebeten nagels enzovoorts door zijn verven te roeren. En hoewel hij er soms een vlammende theorie over ten beste kon geven, had George dit idee van het begin af nogal bizar gevonden, en een tikje onsmakelijk bovendien.
    En ja hoor, daar begon de schilder weer te oreren over andere kunstenaars, de "groten uit de geschiedenis", die nooit zoveel naam en faam zouden hebben vergaard als zij niet ten uiterste geďntrigeerd waren door de artisticiteit die hen zo aan het hart ging. En dat híj, René van de Burg, dat ook nastreefde, maar anders, mogelijk nog intensiever. Dat hij zijn persoonlijke betrokkenheid, tot in het extreme toe, wilde uitdrukken door zich met alle bruikbare lichamelijke middelen rechtstreeks in zijn schilderijen te mengen! – Het leek George of de vriend van de gelegenheid gebruik wilde maken om weer eens flink tegen hem aan te kletsen. George luisterde maar half. Hij kon zijn aandacht niet lang bij de doodse schilderstukjes bepalen, voelde zich bovendien erg moe, misselijk van moeheid bijna, al hield hij zijn zwakte tegenover de vriend zorgvuldig voor zich. Hij rook intussen heel duidelijk de armoede van het kamertje, dat stonk naar schimmel, zweet en nimmer schoongemaakt meubilair, en in geen geval naar de verse geuren van lijnolie of terpentijn welke van nieuwe schilderijen afkomen. En alles wat de vriend nog meer zei over diens lichamelijke fascinaties, beďnvloedde Georges welbevinden nadelig; hij streek tijdens het betoog voortdurend over zijn kale hoofd met lange witte manen aan de kanten. Hij zou wel in een van de stoelen willen neerploffen, maar die lagen vol boeken en vieze verflappen.
    En de artist ratelde maar door over "het schilderen in het algemeen, en de schilder zijn persoonlijke inbreng in het bijzonder". En dat veel beeldend kunstenaars weliswaar hun invloed meestal met andere middelen deden gelden dan in de conceptie die hij voorstond. – Maar vergis je niet! Zelfs van een genie als Van Gogh was bekend dat hij altijd eerst in z'n geel pieste om de kleur dieper te krijgen..... Welnu, zulke lichamelijkheid, die intimiteit was het die hem de laatste tijd hoofdzakelijk bezighield. Hij had vorige week nog geďnventariseerd wat hij allemaal zou kunnen gebruiken... Inventariseren, vooraf alle mogelijkheden nagaan, dat was immers het halve werk!
    Vroeger was hij toch niet zo, dacht George, hij lijkt wel stapelgek geworden, direct snijdt hij nog zijn oor af om dat op z'n schilderij te plakken! De vriend had zich onderwijl omgedraaid met zijn trekbeen en struikelde bijna over een matje. Hij ging iets in een muurkast vol rommel zoeken, overhandigde George een verbleekt groen schoolschrift, dat hij verwachtingsvol opensloeg.
    George wist niet wat te zeggen, probeerde niet te lezen wat er allemaal was opgeschreven en keek slechts met starende blik. Nu de schilder zweeg, raakte hij intussen met zijn gedachten afgedwaald naar een heel ander niveau. Zijn leven van de laatste maanden... het afscheid... de brief vanavond... Hilda... het strand... haar gezicht in de zon... Was die brief toch niet een beetje een overhaaste beslissing geweest?.. Ik had haar misschien niet moeten schrijven, dacht hij, en zeker niet op déze wijze. Zó slecht had ik het toch niet met haar?.. Nee, ondoordacht had hij gehandeld en daar begon hij nu spijt van te krijgen. Het was een belachelijk idee, dat met die zogenaamde herkregen vrijheid oude tijden weer terug zouden komen. Onzin! Nooit keerden die weerom... Nooit...
    Hij stond nog steeds met het schrift in zijn handen, en de schilder was inmiddels op klagerige toon verdergegaan dat hij natuurlijk best wist dat het vreemd werd gevonden wat hij deed. Overigens door mensen wier ogen finaal met kleinburgerlijkheid zaten dichtgekoekt; wat in de eerste plaats op de officiële kunstwereld sloeg, die een maffia op zich was..... Kritiek die hem overigens geen klap kon schelen, denk dat niet. Maar over hooguit twee drie jaar, hij gaf het op een briefje, zouden al die lullige aanmerkingen wel verstommen. Dan zouden ze er wel achter komen dat wat hij deed eenvoudig nooit was vertoond!
    Was het niet een schandaal dat hij er tot die tijd een lijstenwinkel op na moest houden?! 'n Kleine middenstander spelen, dag in dag uit! En dan ook nog in een stad van uitsluitend barbaren en nietelingen, die hun geld liever wegsmeten aan onzin en lelijkte dan aan artistieke prestaties!
    George voelde wel iets van medelijden met zijn vriend, die voor zijn artistiek geploeter misschien wat meer verdiende dan alle hoon en onbegrip die hem stellig ten deel zouden vallen als hij met deze schilderijtjes op de proppen zou komen. Ja, als hij nu nog een mééstervervalser was geweest, die de hele kunstwereld op z'n kop zette, met niet van echt te onderscheiden Rembrandt's en Van Gogh's!.. Maar snot of pis door de verf roeren, dat kon iedereen, zou er worden gezegd. Onwillekeurig dacht hij aan even René's vriendin Roos, die bij hem was weggelopen. Ofschoon aanzienlijk jonger dan de schilder, had het geleken of die haar had aangestoken met zijn vroegtijdig verval, zo verlept was zij er gaan uitzien.
    ".....De mensheid," zo vervolgde de schilder, "de mensheid werd steeds kleinzieliger. Laffer! Onverantwoorder! Was het zo langzamerhand niet zonneklaar dat we op deze wijze met z'n allen de wereld naar de ratsmodee hielpen? Maar men wčrd er voor gestraft! Het was hier en daar al te merken... Ja toch, niet dan??"
    Het was weer het oude liedje. George besloot dat hij de beproeving nog even vol diende te houden, maar moest uitzien naar een geschikte gelegenheid om afscheid te nemen. Over drie minuten ga ik hier vandaan, dacht hij, en beslist niet later. Ik moet de brief terug zien te krijgen nu het nog kan. Ik moet terug naar die brievenbus! De laatste lichting is nog niet geweest. Ik zal de postophaler opwachten en mijn brief terug vragen.
    Hij gaf het schrift met een onverstaanbaar gemompel weer aan de artiest, die het in de kast smeet. – Met Hilda ben ik hier nooit geweest, dacht George, en dat is maar goed ook. Ik kom hier nooit meer terug...
    "Ik ga maar weer eens opstappen, " zei hij.
    "Blijf je dan niet?" vroeg de schilder, "...en je zegt ook niet veel vanavond."
    "Ik bedoel het niet zo, maar..." hakkelde George. "Ik heb een tamelijk moeilijke tijd achter de rug... ik moet me een beetje in acht nemen..."
    De schilder zei niets terug, bleef zwijgend voor een schilderij staan. George zocht naar iets anders om het uit te leggen, (maar wat viel er eigenlijk uit te leggen) en er kwam hem op het moment niets te binnen.
    "Je bent een hele tijd niet geweest," zei de schilder op zacht verwijtende toon. Het leek wel of hij daar de hele avond over had zitten broeden. "Ik dacht al dat je niet meer zou komen. Je had toch wel iets van je kunnen laten horen, je komt hier al zo lang..."
    "Er waren bepaalde omstandigheden, daar wil ik het op het ogenblik niet over hebben," zei George zwak. "Het ging eenvoudig niet, ik zal het je later wel vertellen. Maar ik kan niet meer blijven." In zijn hoofd doolden Hilda, de brief, de strandwandeling en de brievenbus onduidelijk door elkaar. Maar zijn besluit stond vast; zijn tijd was beperkt; hij ging onmiddellijk vertrekken.
    "Hoe laat is het?" vroeg hij na een paar seconden. De artist mompelde dat hij het niet wist en ging, wat verongelijkt leek het, staan prutsen aan het middelste schilderij.
    "Dan ga ik maar," besloot George. De schilder bleef zwijgen en peuterde aan zijn doekje. George zei haastig gedag – en iedere overweging bewust vermijdend, maar met een onzeker gevoel van schaamte beende hij terug door het gangetje, dat hem via de winkel weer naar het straatje voerde.
    Gloeiend voelde zijn gezicht, waar de koelte op neerstreek toen hij buiten stond.
    Afgelopen met de vriendschap, dacht hij. Definitief... Het leek eigenlijk niet meer dan logisch dat die het tenslotte had afgelegd tegen de slijtage der jaren en René's niet meer te volgen hersenkronkels. Zo verwaterden vriendschappen na langere tijd om een of andere reden onontkoombaar. Ik moet niet iedereen kwijtraken, dacht hij, maar het lijkt wel onvermijdelijk...
    Zijn vermoeidheid deed hem diep zuchten. Even bleef hij staan, toen begon hij hoofdschuddend het hellende straatje weer op te klimmen; zonder om zich heen te kijken; nog slechts met vage noties over de vriend, met gedachten op afstand en weinig concreets. Hij klom hijgend het steegje uit, zonder iets te horen, zonder zich veel van zijn omgeving bewust te zijn. Terwijl toch overal een eentonig en vreemd dreunend gerucht in de lucht hing: het draaien van talloze motoren...

Toen hij met weinig aandacht weer in de winkelstraat was teruggekomen, bleek daar de situatie sinds een uur een kleinigheid te zijn veranderd! Een werkelijk gigantische verkeersopstopping had er zich ontwikkeld. Zo ver het oog reikte stond alles vast; vóór hem en opzij stonden auto's in meer dan acht rijen dik blind te razen in hun eigen uitlaatgassen. Zelfs op de stoepen stonden voertuigen. In de binnenstad moest zich een ramp van ongekende omvang hebben voorgedaan dat alles zo ontregeld was! – Dáár waren dus die ziekenwagens voor vanavond, dacht hij, en dŕt was slechts het begin.
    De plaats van het onheil was vooralsnog niet te bepalen. Zo te zien waren alle zijstraten afgezet met hekken. – Misschien, dacht hij, dat er iets gebeurd was in de stationswijk, in de richting waar hij woonde en waar zich enige niet ongevaarlijke fabrieken bevonden. Al enige keren was er daar voor ongelukken gewaarschuwd.
    Wankelend stond hij in de benauwde benzinewalm. Hij zou eigenlijk naar de overkant moeten, maar ook de oversteekplaatsen stonden vol auto's, de bumpers tegen elkaar. Alle bestuurders leken aan het einde van hun geduld. Zij die haast hadden, bewerkten met de vuist onafgebroken de claxon.
    Maar geen voertuig kon zich in beweging zetten, zelfs op de rijbaan had niemand ruimte. Hoe kom ik zo nog op tijd bij de brievenbus, dacht George.
    – Er waren aan de kant waar hij stond te kijken toevallig geen mensen. – Iedereen heeft zich zeker naar het rampcentrum begeven, dacht hij, of is gevlucht voor het gevaar. Iets aan de automobilisten vragen leek, gezien hun uiterst gespannen, ja woedende gezichten en de roerigheid overal, al bij voorbaat vergeefse moeite. En hij kon ook niets naar de overkant roepen, omdat het lawaai van de claxons en draaiende motoren te groot was.
    Alle winkels in de straat leken inmiddels gesloten; nergens in de portieken had men luidsprekers, die mededelingen betreffende de ramp of waarschuwingen van de politie konden doorgeven, opgehangen.
    Langzaam begon hij terug te lopen, in een gang die hemzelf enigszins slingerend voorkwam. – Zo'n ramp er ook nog bij, dacht hij, bij alle onrust en vermoeidheid van vanavond. En wat voelde hij zich duizelig! Wat zou dat te betekenen hebben? Ik kom nooit meer bij die brief, dacht hij.
    Hij begon zich steeds beroerder te voelen; de drukte, de stank en het lawaai maakten hem misselijk. Ik ben ziek, dacht hij, en het was eigenlijk al voorspelbaar, een aangekondigde, algehele malaise. En het is mijn straf, het is voor mijn altijd en eeuwig uitwijken als het maar enigszins moeilijk dreigt te worden. En voor mijn hufterigheid! Die vooral! René had gelijk, die menselijke lafheid sloeg ook op mij. Mijn lieve vriendin Hilda heb ik diep beledigd en René ook. En daar moet ik nu voor boeten.
    Van zijn omgeving nam hij soms alleen nog lichte en donkere vlekken waar. Er liepen nog wčl wat mensen in zijn omgeving; duizelingwekkend snel bewogen zij zich. Hij zag geen mogelijkheid om hulp te vragen. Hij geloofde trouwens dat als hij direct in elkaar zou zakken, zij gewoon over hem heen zouden stappen of opzijschuiven en niet zouden helpen.
    Als ik flauw moet vallen, dan liever in een stille straat dan in deze chaos, dacht hij herhaaldelijk. En toen ook: Hilda en mijn dochters moeten gewaarschuwd.
    Maar te vallen kwam hij niet op zijn weg door de ontregelde stad. Strompelend ging hij alsmaar voort, eindeloos over zanderige stoepen bezaaid met oude kranten, verder en verder van de rampplaats. Mensen bespeurde hij nu niet meer.
    Onafzienbaar werden de rijen levenloze winkels, gebouwen, de donkere verlaten kantoren in aanbouw, afgezet met scheve hekken van gaaswerk.
    En hij dacht met trage hersens: ik kom nu wel te laat voor alles. De brievenbus is definitief gelicht.
    En overal in de stad zullen met het oog op de ramp de bioscopen inmiddels ook ontruimd zijn.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens