zaterdag 20 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Brief - Afl. 2
Gepubliceerd op: 25-09-2010 Aantal woorden: 2279
Laatste wijziging: 28-02-2018 Aantal views: 1514
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

De Brief - Afl. 2

Henk Gruys


Hij had de winkelstraat ongeveer voor de helft afgelegd, wilde juist het smalle zijstraatje waar de bioscoop was gevestigd, inslaan, toen zijn aandacht door een schijnbare bijkomstigheid vooralsnog van dit voornemen werd afgeleid. Toevallig dwaalde zijn oog naar een buitenreclame van een horlogerie, op de klok waarop hij zag dat het al kwart voor negen was..
    Kwart voor negen? hoe was dat mogelijk? Ongelovig bleef hij staan en haalde zijn eigen dikke uurwerk tevoorschijn. Het stond op vijf minuten voor acht... Heb ik het vergeten op te winden, dacht hij. Ik ben verstrooid de laatste tijd. Maar toen hij het had opgewonden tot het eind, geschud en tegen zijn oor gehouden, liep het nog niet. Het moest kapot zijn...
    Hij was dus bij de brievenbus te laat was geweest en de brief was niet met de lichting van acht uur was meegegaan. Dan zal zij hem morgen niet ontvangen en nog van niets weten, dacht hij. Het maakte weliswaar niet veel uit in de gegeven situatie, een dag vroeger of later, maar op de een of andere manier had hij met deze gang van zaken toch geen vrede.
    Hij was nog bezig dit onvoorziene feit onder ogen te zien en stond een beetje te weifelen op de hoek van het straatje, toen dit ook weer werd verstoord; nu door een plotselinge onrust die in de straat ontstond. Uit de verte naderde op topsnelheid een lichtgrijze ambulance met felle drietonige sirene en schitterend blauw licht. Zigzaggend vloog de grote wagen met de matglazen ruiten tussen het verkeer door, dat van de weeromstuit pas op de plaats leek te maken. De luchthoorn deed pijn aan de oren toen hij jankend passeerde. En erachteraan kwam nòg een ziekenwagen. En nòg een...
    George draaide enigszins verrast met de voorbijrijdende auto's mee, maar die waren onmiddellijk weer in de volte verdwenen. Alleen hun sirenes kon hij nog door elkaar horen gillen. In de winkelstraat was overigens niets bijzonders te zien. De voorbijgangers blikten de wagens na en leken zich daarna nog sneller voort te haasten.
    George aarzelde of hij zou blijven kijken wat er aan de hand was. – Maar nergens kon hij iets abnormaals bespeuren (zoals hij eigenlijk ook niet verwacht had).
    Hij keerde zich weer om; en concluderend dat hij zich bij de vertraging van zijn brief had neer te leggen, liep hij het korte zijstraatje in.
    Het Luxortheater was bijna op de hoek. Een brede halfronde stoep markeerde de ingang met glazen toegangsdeuren, waarboven hard gekleurde, vooroverhellende reclameborden aan de gevel hingen.
    Maar het meisje achter het gebogen glas van het loket vroeg: "Hebt u telefonisch gereserveerd?" En intussen bleef ze in een langwerpig boek schrijven. Toen hij ontkennend antwoordde, deelde zij mede dat de voorstelling van negen uur reeds geheel was uitverkocht.
    Hij daalde langzaam de treden van de stoep af. Wat nu? Zou hij weer naar huis moeten?.. Het idee benauwde en hij vroeg zich af wat hij daar de verdere avond thuis zou moeten uitvoeren. Er zouden hem allerlei overwegingen betreffende de brief en het afscheid in gedachten komen.
    Toen kwam hij op het idee dat hij wel weer eens bij zijn vriend René langs kon.
    Begin december waren er tijden geweest dat hij zich zó verveelde in zijn stille lege huis, dat hij die vriend een paar keer per week ging opzoeken.
    Tot diep in de nacht zaten ze dan te kletsen en de meest uiteenlopende onderwerpen overhoop te halen. Dat wil zeggen: de vriend praatte voornamelijk en George luisterde meestal. Maar de laatste tijd was in die bezoeken door de komst van Hilda ernstig de klad gekomen.
    Het was niet ver. Hij sloeg het armoedige zijstraatje waar de vriend woonde in – een soort brede steeg die op de winkelstraat uitmondde als een riool op een rivier – en begon het naar de bekende schemering af te dalen.
    Het was een iets lager gelegen gedeelte deze buurt, van een vroegere tijd ook, en tot nu toe als door een wonder voor de overal oprukkende sloop gespaard gebleven. Geen gillende ambulances waren er of stinkende patatkramen. Stilte en verval hingen donker en geurig tussen de bouwvallige geveltjes, een oud verhaal, al herhaaldelijk verteld en intussen wel wat vervelend...
    Een bejaarde winkel op een hoek stak een voet naar voren. – Steeds armoediger gaat de winkel eruit zien, dacht George. En hij bezag met iets van medelijden de verveloze deur, de etalageruit van binnen met slordige witkalk bestreken en het verbleekte kartonnetje in een hoek:

        Lijstenmaker
        R. v. d. Burg


Zijn vriendschap met René had na zoveel jaren al wat kunnen vervagen, dacht hij, natuurlijke slijtage, vrij normaal bij dit soort relaties. Maar tot nu toe was daarvan nog niet veel gebleken.
    Een schorre bel klepte na, terwijl hij de rammelende deur zorgvuldig achter zich sloot. Niemand hield zich in de winkel op en er kwam ook niemand tevoorschijn. Waar hij binnen was gegaan leek meer een opslagplaats dan een verkoopruimte; overal stonden lege schilderijlijsten en bossen hout tegen de wanden. Hij riep naar ouder gewoonte: "Blijf maar, ìk ben het!" en liep meteen het donkere gangetje in. "Nog altijd heeft René hier geen schilderij van zichzelf opgehangen," mompelde hij.
    In het doorloopje was niemand, en ook vanachter de huiskamerdeur klonk geen gerucht. Het rook naar houtlijm en zaagstof, en even dacht hij zelfs de stank van de rodekool van vanavond in zijn neus te krijgen. Het gangetje kwam uit op een keuken, met een klein aanrecht dat vol onafgewassen vaatwerk stond. Maar de buitendeur stond aan en lange George stak behoedzaam zijn hoofd om de hoek.
    Zijn vriend zat in het rommelige achtertuintje te schilderen, midden op een klein grasveldje waaromheen warrige struiken stonden. Hij doopte een penseel in een fles en streek er luchtig, bijna elegant mee over een kleurig doek, dat hij voor zich in een gammele armstoel had gezet. George bewoog niet in de deur. Was er nog iemand anders geweest, dan had hij misschien geknipoogd en de wijsvinger spottend tegen de lippen gelegd om de stilte niet te verstoren.
    De schilder had hem gehoord noch gezien. Pas toen lange George van de stoep trad en enigszins gebukt de tuin in kwam, draaide hij zich om en stond hij met iets van verrassing op uit zijn stoel, zij het met nogal moeizame bewegingen.
    Zij begroeten elkaar met de genegenheid van oude vrienden. De kunstenaar, een flink aantal jaren jonger dan de bezoeker, leek op de een of andere wijze toch oud, met groenachtige groeven in zijn magere gelaat die er nooit meer uitgewassen konden worden en een vroegtijdig vervallen gebit; al zat dat meestal verscholen in zijn eeuwig voddig baardje.
    "Aan het werk?" vroeg George vriendelijk belangstellend. "'t Is een tijd geleden... Ik kom toch niet ongelegen?"
    "Jij bent toch altijd welkom George," zei de schilder met diepe stem die ergens in zijn middenrif scheen te resoneren, en met zoals altijd met grote hartelijkheid. Hij was bijna een hoofd kleiner dan zijn vriend. Zijn handen en onderarmen die uit zijn schildershemd staken, waren zó met verf besmeurd dat het leek of hij dat expres had gedaan, om er misschien straks als clown een kinderfeestje mee op te vrolijken. Maar lachen deed de schilder niet dikwijls; ook nu niet. Hij zette zich weer voorzichtig in zijn stoel. Onder zijn rechter schoen had hij een zool van wel tien centimeter dik.
    George bekeek onderwijl het schilderij, zag dat het een kruisafneming voorstelde. En het scheen hem dat het tevens een zelfportret was, want de geschilderde figuur, die aan het zware hout dat bijna diagonaal door het vlak liep, zat vastgenageld, vertoonde enigszins de gelaatstrekken van zijn vriend, afstekend tegen de kilte van de grijze achtergrond. Het magere gezicht met gesloten ogen en heel het bloedende, uitgeteerde lichaam waren naar de kijker gekeerd.
    Nu had George zelfportretten van zijn vriend wel meer aanschouwd, maar in deze entourage was het nieuw voor hem. Hijzelf was nooit van enige kerkelijke gezindheid geweest, en hij stelde dus geen vragen over het waarom van de gelijkenis of het bedenkelijke van de combinatie. Omdat hij het doekje zoals al René's schilderijtjes, niet echt mooi vond – de vormen en kleuren iets te veel in elkaar gesmeerd – keek hij slechts met wellevendheid en plichtmatige interesse.
    "Is dit ook weer met die toevoegingen?" vroeg hij. De schilder knikte, terwijl hij ijverig doorging met aan zijn schilderijtje te poetsen.
    George keerde zich ervan af.
    "Mooi mooi," zei hij maar; hij wist in de verste verte niet wat hij erover moest opmerken.
    Hij ging in de door de schilder aangesleepte tuinstoel zitten en strekte zijn benen. "Dat je niet wat meer exposeert..." vervolgde hij, – dit omdat hij het onderwerp kunst op het punt niet zomaar wilde afbreken. "Dat is niet mijn schuld," antwoordde de vriend, "je weet hoe het is. Maar ik ga gewoon m'n gang, en de rest komt er niet op aan."
    De artiest bleef traag aan zijn doek krabbelen en George keek om zich heen in het tuintje en ook af en toe omhoog, waar een lange wolkenband aan de hemel was komen aandrijven.
    Die deed hem aan de vloedlijn aan zee denken. Een maand geleden was hij daar nog met Hilda geweest. Op zeker moment was hij wat achtergebleven aan het water en zij alvast doorgewandeld naar de duinopgang. Ze had even omgekeken waar hij bleef, luchtig naar hem gewuifd. Hij zag haar gezicht bijna glanzen in de avondgloed...
    Maar ook dit beeld werd zoals alles weer bijgekleurd door de gewoonte... Nu ja genoeg, hij moest eens ophouden met daarover nog steeds te mijmeren... en over haar in het bijzonder. Hoewel dat natuurlijk weer niet zó vreemd was; Hilda had toch iets in zijn leven betekend. Al was dat dan nu ook afgelopen. Definitief. En goddank met nog weinig weemoed van zijn kant. Hij strekte de benen en vestigde de blik weer op de artistieke vriend.
    Rustig zaten de twee bij elkaar in de oude stoelen. Het erf lag al grotendeels in de schaduw. Alleen een schutting ving terzijde van enig gebladerte nog een schuine hoek licht van de zon die bijna weggezonken was achter de dubbele houten huizen van de Schelpendijk.
    Maar toch niet geheel stil was het in deze omgeving ietwat afgezonderd van de stadsdrukte. Uit de verte, in oostelijke richting, waar het nog opvallend licht was, was bij vlagen een zacht maar doordringend concert van sirenes en veeltonige hoorns van ambulances, brandweer en politieauto's te horen. Beurtelings verstrooid of wat meer oplettend luisterde George ernaar. Wat zou er toch aan de hand zijn, had hij al een paar keer gedacht; er moet iets ergs in de stad gebeurd zijn, dit is geen gewoon verkeersongeluk! – En al was hij te landerig om op te staan en te gaan kijken, een beetje nieuwsgierig bleef hij wel.
    Maar om hier met de vriend over te beginnen, daarvoor achtte hij het onderwerp toch weer te banaal. En opheldering zou de schilder toch ook niet kunnen verschaffen. – Deze sloeg trouwens op het verre kakofonische rumoer niet het minste acht. Als het aan hem lag waren de sirenes in de stad iedere avond om deze tijd zo aan het loeien.
    George keek af en toe naar de hemel, waar de zeeachtige wolkenbank intussen was weggedreven. Het kwam nu, zonder dat hij het wilde, in hem op dat hij zijn zojuist geposte brief weer in handen zou kunnen krijgen, omdat deze zich nog in de brievenbus bevond en de laatste lichting pas om tien uur was. Maar ofschoon deze mogelijkheid hem wel even intrigeerde, was het eigenlijk niet meer dan een gedachte. De overweging het echt te proberen kwam niet serieus bij hem op. Na deze afdwaling viel hem weer wat anders in, al had het er wel iets mee te maken: “volgende maand word ik al vijfenvijftig”.
    De schilder stond na enige tijd nadrukkelijk op, mikte zijn penseel in de fles en zei:
    "Kom even mee naar binnen, daar heb ik nog meer te laten zien!" Zijn bekende bevlogenheid leek weer vaardig over hem te worden.
George stond ook op, hoewel hij eigenlijk liever buiten was gebleven. Hij rechtte zijn rug een beetje en ging de trekkebenende schilder achterna over het armelijke tegelplaatsje. Hoe kom ik toch zo moe, dacht hij.
    Ze liepen een gammele serre binnen, waar het al bijna schemerig was doordat een dichte laag stof op de ramen en glazen deur was neergeslagen. Er stonden twee werktafels in, een elektrische zaagbank en een paar oude kasten waar de deuren uit waren weggebroken. Overal lagen stapels schilderijlijsten en los hout op de grond.
    Over een vuil pad, dat zich op de granieten vloer had afgetekend, gingen ze door naar een volgend kamertje. Hier waren het wrakkig uitziende, smerige stoelen en een tafel waarop potten met verkruimelende strobloemen stonden, die er de sfeer aangaven. Een raam zag uit op een blinde muur, waarop grijzig schijnsel viel, maar licht kwam ook door een vuile kap in het plafond. Nog nooit was George geweest in dit deel van het huis.
(Wordt vervolgd met nog één deel).



@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens