zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Brief - Afl. 1
Gepubliceerd op: 25-09-2010 Aantal woorden: 2251
Laatste wijziging: 26-11-2015 Aantal views: 1243
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Brief - Afl. 1

Henk Gruys


Door laat beschaduwde voortuintjes liep een lange man, George Heyenbrock geheten, in de richting van de nog hevig door de avondzon verlichte straat. Langs een ijzeren hek sloeg hij de straat in, die op dit uur leeg en volslagen nutteloos scheen. Er was niemand anders, het liep tegen achten, de kleine kinderen waren door hun moeders binnengeroepen, en op de televisieschermen in de huiskamers zag men de reclame flitsen in lichtblauwe filmbeelden.
Voort sjokte George over de stoep, lage zon in de rug, het hoofd voorovergebogen, de blik op de tegels gericht. Het kon lijken of hij diep in gedachten was, maar ook dat het zijn gewone, door zijn lichaamslengte slungelige gang was, waarmee hij voortging. Hij hield tussen zijn vingers zijn groene zonnebril, alsof hij de in de brievenbus zou laten glijden in plaats van de brief. Maar die had hij gestoken in de binnenzak van zijn colbertjasje, ongeveer op de plek waar zijn hart bonsde. "Het is of ik tot het laatst nog de warmte van het kloppend bloed moet overdragen," had hij al een keer bedacht.
Nadat hij was overgestoken naar een korte, eveneens verlaten zijstraat, waarin twee rijen bloeiende boompjes stonden, waarvan de afgevallen bloesems voor hem uitrolden als een sneeuwbui, (wat hem aan de winter deed denken, toen zijn leven nog anders was ingericht) bereikte hij de hoek met de sigarenwinkel waaraan de roodgeschilderde brievenbus hing.
Hij hield stil onder het roze bloesemdak, stak zijn hand in zijn binnenzak en trok zijn horloge eruit.
Precies vijf minuten voor acht, zag hij. En hij concludeerde dat de lichting van achten nog niet had plaatsgevonden en hij dus op tijd was met zijn brief.
Met het schrijven ervan had hij nog moeten voortmaken. En doordat dat aanzienlijk inspannender en moeilijker bleek dan waarop hij had gerekend, was hij wat laat. Maar nog niet op het nippertje, constateerde hij. En: "die duizeligheid komt van de hele tijd voorover zitten en omdat ik daarna te vlug rechtop ben gaan staan."
Hij deed het horloge weer weg. Het was een geschenk van zijn vriendin, en hij voelde de zwaarte van het uurwerk wegen in zijn binnenzak. Het was een dikke glimmende knol van zilver, antiek en vrij duur. Maar, zoals hij toen al in stilte had vastgesteld: lang niet zo praktisch als zijn eigen polshorloge...
Eigenlijk zou ik het nu weer moeten teruggeven, peinsde hij; gewoon opsturen. Of was zoiets misschien niet gebruikelijk bij dit soort aangelegenheden? Lastig dat hij op zulke eenvoudige vragen vaak het antwoord niet wist.
Intussen keek hij in de straat of iemand hem soms in de gaten hield, of achter de gordijntjes gluurde... Maar nee, natuurlijk was dat niet het geval! Gewoon een brief uit je zak halen, dat deed toch iedereen hier wel?
Hij trok voorzichtig de brief tevoorschijn. En met een gevoel of hij iets onontkoombaars, maar zeer verwerpelijks verrichtte, schoof hij hem vlug achter de ijzeren haken in de bus.
Iedere herinnering aan de gebeurtenissen van voorgaande weken bande hij bewust uit. Niet meer denken eraan... Zijn besluit was weloverwogen genomen. En spijt, daar bemerkte hij geen spoor van. Afgelopen dus maar. Nergens meer over piekeren. Beter kon hij, zoals hij zich had voorgenomen, even de stad in gaan om zich een beetje te ontspannen, want de laatste dagen waren toch ingrijpend geweest. Ofschoon het natuurlijk weer wl twintig minuten lopen was... En hij wikte even... want het viel niet te ontkennen dat hij sinds enige tijd te maken had met toenemende vermoeienis en een zekere onbehaaglijkheid.
Maar omdat hij zich zo onrustig voelde en hoopte dat de wandeling afleiding zou brengen, besloot hij toch te gaan en keerde om.
Een vlammende avondgloed scheen door de straat met de boompjes. Zo fel was nog het licht, dat hij direct zijn optimistische zonnebril opzette. Als bij toverslag leek de hele omgeving nu overgoten met tonnen kleverige groene limonade; welke kleur de straat weliswaar de schijn van kinderlijk avontuur gaf, maar deze voor verdere dromerij toch weer niet afdoende wist te veranderen. Nochtans tevreden met de groene betovering van hemel, bomen en daken, sloeg George de richting in van het stadscentrum. Hij zou zich vanavond proberen te amuseren. En zijn vermoeidheid hoopte hij straks in de bioscoop kwijt te raken.
Het was half juni en de temperatuur steeds lauw zonder dat het overdag warm was. De zomer dit jaar leek een symbolische windstilte, een overgang naar iets minder voorlopigs, waarin zich mogelijk zelfs voorboden van enig onheil konden aankondigen, en waartegen de mens, voor zover in zijn vermogen, maatregelen zou moeten treffen. Maar bij degenen die hij op straat tegenkwam, was van een voornemen daartoe nog niets te bespeuren. Naarmate hij het stadscentrum naderde, werd het drukker. Bij een zebrapad op klein kruispunt stak hij een straat over. Stadsgenoten schoven in beide richtingen langs hem heen; hij zag de onbekende gezichten, waar soms de zon op scheen; hij hoorde hun voetstappen schuifelen over het asfalt. Oudere echtparen waren er en jonge stellen die gearmd liepen. Toen Hilda nog bij hem was, had George zich als het ware een van hen gevoeld, en zich over die situatie heel tevreden gewaand. "Hoorde hij er weer bij". Maar een half uur geleden had hij door zijn brief met de "half echtelijke staat" gebroken en was hij weer alleen.
Enfin, voor vanavond was het belangrijk dat hij zich aan zijn voornemen hield niet te veel aan "die afgelopen tijd" terug te denken maar zich te verheugen op zijn herkregen vrijheid. Nochtans, nu de brief was gepost en de avond kwam, die zoals hij wist emoties (en zeker over een verbroken relatie) nogal kon verhevigen, was hij er lang niet zeker van dat dat ook zou lukken. Bijna zes maanden toch was hij met Hilda omgegaan.
Het was begonnen in de winter, omstreeks kerst. In die tijd had hij zich vaak erg eenzaam gevoeld in zijn koude en te grote woning. Zijn vrouw was drie jaar dood, zijn beide dochters het huis uit en in de provincie gaan wonen. Toen had hij in de contactrubriek van de krant een advertentie gevonden, en z was hij met Hilda in aanraking gekomen.
De eerste kennismaking had gunstig geleken. Zij was vijftig, geen evenbeeld van zijn vrouw, maar ze had ook geen tante-achtig gezicht of hoedje-op, zoals altijd had kunnen worden gevreesd...
Maar na drie maanden bleek hun samenzijn toch niet zo plezierig te verlopen als hij had gehoopt. Hilda woonde nog in haar flatje in een andere stad. En de laatste tijd was haar overkomst twee of drie keer per week niet meer iets waar hij met genoegen naar uitzag. Want hij "moest" weer van alles, dingen anders doen dan hij gewend was; met haar mee, samen winkels in, enzovoorts; en dat was hij helemaal niet meer gewoon. Geleidelijk verminderde zijn optimisme nogal, overkwam hem somtijds zelfs een diep rakende twijfel over hun relatie. En de laatste weken veeg teken was hij zich zelfs beginnen af te vragen of hij toen hij nog alleen was, zich eigenlijk niet gelukkiger had gevoeld. In die tijd kon hij immers onder alle omstandigheden nog doen waar hij zin in had. Een paar dagen geleden was er zelfs een aanzienlijk meningsverschil tussen hen beiden ontstaan, over zijn verregaande slordigheid in huishoudelijke zaken. Een futiliteit in feite, maar toch zo heftig dat het de stemming nogal had verstoord. Was dat een voorbode? Ietwat mokkend voor het eerst in die maanden waren ze uiteengegaan. En vervolgens hadden ze bijna niet meer gewoon met elkaar kunnen praten.
Die ruzieachtige sfeer had nogal indruk op hem gemaakt. Van dergelijke woordenwisselingen hield hij helemaal niet. En voornamelijk daarom was het dat hij doorgaans een twijfelaar gisteren maar had besloten dat er een eind aan hun ontmoetingen moest komen. En dat had hij vanavond geschreven in zijn brief.
Want, zoals hij ernstig meende: de knoop moest maar worden doorgehakt. Deed hij dat nu niet, dan zou hij zich bij volgend samenzijn misschien wel weer door haar laten ompraten. Waarna hij, zodra hij alleen was, het tch weer "uit" zou willen maken.
Hij had zich gerealiseerd dat dit afscheid haar waarschijnlijk pijnlijk zou treffen. En misschien was het ook wel een tikje lomp om een en ander per brief af te doen... Maar al gauw had hij dit voor zichzelf verontschuldigd en zich voorgehouden dat zaken in de liefde nu eenmaal niet altijd verliepen volgens lijnen der redelijkheid en ratio. Toch vroeg hij zich af of zijn handelen niet van een zekere lafheid getuigde. Maar ja, zulke dingen kn hij nu eenmaal nooit anders. En, bedacht hij, via de telefoon, even opbellen, zou dat eigenlijk niet nog erger zijn geweest?
Toch zou Hilda op z'n minst verwonderd zijn, het waarschijnlijk niet geheel begrijpen, bepeinsde hij, terwijl hij licht knarsetandend een pleintje met witte terrasstoelen begon over te steken.
"Op deze manier afscheid nemen, is misschien wat eigen-
aardig; maar ik heb dit heus lang genoeg overdacht, en het
lijkt me eenvoudig beter zo."

Mogelijk stapt ze morgen meteen op de trein om naar me toe te komen. Nu, dat maar liever niet.
En wat hemzelf betrof: het wat lege, vreemde gevoel zou waarschijnlijk niet lang te merken zijn; daarvoor kende hij zichzelf te goed. Hij had vandaag zelfs iets van opluchting bemerkt. En hij twijfelde er eigenlijk niet aan dat deze affaire vrij gemakkelijk en zonder commotie was beindigd.
Zijn overdenkingen vervluchtigden naarmate hij meer in de drukte kwam. Hij was aangekomen in de breedste en drukste straat van de stad, een winkelboulevard die het paradijs voor het kopend publiek van de hele streek pretendeerde te zijn.
Vroeger had deze straat nog een historisch aanzien gehad, maar zij was inmiddels, zoals overal gebeurde, geheel aan "de eisen van de moderne tijd" aangepast. En in eendrachtige samenwerking van gemeentebestuur, middenstand en het zichzelf ver boven de rest verheven achtende architectendom, door middel van neonbuizen, bloembakjes van beton, aluminium winkelpuien, fluorescerend plastic, koeienletters en teksten in steenkolenengels, in iets zeer vulgairs en schreeuwerigs omgetoverd. De buurt erachter was al bijna geheel tegen de vlakte gegaan en volgeplempt met hoge glazen kantoorflats. Geen interessant gebouw, geen groenstrook, zelfs geen boom was er meer te bekennen.
Toch was het in de winkelstraat vrij druk. Eenmaal per week, en juist vanavond, waren alle zaken nog laat open. Haastige mensen die volle boodschappentassen en kartonnen dozen op de armen droegen, botsten soms tegen hem op zonder excuses te maken; anderen kon hij nog net ontwijken. Het lijkt wel of iedereen aan het hamsteren is geslagen, dacht hij. De lauwe flauwe winkelgeur die tussen de gevels en etalages hing, drong zelfs door tot aan de stoeprand, waar hij was gaan lopen om wat uit de drukte te raken.
Uit snackbars wolkten onder roze en blauw neonlicht, vetwalm en bonkende popmuziek op, die zelfs een stukje met de voorbijganger leken mee te trekken als om deze aan iets kermisachtigs uit zijn jonge jaren te herinneren. Groepjes spuwende of rokende jongeren hingen onverschillig over rode, zachtjes knetterende bromfietsen en trokken zich niets aan van de passanten, zodat die om hen heen moesten lopen.
En ook George zou waarschijnlijk, als hij nog zeventien was geweest, met zijn brommer bij zo'n groepje jongens gestaan hebben en naar de meisjes hebben gefloten, en door alle geuren en kleuren jongensachtig opgewonden, of zelfs iets angstig van onervarenheid en onzekere verwachting zijn geweest.
Maar thans bracht dit alles nog slechts de melancholie der voorbije jeugd op hem over. Nee, alles wat hij in de latere jaren had beleefd, dat haalde toch eigenlijk niet meer bij die dagen van toen. En speciaal de laatste tijd leken kilte en ongezelligheid overal door te dringen. Alles werd lelijker, leger, lawaaiiger, oppervlakkiger. Werd afgebroken, verdween, verdampte of ging dood. En wat hield je nog over? Hoogstens een tikje weemoed en verhalen van toen. Een late bioscoop nemen nog het weinige dat van zijn jongensdromen was overgebleven.
De zon was inmiddels achter hoge gebouwen verdwenen. Alleen bij steegjes of opengevallen plekken stak hij hem nog in de ogen. George nam zijn groene limonadebril af en liet hem in zijn zak glijden. De hemel werd van een laat, nagenoeg vlekkeloos roze. Hij dacht: ondanks alle vermoeidheid zou ik mij hier na enige tijd nog wel prettig kunnen voelen. En straks nog de bioscoop... Ik heb er wel eens anders over gedacht, maar er gaat inderdaad niets boven de vrijheid van het alleen zijn. Enfin, iets van de verloren tijd ging hij de komende maanden weer proberen in te halen.
Langzamerhand slenterde hij wat meer ontspannen door de winkelstraat die geleidelijk van warme, romige kleuren doortrokken raakte. En hij dacht, met een hem opmonterende fantasie: "De avond vlt niet, hij daalt af aan parachutes." En moest even glimlachen om deze vondst.
(Wordt vervolgd met nog twee delen).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens