zondag 21 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Een Strenge Winter - Afl. 2 (slot)
Gepubliceerd op: 21-09-2010 Aantal woorden: 2815
Laatste wijziging: 23-11-2015 Aantal views: 1186
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Een Strenge Winter - Afl. 2 (slot)

Henk Gruys


Het was in de gang niet veel warmer dan buiten, zodat de sneeuw op de mat niet smolt. Hij reinigde nauwkeurig zijn zolen, maar pas toen hij ze dwarsweg had afgeveegd, leek het resultaat hem voldoende. Nadat hij met zijn rug de deur in het slot duwde, werd zijn somberheid weer snel sterker. Koud blauw daglicht viel van de overloop langs de etsjes aan de trapwand. "Wat heeft dit licht met mijn moedeloosheid te maken," dacht hij, "deze gelatenheid? Het heeft er alles mee te maken en is toch niet te verklaren."
Hij hoorde in de huiskamer meerdere stemmen; niet alleen van zijn vader en moeder. Hij werd nieuwsgierig en opende de kamerdeur. De hitte van de gashaard sloeg hem in het gezicht en zijn bril besloeg.
De heer en mevrouw Aardema bleken op visite. Zij waren kennissen van zijn ouders en kwamen 's zondag vaker. Zij hielden een winkel in keukenartikelen, twee straten verder. Ze zijn via de achtersteeg gelopen, dacht hij, en daarom heb ik hen niet gezien. Een kwartier geleden waren ze thuis opgestaan, hadden gezegd: Komaan, half vijf, tijd om Albert en Jensje weer eens te bezoeken; sloom hadden ze hun jassen van de kapstok gehaald.
Zijn ouders en het bezoek zaten niet bij de eettafel, maar in de buurt van de haard. De geur van de vers opgestoken sigaren die zijn vader had gepresenteerd prikte in zijn neus. De heer en mevrouw Aardema groetten traag. Geheel naar hun aard, dacht hij, het zijn slome mensen, ze worden slechts beziggehouden door hun eigen kleurloze gedachten; gaat er ooit wel iets van belang in hen om? Die vrouw is nog de ergste.
"Dag," zei hij mat en onbegrijpelijk moe ineens.
Hij zag weinig; hij had zijn bril afgenomen en liep ermee naar de haard. Boven de hete lucht uit het rooster bewoog hij het montuur; hij zag de lenzen opklaren, het eerst in het midden.
Zijn vader vroeg of het buiten nog koud was, een vraag in plaats van een groet. Ik antwoord maar niet, dacht hij, het was ook niet als vraag bedoeld. Mijn vader vindt nog steeds dat het leven genoeglijk voortrolt, hij geniet van de zondag, de warme haard, zijn sigaar, de visite, zijn vrije tijd en de rest. Aan hem is mijn kale en gelaten gedachtenwereld niet besteed; hij zou me misschien aanhoren als ik ervan vertelde, maar er weinig van bevatten.
Zijn komst had nauwelijks onderbreking van de gesprekken gegeven. "Nergens leeft de conversatie door mijn aanwezigheid op", dacht hij, in hun hoofden verandert niets; ze gaan gewoon verder met waarmee ze bezig waren. Hoe komt het toch dat ik zo'n weerzin tegen het spreken ontwikkel... of ik er geen energie voor heb... Zelfs de Aardema's kunnen met hun slappe hersens nog de honderd uit kletsen over alle dag... Ik niet, ik kan het niet, ik zou er misselijk van worden. Daarom moet ik me afzijdig houden.
Nadat hij zijn bril weer had opgezet, voegde hij zich niet bij de anderen, maar liep naar het wandmeubeltje waar zijn boeken stonden. Hij las de titels, streek met zijn vinger quasi-nadenkend over de ruggen. Maar daarbij bleef het, want geen enkel werk had hem op het moment iets te zeggen. Hij voelde het zweet onder zijn haren prikken. Toch nam hij voor de vorm een boek uit de kast en sloeg het in het midden open. Waar hij stond was het te donker, en hij ging ermee naar het achterraam.
Het was een literaire roman waarin hij nog geen kwart was gevorderd. Maar hij sloeg hij geen blad om, las niets, en staarde naar buiten. Er lagen zulke bergen sneeuw op het erf dat nergens planten te zien waren, hooguit wat dode takjes van rozenstruiken die uitstaken. De schutting en de schuurtjes, die de begrenzing van hun achterstraatje vormden, staken bijna zwart af tegen de sneeuw. Het tegelpad naar de schuur was droog gevroren, want het had al een week niet meer bij gesneeuwd. Aan de waslijnen hingen bevroren druppels. De daken van de achterliggende huizen, dakgoten en bovenkanten van ramen werden nog oranje beschenen door de ondergaande zon, en alle schoorstenen stoomden lichtjes.
Hollandse auteurs, dacht hij weer naar zijn boek terugkerend, Hollandse auteurs houden zich in hun boeken bezig met Hollandse winters. Maar bij hen lijkt een winter identiek aan amusement: prachtige besneeuwde landschappen, schaatsen op poldervaarten, mensen op het ijs ontmoeten, verliefd worden op een meisje van de lagere school. Ongeveer zoals ik als kind de winters beleefde. In hn winters komen de koude, dode gedachten zoals ik die ken, nauwelijks voor.
Hij nam plaats op de armleuning, kruiste zijn benen, en keek op de pagina, maar de letters bleven wazig; geen enkele alinea kon zijn aandacht boeien. Wat moet ik de komende uren in hemelsnaam doen, als het donker wordt... de hele avond bij mijn ouders zitten te wachten tot het elf uur is, tijd om naar bed te gaan. Achter zijn rug zweefden de stemmen van de anderen door de kamer. Hij had het idee had dat als hij maar even in de stroomversnelling van de conversatie zou belanden, hij doodziek van vermoeienis en afkeer zou worden.
Ik wil hier alleen maar verblijven, niet praten, en het gevoel hebben langzaam weg te zinken in vergetelheid... In gezelschap is zo'n houding asociaal, maar ik moet die noodgedwongen aannemen.
Hij legde het boek weg en ging, om niet al te onbeleefd te lijken, met een stoel bij de anderen zitten. Naarmate men ouder wordt, schijnt men verplicht meer sociabel te moeten worden, dacht hij. Het gekeuvel rond hem bleef voortkabbelen, over onderwerpen waar het op zondagmiddag altijd over gaat: over vroeger of de voorgaande week. Hij fixeerde om beurten het glimmende, biljartbal-kale hoofd van Aardema en het muizengezicht van de vrouw. Als hij aangesproken werd, zijdelings, bijvoorbeeld als zijn vader hem iets vroeg, dan antwoordde hij zo kort mogelijk, deed in elk geval zijn best om niet onwellevend te lijken.
Zijn moeder stond na een snelle blik op de klok op en ging naar de keuken. Het gierend geluid van het electrische koffiemolen klonk, en hij telde de acht seconden die het duurde. Bekend ritueel, dacht hij, zo is het iedere zondag en het lijkt ondanks alles op een soort heimwee.
Intussen blijf ik kostbare tijd verknoeien met nietsdoen. Ik moet me dat steeds realiseren. Mogelijk word ik, als ik zo pessimistisch denk, niet ouder dan vijfenzestig of als ik een ongeluk krijg misschien veertig. Dat heeft de schijn van nog vr weg. Maar dat is gezichtsbedrog. Toch doe ik niets anders dan al die uren ongebruikt voorbij laten gaan, uren die nooit meer zijn in te halen...
Verse koffiegeur mengde zich met de sigarenrook in de kamer. Er vielen stiltes in het gesprek, of iedereen voor een tijdje aan zijn eigen gezapigheid genoeg had. Traag en slaperig werden zijn gedachten. Geluid van buiten drong nauwelijks door, alleen het zachte ploffen van de vlammetjes achter de haardruitjes was te horen. Het gaf het idee of het huis op de bodem van een eenzame doodstille krater stond.
Ik zit hier, dacht hij toen hij zijn koffie op had, en heb nog bijna niets gezegd. Dat moet opvallen. Daarom kan ik beter opstaan, niet langer blijven zitten... Kan ik mij nog wel van mijn stoel losmaken? Als ik niet binnen tien seconden in beweging kom, lukt het helemaal nooit meer...
Eindelijk overwon hij het, stond op en liep naar de gangdeur. Zijn moeder keek om en zei: "Moet je nu naar boven met die kou? Als je wilt lezen steek je toch hier een schemerlampje aan?" "Ik ben zo terug," mompelde hij, zonder om te zien. "Ik moet even wat uitzoeken boven."
Meteen dat hij in de gang was, werd hij door de koude omhuld. Hij huiverde en besteeg met geruisloze reuzenstappen de trap. Boven liep hij direct door naar zijn slaapkamer die aan de straatzijde lag. Daar was het mogelijk nog kouder; de drie ramen naast elkaar waren zo dik bevroren dat er geen ijsbloemen meer waren te onderscheiden, ze leken lichte, rechthoekige wakken. Alles in de kamer, de gordijnen, de flessen droogbloemen die hij op de vensterbank had gezet om wat gezelligheid te suggereren als Ariane en hij hier waren, het smalle bed en het bureautje hadden vale kleuren, en de drie zwartwit kunstfoto's die hij had gemaakt schenen hem nutteloos en overbodig. Uitsluitend de verveling van de zondag heerst, dacht hij.
O Ariane wat heb ik een tijd en gedachten verknoeid met jou! Jij die met je negentien jaar zo kinderlijk leek, maar dat toch niet bleek te zijn. Waarom toch heb ik me door jouw flauwe illusies laten bedriegen...
Hij ging bij de ramen staan en bestudeerde de ijslaag; het filigrain was fijner dan een artiest het ooit zou kunnen etsen. Hij krabde aan de laag, waarbij poederijs neerdaalde op zijn vingers. Hij probeerde zo aan het glas te geraken, maar de laag was te dik of hij hield te vroeg op; het was trouwens een onaangenaam gevoel onder zijn nagels. Nu zette hij zijn duim op het ijs. Rondom de plaats werden de kristallen nat en doorschijnend, en eindelijk werd het stroeve glas voelbaar. Een ovaal gaatje ontstond, waardoor hij naar buiten kon kijken, maar het glas was nat en het beeld wazig vervormd. Hij veegde het droog met zijn zakdoek en keek naar buiten. Aan de overkant waren de adventssterren nu ontstoken, maar hij zag nog steeds geen mens.
Het kijkgaatje werd spoedig door een dun vliesje overtrokken en het zicht werd onduidelijk en vaag. Zo hard vriest het, dacht hij. Hij ademde op de ijslaag, maar het was niet te zien dat er iets smolt. Het raam straalde koude af op zijn voorhoofd als hij dichtbij kwam.
Het was zo stil in het huis onder hem dat het leek of hij alleen thuis was. Ook geen geluid van de autoweg verderop drong door, als was ook het verkeer te ernstig belemmerd door de vorst en de winter. Als ik hier tenminste een gaskachel kon branden, dacht hij, dan kon ik mij hier afzonderen; klassieke platen draaien, of helemaal niets doen. Maar zonder verwarming is het hier veel te koud.
    Een strenge winter is de dood in de pot, mompelde hij. Hij liep naar zijn bureautje, trok een la uit, maar sloot hem weer. Een zwakke geur van papier en schrijfmachinelint steeg op en deed hem vluchtig aan de middelbare school denken hoeveel jaar was hij daar alweer van af?.. Zeven?.. En op twee na de beste bij het eindexamen... Leren kon ik wel... Maar geleidelijk, bijna ongemerkt, was hij van de dromerige schooljongen en de onzekere en verwonderde puber, tot de moedeloze jongeman van begin twintig geworden. Waarbij hij zich in toenemende mate verlaten voelde, verongelijkt, nutteloos en zonder ambities.
Niets van belang heb ik in mijn leven kunnen bewerkstelligen, iets wat ik mij toch eerlijk had voorgenomen. En wt ik nog geprobeerd heb, is grotendeels mislukt. En geen spoor van verbetering in zicht, geen enkele veraangenaming van de situatie.
Ik zou beslist keuzes moeten maken, maar kan er niet toe komen. In feite ben ik te bang om iets fundamenteels aan mijn situatie te veranderen. Dat zijn vreemde, tegenstrijdige overwegingen. Het lijkt op het liggen in een warm bed op een koude dag, je wilt opstaan, maar het tegelijk zolang mogelijk uitstellen.
Mijn leven hier is ook te gemakkelijk, ik hoef vrijwel niets te doen; alles rolt vanzelf verder... Geborgen in warmte en bescherming en toch niet gelukkig... Misschien is het de reden dat ik steeds minder toekomstdromen, plannen en illusies heb... De oorzaak van alle onvrede en teleurstelling ligt per slot dan toch weer bij mezelf.
Hij staarde voor zich uit. Het werd schemerig. Hij zag zijn bed, keurig opgemaakt, (door zijn moeder), het bed waarop Ariane en hij meerdere malen hadden gezeten. Ariane, jij met je ijskoude gevoel, je paste zo wonderwel bij deze strenge winter, bij dit kille jaargetijde...
En nu zijn mijn gedachten over jou net zo ijzig geworden als het vriesweer buiten.
Hij wist opeens niet meer wat hij nog op zijn slaapkamer moest doen en verliet hem zonder bepaald voornemen. Met grote stappen, maar geluidloos daalde hij de trap weer af. Bij de kapstok hees hij zich in zijn overjas, onderwijl scherp luisterend naar de stemmen in de kamer. Hij kreeg het gevoel dat iemand aan de andere kant aanstalten maakte om de deur te openen, maar er gebeurde niets.
Hij pakte zijn Rolleiflex aan zijn dunne riem van de kapstok, maar vr hij hem om had gedaan, hing hij hem terug aan de haak. Het is al te donker om foto's te nemen, dacht hij, en wat heeft het trouwens voor zin. Nadat hij de voordeur had geopend, stapte hij behoedzaam naar buiten en trok de deur bijna onhoorbaar achter zich dicht.
Hij stak voorzichtig over naar de zijstraat, handen in de zakken, zonder naar hun huis om te kijken. Mogelijk zien ze mij daarbinnen, dacht hij, terwijl hij met gespannen spieren over de gladheid voortgleed naar de overkant.
De zon was onder, maar donker was het nog niet. Overal in de huizen brandden roodachtige of gelige schemerlampen. In de kamers zag hij geen bewoners; die hadden zich, dacht hij, genesteld in lage stoelen onder de lampen, of lagen languit op de vloer in boeken of in de krant van zaterdag te lezen.
Maar ook zo hij iemand had gezien, zou hij zijn hand niet opgestoken hebben. Hij groette amper iemand in de buurt, in zichzelf gekeerd als hij was; ze zouden hem vast hooghartig en arrogant vinden.
Hij was de zijstraat uitgelopen en sloeg een bredere in, met grotere huizen en ruimere tuintjes. Er kwam hier meer autoverkeer, al leek alles dan nu tot stilstand gekomen. De middenbaan was door het strooien met pekel opgedroogd, zag er wit uitgeslagen uit als beschimmeld, maar de trottoirs waren ook hier met een hobbelige ijslaag bedekt. Geparkeerde auto's met sneeuwresten op bumpers en achterkanten stonden bevroren en doods aan de stoeprand. Geen mens vertoonde zich.
De verlichting van de overbekende winkeletalages in een volgende straat straalde ongezellig schijnsel af op de trottoirs. Achter het glas zag hij zijn verveling weerspiegeld in honderden nutteloze voorwerpen.
De avond komt met duisternis, dacht hij, letterlijk en figuurlijk. Ik kan niets doen wat nog prettig lijkt. Omdat ik niets kan bedenken wat nog zin heeft. Ik ben genoodzaakt om in de huiskamer te zitten bij mijn ouders met hun televisie aan, urenlang; het lijkt of ik dan wacht op iets. Iets dat nooit komt...
Hij liep verder. De avond werd als een ijskoude deken van vorst over alles heen getrokken. Moedeloosheid, sterk gelijkend op vermoeidheid begon in hem op te stijgen; ook buiten lag de oplossing voor zijn impasse niet, iets dat hij trouwens ook niet verwacht had.
Hoe kon ik vroeger in deze winterse witheid nog geluk vinden..? Ik hield van vorst en sneeuw. Toen was ik een jaar of tien... Die dromen moeten ooit zijn gestorven, verwaasd... Misschien was het maar beter geweest als ik nooit ouder dan tien was geworden...
Lang geleden meende ik dat het maar stemmingen waren, inzinkingen die vanzelf weer over gingen, maar het heeft de schijn dat het niet zo is. Ik zit in deze zwaarmoedigheid gevangen als een vlieg in een web...
Mogelijk word ik spoedig stapelgek. Voortleven als een plant, niets meer weten, niets voelen. Dt zou een oplossing zijn.
Abrupt keerde hij zich om en liep de richting in terug naar huis.
De sneeuw op de heggen waar hij langs kwam, was nog ongerept, zuiver. De witheid van de tuintjes om hem heen glinsterde of er bevroren tranen in zaten.
Hij kwam weer terug bij hun huis, waarbinnen inmiddels twee schemerlampjes waren ontstoken. Zijn ouders en de visite waren niet te zien.
Hij voelde weerzin om naar binnen te gaan. Maar buiten kon hij ook niet blijven, en hij huiverde.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens