zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Geerlings Plan - Afl. 2 (slot)
Gepubliceerd op: 17-09-2010 Aantal woorden: 2569
Laatste wijziging: 10-12-2015 Aantal views: 1308
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Geerlings Plan - Afl. 2 (slot)

Henk Gruys


Hij naderde een tweede steiger, aanzienlijk groter dan die bij de bushalte. Een aarzeling weerhield hem om meteen de riemen uit de dollen te halen, maar al spoedig werden zijn gedachten weer in de oude vorm gemoduleerd, door de langzamerhand al te bekende aanblik van de sloot, de steigerpalen, het riet, de regen en de overvloedige drassigheid.
    Hij was inderdaad iets te lui, erkende hij. Of nee, minder te lui alswel te inèrt en te zorgeloos, iets tè fantasiearm om optimale resultaten te bereiken; misschien altijd wel te werktuiglijk in zijn handelen op de keper beschouwd.
    Hij liet de boot uitlopen en drukte even de knop van zijn radio in, dwars door de leren klep van zijn tas. "De meningen prima verdeeld, maar de algehele tendens is toch meer dat..." Hij schakelde het apparaat uit, voor de uitspraak begrijpelijk had kunnen worden. De boot dreef met een lichte schok tegen de steiger.
    Einde vaartocht. Ja, de regen was zeer zeker toegenomen in intensiteit. Met iets meer haast haalde hij de riemen binnen en legde het touw als een strop om de paal. Hij klom op de beun, voorzichtig als steeds omdat het houtwerk door de regen glibberig kon zijn geworden. – Had je ooit gedacht, Geerling, dat haar familie tegen jouw plannen géén weerwerk zou geven?
    Hij was er intussen niet zeker van dat er sinds de vorige dag niet iets aan de steiger veranderd kon zijn. Hij stond stil, onderzocht de vlonder en keek daarna om naar het bobbelige hooiveld, de plaats waar de driehoek van het rustieke dak boven de begroeiing uitpiekte en een vage bruine rookpluim wegdreef. Geerling huiverde hoewel het niet koud was en trok zijn jack over zijn hoofd.
    Maar op het penningpad lopend, kreeg hij het idee dat hij minder had gedaan dan redelijkerwijs, en op grond van andere, heel plausibele overwegingen, voor zijn missie mocht worden verwacht. Nu ja, het werd in ieder geval tijd zich voor te bereiden op wat hij zou gaan zeggen; bij verrassing zijn binnenkomst uitvieren, dat was het beste. Een luchtig: "Hallo tantetje, hier ben ik weer," om te beginnen zou wonderen verrichten. Het was daarbij zaak de aanval meteen frontaal en vooral nauwkeurig uit te voeren, voor optimaal effect.
    Het huis waar hij op toeliep, leek, nadat het ergens anders slordig in elkaar was gezet, hier vervolgens plomp in het grasland neergedonderd. Waarschijnlijk daarom was alles eraan zo scheef en laag. Een monument van vijandigheid. Hij naderde de vuilwitte gevel, de groene deur die je met enige fantasie de voordeur zou kunnen noemen, al was hier geen straat. Hij hield met zijn ene hand het jack op zijn hoofd, met de andere zijn tas onder zijn arm. De lauwe motregen droop in zijn hals; de onderkant van zijn broekspijpen werd nat door uitgeschoten, langs strijkende graspluimen.
    Een polderhuis met vensterblinden was het. Hij ging behoedzaam naast de deur staan, met zijn linkerhand als bezwerend op de stijl, en speurde, het hoofd voorovergebogen naar geluid van binnen.
    Maar het was stil. Na een moment klonk een zwak gekraak of men binnen een meubelstuk aan het verschuiven was.
    Met zijn zakdoek veegde hij de regen uit zijn hals. Toen liep hij naar een van de vensters, in een opwelling naar binnen te willen gluren zonder zelf gezien te worden, en trachtte de kamer in te kijken. Maar het glas weerspiegelde de struiken en de lage hemel, en hij kon niets ontwaren. – Hoe goed zou het zijn, dacht hij, als je door middel van bijvoorbeeld telepathie in de kamer kon doordringen, daarbij zelf onzichtbaar blijvend.
    Hij oefende in totaal drie beginzinnen en opende toen de deur met breed theatraal gebaar.
    Toen hij binnen stond – in dit soort huizen is dat direct in de huiskamer – had hij luid willen roepen: "Dag tante!" Maar het was buitengewoon donker in de kamer, zowel door de zware vitrages, als doordat er overal zoveel populieren om het huis stonden. Hij zag niemand, Regina niet, tante niet en de rest evenmin; ook niet toen zijn ogen aan de duisternis waren gewend. Het volgende dat hem opviel was, dat zijn neus werd geprikkeld door de geur van wrijfwas of terpentijn.
    Hij keek om zich heen, voelde plots zijn doffe kleren met enige zwaarte aan zich hangen, dit maakte hem onbegrijpelijk moe. Hij zag nog nergens een mens, waar was iedereen? Dit was toch niet mogelijk? Hier kòn men niet zomaar even weggaan. Hij keek naar de deur alsof hij weer naar buiten wilde.
    Maar dat was hij niet van plan. Hij sloop door de kamer, voorzichtig, om in de donkerte niet te vallen over de talloze tabouretjes, piedestallen, étagères, chiffonières en secretaires, die overal op de vloer en tegen de wanden waren geplaatst. Hij liep door en kwam in een andere kamer. Maar ook daar niemand.
    Hoe kan dit, dacht hij. Iedereen weg. Hebben ze het huis aan òns overgelaten? Hij ging nog in twee andere kamers kijken en in de keuken, maar nergens een mens. Vreemd... Waren ze echt allemaal vertrokken? En waarom?.. en waar naartoe?.. Hij merkte tegelijk dat hij steeds op zijn tenen had gelopen. Dat is grote onzin, dacht hij geërgerd.
    Hij probeerde tenslotte zonder terughoudendheid de deur naar de zijkamer, de laatste die hij nog niet had betreden. En daar eindelijk – ja daar stond tante, op een stoel tussen haar antieke meubels en kasten. Naast haar een tafel waarop de stapels serviesgoed, borden, sauskommen van porselein, soepterrines, dekschalen, thee- en koffiekopjes zo dicht op elkaar waren geplaatst dat er praktisch niets meer bij had gekund. – Tante Pol, microcefaal, appelwangig, zultlippig, dacht hij, om zich aan de plotselinge beklemming te ontrekken.
    Al was het niet voor het eerst dat hij in deze kamer kwam. Waar hij het in het begin nog ongepast had gevonden te kijken in kamers die op slot waren en waar hij kennelijk niets te maken had, had hij zich door de vijandigheden over en weer daar spoedig overheen gezet. En toen de deur een keer los was, waren hem binnen de bijna-duisternis en de mahoniehouten meubilering opgevallen.
    "Zo tante," zei hij meewarig, alsof hij verwachte dat Regina's tante het gesprek meteen uit zichzelf zou beginnen en onthullen waarom iedereen schitterde door afwezigheid, als een soort cynische vervelingspose.
    Maar tante Pol keerde zich zelfs niet naar hem om, deed of hij er helemaal niet was, pakte een stapeltje schoteltjes uit de kast en plaatste dat breukvrij op de tafel. – Die kast en die tafel heb ik de vorige keer niet gezien, dacht hij. Hoe kòmt dat alles hier? Over het water?.. Maar door deze afleiding liep de "verrassingsaanval" zoals hij die zich had gedacht, definitief enige indeuking op.
    "Waar komen al die borden vandaan?" vroeg hij luid, teneinde zich weer enige ingang in de situatie te verschaffen; maar ook omdat de aanwezigheid ervan, zoals alles op het ogenblik, hem tamelijk verontrustend voorkwam.
    "Er is wel meer dat je niet weet," zei tante raadselachtig en meer achteloos dan dat het sarcastisch kon klinken. – O, natuurlijk, dacht hij, het is bekend, geen spoor van enige medewerking. Hij zette zijn tas op de vloer en ritste zijn jack open.
    "Waar is Regina," vroeg hij. Hij pakte een beker van de tafel en bekeek hem aan de onderkant, maar er was te weinig licht om er iets op te kunnen onderscheiden. De tante, als de verpersoonlijking van alle tegenwerking tot nu toe, gaf geen antwoord, bleef zich onledig houden met de inruiming van haar kastplanken. – Deze onverschilligheid is gespééld! dacht hij. Het viel hem op dat het zo donker in de kamer was geworden dat hij moeite had de meubels in hun geheel te onderscheiden; wat voor vreselijk weer was het inmiddels?..
    Maar de tante leek daar geen hinder van te ondervinden; ze stapte van de stoel, trok de beker uit zijn hand en plaatste hem weer bij de andere.
    "Waar is Regina", vroeg hij voor de tweede maal. Hij plofte neer in een lederen leunstoel die tegenover tante voor een wand stond. Deze handeling een beetje als toneel om zijn norse nonchalance en onvrede te demonstreren. Onwillekeurig kwam hem het beeld van Regina voor de geest; haar ouderwetse kleren, ruches, schoenen met gespen, kousen uit een romantische tijd, háár opvatting over het eeuwig vrouwelijke.
    "Regina is er niet," zei de tante rustig en keek hem niet aan, voor zover hij kon onderscheiden.
    Geerling begon zijn geduld te verliezen.
    "Is hier niet? Wat bedoelt u? Waarom zegt u niet gewoon waar zij is! Regina en ik hadden namelijk wat afgesproken..."
    Tante zweeg weer, al ondervond hij dat nu meer als iets berekenends, dan als een uiting van onverschilligheid.
    Ik zou werkelijk ruzie moeten maken, dacht hij, herrie schoppen, dat is de enige effectieve manier bij hen. Ik zou een kopje moeten pakken en stukgooien, dacht hij, en weer een, net zolang tot zij fatsoenlijk antwoordt; het porselein is het weinige kwetsbare van die familie. Ze hadden hem hier in huis altijd al tegengewerkt. Ze hadden hem niet gemogen, vanaf het begin al niet, en helemaal niet toen de ernst van zijn relatie met Regina eenmaal tot hen was doorgedrongen. Hij kwam uit zijn stoel en deed een paar bedreigende stappen tot naast de tafel met het servies, maar deed niets, balde alleen zijn vuisten.
    "Regina is vanmorgen vertrokken," zei tante achteloos tussen het neerzetten van twee stapeltjes door.
    "Wat?! stoof hij op. "Wat is dat voor onzin!" Hij keek ongelovig, wàs dit natuurlijk ook. Maar de tante leek absoluut niet te willen meewerken aan de door hem beoogde ruziescène, en herhaalde kalm wat zij had gezegd.
    Geerling beende ziedend de kamer uit. – Dat zègt zij! dacht hij, dat beweert die prutlip alleen om ons te pesten en dwars te zitten! Flauwekul! Weggegaan! Natuurlijk niet! – Welnu, dan neem ikzelf het initiatief wel weer in handen. Hetgeen ik ook nooit uit handen had moeten géven! Wat heb ik überhaupt met de tante nodig?
    Hij liep weg, de gang in, riep Regina's naam in de huiskamer, maar kreeg geen antwoord. Keek in ongeloof in de andere kamers, om de hoeken, in de spoelkeuken, zijn eigen kamer, haar kamer, maar vond nergens een teken van haar aanwezigheid. Hij haalde zelfs de boventrap neer en stak zijn hoofd door het gat naar de zolder.
    Weifelend stond hij even later in de keuken. Wat nu? Regina moet tegenover hen iets gezegd hebben, dacht hij, iets losgelaten over onze plannen en vertrek; in al haar eerlijkheid heeft Reggie het verteld en daarom hebben ze in huis alvast enige afweermaatregelen tegen mij getroffen.
    Steeds ongeduldiger drentelde hij in de keuken op en neer, liep toen ineens kwaad terug naar de zijkamer, waar de terpentijngeur van de boenwas nog sterker leek te zijn geworden.
    "Zegt u alstublieft waar ze is!" – Ik ben te laat gekomen, dacht hij, ze is weg. Waarschijnlijk door neef-lief weggebracht. Ontvoerd naar onbekende bestemming, om haar voor mij af te schermen. Of ik er een voorgevoel van had!"
    "Dat zeg ik toch! Vertrokken!"
    "Ze wilde weg, inderdaad ja! Maar met mij! Dat zeg ik u. Vandaag was haar laatste dag bij jullie. Dat wilde ze ook! Maar jullie hebben getracht haar gek te maken, steeds als ik er niet was! Omdat jullie ons zoveel mogelijk tegenwerken! Jij! En Agnes en Nars net zo goed! Jullie denken eventjes de baas over ons te kunnen spelen! Maar daar heb ik nu eens schoon genoeg van!"
    "Met jou weggaan!" zei tante honend. "Maar daar kan natuurlijk niets van in komen!"
    Ze klom schijnbaar onaangedaan als zij was gebleven, op de stoel om bij haar hoogste planken te reiken. In haar ene hand een stapeltje van vijf kopjes en in de andere een enorme ronde schaal met bloemmotieven, mogelijk het meest kostbare stuk van haar hele collectie.
    "Als u niet zegt waar ze is, dan keer ik hier die hele tafel om!"
    "Dàhht-durf-je-niet."
    "U zult ervan opkijken wat ik allemaal durf!"
    "Nee, keurige, zéér beschaafde Geerling. Met dit te zeggen bewijs je eens temeer dat jij je absoluut niet weet te gedragen, zoals we trouwens allemaal allang weten. Er is uiteraard geen denken aan dat wij Regina met iemand als jij mee laten gaan! Tenslotte hebben wij voor haar onze verantwoordelijkheid. Wat denk jij eigenlijk wel, met je praatjes? Dat jij hier de baas bent? Dat je de zaken zo even naar je hand kunt zetten? Dat je Regina maar even kunt inpalmen, dat arme kind? Maar dan zijn wij er ook nog!"
    Geerling dacht: ze wilden al eerder van hèm af, dat was duidelijk, en daarvoor gebruikten ze nu zelfs Regina. En Regina was eenvoudig veel te zwak om zich tegen dat zootje te weer te stellen. Hij was woest, hoewel hij zich ervan bewust was geen bewijs voor een samenzwering te hebben. Maar hij wìst het eenvoudig, hij wist het!
    Maar wat kon hij doen? Tante Pol vermoorden, het hele interieur kort en klein slaan, het huis in brand steken?.. Voorlopig stond hij hier alleen maar ruzie te maken... Hoe zou hij dit in hemelsnaam moeten oplossen? Hij riep:
    "Verantwoordelijkheid?! Laat me niet lachen! Verantwoordelijkheid!! Een familie van intriganten en konkelaars zult u bedoelen! Regina is meerderjarig en verstandig genoeg om haar eigen beslissingen te nemen, daar hoeft ze geen rekenschap voor aan jullie af te leggen! Jullie hebt haar gewoon gedwongen! Ontvoerd! Weten jullie dan niet dat dat op haar leeftijd helemaal niet mag?! Dat dat een strafbare handeling is! Ik kan zo naar de politie gaan en aangifte van vrijheidsberoving doen! Of dachten jullie dat ik dit zomaar op mij laat zitten?!" Zijn stem schoot uit van kwaadheid. Maar hij dacht ondertussen: ik heb wel een heleboel praatjes, maar er straalt slechts machteloosheid van mij af; er is niemand die zich van mij iets aantrekt. Hij begon van onrust en ongenoegen in de kamer op en neer te lopen, driftig, met zijn handen in zijn zakken. Het leek af en toe of hij in hoongelach uit zou barsten; telkens keek hij om naar de tante.
    Tante Pol stond voorover geleund tegen de kast, onderwijl steun vindend bij het bovenpaneel. Maar schuin onder haar begon haar stoel langzaam weg te glijden op de gladde vloer die net in de wrijfwas was gezet.
    En terwijl zij in steeds schevere houding tegen de kast moest hangen, met de belangrijke stukken van haar porselein op de arm, – tegen de overvolle kast, die door haar wankele evenwicht gemakkelijk over haar heen zou kunnen storten met alle serviezen erin, en zij de ogen groot van schrik hield gericht op hem, smekend om verlossing, – stak Geerling geen hand uit om haar te helpen.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens