zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Geerlings Plan - Afl. 1 van 2
Gepubliceerd op: 17-09-2010 Aantal woorden: 2636
Laatste wijziging: 10-12-2015 Aantal views: 1300
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Geerlings Plan - Afl. 1 van 2

Henk Gruys


Het weer was donker, de laaghangende bewolking grauw. "De soort regen waarvan je natter wordt dan van een plensbui," dacht Geerling nadat hij was gaan zitten onder de bruinlinnen overkapping van zijn roeiboot. "Alles rondom doornat en oncomfortabel komt daar dezer dagen nog een eind aan?"
Ziekelijk-schraal begroeid was deze omgeving, ondanks de zomermaand. Aan zijn rechterkant hoog dun riet met bruine sigaren, spiegelend in het stille water, aan de linkerkant nog meer slechte halmen, vooroverbuigend langs een veenrand. Vochtigheid met een overmaat aan schemering; het leek als was het nog vroeg in de ochtend.
Geerling in zijn zomerjack school onder het linnen afdak van zijn roeiboot. Het tochtte zwak waar hij zich bevond en er sproeide regen in zijn gezicht en op zijn handen. Overal water; het meeste bevond zich natuurlijk in de geurende slotenwereld, maar ook iets op de steiger en het oeverriet, zelfs in de tochtstroom langs hem, op zijn kleren, op zijn handen. En dat was misschien nog het meest verkillende een laagje op de bodem van de boot, waar het zacht spoelde om de vlonders als hij zich opzij boog of ging verzitten.
Geerling deed voorlopig niets, dacht alleen na. Hij bevond zich hier omdat het eenvoudig een onderdeel van zijn voornemen was, van zijn visie op zijn toekomst. Al had hij de precieze invulling van zijn plannen nog niet geheel voor elkaar. Deels uit aangeboren gemakzucht, deels omdat hij in de finale afwerking, als die eenmaal aan de orde kwam, immer vertrouwde op zijn gelukkig gesternte. Het mocht zijn dat hij vaak lang en nauwgezet over zijn beslissingen nadacht, deze zoveel mogelijk wilde sturen en bepalen... zich zorgen maken over iets dat eenmaal in gang was gezet, deed hij nooit. Keuzes maken, handelen op het juiste moment, dt lag in zijn persoonlijkheid besloten.
Maar voorlopig was hem nog rust gegund. Of als je het noemen wou, schijnbare rust of onzichtbaar gemaakte onrust. Want dt het er straks wel degelijk op aan zou komen met die familie van haar, daarvan was hij overtuigd.
Hij had intussen verstrooid het touw losgeknoopt van een paal die onderop, bij het water, was bekropen door een grijze, het scheen zeepachtige substantie. De steiger zelf, gedeeltelijk schuilgaand onder rietpluimen bevond zich iets lager dan zijn ogen. Het spetteren van de regen was daarop lichtjes te zien, hoewel minder uitgesproken dan op het water van de tochtsloot, dat nauwelijks rimpelde door zo weinig wind. En erboven: die egale grauwe wolkenlaag, voor Geerlings gevoel het hele polderuitzicht platdrukkend, moedeloos makend onontkoombaar. Slechts gefilterd licht kwam er door, en geen schijn van verandering in zicht. Depressies in de lage landen gingen je n hoor, volgens Geerling; regenen in kikkerland, dt was waar de bewoners van het koninkrijk, die zich noodgedwongen achter beschermende dijken ophielden, aanspraak op konden maken!
Verder dreven zijn gedachten, ofschoon zijn orintatie zeker nog steeds iets nats betrof: de periode van de laatste weken. Want er ws wat regen gevallen deze tijd! Zodat ze bij Geerling op het werk elkaar "pruttig weekend" toewensten als de wekelijkse arbeid er weer op zat. Iedere zaterdagochtend om half twaalf, met die zwaarbewolkte hemel en het uitzicht op de industrile parkeerplaats, troosteloos als immer, de molmige portiersloge, de schroothopen en lege olievaten. De laboranten hadden binnen de monsterkasten opgeruimd, laadjes en kastjes met zeepsop afgenomen, de tafelbladen geschuurd, de titreeropstand met marmeren blad overvloedig gedweild met ethylalcohol 96%, en de voetbalpool ingevuld. En het gevoel bij iedereen overheerste dat het voorlopig wel weer welletjes was.
Ze vonden het daar op het lab nog steeds vreemd dat hij in een roeiboot naar zijn werk kwam. Nu ja, in een roeiboot naar de bushalte dan tenminste. "Dat kan nu eenmaal niet anders daar, Strijker." Strijker was een van de hoofdlaboranten analytische chemie en Geerlings voornaamste concurrent bij de planning van een glansrijke carrire. "En de komende winter dan?" hadden ze gevraagd.
"Dan ga ik vrolijk op de schaats," had hij geantwoord; wel spottend, maar toch niet zonder logische achtergedachte.
Geerling, vierentwintig jaar, had ernstig gefilosofeerd over zijn leven tot nu toe. Want dat leven tot nu beviel hem maar matig. Zr matig. Dus diende zijn toekomst een beter vervolg te krijgen. Het moest allemaal doelgerichter, comfortabeler; niet met oncontroleerbare wendingen en verrassingen, zoals in het algemeen, zonder enige lijn of richting. Immers, in die stomme situatie in de polder was hij alleen maar gerld, zonder op de gang van zaken veel invloed uit te kunnen oefenen.
Dat kwam door zijn pas begonnen relatie met Regina, die uitgerekend in deze belachelijke omgeving woonde, en dan nog temidden van die vreselijke mensen. Hij had al direct verandering gewild, natuurlijk, maar hij moest onvermijdelijk met die anderen rekening houden... Het ging uiteindelijk om haar. En via haar helaas ook om dat stelletje malloten...
Maar nu was dat afgelopen. Definitief. Zijn werk als chemicus bij een groot bedrijf was het dat hem eindelijk dat perspectief bood. Hij had hun aanstaande vertrek uit het polderhuis met Regina besproken... Nu ja, in grote lijnen dan. Dat hij daar zo spoedig mogelijk weg wilde, en haar uiteraard meenemen; bij die tante vandaan, uit die maffe troep weg. Dat wilde zij uiteindelijk toch ook?
Met zijn plan om samen weg te gaan was Regina het wel eens geweest, maar dit had hem toch enigszins verontrust ook weer niet voor honderd procent naar het hem had toegeschenen.
Enfin, vanmorgen ging hij haar vertellen dat er een flinke versnelling in dat proces van verandering was opgetreden. Ten eerste omdat sinds gisteren zijn maatschappelijke carrire zo goed als geregeld was door een inderhaast aangekondigde bedrijfsreorganisatie en zelfs uitbreiding. Ten tweede omdat zijn boek, over een belangrijk specialisme in de organische analyse thans definitief naar de uitgever was gestuurd. Zodat geconcludeerd moest worden dat reeds vandaag met hun verhuizing, wat hem betrof, kon worden aangevangen.
Sinds Regina en hij elkaar voor het eerst hadden ontmoet op dat feestje van kennissen, ongeveer een maand terug, was dit, als je het abstract wou bekijken, de beginfase geweest. Maar nu moest de volgende stap worden gezet; dit betekende dat hun leven in de stad voortgang zou vinden; om te beginnen voorlopig nog even in zijn flat. En niet meer in haar "onderkomen" in de regen, de modder en dat slootwater.
En dan binnen afzienbare tijd naar het buitenland. In de zon. Hoogstwaarschijnlijk in Itali. Weg uit deze onzin en nattigheid.
"Gezondheid is het grootste goed." Een uitspraak van haar die zij z dikwijls deed, dat het wel leek of het noodlot zich erover had gebogen om hem aan de eeuwigheid te toetsen. Juist omdat gezondheid Regina's zwakte was, haar spierziekte. Hij dacht: daarom, juist drom was duidelijk dat zij veel te lang in die onvoordelige situatie zat, in die zware klei, temidden van al die schadelijke vochtigheid. Dat moest zijn nadelige invloed hebben, dat viel niet te ontkennen. En het was uiteraard nuttig, hoewel misschien minder aangenaam voor haar, maar dat ook zj zich van een en ander rekenschap gaf.
Dan hij tenslotte... omdat hij de laatste tijd vaak "logeerde" in dat huis onder die onheilszwangere luchten, had hij zich alleen maar enorm gergerd aan die alom tegenwoordige drassigheid. En vooral aan die familie! Zes weken waren nu wel genoeg geweest. Het was hem zelfs of zijn verblijf daar veel langer had geduurd...Dat tijdelijk intrekken in het polderhuis bij haar tante en de neven was het idee van Regina geweest. Dat had hij beter meteen kunnen afslaan... alleen voor hr had hij erin toegestemd. Maar had hij anders gekund? Enfin, het definitieve einde was thans in zicht. En zo zat hij hier, voor de beslissende slag, in zijn met linnen dak tegen de regen beschermende roeiboot.
Zolang hij tussen de riemen op het middendoft zat, onderging hij de vertraging waaraan hij zich had overgeven, niet langer als besluiteloosheid; eerder als het begin van zijn aangeboren kalmte, ja ijzigheid. Alles wat hij te doen had, leek immers eenvoudig. Kristalhelder zijn voornemens, lijnrecht de te volgen weg, een strategie waarover hij nauwelijks hoefde na te denken.
Passief zat hij vooralsnog op zijn bankje, kijkend langs zijn windjack, dat met een overvloed aan doorgestikte zomen, koordjes, drukknopen en ritsen, een kwaliteit suggereerde die zelfs in een stortbui waterdicht zou zijn. Zijn broek waarvan de knien slechts onbetekenende vochtplekken vertoonden, zijn bruine schoenen met dikke veters, breeduit op de vlonder geplant. Schoeisel dat soliditeit uitstraalde, waarmee zijn lederen tas, met wetenschappelijke calculator, mappen chemische analysegegevens, mobiele telefoon en radio, een perfecte combinatie vormde.
Intussen was hij niet meer dan tien centimeter van de steiger weggedreven. Toch roeide hij nog niet. Zijn gedachten waren die vanmiddag niet te veel bij de situatie, een typische belemmering crerend, zonder welke hij anders allang zou zijn weggevaren? Gergerd opeens over de omslachtige, maar noodzakelijke afhandeling van zaken, greep Geerling een riem van de bootbodem, een oude riem, maar zonder bladders of kale plekken en manoeuvreerde hem in de ijzeren dol aan de rechterzijde. De dol, die de contour vertoonde van een ouderwets jeneverglaasje, hetgeen hem tot de gedachte bracht dat hij in deze wel een borrel zou kunnen gebruiken...
Er was na de eerste plons van de riem een zwak gegorgel van het water tegen de steven van zijn boot waarneembaar, geluid dat onmiskenbaar rust en vertrouwelijkheid gaf. Voor de rest bleef het stil alom; geen dierlijk leven, geen geloei of geblaat; er blafte zelfs geen hofhond in de verte. En op de verkeersweg geen enkele auto, al de hele tijd niet dat hij hier zat. Geerling stak ook de andere riem buiten zijn tent en legde hem in de linker dol. De onderkant van zijn mouwen werd vochtig, zijn handen glommen van regen, maar hij lette er niet op.
Hij duwde zich van de kant. Het was meteen of het harder begon te regenen, maar hij had er geen last van. Met regelmatige slagen begon hij zijn boot voort te roeien. Rietbossen gleden traag zijn gezichtsveld binnen, een aalfuik passeerde hij, oude dikke nylondraden trokken op zijn komst loom omhoog uit de vaart.
Zo'n druipland als dit, dacht hij, het water van de sloot staat even hoog als het weiland; het kan er zo overheen golven. Alles volkomen onbegaanbaar, zelfs als je te voet wilt. Alles moet over het water, de vroedvrouw en arts evengoed als de begrafenisondernemer; alles voltrekt zich per boot. Zo is het leven hier. Die boerenplaatsen liggen op onmogelijke afstanden; je kunt zelfs niet naar je buren repen, er is alleen maar natte lege ruimte. Ik kan wel schreeuwen hier, maar niemand reageert. Ik kan verdrinken zonder dat er een mens komt helpen. Hier: ik schreeuw: "Hallo daar!! Maar er gebeurt niets."
Niets gebeurde er dan dat op zijn stemgeluid een vogel uit het riet opfladderde en achter een oeverrand verdween. Een flauwgroene sikkel van licht doorkliefde de halmen, maar hij zag het niet; zijn ogen volgden onopzettelijk zijn vuisten, om de uiteinden van de spanen gekromd: zwaar naar voren trekkend dan weer iets van elkaar en lager van zich af bewegend. "Ik heb te zachte handen voor deze arbeid," dacht hij. Zacht vel dat je van het laboratorium overhield, van hoogstens het hanteren van glaswerk, elektrische verhittingsmantels, destillatieapparatuur en digitale thermometers. Ja, echt hrd had hij ze gewild, mannelijk hard en eeltig!
De zijkanten van zijn tentachtige kap bleven open. Af en toe drupte er lauw water in zijn hals wellicht moest hij reparaties aan zijn zeil verrichten? Of tenminste een kleine inspectie uitvoeren binnenkort?.. Hij roeide zijn boot wiegelend door het kroos, waartussen fletse snoeren van groen lagen, want het flab werd hier allang niet meer uit de sloten gevist.
Hij was de kronkelige sloot bijna uitgevaren en naderde een breder water met aanzienlijk minder snottebellen, draden en wier. Het leek op de vlakte ook winderiger, en tegelijk werd het nog donkerder. Bij de invaart van de watering kwam hij langs een oud polderhuisje: eerste primitieve teken van menselijk bestaan. Of eerder voormalig menselijk bestaan, want het dak was allang ingestort. Uit de ramen, glimmend van water, ontsproten takken van vlierbomen en van het indertijd aangelegde erf was al helemaal niets meer terug te vinden. Over een jaar zou deze bouwval geheel zijn overwoekerd met ruigte, dan wel volledig weggezakt in de bagger. Het hele menselijke bestaan, geliefd onderwerp van diepzinnige praatjes over een heelal vol sterren en spiraalnevels, dacht hij, wordt toch per slot weer gereduceerd tot vuiligheid, verval, motregen en grauwe luchten. "Zijn jullie nog altijd niet verzopen? Nog steeds niet in de blubber weggezonken?"
Hoe was zijn humeur vandaag eigenlijk? Slecht tot gemiddeld? Al zou hij eerder op de dag hebben kunnen zweren dat hij vandaag helemaal geen humeur bezat. Of dat de regen zijn humeur was, de sloot zijn gedachten, het riet zijn toekomst, de grauwe bewolking zijn noodlot.
Zijn weerzin groeide nu hij zich komende uren hoe dan ook in het verdere verloop van zijn missie had te verdiepen. Nietwaar? Hij zou moeten discussiren om Regina "vrij te krijgen". Moeten twisten om zich, godbetert, die bemoeials van het lijf te houden, die familie, die querulanten.
Hij dwaalde met zijn gedachten af, tegen zijn zin in, misschien wel onvermijdelijk door de onvoorspelbaarheid van de komende uren. Hij was als een dromer die in zijn bed ligt en zich tegelijk middenin een droom weet. En hij was weer thuis; dat wil zeggen in het huis waar hij tot zijn veertiende had gewoond, in die sombere, ja bijna sinistere achterstraat. Een namiddag; zijn moeder, vader en zuster hielden zich op in de buurt van de openstaande achterdeur. En allen hadden het over het naderend onweer. Over die dreigende muur van donkergrijze, bijna zwarte wolkenbollen die oprees boven de daken van een andere straat, zoals hijzelf nog nooit had gezien.
Het beeld vervaagde; hoe oud was hij toen? Tien? Twaalf? Zijn zusje acht? Iemand declameerde er nu doorheen met een ouderwetse radiostem: "Vanaf toen,.. werd alles anders."
Geerling dacht er al niet meer aan. Hij roeide gestaag door en was zich van de belangrijkheid van het moment niet bewust. En, naarmate hij een tochtsloot naderde, waarvan hij wist dat die eindeloos en eindeloos was, dacht hij met enige berusting: "Wat duurt het lang, wat is het toch primitief dit varen." En ineens ondervond hij die vaagheid voor het eerst als een barrire. Want rechtreeks naar Regina gaan was eigenlijk niet zijn plan geweest. Integendeel, hij had eerst nog voorbereidingen willen treffen, bij boer Haverlag die een eind verderop woonde, een praam willen huren voor de verhuizing van haar spulletjes, eventueel bij andere bewoners in de modder nog wat hulp regelen...
Maar nu dacht hij opeens helder: NEE! het moet anders! Niet eerst voorbereidende zaken afhandelen, maar onmiddellijk naar hr! Een bijna onopgemerkte hersenflits was aan deze constatering voorafgegaan, het had iets van een voorgevoel, het leek op ongerustheid, dat hij dit rst moest klaren, anders kn het wellicht niet meer. Naar Regina, die, nu het er op aankwam, zijn aanwezigheid en bescherming wel eens nodig kon hebben op de laatste dag in dat vervloekte huis!
(Wordt vervolgd met nog n aflevering).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens