dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Karolien Zomers - Geen goed zonder kwaad
Gepubliceerd op: 09-01-2004 Aantal woorden: 3341
Laatste wijziging: - Aantal views: 1554
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Geen goed zonder kwaad

Karolien Zomers


Helden blijken vaak gewone mensen te zijn. Mensen van wie je niets bijzonders verwacht. Mensen van wie je niet verwacht dat ze uit zullen blinken in dapperheid, intelligentie of kunde. Het zijn geen mensen die in het middelpunt van de belangstelling staan. Hun daden worden niet bezongen in lofdichten. Het zijn de mensen die hun leven willen geven voor de rest, ze willen iets goeds doen in deze wereld. Ze willen niet bekend of beroemd willen zijn. Dit zijn de helden…

Het waren donkere tijden, waarin alle hoop vervlogen leek te zijn. De slechte vorst, heer Cormac, regeerde het land op wrede wijze. Alle boerderijen en landgoederen waren geplunderd. Op het land wilden geen gewas meer groeien, dorpen en steden waren geplunderd en vergaan tot as, slechts een herinnering. Het volk leed. Het kreunde en zuchtte onder het juk van haar heer. Het was in deze tijd dat er helden op zouden moeten staan of werkelijk alle hoop zou vervlogen zijn.
De koning had geen erfgenamen. Heer Cormac was de rechterhand van de koning geweest. Hij had het slim aangepakt. Na al die jaren trouwe dienst voor hem, stond hij bekend als een man die hart voor land en volk had. Hij was een gerespecteerde man geworden. Niets was minder waar gebleken. Toen de koning overleden was, regeerde hij met strenge hand, waarna hij zich tot een wrede dictator had ontpopt. Het deel van het leger dat tegen hem was, had hij verbannen.

Conall Cernoch en zijn mannen, een kleine groep van 50 krijgers, hadden de hele dag gereden aan een stuk door gereden. Ze gunden zichzelf en de paarden geen rust. Ze voelden zich moe en opgejaagd.
“In deze bossen zullen we eten, rusten en weer op krachten komen.”, besloot Conall.
Er klonk een instemmend gemompel.
Conall was een krachtige man met een duidelijke eigen mening. Hij kwam op voor zijn idealen. Hij wilde iets doen tegen het schrikbewind van heer Cormac. Hij wist alleen niet wat….
En weer kon hij de slaap niet vatten. Hij dacht aan heer Cormac, toen de koning nog leefde. Het was een vriendelijke sympathieke man, met een groot hart. Werkelijk alles had hij voor zijn volk over. Maar nu? Hij probeerde te bedenken wanneer heer Cormac zo was omgeslagen, maar kon het zich niet herinneren.
Langzaam zakte hij weg in een onrustige slaap. Zijn dromen waren verward en ’s ochtends stond hij gebroken op.
De ochtend was kil. Het was te merken dat het begin november was. Het bos was aan het ontwaken. De slierten mist trokken langzaam op, in de verte liep een ree kalm te grazen. Het bos vulde zich met geluiden van krakende takken, gefluit en gekwetter.

Na een snel ontbijt vertrokken ze. Ze bleven door de bossen rijden, om zo min mogelijk op te vallen. Conall was voornamelijk bezorgd om het feit dat hij helemaal geen plan had, hij wist zelfs niet waar hij naartoe wilde. Zijn mannen zouden hem tot de dood volgen. Maar het maakte de onrust er niet minder op.
Ze reden dieper het bos in, de bomen stonden er dichter op elkaar, er hingen grote flarden mist. Hoe dichter het bos werd, des te stiller het werd. Er hing een beklemmende sfeer alsof er te weinig zuurstof was. Conall verschoof even op zijn paard. Af en toe bewogen een paar van zijn mannen op een iet wat nerveuze manier.

Opeens rezen de contouren van een ruïne voor hen op. Het was een oud vergaan kasteel. De overblijfselen lagen er mistroostig bij. Eén van de mannen, Olwydd, kwam naar voren galopperen.
“Nee!”, riep hij. Hij staarde geschokt naar de overblijfselen van wat eens een groot, imponerend kasteel was geweest.
“Dit kasteel behoorde aan mijn oom. Een van de grootste aanhangers van de koning.”, sprak hij plechtig. “Tot op de grond verwoest!”, zijn stem klonk bitter, een mengeling van woede en verdriet.
Conall legde troostend een hand op zijn schouder.
Nu ze geen officieel leger meer waren stond Conall zichzelf toe een menselijkere houding aan te nemen tegenover zijn manschappen. Vroeger was hij afstandelijker. ‘Je hoeft geen vrienden te maken onder de manschappen. Een tiran hoef je niet te zijn, maar ook geen vriend.’ Het was hem geleerd en hij hield zich eraan. Hij was een van de meest geliefde officieren, juist door die afstand die hij creëerde. De mannen respecteerden hem erom.
Maar dit was een andere situatie, die een andere aanpak vereiste.
“Als je het wilt en je er behoefde aan hebt, dan gaan we er naar binnen.” Dankbaar keek Olwydd Conall aan.
Conall voelde er echter niets voor om de rest van zijn manschappen hier in het woud, wachtend op hen, achter te laten. Hij riep Dermat Sullivan bij zich, die hij altijd al zeer bekwaam had gevonden. Hem gaf hij wat orders. Olwydd en hij zouden Dermat en de manschappen wel weer inhalen, twee mannen waren sneller dan een hele groep.

En zo gingen ze de ruïne binnen. Ze hoefden alleen over een paar rotsblokken heen te klimmen en ze stonden al op de binnenplaats. Ze liepen het gebouw binnen en kwamen in een half ingestorte gang terecht. Hier en daar was de gang smaller doordat er een deel van het plafond naar beneden was gekomen. En her en der waren stukken steen van de muur afgebrokkeld. Ze kwamen langs een wenteltrap, waar Olwydd even bleef staan.
“Als we hier naar boven gaan, dan komen we bij een van mijn oom’s werkkamers aan.”
Zo vervolgden ze hun weg naar boven, over de lange wenteltrap. Olwydd opende een indrukwekkende eikenhouten deur, die naar de werkkamer leidde. Binnen was het muf. Er lag een aardig laag stof en er waren een aantal boeken uit de boekenkast gevallen. Er lag een stapel boeken, perkament, ganzenveren en inkt op de tafel.

“Ha! Indringers. Dat is een tijd geleden. Die hebben we niet meer gehad sinds, sinds, sinds…”
“Ach man sta toch niet zo te stamelen.”
Toen ze zich omdraaiden zagen ze drie geesten achter hen, boven de deur zweven. Ze zagen er niet angstaanjagend uit. Eerder lachwekkend, met hun dikke buiken, ronde gezichten en pretogen.
Even wisten ze niet wat ze moesten zeggen. Maar Conall herstelde zich snel. “Wie zijn jullie?”
“Wij zijn de vroegere bewoners van dit kasteel. Samen met een aantal anderen zijn onze geesten hier achter gebleven.”, sprak degene die de meest verstandige van de drie leek. Hij had een rond brilletje op zijn nog rondere gezicht en zijn pretogen straalden ook een soort van wijsheid uit.
“Herleven zullen uw doden, opstaan zullen zij.”, zei de derde die tot nu toe gezwegen had. Hij keek ernstig, waardoor hij er minder lachwekkend uit zag dan de anderen.
“Wat is er gebeurd?”, vroeg Olwydd. “Ik ben een neef van de heer die hier gewoond heeft.”, voegde hij eraan toe.
“Zoals u dan wellicht zult weten, was uw oom een belangrijk aanhanger van de koning en toen de koning stierf, van heer Cormac. Een aantal weken nadat de koning overleden was kwam hij langs. Terwijl ze aan het diner zaten, was de kokkin, Grania, in de kelder met heel andere zaken bezig. Volgens vele was ze een heks, een duistere. De enige reden dat ze in het kasteel bleef werken, was omdat ze ongelooflijk goed kon koken. Tja bij de meeste van ons ging de liefde voor haar door de maag. Degenen waarvoor dat niet genoeg was waren meestal te bang om wat over of tegen haar te zeggen. Die bewuste avond riep zij een krachtige demon op, die bezit nam van het lichaam van heer Cormac. Deze demon had handlangers in de vorm van blauwe ridders. Deze ridders waren geen gewone ridders, het waren minder machtige demonen die in de lichamen van dode ridders voor hun heer, de machtige demon die in heer Cormac huisde, streden. Deze blauwe ridders werden zo genoemd vanwege hun blauwe capes.”
“Tja en toch vind ik dat het zwarte capes waren!”, onderbrak de wat sullig uitziende geest hem.
“Nou goed, die ridders met de donkere capes terzijde, wat gebeurde er toen?”, vroeg Conall.
“Deze ridders vochten tegen de rest van het personeel en de ridders van het kasteel. Iedereen werd gedood.” Hij zuchtte. “De ridders van het kasteel waren dapper en sterk. Zij stamden af van de echte krijgers… weinigen van die krijgers waren er, te weinig om het ras voort te laten bestaan.” Hij liet een korte stilte vallen. “Alleen wij zijn hier nog. Verder heb je de koksmeid, Olwen, ze komt de keuken niet meer uit en heeft sinds ze dood is geen woord meer gesproken. Daarnaast heb je nog een nar, Owain, die zich in harnassen verstopt en je met zijn grote ogen volgt. Van allen ben ik, Midir, geloof ik de meest normale. Demna.” Midir gebaarde met zijn hoofd naar de sullig uitziende geest. “Was in het leven al zo. En Myrdinn.” Midir schudde zijn hoofd en sprak zachter. Sinds hij dood is citeert hij alleen nog maar teksten uit de bijbel.
Tja, en waarom wij als enigen over zijn gebleven? Geen idee. Waarschijnlijk omdat wij het meest onbenullig waren of omdat wij ons enigszins tegen het kwaad konden verzetten.”
“Zie ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade.” , sprak Myrdinn.
“Als ik het dus goed begrijp, is heer Cormac bezeten door een demon. De rest van het kasteel is gedood. En jullie zijn de enigen die overgebleven zijn. Dan rest alleen nog de vraag hoe we de demon uit heer Cormac verjagen.”, vatte Conall het samen.
“Wast u, reinigt u, doet uw boze daden uit mijn ogen weg; houdt op kwaad te doen; leert goed te doen, tracht naar recht.”, sprak Myrdinn weer.
“Tja, dat is ook een manier.”, zei Midir. “Maar waarschijnlijk hebben jullie er meer aan als ik vertel dat het ritueel wat de heks uitgevoerd heeft, omgekeerd opnieuw uitgevoerd moet worden.”
“Dat zou wel eens een stap in de goede richting kunnen zijn.”, antwoordde Conall. “Wat hield dat ritueel in? Waar werd het uitgevoerd?”
“Het ritueel wordt beschreven in een van de boeken, die daar in de kast staan. Het boek draagt de titel ‘De macht’ en je hebt het hoofdstuk ‘De heersende macht’ nodig.”
Conall stapte op de boekenkast af. Met zijn vinger streek hij langs de kaften van de boeken. Hij trok het juiste boek er aan de bovenkant met zijn vinger uit. Hij zocht in de inhoudsopgave, waarna hij snel doorbladerde. Toen hij het gevonden had mompelde hij in zichzelf, af en toe trok hij zijn wenkbrauw op. Hij wende zich weer naar de geesten. “Hoe komen we ooit aan al deze ingrediënten?”
“Dit alles is in het kasteel te vinden. Ga nu en wees snel. Het land heeft al lang genoeg geleden.”
Conall scheurde de pagina uit het boek en met Olwydd op zijn hielen verliet hij de kamer.

“Want voor al wie tot de levenden behoort, is er hoop, immers een levende hond is beter dan een dode leeuw.”, zei Myrdinn.
“Zijn we dan alleen nog maar goed om adviezen te geven? Is dat het enige wat we nog kunnen? Ze waren niet eens bang voor ons!”, Demna schudde somber zijn hoofd.

Nogmaals schudde Conall zijn hoofd. “Waar we dit allemaal moeten vinden zal mij een raadsel zijn.”
“Wat hebben we dan nodig?”, vroeg Olwydd.
“Eens even kijken. Kaneel, tja dat is makkelijk te vinden in de keuken, een diamant aan een gouden ketting, salamanderbloed, wijwater, dat bij de heilige doop gebruikt wordt en het as van een verbrand recept.”, vragend keek Conall Olwydd aan.
“Ik denk dat we het meeste wel in de keuken zullen vinden. Grania was immers een heks, dus wie weet wat ze er allemaal heeft staan. Misschien was die ketting ook wel van Grania. Ik zou voorstellen om naar de keuken te gaan en te kijken wat we daar kunnen vinden.”

Dus ging Olwydd voor naar de keuken. Het kaneel hadden ze zo gevonden. Het receptenboek hoefden ze niet naar te zoeken, dat lag open en bloot op tafel. Ze scheurden er een recept uit, verbrandde het en vingen het verbrande as op in een leeg potje. Na lang zoeken vonden ze een ruimte, die achter een dubbele wand zat. Ze schrokken erg toen ze Olwen, de keukenmeid, zagen. Het meisje keek hen met grote ogen aan. Het leek of ze op het punt stond om in huilen uit te barsten. Gelukkig deed ze dit niet en ze zweefde verder. Vanaf een afstandje bekeek ze de twee mannen. Deze haalden hun schouders op en vervolgden hun zoektocht.
De ruimte bleek vol te staan met potten en twijfelachtige substanties. Hier vonden ze een glazen pot met een rode vloeistof. Het etiket gaf aan dat er salamanderbloed in zat. Iets verderop stond een glazen pot met een doorzichtige vloeistof. Op dit etiket stond een doodskop. Conall wilde al verder zoeken, maar Olwydd hield hem tegen.
“Grania was een heks, weet u nog. Wijwater zou voor haar hetzelfde zijn als vergif voor ons.” Ze opende de pot en roken eraan. Het rook nergens naar. Olwydd zag het woord wijwater aan de binnenkant van de deksel en zo hadden ze ook het wijwater gevonden.
“En nu nog de gouden ketting.”, terwijl Conall deze worden sprak, viel zijn oog op de gouden ketting met diamant, die om dat nek van Olwen hing.
“Excuseert u mij, juffrouw Olwen, maar ik zou uw ketting graag willen lenen.” Weer zei Olwen niets, alleen haar grote ogen staarde de mannen aan. Behoedzaam liep Conall op haar af. Ze gaf geen kik en deed niets, terwijl Conall de ketting van haar nek nam. De mannen voelden zich er niet helemaal prettige bij, maar ze vervolgden hun weg.

Olwydd vermoedde dat Grania de kelder voor hekserij gebruikte. Het was de enige ruimte die hem geschikt leek. Ze liepen door een tunnel die in de kelder uit kwam. Ineens werd het een stuk kouder en er hing een beklemmende sfeer. Conall greep meteen naar zijn zwaard.
“De blauwe ridders!”
Ook Olwydd maakte zich gereed voor de strijd. Er kwamen er twee op hen af lopen. Hun harnassen glinsterden in het zwakke licht en hun capes wapperden bij iedere stap. Conall hief zijn zwaard, haalde uit, ontweek een slag en stortte zich op de ridder. Hij bracht de ridder voor een moment uit zijn evenwicht, haalde uit en de ridder stortte ter aarde. Hij zag dat Olwydd zich al op de andere ridders, die eraan kwamen, had gestort. Het werden er steeds meer en bij Conall begon de moed in de schoenen te zinken. Toen bedacht hij zich dat het dienaren van het kwaad waren. Hij greep de bijbel die hij altijd bij zich droeg, zijn manschappen hadden geen idee van hoe gelovig hij was. Hij liet zijn zwaard vallen en haalde uit met zijn bijbel. Er kwam een steekvlam op de plaats waar de ridder geraakt was en hij ging in vlammen op. Het lukte Conall niet eens om vier ridders op deze manier uit te schakelen, omdat ze allen op de vlucht sloegen.
In een ogenblik keek Olwydd Conall verbaasd en vragend aan, maar Conall beantwoorde die blik met een vage glimlach.

De kelder was leeg, op een groot vuur na.
“Het eeuwig brandende vuur. Het hoeft niet gevoed te worden, het blijft eeuwig branden. Nu dan zal ik snel de handelingen uitvoeren, laten we hopen dat het werkt.”
“Of zullen we bidden dat het werkt?”, vroeg Olwydd plagend.
Conall strooide het kaneel, drie keer een cirkel makend, boven het vuur. Daarna strooide hij de as in het midden van het vuur. Even deinsde hij achteruit, toen er een paar vlammen hoog oplaaiden. Vervolgens spetterde hij druppeltjes salamanderbloed in het vuur, om vervolgens de ketting vijf maal op en neer in het vuur te hangen. Toen hij het wijwater wilde pakken, verscheen de Olwen in het vuur. Dit keer keek ze niet alsof ze op het punt stond in tranen uit te barsten, maar had ze een kwaadaardige grijns op haar gezicht. Er klonk een harde knal, er was een hoop rook en de keukenmeid was in een dikke, kleine vrouw veranderd, Grania de kokkin.
“Dwazen zijn jullie! Ik ben jullie te slim af. Dit is geen eeuwig brandend vuur! Het is een vuur dat gevoed moet worden, en dat hebben jullie net gedaan. Tja, als het gevoed wordt, dan merk ik het. Dankzij mijn vrienden, Midir en Demna, hebben jullie het vuur gevoed. Denken jullie nu echt dat zij het toe hadden gestaan als jullie dit vuur zouden doven?” Na haar laatste woorden verschenen Midir, Demna en Myrdinn.
“Tjonge ze zijn ook goedgelovig zeg! Zouden ze nu wel bang voor ons zijn? Wat gaan we met ze doen?”, vroeg Demna aan Midir.
“Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.”, zei Myrdinn
“Ach spreek niet zo dwaas, natuurlijk gaan we ze wat aandoen!”, zei Midir
Olwydd spitste zijn oren na de bijbelse tekst van Myrdinn. Het leek erop dat hij wel voor hen was en hen wilde helpen.
“Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid.”, sprak Myrdinn weer. Nu wist hij het zeker!
De Midir kwam op hen afzweven. Hij hield zijn hoofd scheef en er verscheen een grijns op zijn gezicht. Midir was nu verre van lachwekkend, hij was gewoon angstaanjagend.
“Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven.”, zei Myrdinn weer.
In een paar seconden raasden er allerlei gedachten door het hoofd van Olwydd. De mensen die als schimmen gedrukt gingen onder de dictator. De mensen die in het as van de verbranden dorpen en steden leefden. En het wijwater, als dauw van licht.
Snel griste hij het wijwater uit de handen van Conall. Hij gooide het over Midir, over de heks en over Demna. De geesten gilden het uit, er volgden drie knallen, en er dwarrelde wat stof naar beneden.
Dit keer was het de beurt van Conall om Olwydd vragend en verbaasd aan te kijken. Olwydd gebaarde dat hij het later uit zou leggen.
“Bedankt.”, zei hij tegen Myrdinn. Met een vage glimlach op zijn gezicht verdween hij door de muur.
Olwydd gooide het laatste wijwater over het vuur. Er ontstond heel veel rook, het vuur werd kleiner, maar ging niet uit. In het midden van het vuur rees een enorme gedaante. Hij had was gehuld in een grote zwarte mantel. Zijn gezicht zag er kwaadaardig uit. Zijn huid was gerimpeld en hij had puntige tanden.
“Jullie dwazen! Door mij te doden, dood je niet het kwade. Je kan niet alleen het slechte doden. Dood het slechte en het goede zal ook sterven. Laat het goede leven en het slechte overleefd ook. Het goede en slechte horen bij elkaar, nergens zul je het apart vinden. Er bestaat niets zoals geheel slecht, net zoals er geen puur goed bestaat. Het is niet te scheiden. Echter zal één van beide overheersen. Door mijn toedoen overheerst de slechte kant van heer Cormac. Ik heb hem zijn slechte kant beter leren kennen en hem leren gebruiken. Hij zal zijn slechte kant aan de volgende opvolger over brenger, en deze aan zijn opvolger. De enige manier om het ongedaan te krijgen is door het goede te laten overheersen.” De demon kromp weg in het vuur, dat langzaam doofde.
Verslagen bleven ze achter, de demon was vernietigd, maar het kwaad niet.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens