zondag 17 december 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - ...Althans, dat wordt beweerd... - Afl.3 (slot)
Gepubliceerd op: 03-08-2010 Aantal woorden: 2197
Laatste wijziging: 11-12-2015 Aantal views: 1450
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

...Althans, dat wordt beweerd... - Afl.3 (slot)

Henk Gruys


Hijgend kwam ik boven aan. Maar de deur naar de zolder was nog steeds op slot en de haai had zich nog niet met de sleutels gemeld. Zou ik daarom de verrassingen die mijn nieuwe huis te bieden had, zomaar aan mijn neus voorbij laten gaan? – Tuurlijk niet! Ik haalde de grootste schroevedraaier uit de gereedschapskist en een hamer en hakte het schroefoog met hout en al uit de stijl. Daarna brak ik nog het cilinderslot uit de deur.
    De zolder die ik betrad was hoogbejaard, zoals was te zien aan balken en vloer. Rollen stof vlogen op de tocht van de deur over de grond als een leger vluchtende muizen. Door kiertjes licht in het dakhout was het niet geheel donker, maar te schemerig om hier iets over de conditie van mijn huis te weten te komen. In een hoek hing een vreselijke stank, of er gepoept was; er moest iets liggen rotten, maar het was te onduidelijk om te bepalen.
    Ik voelde mij nerveus, open voor nieuwe indrukken en mijn hart bonsde; het was of ik weer kind was geworden, en me in een lokkend, maar niet ongevaarlijk avontuur ging begeven.
    Het blikken zaklantaarntje dat ik bij mij had gestoken, gaf nauwelijks licht. Rondspeurend tot mijn ogen een beetje aan de duisternis waren gewend, ontdekte ik tot mijn verrassing dat in de achterwand een deur zat! Het was een kastdeur, beplakt met ouderwets bloemetjesbehang; er viel wat licht op door het dak, doordat er een pan was verschoven. Zou Jacco-Jan-Jaap dan toch gelijk hebben? Opgetogen liep ik er heen. Toen ik de deur opentrok aan de sleutel, bood hij tot mijn teleurstelling slechts toegang tot een muffe lege muurkast. Er lagen vijf planken in, bedekt met witte kastrandjes van papier, vastgeprikt met roestige punaises.
    Maar toen ik tegen het achterpaneel drukte, viel dat meteen meters omlaag en gaapte er een wijd zwart gat achter. Het tochtte verschrikkelijk, zodat te concluderen viel dat er ruimte achter zat! Kwam ik straks uit bij dat kamertje net als Jacco-Jan-Jaap? Of eventueel niet verder dan het Singel? Ik verwijderde de planken en kroop plompverloren de onzekerheid in, er op verdacht naar beneden te zullen storten of door vloer te zakken. Maar ik belandde iets lager op solide bodem met een zware bons. Nadat ik om me heen had gekeken begon voorzichtig te lopen. Spleten tussen de dakpannen gaven wat licht. Af en toe werd het weer donkerder; mijn zaklantaarntje liet ik spelen over vloeren en wanden, maar er was niets speciaals op te merken. – In de verte leek ik na enige tijd vele kinderstemmen door elkaar te horen. We zouden toch niet beleven dat ik in dagverblijf Poepescheetje terechtkwam!? Hallo Céphies! Alles goed?
    In dit soort omstandigheden is men van nature zeer op zijn hoede, is de primitiefste aandacht tot het uiterste verscherpt. Na korte tijd ontdekte ik alweer een deur in een zijwand. Of eigenlijk: ik zag een verlichte rechthoek van smalle kieren. Aha, we konden dus nog verder! Tatáá!! Zonder er bij te denken beukte ik de deur open – kkràkk! en stapte erdoor. Ik stond meteen in een armoedig huiskamertje; repen behang waren door mijn actie van de muur gescheurd en lagen om mijn voeten. Onder een kale lamp zaten een paar mensen aan een tafelzeiltje brood te eten. Hun stoppelige kaken staakten het malen op mijn komst alle tegelijk, en vier paar ogen keken mij zeer verbaasd aan.
    Het leek een moment of de tijd stil stond; en zo sterk leidde het tafereel af dat ik er helemaal door werd gebiologeerd. Maar een roodharige man sprong direct op. "Wat is dat nou?!" schreeuwde hij in verbijstering. "Zeg, ben jij nou helemáál belazerd!!" Ik stapte haastig door de kastdeur terug, bang te worden aangevallen met het broodmes.
    Op de terugweg over de balken in het donker voelde me minutenlang opgejaagd; ik holde volstrekt willekeurig over de zolders, raakte buiten adem. Maar er leek niemand achter me aan te komen, en wonder boven wonder vond ik moeiteloos de weg terug naar mijn huis.
    Toen ik weer in mijn kamer was, ging ik in een stoel zitten en bepeinsde langdurig mijn ontdekking. Ik moest als kind ooit op bezoek zijn geweest in zo'n soort kamertje, vandaar dat ik door de eigenaardige sfeer daar zo was geparaliseerd... In ieder geval zou ik het aan Jacco-Jan-Jaap gaan vertellen, om aan zijn verzameling toe te voegen. ...althans zo werd beweerd... Hij zou zich rot lachen. Ik belde hem op, maar kreeg geen gehoor. Niemand thuis.

De volgende dag, in de middag, wilde ik er even uit. Het was na drie; afspraken had ik niet; ik beëindigde mijn werk en ging op weg naar Jacco-Jan-Jaap. De zon scheen niet, maar het was bij uitzondering eens droog.
    Ver is zijn huis niet. De korte gebogen straat waar hij woont is van een buitengewone naargeestigheid. Zij heet de P.L. Almadestraat. Het straatje loopt dood en wordt aan het eind dwars afgesloten door een laag langwerpig wit stenen gebouwtje met kleine vierkante raampjes. Een voormalige wasserij. Dat op zich is al erg genoeg, maar uit dat gebouw steekt ook nog een kleine rode fabrieksschoorsteen, als een magere arm met vuist, die met zijn aanwezigheid de hele omgeving verziekt.
    Zo'n ding hoort niet in een woonstraat. Een beangstigend detail is nog dat hij door de hitte een beetje is kromgetrokken. Zelfs in de huiskamer meent men die rode dreiging nog te zien. Ziekte en dood lijken er vanuit te gaan, vervloeking over allen die gedoemd zijn hier te wonen. – Ik heb eens van die straat gedroomd, onduidelijk en vaag beangstigend; ik herinner me alleen die schoorsteen.
    Er hangt in die straat ook altijd een geur, fabrieksachtig, chemisch. Zoals ook nu weer. Die lijkt met die schoorsteen te maken te hebben, al is dat niet vanzelfsprekend.
    – Maar was bij Jacco-Jan-Jaap niemand thuis.


                        I I I

Drie dagen later werd ik opgebeld. Céphise. Of ik misschien even wilde komen, er was iets gebeurd. Wat wilde ze door de telefoon niet zeggen. – Met een hoofd vol bange onzekerheden ging ik erheen.
    Céphise deed open, ze zag er verwilderd uit, met ogen of ze had gehuild. Ze leek gehaast of heel nerveus.
    "Hij is bij me vandaan gelopen," zei ze meteen toen ik in de kamer stond.
    – Ik kon haar niet zeggen dat ik al zoiets wel eens had gedacht. Ik staarde haar verrast aan. Ze vervolgde: "Hij zag het niet meer zitten, zei hij. Maar hij moet helemaal in de war zijn. – Ik heb geen idee waar hij uithangt, dat heeft hij niet gezegd."
    Opeens barstte ze uit: "Hij loopt weg en laat mij met de rotzooi zitten; ik weet niet eens of er genoeg geld is voor komende week! Ja, dat is makkelijk genoeg voor meneer!" – Ze begon zinloos door de kamer te lopen. "Een fantast, een ziekelijke fantast! dat is hij. Daar ben ik zo langzamerhand wel achter! Zeker weten! Ha! Eentje waar niet mee te leven valt! Dat ik het nog zo lang heb uitgehouden!"
    Ik zweeg, kon opeens niet bedenken wat ik moest zeggen. Ik weet mij in zulke pijnlijke situaties moeilijk een houding te geven, voel mij al gauw een vreemde buitenstaander. Wat was er allemaal gebeurd waar ik geen notie van had? De situatie was blijkbaar veel erger geweest dan ik vermoedde. Ik veronderstelde in stilte dat hij dit alles wel deels aan zichzelf te wijten zou hebben, maar verder wist ik het ook niet. Nu ja, wat moest ik doen, haar soms snikkend in de armen vallen?
    Ik had wel medelijden met haar, natuurlijk. Toch bleef ik niet lang. Ten afscheid wenste ik haar veel sterkte, zegde haar steun toe, – ook financiële, dat moest ze dan maar zeggen. En ik vroeg haar me op de hoogte te houden als ze iets van hem hoorde.
    De hele verdere dag kon ik de gedachten aan Jacco-Jan-Jaap en Céphise niet uit het hoofd zetten. Mijn laatste vriend... Gelukkig had Céphise me niet gevraagd om directe rechtshulp... want dat zou wel eens op problemen kunnen uitdraaien voor Jacco-Jan-Jaap, omdat kon worden betwijfeld of het wel legaal was wat hij gedaan had. Ik had de vage hoop dat hij mij heel spoedig vanuit zijn geheime standplaats zou opbellen. Maar dat gebeurde niet. En eigenlijk vond ik dat ook weer niet zo vreemd.
    Die nacht droomde ik. Er liep een pad dwars door mijn hele huis, smal, met een laag plafond. Vorkheftrucks reden erover heen en terug. Jacco-Jan-Jaap ontmoette ik ook, hij stond op een houten bruggetje tussen fabrieksgebouwen op een formulier aantekeningen te maken. Aan het eind stond de hoofdfabriek, een uitgebreid complex van beton en glas. Ik moest er heen om de zoldersleutel weg te brengen, maar vorderde slechts langzaam. Een schoorsteen zag ik daar tenslotte ook, een enorm gevaarte, bloedrood, met aan de voet mijn ijzeren kelderluik erin. Toen ik wakker werd, was het half vier op mijn wekkertje; het duurde minstens een uur voor ik weer insliep.

                            I V

We zijn nu ruim twee maanden verder. Ik heb Jacco-Jan-Jaap niet meer gezien; die is spoorloos, geen briefje, telefoontje, niets. Ik verbaasde me over het harteloze afscheid meer nog dan over het feit dat hij met de noorderzon leek te zijn vertrokken. Tegelijk heb ik een schuldgevoel dat ik niets heb kunnen doen om hem te helpen. – Kon ik hem opsporen? Maar ik ben nooit op de hoogte geweest van de plaatsen die hij frequenteerde. Ik wilde ook niet naar de politie gaan, omdat dan de kans groot was dat ik hem dan in moeilijkheden zou brengen.
    – Céphise spreek ik nog wel eens, maar die weet ook niets te vertellen; “Einde verhaal,” zei ze. Ze is me nog een keer komen opzoeken, ditmaal zonder dubbele bedoelingen.
    – Jacco-Jan-Jaap en ik. We zijn nu allebei weer alleen, en geheel op onszelf. Maar onze situaties zijn opnieuw zo verschillend, dat ze weer passen in het vaste patroon van de contrasten.

Mijn huis is mogelijk een van de meest interessante van de stad met die rare zolder, maar geen hond die er aandacht voor heeft. Zelfs de krant die ik erover belde, toonde geen enkele belangstelling. – "Wij zijn meer nieuwsgierig naar kelders," grapte de redacteur. "Tenminste als daar een flinke drankvoorraad staat..."
    Ik vermoed dat ze me niet geloofden, of dachten dat ik hen voor de gek hield.
    Misschien moest ik met mijn verhaal naar de televisie stappen?.. daar hebben ze chronisch gebrek aan rare onthullingen. Maar ik weet zeker dat ik mij daar niet thuis zou voelen; ik zou me onder die lampen al heel gauw afvragen in welke situatie ik me in hemelsnaam had begeven...

Er zijn zoveel dingen tegelijk gebeurd... mijn afscheid van Stella, de intrek in het nieuwe huis, het avontuur op zolder, het mallotige kamertje, de vlucht van Jacco-Jan-Jaap en het geweeklaag van Céphise. Ze vonden allemaal plaats in kort tijdsbestek en lopen door elkaar, waardoor men het gevoel krijgt de greep op het geheel kwijt te raken.
    Men zou willen dat er een verband aantoonbaar was en men er iets aan kon veranderen. Mogelijk is er wel verband, maar bewijs niet.
    Misschien ben ik de laatste maanden niet laag genoeg bij de grond gebleven en moet ik dat nu bezuren. Positieve levensangst, – noemen ze dat niet zo?

– Ik wens het eigenlijk niet toe te geven, maar ik zou weer contact willen met Stella. Maar als ik eerlijk moet zijn... de verwachting dat het ooit nog goed komt tussen ons heb ik allang laten varen. Ik heb haar onlangs nog opgebeld. Ze zei dat het alleenzijn haar uitstekend beviel, en dat wat haar betreft onze "scheiding" al veel eerder had moeten plaatsvinden.
    En ze zei te hopen dat ik er ook zo over dacht...

De krant lees ik tegenwoordig met een bordje eten op schoot, met de televisie aan. Ik trek allerlei grimassen tegen een politieke mevrouw die iets uitlegt; een heel verhaal, moeilijke termen komen langs, minutenlang, zeer toegewijd, zeer overtuigd, maar ik mag doodvallen als ik weet waar ze het over heeft. – Toch heb het begin niet gemist.

Ik denk dat ik de haai maar weer inschakel, mijn huis met de paarse weerschijn verkoop, en een tijdje in Italië ga wonen, waar mijn voorouders vandaan komen.
    Weg uit mijn oude omgeving.
    Net zoals waarvoor Jacco-Jan-Jaap heeft gekozen.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens