zondag 17 december 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - ...Althans, dat wordt beweerd...-Afl.2
Gepubliceerd op: 03-08-2010 Aantal woorden: 2000
Laatste wijziging: 11-12-2015 Aantal views: 1120
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

...Althans, dat wordt beweerd...-Afl.2

Henk Gruys


Ondanks alle huiselijke irritatie heeft Jacco-Jan-Jaap nog net niet besloten weg te lopen. Maar als vader, echtgenoot en huisgenoot voelt hij zich lijkt het, al jaren niet gelukkig. Daarom misschien heeft hij zich teruggetrokken in zichzelf, probeert hij te ontsnappen door zich met dingen bezig te houden die met zijn gezin niks te maken hebben. Misschien dus dáárom heeft hij zo'n belangstelling voor bijzondere zaken, bizarre voorvallen, vreemde snuiters en rare samenlopen van omstandigheden, en heeft hij op dat punt een reputatie opgebouwd van een bijna mystieke inslag.
    Bijna klassiek geworden bijvoorbeeld is zijn: "Hitlers dubbelganger." Het heeft in de plaatselijke krant gestaan. In het voormalige Joegoslavië heeft Jacco-Jan-Jaap in een dorp een man gezien die als twee druppels water op Adolf Hitler leek. Niet zo'n beetje, maar werkelijk een adembenemende tweelingbroer! Bestond er dan toch reïncarnatie? Maar de man blijkt buitengewoon zachtzinnig en aardig. Hij was zwakbegaafd en had mogelijk zelfs nooit van A. Hitler gehoord.
    Het ganse dorp kende hem, vertelt Jacco-Jan-Jaap. Natuurlijk vroeg hij zich af: waarom die haarlok, dat zwarte snorretje als je al zo'n aangeboren gelijkenis vertoont met de Führer? Dat kon toch onmogelijk toeval zijn! –
    "Zou u uw uiterlijk niet eens wijzigen?"
Jacco-Jan-Jaap vraagt het aan de dorpelingen: "Wat is er met die man, dat die zo graag wil lijken op oorlogsmisdadiger nummer een?"
    De toestand blijkt opgezet en in stand gehouden door een oudere harteloze, antisemitische broer. Die aan dit even ludiek als smakeloos protest tegen de maatschappij, de regering, de schepping, het jodendom en wat niet, op deze wijze uiting wil geven... Ze lachen er in dat dorp een beetje om.
    Wat een verhaal... zou het waar zijn?.. Jacco-Jan-Jaap brengt het met verve over het voetlicht, dat moet gezegd. Ik heb nooit nagegaan wat er "althans werd beweerd", een slotzinnetje dat hij steevast aan zijn verhalen toevoegt, maar ik moet erkennen dat ik Jacco-Jan-Jaap eigenlijk nog nooit op een echte leugen heb kunnen betrappen.
    Soms maskeert Jacco-Jan-Jaap zijn huiselijke ongemakkelijkheid simpeler, met het maken van grappige opmerkingen. "Ik ben autodidact, ik heb mezelf autorijden geleerd."
    Dat zijn zo de flauwe aardigheden die dienen voor hem om de moed erin te houden.

Nadat ik mijn nieuwe huis enigszins op orde had, besloot ik Jacco-Jan-Jaap te bellen. Ik had na een inspannende werkdag even genoeg van alle gedrukte voorschriften en geprinte zakenbrieven die dansten voor de ogen, en wilde even wat anders.
    Jacco-Jan-Jaap was niet thuis, maar Céphise zou zeggen dat ik gebeld had.
    Ik hoorde een week lang niets.
    Toen heb ik nogmaals contact gezocht en hem uitgenodigd mijn nieuwe huis te komen kijken. Op een regenachtige avond schelde hij aan. Hij leek mijn mededeling over de (half)scheiding van Stella en mij voor kennisgeving aan te nemen, wat me enigszins verbaasde; maar het kon zijn dat het voor hem niet geheel als verrassing kwam. Daarentegen bekeek hij alles van mijn huis met grote interesse; sprak tenslotte zijn waardering uit voor mijn keuze. – Ik liet alles zien, ook de afgesloten zolderdeur. En hij zou Jacco-Jan-Jaap niet geweest zijn als hij daarover weer niet iets te melden had.
    "In deze grachtenbuurt staan de meeste huizen via de zolder rechtstreeks met elkaar in verbinding, wist je dat?"
    Nee, maar als dat zo was: oeioei, dan moest ik mij zorgen maken omdat iedereen via de zolder zomaar in mijn huis kon komen, overal zijn neus in steken en alles wegstelen! Daarom natuurlijk was die deur zo afgegrendeld! Dan zou ik er dus eigenlijk nog meer sloten aan moeten hangen! Ik maakte die bekommering echter niet kenbaar aan Jacco-Jan-Jaap.
    Hij vertelde een bizar verhaal. Hij was ooit op een zolder geweest in een gebouw waar krakers zaten. Bovenin dat pand was een enorme zolder, zo groot als je nog nooit had gezien. Je liep rechtdoor, ging deuren door, klom door gaten in de muur, enzovoorts en kwam steeds weer op andere zolders. Op een middag was hij daar ook geweest, en na zo'n minuut of tien lopen over die oude vloeren kwam hij door een kastdeur zomaar in een huiskamer uit, helemaal gemeubileerd; er was niemand, maar je kon het avondeten nog ruiken. Toch onvoorstelbaar niet?
    Alweer zo'n merkwaardig verhaal. Of het waar was... ditmaal geloofde ik er niet veel van; ik moet ongelovig hebben gekeken, want hij maakte het nog mooier. Er bestond volgens die krakers op de route nog een zijaftakking. Die voerde rechtstreeks naar de kleedkamers van de grootste concertzaal van de stad... leuk, kon je gratis naar muziek luisteren. Of een beroemde solist een hand geven als die in de kleedkamer zat te wachten. Schrok die zich de pleuris als er plotseling iemand door een luik kwam binnenvallen!
    Je moest, zeiden die krakers, alles precies weten en doen, anders verdwaalde je of kwam steeds weer bij het begin uit. – De tweede keer kon hij die zaal dan ook niet meer vinden. "Jammer. – Maar nu is het zomer," zei Jacco-Jan-Jaap, "en dan zijn er geen concerten daar."
    "Maar indien alles met alles in verbinding staat," opperde ik, "dan kunnen wij dus vanuit mijn zolder ook in die concertzaal komen?" – "Daar zou je gelijk in hebben," zei hij, "ware het niet dat tussen daar en waar jij woont het water van het Singel loopt."
    Ik zei Jacco-Jan-Jaap ten afscheid dat ik de haai zou vragen over die zoldersleutels; ik was toch wel nieuwsgierig geworden.
    Een paar dagen later – ik moest toch in de buurt zijn; ging ik naar de haai en bracht de verbinding met de andere panden ter sprake, zoals Jacco-Jan-Jaap mij had verteld. Maar de haai antwoordde, zonder de indruk te maken serieus te hebben geluisterd: "U behoeft zich nergens ongerust over te maken. Een bekend fabeltje en anders niet! Geen sprake van! No way! Er is maar één toegang tot uw zolder en die is uitsluitend via uw eigen deur te bereiken! Gegarandeerd!"
    – Hij zegde nog toe bij de vorige eigenaar naar die sleutels te informeren, bracht me naar de deur en gaf me een hand. "Het spookt in uw huis," zei hij met een lachje, "wist u dat?" – Maar dat beschouwde ik als grapje.

Van Jacco-Jan-Jaap hoorde ik alleen af en toe maar eens wat. Alle huiselijke irritatie heeft hem kennelijk nog niet doen besluiten weg te lopen; misschien hield hij daarvoor toch te veel van Céphise. –
    – Céphise is altijd aardig tegen mij. Ze heeft ooit nog geprobeerd het met mij aan te leggen, een half jaar terug, toen Jacco-Jan-Jaap een weekend in Zeist was. Ze vroeg of ik niet een avondje wilde komen, maar keek erbij of ze eigenlijk wat anders bedoelde. Ik ben echter helemaal zo'n type niet; om de waarheid te zeggen: ik vind zulke dingen stuitend.
    Maar nog afgezien daarvan, vind ik Céphise op geen enkele wijze aantrekkelijk. En haar taalgebruik! afgrijselijk... En dat vind ik altijd heel irritant. Ze zegt als ik kom: "Wil je iets van koffie?
    – Iets van koffie – Zo praat ze.
    Tegenwoordig gebruikt ze steeds weer okee. – Zou je zeggen: "Ik kom net uit de gevangenis, twaalf jaar gezeten".
    Zegt ze: "Aukee..."
    – "Ja, mijn buurvrouw vermoord, met zeventien messteken."
    – "Aukee..."
    Van Céphises politieke ambities is tot op heden nog niet veel terechtgekomen. (Kan het mij eigenlijk een bal schelen...) Ze is actief in de alternatief-christelijk-feministische beweging: "Jezesmina" en van plan binnenkort haar zetel in de gemeenteraad daaraan te verbinden. "Ik ben er klaar voor, zeker weten!"
    In aansluiting daarop deelt ze mij mede: "Volgende week komt de burgemeester hier." – "Wat? Hier? Wat komt hij dan doen?" – "Geen idee, misschien gaat hij aan een stuk door zitten te onaneren." – Zij is soms echt vreselijk...

Mijn leven was dus weer op orde; twee maal per week bezocht ik winkels voor mijn inkopen en 's avonds ging ik naar mijn vaste restaurant om te eten. De lichte somberheid verdween. Tot hard werken zoals vroeger kwam het echter niet. Als er geen cliënten waren en ik pauze nam, staarde ik afwezig door het raam naar de regen, zag ik beneden me de voorbijgangers die zich niet door nattigheid en wind lieten afschrikken. Het was nog vrij druk op het grachtje dat functioneerde als doorgang naar een winkelstraat; het regende soms paraplu's op de gracht.
    Dat mijn huis zo bleef intrigeren was in zekere zin een nadeel; ik voelde me er nog steeds niet helemaal thuis. Ik had het gevoel dat er iets aan de hand was, maar wàt kon ik maar niet kunnen ontdekken. Dat moest ik gaan onderzoeken, van onder tot boven. Dit laatste letterlijk, want zoiets dien je systematisch te benaderen. Dus zou ik eerst de kelder inspecteren; want die had ik met de haai ook maar vluchtig bekeken, en dan verder, zo naar boven. En tot slot de zolder ontsluiten. Vooral omdat er dan wellicht iets vreemds geopenbaard zou kunnen worden.

Mijn zoekplan werd ietwat door het toeval versneld. Op een vroege avond, – ik kwam juist uit mijn werkkamer, viel me een vreemd geluid op; gestommel of gebons op de benedengang. Maar toen ik het trapje afging was er niets te horen. Ik liep naar de kelderpoort en luisterde aan de deur, maar vernam alleen het suizen van de stilte. Ik wilde de benedengang weer verlaten, toen het zich opnieuw deed horen. Het was in de kelder, de symbolische tegenpool van mijn afgesloten zolder; ik liep terug en probeerde de kelderdeur te openen, maar die was op slot.
    De grootste ijzeren sleutel aan het bos, als van een sprookjeskasteel, paste echter direct. Ik duwde de deur open en een gure windstoot voerde rioollucht aan. Wat zou ik aantreffen? Ik voelde rimpels van vrees op mijn gezicht, toen ik voorzichtig om de hoek keek. Maar ik zag niets dan duisternis, daglicht kwam hier niet. Op goed geluk tastte ik naar een lichtschakelaar om de hoek, voelde zo'n ouderwets koperen knopje, en knipte aan. Geen executie of stroomtinteling in mijn vingers. Wel schel licht, van een peertje aan het plafond. Ik zag de bekalkte muren behangen met hele tapijten van stof en spinrag, een bodem van brokkelige plavuizen die om een putdeksel in het midden leken te zijn gestold, als stukken vuil rond een afvoergat. Ik bedacht dat er nu tenminste één deprimerende plek in het huis was te vinden die ik had ontdekt...
    Meteen zag ik dat het putdeksel langzaam omhoogkwam, het schommelde en viel weer met een bons omlaag. Ik kreeg even een visioen dat er vermoorde bejaarden van het tehuis in het riool waren gedumpt en tegen mijn kelderluik bonkten. – Ik verbaasde mij over mijn gedachten; het spookt in uw huis, had de haai gezegd, en je ging dat nog bijna geloven ook, wat een onzin.
    Nadat ik aarzelend op de put was toe gelopen, constateerde ik dat de dekplaat niet helemaal paste; hij lag scheef; ik tilde hem op en keek in de put, maar er was niets te zien. Een modderige tochtstoot blies in mijn gezicht. Ik verschoof het deksel, waardoor het wat dieper zakte. Het bleef liggen en het gerommel was weg.
    Nu de kelder zijn vermeende geheim had ontsluierd, wilde ik nu direct zijn tegenpool: de zolder – daar zover mogelijk vandaan – ook gaan inspecteren. Meteen! Nu zou ik het weten ook!
(Wordt vervolgd met nog één aflevering).



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens