zaterdag 20 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - ...Althans, dat wordt beweerd... - Afl.1van 3
Gepubliceerd op: 03-08-2010 Aantal woorden: 2230
Laatste wijziging: 20-02-2018 Aantal views: 1496
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

...Althans, dat wordt beweerd... - Afl.1van 3

Henk Gruys


De geschiedenis begint met een verandering, of beter een tamelijk vèrstrekkende beslissing, die van grote invloed op onze toekomst was. Toen Stella mij op enig moment voorstelde verder gescheiden door het leven te gaan, heb ik me afgevraagd of ik dat erg zou vinden?... Het antwoord luidde, hoewel niet zonder voorbehoud, ontkennend. Het leek een remedie tegen alle strubbelingen die de laatste tijd in ons huwelijk voorkwamen. En misschien ook – zo hield ik mij voor – zou het feit dat we niet meer steeds samen waren op langere duur weer tot toenadering kunnen leiden. Echtscheiding wilden we geen van beiden; wij zijn dan ook niet als vijanden uiteen gegaan. –
    Maar laat ik mij even voorstellen: Jason Si, tweeëndertig jaar, getrouwd met Stella Sidonis, geen kinderen, woonachtig in een stad in het westen van het land.
    Ik ben meester in de rechten, maar geen advocaat. Dat laatste ambieer ik ook niet, daarvoor mis ik ten enenmale het talent van praatjes maken dat daarvoor nodig is. Bovendien zou ik dan een representatief kantoor moeten hebben, personeel aannemen en in de gaten houden, zorgen dat alles op rolletjes loopt, de zaken uitbouwen, aan de weg timmeren, adverteren, regelmatig met mijn kop op de tv verschijnen enzovoorts, en daar heb ik eenvoudig geen zin in. Ik heb nu eenmaal een aangeboren weerzin tegen dingen organiseren, tegen de zakelijke hoogvliegerij die voor een flinke rechtspraktijk nodig is. Ik heb er ook geen aanleg voor. Ik houd alles liever klein en overzichtelijk – zoals alles in mijn leven klein en overzichtelijk moet blijven.
    Wat ik doe is adviezen verstrekken aan kleine ondernemers, en aan particulieren die rechtshulp nodig hebben.

Ik liet Stella een groot deel van de inboedel. Vervolgens ben ik in de advertenties gaan zoeken naar een huis. Ik wilde geen flatje, niet iets dat als tijdelijk "onderkomen" zou kunnen worden betiteld, maar iets authentieks. Bovendien moest ik natuurlijk, hoe bescheiden ook, kantoor kunnen houden. Veel meer dan een nette ontvangkamer en kantoortje met telefoon en computer is daar overigens niet voor nodig.
    Hoewel dit streven enigszins geweld deed aan mijn houding van "laag bij de grond blijven", moet gezegd dat dit vervolg mij niet zonder succes af ging; het nieuwe huis functioneerde als een soort compensatie of troost voor het verlies van het andere; ik begon er zelfs plezier in te scheppen.
    Ik had door een fikse nalatenschap voldoende geld achter de hand om bij mijn keuze eisen te stellen. Boven verwachting snel slaagde ik erin iets passends te vinden. De lasten vielen mee, zo zelfs, dat ik me afvroeg of er geen fout was gemaakt. Enfin, ik regelde in recordtempo de verhuizing van privé-bezit, boeken en de mappen en bescheiden van mijn beroep.

Het pandje waar ik het oog op had laten vallen, was niet het smalste van de stad, maar oogde toch opvallend mager tussen de andere aan dat achteraf-grachtje. Het vertoonde een vriendelijk klokgeveltje met naar verhouding zeer grote ramen. Zelfs het watertje waaraan het straatje lag rook fris; geen zwavel- of modderstank bereikte de wandelaar als die tussen de olmen vertoefde en over het grachtje uitkeek, ook niet als het langdurig regende.
    De man die mij het huis liet zien, was onmiskenbaar een erge haai, maar in de omgang van bijna overdreven gedienstigheid.
    Hij was nogal babbelziek. "Eigenaardige achternaam hebt u," zei hij toen ik hem voor het eerst ontmoette.
    Nu zoekt men daar vaker verklaringen voor, oppert dat die naam met muziek te maken heeft, dan wel van Chinese origine is. Maar het simpele antwoord is dat mijn voorvaderen uit Italië komen. – Omdat de haai me maar bleef aankijken om een soort antwoord op zijn niet-vraag, zei ik hem dat ook.
    "Dan betekent uw achternaam dus: ja. Als dat als voorteken moet worden opgevat, zult u van de koop geen spijt krijgen!"
    Dat mijn vrouw, Stella Sidonis, met haar naam ook iets muzikaals bevat, bijna de helft van een majeurtoonladder bestrijkt: la-si-do, heb ik hem niet gezegd; en evenmin dat onze familienamen dezelfde muzieknoot als beginletters hebben. Daarvan had ik het gevoel dat dat wat te familiaar werd tegenover een wildvreemde.

Mijn nieuwe huis maakte vanaf het begin een speciale indruk op me. Ik voelde er iets bij, iets beklemmends, maar kon niet uitleggen wat. Mogelijk kwam het door de vreemde kleur, die iets vaals vertoonde, iets paarsachtigs, een kleur die men in de gevelrij nergens anders tegenkwam. Het was inderdaad niet het mooiste aspect, al moet erbij worden gezegd dat het nu ook weer niet zó duidelijk was. Soms leek het alleen maar paars als men de ogen sloot en dàcht dat het paars was.
    De haai had, toen hij de sleutels overhandigde nog gezegd: "Van buren zult u weinig last hebben; hiernáást wonen uitsluitend oude mensen met hun hulpen, in een particulier bejaardentehuis. Aan de andere kant is een doodlopende steeg." – Hij leek ook uiterlijk op een haai: een klein mondje in een volledig weggezakte enorme kinnebak. Een monster dat alles wat hij tussen zijn tanden had, nooit meer losliet.

Ik gunde mij geen tijd verder stil te staan bij het uiterlijk en de ligging van mijn nieuwe woning, want ik moest mij bezighouden met de veranderingen in mijn toekomstig leven, zowel zakelijk als privé.
    Mijn vertrek bij Stella mocht dan niets van een vlucht hebben – ik vóelde me ook niet op de vlucht – de stemming die ik kreeg in dat grotendeels lege pand, was er toch vooral een van ontheemding.
    Misschien kwam het doordat ik nu in een stadsdeel woonde waar ik nooit eerder een voet had gezet.
    – Of was het tòch dat huis... De eerste dagen liep ik er alleen maar in te dwalen, door holle hoge kamers met korte trapjes of onpraktische drempels gescheiden en weer verbonden door smalle gangetjes. Nog nooit had ik me met een dergelijk huis beziggehouden. Mijn nieuwe aanwinst rook ook merkwaardig; stokoud zou men kunnen zeggen. In sommige kamers leek een verslagen geur van deftige oude heren te hangen, van port en sigaren; in de lagere, van dienstboden, van stofmandjes en zeepsop. Zelfs mijn antieke staartklok had zich aangepast en suggereerde als hij sloeg een damesgeur van lavendel. De marmeren vloer van de hal was beschaafd versleten. Alles scheen vervuld van een duidelijk verleden waarvan ik niets wist. – Naar men mij had verzekerd bezat mijn huis inderdaad een eerbiedwaardige historie. Ik nam me voor om daarnaar in het gemeentearchief op zoek te gaan; want de haai, zo veronderstelde ik, zou mij niet veel wijzer kunnen maken. Ik verwachtte dat ik spoedig aan het ongewone zou wennen; als er eerst maar weer orde en regelmaat zou zijn.
    En of er nu èchte verrassingen waren te ontdekken... aanvankelijk in elk geval niet. Ik kan nog wel een kleinigheid aanvullen op de eigenaardigheden van het huis. Het is een specialiteit die je pas opvalt als je binnen bent: het lijkt binnen veel groter dan de buitenkant suggereert.

– Het weer was dit seizoen overwegend nat; met regen leek weken achtereen viel, iedere dag gedurende vele uren. Ik bezag, als ik voor het raam stond, het eindeloos gespetter op de klinkertjes van de kade en op de blaadjes van de olmen die in een rijtje aan het grachtje stonden. In het water zag men onophoudelijk kringen ontstaan. De kilheid van het donkere weer maakte de eigenaardige sfeer in en rond het huis nog intenser en bracht mij meermaals tot nutteloze bespiegelingen.
    – Na anderhalve dag van knarsende dromerij nam ik het besluit niet langer bij de pakken neer te blijven zitten, – letterlijk. Ik heb toen in één dag het grootste vertrek ingericht als woonkamer en een kleiner als werk- en gesprekskamer in de marmeren hal vlak om de hoek van de donkergroene voordeur. Telefoon en apparaten heb ik eenvoudig kunnen installeren, omdat alle aansluitingen nog aanwezig waren.
    Mijn huis was nu "klaar", en ik kreeg tijd voor andere zaken. Soms nam ik een uurtje "vrijaf" om rond te kijken. Mijn aarzelingen verdwenen; ik voelde me ronduit opgetogen en optimistisch. Ook de bovenverdiepingen had ik geïnspecteerd en in orde bevonden. Mijn zolder echter – er moest onder het dak, geheel in stijl, nog een flinke ruimte zijn – was niet toegankelijk. De deur achter de zoldertrap bleek dubbel afgesloten, met cilinderslot en een ketting. Geen sleutel van mijn bos paste. – Eigenlijk stom dat ik de haai er niet naar had gevraagd. Dan had ik immers ook iets van de conditie van het huis kunnen waarnemen. Het was vrij goedkoop geweest; misschien waren de hanebalken wel verrot of aangevreten door houtworm! Dan zou ik ongelooflijke kosten moeten maken om het te laten herstellen!
    Af en toe stond ik in huis ergens voor een raam. Vanuit de bovenkamer waren de achterkanten van andere panden te zien en de rommelige binnenerven vol hokken, beschimmeld tuinmeubilair en plakkaten duivenpoep. Dat uitzicht was in tegenspraak met het lieflijke grachtje aan de voorkant. En kon ook geen compensatie bieden voor die ontoegankelijke zolder.

                        I I

"Iedereen heeft vrienden nodig in het leven", wordt gezegd. Eerste wijsheid.
    – Nu, veel vrienden heb ik niet. Op de keper beschouwd maar ééntje. En zelfs met hem heb ik geen intensief contact, ik heb hem door die verhuizing in geen weken gezien of gesproken. Van mijn nieuwe woonadres had hem nog niet eens in kennis gesteld.
    "Contrasten raken elkaar". Tweede waarheid. Vrijwel in alles verschillen wij. Mijn vriend heeft om te beginnen een heel ander uiterlijk. Bij mij is het dat min of meer studentikoze voorkomen waarmee ik het moet doen; dat van hem, met dat rode gezicht, rossig haar en witte snor doet vrezen voor een regelrechte patjepeeër. Maar tot dat slag behoort hij pertinent niet. Hij moet ongeveer dertig zijn, – en in tegenstelling tot mijn ultrakorte voor- en achternaam, kòrter kan niet – is hij in het bezit van onbescheiden lange en zeer lelijke equivalenten. Hij heet voluit: Jacco-Jan-Jaap van Erven Bloesgaar. Accoord, de eerste twee letters hebben we gemeenschappelijk, maar dat is dan ook alles.
    Zijn geestelijke achtergrond is ook anders. Maar al heeft hij niet meer dan de middelbare school afgelopen en niet veel bijgeleerd later, intelligentie kan hem niet worden ontzegd. Hij is daarin zelfs leniger, fantasievoller, creatiever dan ik. – Vastgesteld dat ik mezelf nogal saai vind.
    Hij onderscheidt zich nog op een ander punt. Laat ik 't zo zeggen: waar ik steeds probeer, meestal met enig succes, de chaos in het leven enigszins de baas te blijven, lukt dat Jacco-Jan-Jaap beduidend minder.
    Misschien dat hij het wel zou willen. Maar de dagelijkse werkelijkheid in huize Jacco-Jan-Jaap maakt het handhaven van enige regelmaat moeilijk, zo niet onmogelijk.
    Zijn gezin is een huishouden van Jan Steen. Het is er nooit wat je noemt "gezellig" of prettig te vertoeven. In de woonkamer heerst een bende en herrie. Schoonmaken heb ik er nog nooit zien doen. Overal slingeren kleren, kranten en reclamefolders van weken terug. Waar je ook komt staan de enorme stinkende sneakers van zoonlief. Beschimmelde afwas blijft dagenlang in de gootsteen liggen; de was wekenlang hangen aan lijntjes op de overloop. Zakken levensmiddelen staan verspreid in de boekenkast. De plee is verstopt. Maar tot ieders geluk, komen er behalve ik, alleen maar mensen die even slordig en labbekakkig zijn als zijzelf.
    Enige opvoedende capaciteiten heeft mijn vriend zich nooit eigen gemaakt; hij heeft er geen talent voor – misschien tot eigen verdriet. Met openlijke afkeer zit hij naar zijn zoon en diens schoolmakker te kijken als ze uitgevloerd en scheef achter de computer hangen, de mp3 op volle kracht op hun oren. En vooral als hij hen hoort praten met hun woordenschat van vijfentwintig woorden van TMF en Radio Veronica. – Beavis en Butt-head noemt hij hen.
    Jacco-Jan-Jaaps vrouw heet Céphise. Een naam die ondanks de ongewoonheid niet echt mooi is. Hoe zouden anderen haar roepen? See? Sévies? "Sevies, waar staat 't servies?" Jacco-Jan-Jaap zegt altijd voluit Céphise. Misschien omdat hij in het algmeen afkortingen haat.
    Mogelijk is het er ook zo'n troep omdat Céphise altijd weg is. Naar haar werk als leidster bij het peuterdagverblijf Poepescheetje in de buurt, 's avonds naar de gemeenteraadsvergadering van haar partij, omdat ze politieke ambities heeft, of naar het vrouwencomittee, naar het wijkoverleg. Dan heeft ze weer een of ander "project" opgestart. Als ik daar ben tref ik haar altijd in wansmakelijke kleding aan ("want een broek is een broek en een trui is een trui," zegt ze; wat een verschil met Stella!) Ze is zwartharig, maar tamelijk onknap, niet in de laatste plaats door haar gore gelaatskleur als van een ouwe krant uit de kattebak. Misschien doordat ze zo veel rookt.
(Wordt vervolgd met nog twee afleveringen).



@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens