zondag 24 juni 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - Nog Even Geen Rust
Gepubliceerd op: 18-06-2010 Aantal woorden: 2412
Laatste wijziging: 09-02-2018 Aantal views: 1252
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Nog Even Geen Rust

Henk Gruys


De oude man Pietje Kee drentelde met volle boodschappentas door de regenachtige Hoofdstraat. De supermarkt die hij zojuist had verlaten Aldomarin geheten, was een grote betonnen bunker met een reclamebord boven de ingang en van binnen door lichtblauwe tl-buizen verlicht.
Pietjes taak was het de wekelijkse boodschappen voor hem en zijn zusters in te kopen. Ook vanmiddag had hij al het gewenste weer met succes bijeen kunnen garen. Natuurlijk hadden ze het weer niet kunnen nalaten de indeling van de winkel finaal door mekaar te gooien, en moest hij omlopen tussen de schappen en overal zoeken, maar de Douwe Egberts Roodmerk was in de reclame, en dat maakte het weer goed; drie pakken had hij ingeslagen!
Nu liep hij in de druilregen en begon het vervolg van zijn tocht hem een weinig te benauwen: zijn onvermijdelijke thuiskomst over een kwartier. Dit kwam door zijn oudere zuster Gesien.
Deze Gesien bedisselde alles in huis. Zogenaamd omdat hj daar te stom voor was, maar in werkelijkheid natuurlijk om goed de baas over 'm te spelen! Aldus meende ze alles te moeten verordonneren, te regelen, te beredderen en te bekijven, de hele dag maar door... Ruziemaken was haar lust en haar leven en zo had Pietje nog maar weinig rust.
Nee, gezellig was al tijden niet meer thuis. Hoe lang al waren vader en moeder dood, zo kort na elkander? Twee jaar?.. Ja, het vertrouwde van vroeger was voorgoed verloren, net als zoveel de laatste tijd.
Hij had nog 'n andere zus, een jongere, Anna, maar die sprak nauwelijks n woord, die was niet helemaal goed in d'r bovenkamer. En de rest van 'r was ook niet prachtig... Verder had hij niemand. Hijzelf was nooit getrouwd geweest, dat geluk was 'm niet beschoren... En nu was ie 'n ouwe van dage en kon hij zijn leven nooit meer overdoen, al zou-ie willen...
De onontkoombare thuiskomst wachtte... En verweer had hij niet tegen de vitterijen van Gesina. Die heks met haar gezicht van grof schuurpapier... "Die Gesien krijgt van mij geen tien," zei hij bij zichzelf om het maar weer van de vrolijke kant te beschouwen. Beter was 't natuurlijk om helemaal niet aan haar te dnken, maar dat viel niet mee.
Zijn gedachten kwamen van lieverlede wat tot rust, en bleven nog even bij hun huis aan het Landeweer, dat zwarte gribusje met zijn onooglijke, sinistere dwarsgangetjes, modderige erven en oude woninkjes aan de zuidkant van de stad. Je had er de Ondrachtstraat, de Sjouwermanstraat, Het Geheten, de Paardenstraat; alle nauw en zwart, vooral als je ervoor stond en erin keek. De vele drasjes erachter, het moesten er wel honderd zijn, bedacht hij, waren een beetje naargeestig. Maar meestal zag hij het zwarte niet zo, omdat hij er aan gewend was in de loop der tijd.
Hij vond het niet eens onbehaaglijk op straat, ondanks de druipregen en de plassen. Regenpijpen piesten overal naar behoren, putjes en riolen sputterden genoeglijk mee. Dus ging Pietje nog maar even door, verder de Hoofdstraat in, steeds langs de sliernatte zijstraten, alle verlaten met in het midden een smalle baan van zwartglimmende klinkertjes. Die straten liepen allemaal uit op de Ehrenstraat. Daarboven leek de regenhemel tijdelijk op te lichten.
Pietje loerde af en toe naar de huizen van de oude Hoofdstraat, vooral de hoge op de hoeken met hun natglanzende daken, bijna zwart tegen de ambergrijze lucht. Op de zolders daarvan zou hij wel 'ns een kijkje willen nemen. Wat daar allemaal was. Niet alleen aan rommel, maar ook wat er aan onzichtbare dingen rondwaarde. Op zolder schuilde immers de ziel van ieder huis, bedacht hij. En toen moest-ie lachen om deze gekke inval van hem... ja, die had hij nu eenmaal soms.
Pietje wandelde met zijn tas aan de hand, kraag op, steeds verder de Hoofdstraat uit. Veel mensen kwam hij niet tegen; aan de overkant soms een enkeling, half verscholen onder een paraplu, als een glimmend zwarte bol voortgeblazen door de wind.
Weinig bomen waren er hier, oordeelde Pietje, en dan nog van die duntjes, dat was jammer nu zo kaal... Verder alleen straatklinkers, stoepen van betontegels en gebouwen. Het beste hier was eraf; de zware stank van de zetmeelfabrieken De Horman belaagde sinds onheuglijke tijden de zieke omgeving. De rivier erachter, die brede stroom die met zijn gekabbel nog enige natuurlijkheid had kunnen bieden, was nergens te zien; overal werd het trage, olieachtige water door grote huizen en stinkende bedrijven aan het gezicht onttrokken.
Hij zou voor de verandering wel eens 'n andere superwinkel willen proberen. Verderop, over de spoorlijn strekte zich een splinternieuwe wijk uit, Prathe geheten, rare naam. Maar wel heel mooie grote winkels moesten daar zijn, had hij gelezen in de krant. Maar hij had er nog nooit n voet gezet. Want om het te bereiken moest je door een vreselijk bekliederd tunneltje onder de autoweg en het spoor. En dat dorst hij niet, bang te worden overvallen, omvergereden, aangevallen of bestolen, door die jonkies die vandaag de dag zo vervaarlijk overal rondhingen en de boel onveilig maakten. Ja, de tijden waren verslechterd, 't was niet ongevaarlijk meer op straat. Hij droomde soms dat hij door zo'n groep werd belaagd en werd zwetend wakker.
Pietjes dikke jasje rook zuur van het hemelwater dat in zijn nek droop, maar hij drentelde verder, teneinde zijn komst bij zwarte Gesien nog even uit te stellen. Kijk, nu kwam hij al bij de Kerklandstraat. Die leek nog natter dan de rest onder het flardengrauw van de lucht.
En dr was hij verdikkeme alweer aangekomen bij de begraafplaats naast de kerk! Daar lagen vader en moeder.
Ook hij kwam hier te rusten als 't allemaal afgelopen was. Zijn plaats was allang besproken.
Om de begraafplaats stond een ijzeren hek op lage muurtjes, daarachter hulstbomen. Hij loerde tussen de bladeren door naar de graven. Hij was niet bang om dood te gaan; het leek een terechte beloning voor een welbesteed leven... Dood zjn was niet erg. De engeltjes zou je horen zingen, dat wist-ie zeker... Hij tuurde laag over de zerken; de stenen met gebeeldhouwde lauwerkransjes en dichtgeslibde letters glommen met het hemelwater dapper mee, de looppaden waren doorweekt achter de hekjes en kettinkjes, de treurwilg droop en het kerkdak was glanzend beregend, evenals de loodgrijze torenspits van de kerk.
Wel erg nat om hier te liggen, dacht Pietje vervolgens.
Het zwerk in het westen werd wat lichter, er kwam een gelige scheur in. Maar daarachter verdonkerde het toch weer iets leek het.
Hij zuchtte, nu moest hij terug, helemaal terug naar het inktzwarte Landeweer, naar Gesien, die hem in de deur al zou staan op te wachten, en gaan foeteren waar hij al die tijd had gezeten.
Hij besloot toch nog iets nieuws voordat hij zich bij haar meldde terug te gaan via de andere weg. Niet door de Hoofdstraat, maar door de Ehrenstraat: die rustige parallelstraat, met villaatjes, tuinen, balkons en cementen bloembakken naast de voordeuren.
Pietje ging voort in zijn zware natte jasje, een beetje hijgend, met zijn tas levensmiddelen aan de hand. Zijn hart was niet al te best meer had de dokter gezegd, net als de andere witjassen in het ziekenhuis. Ja dat werd zo als je oud was. Hij had zijn tabletjes, die moesten onder de tong als hij het benauwd kreeg. Maar vanmiddag liep 't niet zo'n vaart!
Het werd zowaar droog ook. Alleen het vochtige windje bleef tochten en de hemel had nog steeds het doorgelopen grijs. Zou hij... (hoe kwam-ie daar nou an) maar zou hij niet eens 'n klein mooi tuintje kunnen aanleggen op dat slijkplaatsje thuis? Weliswaar had bijna niemand in de buurt planten en bloemen, behalve in potjes voor de glazen; d'r groeide in die prutjes niks, vonden ze maar hij zou het toch es kunnen proberen?..
Dat hij daar niet eerder aan had gedacht... En er ontplooide zich een droom in Pietjes geest. Hij zag het zwarte Landeweer al omgetoverd in een klein paradijsje, vol zomerse onbezorgdheid, hij met hark en gieter poserend voor de regenbak, omringd door trossen kleurrijke bloemen in het zonnetje. Al zou Gesien natuurlijk het een en ander op te merken hebben; het misschien zelfs verbieden... Maar n klein perkje, zo heel bescheiden moest toch mogelijk zijn? Zoveel hoefde het toch niet te kosten? Om te beginnen zou hij iedere keer stiekem een klein beetje geld van de boodschappen kunnen achterhouden...
"Zo opa, ouwe zak, boodschappen gedaan!?" Een harde, hoge stem vlakbij zijn oor. Hij had, doordat hij zo liep te suffen, helemaal geen erg dat hij dat groepje opgeschoten jongens was genaderd, zij die altijd verveeld rondhingen bij het jeugdcentrum De Panter op de hoek van de Halliusstraat. En het was te laat om over te steken en hen te ontlopen! Daar slenterden er al een paar op hem toe en omringden hem met een onverschillige kring.
De wind stak op en bracht zijn haar in de war, dat voelde hij duidelijk. Aan de overkant van de straat werd een hond uitgelaten door een heer. De heer keek even, maar keerde zich af, bemoeide zich er niet mee.
"Ja jonge, moet ok 'beuren h." Hij probeerde zo gewoon mogelijk te doen, flauwtjes te lachen, maar voelde dat hij trillende benen kreeg. Langzaam door blijven lopen, zolang 't nog kon; het kwaad proberen te bezweren! zijn hart sloeg een paar keer over.
Maar ze liepen gewoon met hem mee.
"En wat hep opa zoal gekocht?"
Dit was waar-ie altijd al bang voor was geweest! De eerste jongen drong zich dik grijnzend tegen hem aan. Diens haar leek tot stekeltjes te zijn opgewreven en hij verspreidde bierstank.
Hij pakte Pietje gewoon zijn tas af, waartegen deze zich niet eens verzette. "Kijk koffie," riep de jongen lachend. Hij viste de Douwe Egberts eruit en gaf hem aan een knaap in een blauw jack. "En zeeppoeier," zei hij en hield het pak op.
De andere jongens met drinkblikjes in hun hand lachten of spuwden op straat. "Hij stinkt, hij heb zeker in ze broek gepist!" Er werden nog meer grappen over hem gemaakt. Hij liet het gelaten over zich heen gaan, wat kon hij anders? De jongen richtte zich tot de anderen. "Mn, wie wil opa helpen z'n zware tas te dragen?"
Zijn tas met dure, kostelijke boodschappen werd nu doorgegeven. Pakjes eruit gehaald, potjes bruine bonen gingen van hand tot hand, verdwenen uit het gezicht...
Ongelovig keek hij van de een naar de ander, strekte zijn handen ernaar uit... De jongens deden dan telkens net of ze het hem terug wilden geven, maar hielden niet op.

En jongen had gezegd "dat hij het zielig vond voor die ouwe". Toen was het afgelopen. De holle stemmen echoden nog in zijn hoofd. "Zeg je niet eens dankiewel dat we je geholpen hebben met dragen?"
Pietje strompelde door de Ehrenstraat, een stukje verder. Hij had nauwelijks bemerkt dat de boodschappen alweer in zijn tas lagen; de Douwe Egberts bovenop. Oude tranen gleden over zijn wangen.
Er kwam een bestelwagentje voorbij, en ook een buurman van het Landeweer fietste langs, keek bezorgd, minderde vaart tot hij bijna stilstond, maar stapte niet af, reed door, nog eenmaal achteromkijkend. "Ik heb nergens rust meer," dacht Pietje, snot ophalend. "Niet thuis en op straat ook niet."

Ach, het waren slechts een paar kinderachtige en vervelende rotjochies. Ze hadden staan roken en kletsen op de hoek, en misschien niet eens zoveel meer... hoogstens zo'n oerstom plagerijtje van altijd wat nieuws en zelden iets goeds... Maar niemand zou het vervolg nog weten, want van sommige gebeurtenissen blijft geen spoor achter.
Duizeligheid of pijn waren er niet aan te pas gekomen.
De Ehrenstraat lag breed en open voor hem en de wind voelde zacht aan. Onwerkelijk snel brak ineens de immense bewolking in het noordwesten en een keiharde kobaltblauwe kleur openbaarde zich groots. Daarop barstte uit de andere richting de zon verblindend tevoorschijn.
Wat was de Ehrenstraat nu mooi met die schitterende druppels op de struiken overal!
Pietje zag zich geleidelijk omringd door bloemen. Dat waren er zovele, in verschillende kleuren, sommige glanzend in het klare zonlicht, met gestoken bloemenhartjes en dikke meeldraden. Ze helden over de stoepranden en groeiden weelderig over de rijbaan. En voorbij de laatste huizen van de Ehrenstraat liepen kronkelpaadjes opzij. Daar waren vijvertjes met rustieke bruggetjes te vinden, nog glinsterend van de afgetrokken buien. Wat prachtig! Hier kon zijn toekomstige tuin aan het Landeweer niet aan tippen!
Steeds groter werden de bloemen naarmate hij verder kwam, en meer in aantal, hoger en exotischer ook. Daarachter wuifde het vol zomers geboomte, waren er donkere en lichte eilanden van zon en schaduw op het gras. Een onoverzichtelijk en ingewikkeld landschap, met doorkijkjes, begroeide heuveltjes en bemoste doolhoven om in te verdwalen...
Maar geheel verlaten was het hier toch niet. Verderop zag hij iemand tussen de bloemen scharrelen, een vrouw, met grijs opgebonden haar en ouderwetse kleren. Hij had het vermoeden dat het zijn achterlijke zus Anna was. Hij zwaaide van afstand, riep haar naam, maar zijn stem leek niet ver genoeg te dragen. Zij keek dan ook niet op, had hem niet opgemerkt en ging verder met haar gebukte bezigheden.
Pietje twijfelde nu eventjes of hij door zou lopen tot het park, of hier toch maar even te blijven. Want in de verte was het heuvellandschap weer zeer donker beschaduwd. Het leek dat de bewolking terugkwam als met ontzaglijke massa's ontsnappende stoom.
Kwam die bui hierheen? Of dreef hij langs? Kon hij misschien beter teruggaan naar de huizen
Maar om dat te beslissen, was het misschien nog te vroeg, dacht hij.



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Ren Claessens