maandag 25 juni 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Geert König - Wereldspelen
Gepubliceerd op: 14-01-2009 Aantal woorden: 618
Laatste wijziging: - Aantal views: 1055
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Wereldspelen

Geert König


Wereldspelen

In de zomer van 1990 zagen de straten van Assen er anders uit. Door de hele stad lagen rubber matten om blinden de weg te wijzen, in winkels waren bankjes neergezet om kleine mensen wat gemakkelijker te laten afrekenen en bij alle bushaltes waren stellages verrezen om rolstoelrijders zelfstandig de bus in te laten rijden. Wat tegenwoordig weer ondenkbaar is, was toen werkelijkheid: Assen was geheel gehandicaptenvriendelijk.
Dat had natuurlijk wel een bijzondere reden. De stad was dat jaar gastheer van de Wereldspelen voor gehandicapten, een evenement dat steeds twee jaar na de Olympische spelen plaatsvindt. Ik mocht er al die weken bij zijn, niet als deelnemer maar als bewaker. Nee, dat klinkt te onvriendelijk. Ik mocht als dienstplichtig marechaussee meehelpen bij de beveiliging van de barakken waar de sporters sliepen. Dat was namelijk op militair terrein. Die barakken mochten uitsluitend met speciale passen betreden worden om de pers en ander ongewenst bezoek buiten de deur te houden. Ook familie van de sporters, zelfs als het ging om eigen man, vrouw of kinderen, mocht niet zonder vooraf aangevraagd pasje de slaapplaatsen betreden.
Enige voorzichtigheid was ook geboden met landen als Irak en Iran, die hun oorlog net beëindigd hadden maar als gevolg van die jarenlange strijd wel veel oorlogsgehandicapten hadden afgevaardigd. De ‘war on terrorism’ was echter nog niet begonnen en van enige dreiging was dan ook geen sprake. Sporters uit voormalig oorlogsgebied waren blij uit het geweld te zijn en beslist niet van plan het in Nederland weer op te zoeken.

De toegangspasjes tot de verblijven waren groot en werden door de meeste mensen om de hals gedragen. Dat maakte controle gemakkelijk, maar na verloop van tijd keek ik nauwelijks meer naar de foto’s. Ik begon de gezichten te herkennen. Vaak maakte ik een praatje met de deelnemers en gingen we met elkaar op de foto. Er waren relatief weinig topatleten bij, de meesten kwamen voor de gezelligheid en het ontmoeten van lotgenoten.
Toen een vrouw in een rolstoel mij op een avond dan ook vroeg of haar man even mee naar haar kamer mocht, liet ik hem zonder probleem passeren.
‘Nu heb je de pers binnengelaten!’ riep een adjudant die net de hoek omkwam. Hij zag mijn ironische blik, vond zijn eigen woorden waarschijnlijk nogal onnozel klinken, pakte een blikje fris uit een bak met water en trok een stoel bij de mijne.
‘Ach,’ zei hij, ‘het gaat er hier allemaal zo gemoedelijk aan toe, het zal wel goed zijn.’ Hij kon nog net op tijd zijn benen intrekken voor twee voorbijrazende driewielers. Twee mensen die ook buiten de officiële wedstrijden een competitie hielden.
Een luitenant dacht er echter anders over. Luid brullend kwam hij aanfietsen.
‘Wat is dat hier voor een puinhoop? Dit is een militaire organisatie! Weg met die stoelen, op je poten! Hier wordt serieus bewaakt!’
De adjudant stond er wat beteuterd bij te kijken en dienstplichtigen werden geacht bevelen op te volgen, niet zelf te denken.

De volgende dag werd er strak bewaakt alsof het niet anders geweest was. De adjudant durfde zijn gezicht niet meer te laten zien en de sporters liepen de post zo snel mogelijk voorbij. Een praatje werd er niet meer gemaakt. Ze waren geïntimideerd door het geschreeuw of wilden niets met militaire discipline te maken hebben zoals de oorlogsslachtoffers. Er werd minder gelachen en vaker smokkelde men gasten mee door om een grote vijver heen te lopen en zo de controlepost te mijden, iets dat achteraf zo kinderlijk eenvoudig bleek dat ik het gevoel had dat we al die weken voor niets bewaakt hadden. De gezellige sfeer was in ieder geval verdwenen.

En die luitenant? Die luitenant werd bevorderd.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens