zaterdag 18 augustus 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Charles Welmoed - De Tweebloed (5) - Réchelle
Gepubliceerd op: 12-10-2008 Aantal woorden: 1511
Laatste wijziging: - Aantal views: 1300
Easy-print versie Aantal reacties: 2 reacties

De Tweebloed (5) - Réchelle

Charles Welmoed


Wekelijkse feuilleton

De Tweebloed (5)

Hoofdstuk 2

Réchelle (2)


De volgende ochtend zat ik al vroeg, ik had de hele nacht niet geslapen, aan de ontbijttafel van de sociëteit. Guus Korevaar stapte verbaasd op mij af, ‘Je bent ziek of je zit nog aan de lunch van gisteren. Wat moet jij hier op dit uur?’
Ik vertelde over de vloek waarmee mijn stiefvader mij bedreigd had. Hij knikte begrijpend. Korevaar was de enige onder al mijn Utrechtse bekenden die ik serieus nam. Hij was als medicijnenstudent begonnen en was nu tweedejaars psychologie.

‘Je moet dit empirisch aanpakken. Ik heb een plan. Vandaag kan ik niet. Morgen beginnen we. We lopen alle geschikte colleges af en kijken waar we de meeste stomme koppen bij elkaar zien. Dat moet de makkelijkste studie zijn.’
‘Dat wordt dus iets van aardrijkskunde of staatsexamen gym en dan rechten’, zuchtte ik.
‘Dat is niet waar. Maar bedenk dat een notariële carričre zeker in de smaak zal vallen bij je stief en een poging of misschien alleen maar een toespeling in die richting zou weleens een jaar of wat extra respijt kunnen opleveren.’
‘Mijn familie zal nooit de toets van de Broederschap van Notarissen kunnen passeren…’
‘We zullen zien. Morgen gaan we aan de slag.’
Ik vond zijn experimentele opzet zeker de moeite waard om een kans te geven.

De zaal waar de meeste ‘stomme koppen’ te tellen waren, was die van een college Culturele Antropologie en Niet-westerse Sociologie. Maar de docent die op dat moment zijn lesstof half binnensmonds mompelde, maakte zo’n belabberde indruk op mij dat ik mij niet kon voorstellen hoe ik twee uur van zijn saaie voordracht zou kunnen doorstaan zonder een acuut verlies aan zelfrespect en intellectueel benul. Voor het einde van het college glipten Guus en ik de zaal uit. Op de gang zei ik, ‘Dit is nog erger dan niet studeren.’ ‘Waarschijnlijk is het hetzelfde,’ antwoordde Korevaar.

Even later wandelden we een andere zaal binnen. Het viel me op dat deze al voor driekwart bezet was en het college zou pas over een kwartier beginnen! Zoiets hadden we nog nooit gezien.We schoven naar binnen en konden nog net met vele anderen tegen de muur een staanplaats vinden. We hadden geluk begreep ik want wie op tijd kwam, kon er niet meer bij.

In die tijd stonden de studenten nog op als er aan het begin van een college een prof binnenkwam. Toen iedereen ging staan, kon ik niet zien wie er naar het spreekgestoelte liep. Zo vol was het en zo klein van stuk was de hoogleraar in kwestie. Pas staand achter de katheder, die op een klein podium stond, werd hij voor mij zichtbaar. Ik zag een verzorgd geklede man met een zachtzinnig uiterlijk en twee scherpzinnige kraaloogjes.

Hij wachtte tot het stil was geworden en stapte op een student af die als enige in de zaal een trui aanhad. Het was nog in de tijd dat studenten als ze college liepen altijd een stropdas droegen, bij voorkeur pakken aanhadden of anders een combinatie van een grijze boek met een colbert en studentes kleedden zich in mantelpakjes. De trui viel dus danig uit de toon. De prof boog zich naar hem toe: ‘Zoekt u de keuken?’ Gelach en geroezemoes overstemde hun gesprek maar toen het stil was kon je de trui horen zeggen ‘Ik ben existentialist.’ ‘Dat verklaart alles. Voedsel is onmisbaar voor de existentie.’ Er werd gelachen en geapplaudisseerd.

De prof wachtte tot het weer rustig was en begon zijn college. Hij had een aangename stem en zonder moeite wist hij mij volledig in de ban te houden van een schitterend geformuleerde en duidelijke uiteenzetting over angsten. Het ging over de betekenis van menszijn toegespitst op de rol van emoties daarin en ik wist dat ik bij deze hoogleraar en bij niemand anders wilde afstuderen. Hij bleek de wereldberoemde professor Buytendijk te zijn. Ik besloot psychologie te studeren en volgde alle colleges van Buytendijk. Mijn propedeuse haalde ik zonder enige noemenswaardige inspanning.

Psychologie studeren betekende toen de visie opdoen van de Utrechtse School. Het ging er om de mens in zijn oorspronkelijkheid te zien, te beleven en te bedenken. Psychologie was vooral een filosofische aangelegenheid, een fenomenologische stijl van kijken naar de mens. We keken vol minachting neer op psychologische tests; die gaven immers alleen de gemiddelde mens weer voor zover hij meetbaar is en psychologische scores vertelden je alleen hoever je van de geaccepteerde meetbare middelmaat afstaat. Ik genoot van het nadenken over mens–zijn en leerde het leven te zien als een zich ontplooiende gerichtheid op de wereld. De menselijke leefwereld bleek een open taak. Ik leerde zien dat leven in vrijheid betekende verantwoordelijkheid dragen voor een individueel leven te midden van medemensen ten opzichte van wie ik een functie had. Mijn leven kreeg zin!

Ik bedaarde wat en wist een harmonieuze balans te vinden tussen studie en sociale verplichtingen. Ik leefde en ik studeerde.

Drie of vier jaar heb ik op die manier geleefd; vibreerde ik vitaliteit in mijn bestaan, ben ik intens gelukkig geweest. Met al mijn zintuigen, met mijn hele lijf, met al mijn poriën wijd open. leerde ik leven, leerde ik liefhebben. Dat was de betekenis van mijn studententijd. Het studentenleven was een leven dat geen maatschappelijke betrekkingen kende. De maatschappij was het kille kleinburgerdom, filisterdom, verdord in het verdienen van geld. Alle burgers hadden zichzelf verkocht aan een functie, allen hadden zichzelf verraden. Student zijn, betekende vriendschap geven en nemen, warmte voor elkaar voelen, schouder aan schouder van alles ondergaan, zelfs onderbrekingen van het leven zoals colleges en van tijd tot tijd tentamens en examens.

Het is niet zo moeilijk om gelukkig te zijn – je kunt je erop concentreren. Geluk gedraagt zich als geld – als je eenmaal geld hebt, kun je er telkens meer geld mee maken en als je gelukkig bent dan kun je ook meer geluk maken. Net zoals je geld plotseling kunt verliezen, zo kun je ook geluk plotseling verliezen, ontdekte ik later. Maar die drie of vier jaar aan de R.U. in Utrecht deden me opveren. Ik zoog mijn ziel vol met leven, met liefde, met wetenschap of dingen waarvan ik meende dat zij geluk, liefde en verstand omvatten.

Ik had geen belangstelling voor gisteren en ik had geen zin in morgen. In welke jaren precies ik in Utrecht woonde, ben ik bijna vergeten. Maar wat doet het ertoe; het gaat immers om de oase in de woestijn, niet om de geografische ligging ervan. Ik beleefde bewust een sprookje, ik beleefde een ‘er was eens ….’

Zo was er eens een eindeloos lange zomerdag; een die geen afscheid scheen te willen nemen.

De meeste studenten zijn nog niet terug in hun (in mijn !) Alma Mater. Ze zitten nog veilig en goed verzorgd thuis, of ze zwerven nog ergens door Europa. Het is erg rustig op de terrasjes in de stad.

We zitten op het terras van de werfkelder van Bloem. ‘We’, dat zijn wij vieren: Alex Blumenthal, vierdejaars medicijnen, Dirk Vrijman, vierdejaars geschiedenis, ‘der Witz’ en ik, respectievelijk vierde en derdejaars psychologie. Der Witz heet in werkelijkheid Sem Polowitz maar zijn verknochtheid aan Sigmund Freud en het feit dat hij te pas en te onpas uit diens werk en vooral uit ‘Der Witz’ kon citeren en alles wat wij zeiden, desgevraagd kon voorzien van psychoanalytisch commentaar, heeft hem de bijnaam ‘Der Witz’ bezorgd. Voor minder belezen Utrechters (het leek wel of die er destijds niet waren) was Witz gewoon een bijnaam – een koosnaam.

We mogen Sem Polowitz graag. Hij is ad rem, een originele denker, een sieraad voor ons gezelschap en in staat iedere indringer met een paar vragen tot staan te brengen, te ‘bedrempelen’ en op de vlucht te jagen. ‘Het is niet nodig te overwinnen, bedrempel de ongewenste indringer en hij vlucht voor zichzelf’, een uitspraak van Witz, die hij in praktijk wist te brengen. Wat nuttig was want we vielen op de een of andere manier op als aantrekkelijk gezelschap en er waren er altijd die probeerden zich bij ons aan te sluiten. Razend intelligent is Sem, soms wat kil. Hij beweert existentialist te zijn. Maar wie was dat niet? Je hoefde maar Sartre te lezen en je had voor vrijheid gekozen en noemde jezelf existentialist.

We zijn al jaren bij elkaar. Ongeveer vanaf het einde van mijn roerige eerste jaar. Voor iedere student vormt het eerste jaar het opmerkelijkste jaar, het ontdekkingsjaar, het jaar waarin alles nog verpletterend nieuw is. Het simpele feit dat je niet meer door je ouders op je vingers gekeken werd, zelf mocht uitmaken wat je at, hoe lang je buitenshuis bleef, betekende al een duik in een oceaan van vrijheid en volwassenheid. Iedere hoogleraar werd nog gevreesd en bewonderd en nog niet doorzien op ijdeltuiterij en zij vertegenwoordigden het hoogste gezag op aarde.

(wordt vervolgd)

Charles Welmoed @ 13-10-2008 00:38:46
Zeeeeeer goed gezien. Ik maak me wat zorgen over sommige lange stukken. Maar goed het zij zo!


sprakeloos @ 12-10-2008 22:32:53
Hele mooie inkijk in het leven van 'het student' zoals dat in de gedachten van velen bijna is verdwenen, want de geest van 1968 rules nog steeds in de gedachten van de meesten, graag gelezen.

Ik heb het gevoel dat hoofdstuk 2 een stuk langer zal worden dan het eerste hoofdstuk, gezien de lange aanlooptijd.

Succes verder



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens