maandag 25 juni 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Charles Welmoed - De Tweebloed (4) Réchelle
Gepubliceerd op: 01-10-2008 Aantal woorden: 1370
Laatste wijziging: 02-10-2008 Aantal views: 1230
Easy-print versie Aantal reacties: 6 reacties

De Tweebloed (4) Réchelle

Charles Welmoed


(Wekelijkse feuilleton)

De Tweebloed (4)

Hoofdstuk 2


Réchelle


In het Utrecht van mijn studentenjaren was de Domtoren het hoogste gebouw van Nederland. Kilometers ver in de omtrek zichtbaar torende hij al eeuwen als een baken over het platte landschap om pelgrims, marktkooplui en reizigers de weg te wijzen naar de veiligheid van de Bisschopsstad. De bouw van de domtoren was begonnen toen de aarde nog plat was en werd voltooid in de tijd toen de aarde bolvormig bleek te zijn. Die wetenschap bevatte voor mij magische betekenis; ze behelsde een persoonlijke hermetische boodschap.

Ik voelde mij een pelgrim, een vluchteling op weg naar een veilig asiel. Ik kon niet rustig blijven zitten en ik moest staan of heen en weer lopen in de vrijwel lege trein die mij van Ede naar Utrecht bracht. Weg uit de platte kleinzielige boosaardige benepenheid en gevangenschap in schijngodsvrucht naar de ruimte van humaniora, humanisme, humaniteit – ik repeteerde alle woorden die ik met humaan in verband kon brengen terwijl ik de verbleekte aquarel, die langzaam langs het treinraam voorbijschoof, afspeurde naar de Dom.

Toen de Domtoren zichtbaar werd, ging ik met mijn enige koffer naar de uitgang, draaide daar een raampje open, liet de wind in mijn gezicht blazen en fantaseerde dat zo iedere herinnering aan Ede uit mijn hersens wegwaaide. ‘Gone with the wind.’ ‘Vom Winde verweht.’ ‘Autant que le vent … chasse?…’ – ik was niet zeker van mijn Franse vertaling. Dat ergerde me want geen Frans spreken, beschouwde ik als een dorpse achterlijkheid. En vanaf nu zou niets aan mij in verband kunnen worden gebracht met dát gehucht, dát gat, díe adderkluwen. Ik zag in gedachten een van de platen die in de zesde klas van de lagere school aan de muur hingen, een geknielde ridder voor een witte stad in de verte: Godfried van Bouillon geknield voor de poorten van Jeruzalem. ‘Hij kon niet begeriger naar de poorten van de Heilige Stad hebben gekeken dan ik nu naar Utrecht,’ zei ik hardop want er was toch niemand die mij zou kunnen horen; deed daarna nog een korte poging het in het Frans te zeggen en gaf het op.

Begerig was ik naar cultuur, hongerig naar kennis, hongerig naar nieuwe vrienden, smachtend naar nieuwe liefdes, hunkerend naar leven. Ik wilde een leven inhalen – en ik had nog maar nauwelijks geleefd. Maar dat besefte ik toen niet.

Utrecht zou mijn leven lang in mijn bewustzijn scherp afgetekend blijven. Als een sieraad. Misschien als een onderscheidingsteken. Of zelfs als een litteken dat je aan je strijdmakkers kunt laten zien. Maar bezien in het onbarmhartige licht van de werkelijkheid zou Utrecht mij bijblijven als een pijn die nooit zou kunnen stillen – omdat ik hem vasthield, de wond openhield, nooit zou toestaan dat ik mijn belangrijkste herinnering aan Utrecht ook maar ten dele zou verliezen, hoeveel verdriet daar ook aan mocht kleven. Maar van dat alles was nog geen sprake toen de trein het station binnenliep en ik werd blij wakker uit een prettige dagdroom over vrijheid en student zijn. De komende jaren zouden dagdromerij en werkelijkheid harmonieus in elkaar overgaan. Zo in en in gelukkig maakte Utrecht mij.

Van een tante, zuster van mijn stiefvader, mocht ik de kapitale zolder van haar enorme huis bewonen. Er was een ruime keuze aan stoelen, kasten en tafels voorhanden want met het rijker worden van haar man, kochten ze nieuwe meubels en kwamen er niet toe de oude weg te doen. Ik kon mij een weidse ruimte permitteren met een eethoek, een slaaphoek en een zitgedeelte. Wat aan meubilair overbleef stapelde ik op elkaar en maakte het onzichtbaar achter een zwaar rood veloursgordijn. Ik woonde, zou je kunnen denken, in een driekwart ronde salon die met rood fluweel behangen was met alleen aan de deurzijde een stuk kale muur. ‘Zo moet de veldtent van Napoleon ongeveer eruitgezien hebben in zijn grote dagen’, knikte ik goedkeurend toen ik mijn bewoning afhad. Het was laat in de middag toen ik de stad inging om te eten. Ik kon kiezen tussen de mensa en een eethuis. Ik koos een restaurant want ik was naar mijn mening nog niet genoeg echt student om in de mensa te eten en bovendien wilde ik mezelf op een feestelijk etentje trakteren.

De volgende dag kocht ik in een tweedehands kledingzaak een jacquet, een rokkostuum en een smoking. Nu was ik echt klaar om te studeren – om het student uit te hangen en meldde mij op het bureau van de pedel om me als biologiestudent te laten inschrijven. Ik had biologie gekozen omdat ik daarvoor op de HBS de hoogste cijfers had gehaald. Maar mijn hoofd stond niet naar een studie in de enge betekenis van het woord. Ik wilde als student léven, minstens twee jaar (andere studenten moesten immers die tijd verspillen aan hun dienstplicht) ‘vitaal existerend’ doorbrengen om de muffe restanten van Ede uit mijn geest te verdrijven. Dat moest kunnen want voor het eerste jaar had mijn stiefvader mij een veel te fors geldbedrag geschonken. Een welkome maar in wezen overbodige geste omdat mijn schitterende eindexamencijfers mij een volledige studiebeurs hadden bezorgd.

Mijn stiefvader kon zich de financiële uitspatting naar mij toe heel goed permitteren; door verspreid over heel Nederland zijn briljanten stuk voor stuk in gewone juwelierszaken te verkopen had hij een aardig startkapitaaltje verzameld om in zaken te gaan. De zaken floreerden. Stiefvader kocht een eenvoudig maar degelijk uitziend groot huis en leefde sober want hij hoopte op een zetel in de gemeenteraad om zo eens tot de notabelen van Ede te behoren. Vooruitlopend op zijn toekomstige status wilde hij dat ik als student vooral niet de indruk zou wekken uit een armzalig nest te komen.

Ik ging verder dan mijn stiefvader bedoeld had in het etaleren van mijn goede komaf want ik beschouwde het studentenleven als een doorlopende fuif. Geen feest of receptie of ik was erbij en als het te lang duurde voor er ergens een party werd gegeven dan organiseerde ik er zelf wel een. Eens moest dat spaak lopen en dat deed het ook.

Op een dag stond mijn stiefvader, gealarmeerd door tante, verbluft om zich heen kijkend in de deuropening van mijn rode salon terwijl ik niet alleen in bed lag. Ik gooide haastig een stuk deken over mijn vrouwelijke gezelschap en vroeg mij angstig af wie daar naast me kon liggen. Stiefvader bleef gelukkig in de deuropening staan en was zoveel gentleman dat hij deed of hij niets zag of hij had echt niet in de gaten dat er iets naast me onder de dekens lag dat probeerde haar lachen in te houden. Wat telkens moeilijker ging naarmate stiefvaders donderpreek vorderde. Maar alles ging goed en hij kon zijn tirade ongestoord eindigen met ‘Je hebt goddomme meer gezopen en gefeest as ik in mijn hele leven heb gedaan. Je doet binnen een jaar een examen in nijmport wat…’
‘N’importe, pa, n’importe’, probeerde ik zwakjes om mijn gezicht en vooral mijn afkomst tegenover mijn verborgen gast te redden.
‘Val me goddome niet in de reden of ik zal je nijmport wat op je kanis verkopen dat je Frans voorgoed als Chinees klinkt. Je doet binnen een jaar een examen in nijmport welk vak dan ook of je krijgt geen cent meer van me en ik trek m’n handen van je af.’

‘Of je krijgt geen cent meer van me’ echode het dagenlang in mijn hoofd. De woorden hielden een sombere belofte in want stiefvader hield zich aan zijn beloften!

Het eerste examen van een universitaire studie in die tijd was het propjes, het propedeutische examen, dat je na een jaar kon afleggen. Ongeveer drie jaar later deed je kandidaats en weer een jaar of drie vier later je doctoraal. Een propjes in biologie met succes afleggen, kon ik wel vergeten. Ik zag al aan het prille begin van mijn tweede jaar mijn pas begonnen leven verzanden als correspondent op een verzekeringskantoor of als lokettist van een of andere bank die stiefvaders geld beheerde – dat nooit.


(Wordt vervolgd)


Charles Welmoed @ 02-10-2008 06:39:29
Beste Sprakeloos,

Goed gezien. Scherp aangevoeld. Als ik meer schrijf moet ik teveel prijsgeven vrees ik.

Het litteken is geïncasseerd! Afschuwelijk.:-[

Dubbele dank (voor het scherp lezen en het corrigeren).


sprakeloos @ 01-10-2008 22:32:34
Blijft boeien, de stijl was iets minder beschouwend en iets meer doorleefd, alsof de ik meer met de voeten op de aarde stond en minder zichzelf van bovenaf beschouwend beschreef.

Bewust gedaan of zie ik dat er alleen maar in

NB


lidteken = litteken


Charles Welmoed @ 01-10-2008 22:18:54
En toch Adriaan, het staat er - het idee waar het naartoe gaat. Tussen neus en lippen door vermeld dat wel....


Charles Welmoed @ 01-10-2008 21:12:47
Wederom zeer goed en beeldend geschreven. De tekst komt overigens wel als een inleiding over; alsof het echte verhaal nog moet beginnen. Al heb ik geen idee waar het naartoe gaat.


Charles Welmoed @ 01-10-2008 13:20:32
Brrrrrr! Maar de verbetering is aangebracht. Dank Ronald.
Is er een verklaring te bedenken waarom ik 3 schreef terwijl ik 4 wilde plaatsen?


Ronald Pino @ 01-10-2008 11:18:15
Beste Charles,
Is het niet De Tweebloed (4) ?





Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens