zaterdag 18 augustus 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
j.p.klein - kleinkroniek
Gepubliceerd op: 31-08-2008 Aantal woorden: 29928
Laatste wijziging: - Aantal views: 2962
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

kleinkroniek

j.p.klein




















KLEINKRONIEK




Het deels anekdotische verhaal
over de jeugd van een oorlogskind.









NOVEMBER 1985


















KLEINKRONIEK




1 Huwelijk en Geboorte 4

2 De Korssens 5

3 De Kleins 8

4 Mijn vader 17

5 Kind 22

6 De Middelbare School 25

7 Student 34

8 Onder De Wapenen 44

9 Paraat 50































VOORWOORD

Na lang met het idee te hebben rondgelopen heb ik vandaag besloten te beginnen met het verhaal van mijn jeugd.
Niet omdat ik zoveel bijzondere dingen heb meegemaakt. Ook niet omdat ik geloof een begaafd schrijver te zijn; nee ik schrijf omdat ik het gevoel heb, dat een tijdsbeeld geschreven door iemand die de dingen waarover hij schrijft, zelf heeft meegemaakt voor anderen, zowel leeftijdsgenoten als jongeren, aardig kan zijn.

Vrienden en kennissen en speciaal mijn vrouw zeggen me dat ik aardig kan vertellen; dát is wat ik wil doen, vertellen over de dingen die ik heb meegemaakt en een beeld oproepen van de tijd waar ze in passen.

Ik heb geen archieven bestudeerd, ik schrijf de dingen op zoals ik ze me herinner; mijn herinnering kan hier en daar afwijken van de feitelijke gang van zaken.
En bovenal schrijf ik omdat ik er zin in heb.




BINTULU 5-9-1984

























HOOFDSTUK 1


Huwelijk en geboorte


Mijn moeder is geboren in 1909, mijn vader in 1908.
Mijn moeders familie stamde uit Duitsland, ergens uit de buurt van Keulen; naar de Nederlandse vetpotten gekomen na afloop van de Frans-Duitse oorlog tegen het einde van de negentiende eeuw.
De familie was fijn rooms. Toen mijn moeder, de op één na jongste van de tien kinderen het plan opvatte te trouwen met een protestantse jongen, was de reactie van de familie dan ook afwijzend.
De reacties van de Kleins waren zo mogelijk nog afwijzender. Niet alleen was het meisje niet Nederlands Hervormd, maar bovendien stamde ze uit een arme immigrantenfamilie en voor een familie van boeren en middenstanders was ze dus ook qua stand onder de maat.

De dreiging voor de kantonrechter te moeten trouwen werd op het laatste moment opgeheven doordat de wederzijdse ouders vooraf gingen tekenen, maar op de trouwpartij schitterden ze door afwezigheid. Bij mijn weten hebben de ouders van mijn vader en moeder elkaar ook nooit ontmoet.

Bij mijn ouders had zowel de dominee als de pastoor het verbruid: ze gingen niet meer naar de kerk en toen ik in 1934 werd geboren lieten ze mij uit wraak niet dopen. Ik moest zelf maar zien wat ik wilde als ik meerderjarig werd.
Ik ben nu al dertig jaar meerderjarig en ik ben nog steeds niet gedoopt. Soms denk ik wel eens dat ik iets mis, maar niet vaak.























HOOFDSTUK 2


De Korssens


Grootvader Korssen was eigenaar van een praam waarin zand voor de bouw werd vervoerd. De schuit werd voortbewogen door hem met lange stokken vanaf de wal te duwen. Het laden en lossen ging met een kruiwagen die over planken in het ruim werd gereden.

Ik heb mijn grootvader niet gekend. Het zware werk met de zandpraam was niet het meest ideale voor een astmalijder en hij overleed jong. Behalve dat hij krulhaar had net als ik en dat hij rauwe mosselen placht leeg te slurpen had ik niet veel over hem vernomen.

Na zijn overlijden werd de zandzaak voortgezet door mijn moeders oudste broer, die daarmee moest voorzien in het onderhoud van zijn moeder en negen broers en zusters. Dat ging kennelijk boven zijn krachten en zo moest de praam al snel worden verkocht.

Het gezin was nu aangewezen op wat de oudere kinderen konden verdienen, dat was niet veel. Vloerbedekking was er niet bij, de houten vloer kreeg zo af en toe een nieuw beitsje, waarna de jongste kinderen werden uitgenodigd met hun blote voeten in de nog natte beits te dansen omdat het zo’n leuk effect gaf, net echt zeil.

Ik heb mij nooit erg vertrouwd gevoeld met grootmoeder Korssen-Rosbach. Als kind geneerde ik mij voor haar. Ze kon niet schrijven en niet erg goed lezen. Als ze de krant las dan merkte je dat ze niet begreep was ze las. Ze droeg iets dat ze zelf korsjet noemde, een enorm geval met veters van achteren en haken van voren. Daarover ging een enorme partij kleren.

Toen alle kinderen uit huis waren bleef ze zonder inkomen achter. Ze kreeg toen een uitkering van de gemeende die op de kinderen werd verhaald, die naar vermogen moesten bijdragen. Mijn vader was in Rijksdienst met een controleerbaar inkomen, terwijl de broers en zusters het zo wisten voor te stellen dat ze nauwelijks iets verdienden. De consequentie daarvan was dat mijn vader voor het leeuwendeel van de kosten opdraaide; mijn vader en moeder hadden daar nogal eens ruzie over.

In mijn herinnering is mijn grootmoeder altijd bezig met aardappels, spreek uit erepele, te schillen. Ze ging er prat op dat ze dat heel dun kon; dat moest ook wel als je zoveel kinderen had moeten grootbrengen uit een heel krappe beurs.

Als ze geen aardappels “schelde”, keek ze in het spionnetje, een spiegel , zo bevestigd in het raamkozijn dat je de hele straat kon overzien. Ze woonde toen in een heel groot bovenhuis aan de Kanaalstraat vlak bij de ophaalbrug die de verbinding vormde met de Laan, dat is de Laan van Nieuw Guinea.

Later toen ze verhuisde naar een klein huisje aan het einde van de Billitonkade, vond ik het niet meer zo vervelend dat we er zo vaak op bezoek moesten. Je had daar een prachtig uitzicht over de watervijfsprong bij de Munt, de Keulse Vaart, de Vaartse Rijn, de Oude Rijn, en het kanaal naar de machinefabriek van Jaffa. Dan waren er nog de sluizen waar het geweldig druk was en niet te vergeten de heerlijke lucht die de lijnkoekenfabriek verspreidde. ’s Zomers werd er ook gezwommen en de grote jongens doken vanaf de twee draaibruggen het water in. Misschien was het water daar toen wel schoner dan nu, misschien lette je er ook niet zo op.

De broers en zusters van mijn moeder zag ik alleen op verjaardagen. Het waren niet erg ondernemende mensen. Op twee na zijn ze allemaal in Utrecht blijven wonen. Trien woonde in Amsterdam. We kwamen er nooit, haar man deugde niet, hij verzoop zijn loon. Ze had twee prachtige dochters die een jaar of tien ouder geweest moeten zijn dan ik. Gezien de huiselijke omstandigheden groeiden de dochters tamelijk vrijgevochten op, ze zijn heel jong in de looppas getrouwd. Als kind was ik verliefd op ze en als ze in Utrecht op bezoek waren en mijn jongenshoofd tegen hun borst trokken zullen ze wel niet hebben beseft dat de herinnering daaraan mij ’s nachts wakker hield.

Bertha werd tijdens haar afwezigheid voornamelijk besproken in verband met het gedrag van haar twee zoons, beiden veel ouder dan ik. De een kon andermans vrouw en de drank niet met rust laten, de ander had helemaal geen belangstelling voor vrouwen. De meer tolerante onder de familieleden hielden homofilie voor een ongeneeslijke ziekte, de anderen bespraken het geval in termen van vies en gedegenereerd. Neef Paul heeft de scène met zo’n dertig jaar gemist.

Oom Paul was buschauffeur bij de gemeente. Hij had de astma van zijn vader geërfd en elke keer als de deur van de bus open ging hoestte hij de longen uit zijn lijf. Hij ging vroeg met pensioen. Daarna kwam hij nog wel eens bij ons op verjaardagen. Als hij zich de trap opgeworsteld had, zat hij minstens vijf minuten te snakken naar adem voor hij zijn eerste ouwe klare naar binnen kon werken.

Tante Gijs hield bij ons het huis schoon om er wat bij te verdienen. Het heeft jaren geduurd voordat ik in vertrouwen mocht vernemen dat ze niet getrouwd was met de oude man waar ze mee samenwoonde. Ik begreep niet wat ze in hem zag. Het enige bijzondere aan hem was dat hij zes maatjes jenever op kon drinken zonder daar zichtbaar dronken van te worden. Een kwestie van oefening leek het me.

Mien was een wat zeurderige vrouw die getrouwd was met een draaier bij de machinefabriek Jaffa. Ik vond het verbazingwekkend dat hij nog kon werken, aan alle vingers ontbraken stukken die in de draaibank waren achter gebleven.

Goof was de jongste broer. Hij is zijn leven lang bediende geweest in de kantoorboekhandel van Dobbe op de Oude Gracht.

Hij kon aandoenlijk zingen: Laat mij niet lachen, ik heb een klooffie in mijn lip, en eindeloze coupletten over dingen die mis gingen en die eindigden met: En dat heeft Gooffie gedaan. Go, zijn vrouw hield veel van mij. Er bestaan familiefoto’s waarop zij mijn kinderwagen voortduwt en eindeloos bezig is de muts op te rapen die ik steeds weer uit de wagen gooi.

Een zuster en een broer waren ondernemender dan de rest. Wessel trouwde een Hongaarse, bracht het tot chef personeel bij de Galeries Modernes, speelde saxofoon in de band van de zaak en ging met alle verkoopsters naar bed. Dat laatste was toen nog niet zo gebruikelijk en zijn huwelijk ging er aan stuk. Hij trouwde daarna met een mooie veel jongere vrouw, die nog aardig was ook en begon een hoedenfabriek in Driebergen en een hoedenzaak in Zeist. Maison Carry heette de zaak in Zeist naar zijn vrouw. Na de oorlog was hij een van de eersten die een auto bezat, een DKW die meer lawaai maakte dan dat hij hard ging. Als hij een doodenkele keer bij ons op bezoek kwam en mijn vriendjes uit de straat de auto voorzichtig aaiden, dan werden ze uit het raam voor rotte vis uitgescholden.

De komst van socialistische regeringen, die volgens Wessel de belangen van arbeidsschuw gespuis vertegenwoordigden maakten Nederland minder aantrekkelijk. Hij verkocht de hele zaak, kocht een kant en klaar huis in een kist, ruilde de auto voor een scooter en vertrok naar Australië. Als hij ziek was of als het hem anderszins slecht ging, dan schreef hij nog wel eens een brief. Toen ik later eens in Australië was heb ik hem opgezocht. Een aardige extraverte oude man die handelde in gouden sieraden. Nauwelijks opwindend.

De andere uitzondering was Coba. Ze was getrouwd met een kelner en ze waren zo zuinig dat ze zich op een gegeven moment konden inkopen als gerant van de sociëteit “De Vereniging” op de Mariaplaats, waarvan veel artsen lid waren.
De sociëteit bestond uit een grote café- en biljartzaal, een feestzaal en kegelbanen waar Co’s broers werden ingehuurd om de kegels rechtop te zetten en de ballen terug te rollen voor een zakcentje en vrij bier. Binnen de “Vereniging” was er nog een extra chic onderonsje, de “antieke” sociëteit waarvan de leden zich bedronken in een exclusief donker kamertje vol harnassen en zwaarden die het antieke moesten illustreren.

De oorlogsjaren waren een stille tijd op de Mariaplaats. De voorraad jenever die op de zwarte markt kapitalen opbracht stond er borg voor dat er geen honger geleden werd.
Direct na de oorlog werd de sociëteit in gebruik genomen door Canadese soldaten. De feestzaal kreeg een permanente versiering en iedere avond was er bal. Er speelde een jazzband en achter de rondom de dansvloer geschaarde tafeltjes kregen magere Nederlandse meisjes op de grond een eerste klas behandeling van goed gevoede bevrijders. Het feest duurde echter niet lang. Spoedig nam het oude deftige leven van de sociëteit zijn normale loop hetgeen voor Co of haar man inhield ’s nachts opblijven tot de laatste drinkebroer naar huis wenste te gaan.
Naarmate ze ouder werden hadden ze daar steeds minder zin in en zo stapten ze op een gegeven moment over naar de naast de sociëteit gelegen Handelsbeurs, eigendom van de graanhandelaren.
De graanhandelaren waren veel gemakkelijker klanten. Zolang ze tijdens de beurs op zaterdagmorgen hun koffie en hun bittertje maar op tijd kregen kon het hen allemaal niet zoveel schelen.

Daarom verhuurde Co de beurs door de week aan allerlei instellingen die er examens afnamen, maar wel op voorwaarde dat de examinandi tenminste twee koppen koffie per persoon dronken. Tante Co heeft me toen nog wel eens aan wat bijverdiensten geholpen als surveillant bij de vakexamens voor kruidenier. Ik moest er dan op toezien dat de kandidaten niet bij elkaar afkeken hoeveel plakken er zaten in een blik ananas van twee pond en wat bijvoorbeeld debet en credit betekenden.
Toen Co’s man overleed was het allemaal snel afgelopen, de Handelsbeurs bestaat trouwens niet meer.








HOOFDSTUK 3


De Kleins, de tantes, opa, oom Jan en de broers.


De tantes waren oudere zusters van mijn grootvader. Ze moeten ergens in de tachtiger jaren van de negentiende eeuw geboren zijn.
Hun grootvader, mijn betovergrootvader, was omstreeks het midden van de vorige eeuw boer te Westbroek. Omdat alleen de oudste zoon de boerderij kon overnemen, kreeg mijn overgrootvader een melkwinkel. Die melkwinkel was in de Koekoekstraat in Utrecht; mijn grootvader is daar geboren, de tantes hebben er hun hele leven gewoond.

De tantes heetten Wijntje, Marie en Trijntje. Ik ken ze niet anders dan bejaard. De familie Klein was en is Nederlands Hervormd en met de bijbel in de hand had mijn overgrootvader de zedigheid er bij de tantes zo ingestampt, dat er van trouwen niets was gekomen. Veel vrijheid genoten ze ook niet. Nog toen ze vijfenveertig waren moesten ze toestemming vragen om ’s avonds “uit” te mogen. Niet dat ze ooit ergens anders heen gingen dan naar bijbellezingen of liederenavonden van de kerk, maar zelfs dat kon maar met mate.
In de familie deed het verhaal de ronde dat Wijntje, de oudste en de brutaalste van de drie zusters, eens toestemming had gevraagd om uit te mogen gaan. Ze moet toen achter in de veertig zijn geweest. Opa wilde weten hoe laat Wijntje dacht thuis te komen. Toen ze zei dat de bijbellezing om half tien zou eindigen en dat ze dus voor tienen thuis kon zijn, zei Opa: “nou vooruit dan maar; eigenlijk kan het niet want je bent vorige week ook al uit geweest”.

Mijn overgrootvader had het voor zichzelf uitstekend geregeld. Hij is erg oud geworden, maar een triest bejaardentehuis heeft hij nooit van binnen gezien. Zijn dochters hebben hem netjes aan zijn eind geholpen en zijn natje en zijn droogje werd door hen bij elkaar verdiend.
Zij dreven de melkwinkel toen hij daar te oud voor geworden was.
Marie deed het huishouden, Trijn de winkel en Wijntje ging met het melkstel langs de deur.
Ik heb mijn overgrootvader niet meer gekend. Mijn eerste herinneringen aan de tantes zijn de bezoeken op nieuwjaarsdag. Alle neven en nichten kwamen dan opdraven om de tantes gelukkig nieuwjaar te wensen. Je moest een gedichtje opzeggen:

Gelukkig Nieuwjaar
Mijn hand staat klaar
Mijn zak staat open
Als je er niets in wil doen
Kun je naar de drommel lopen

Het vers moest met gebaren worden gedramatiseerd en als dat allemaal goed ging kreeg je een zilveren gulden uit de daartoe klaar staande vaas. Die gulden moest thuis in de spaarpot want verkwisten was er niet bij.
De tantes hadden nooit zoveel bezoek als op nieuwjaarsdag. Er moesten dan extra stoelen van de slaapkamers gehaald worden. Ik zie de tantes nog worstelen met stoelen op de steile trap. Maar hoe vaak mijn ooms ook aanboden die klus over te nemen, daar kwam niets van in; geen mannen op hun slaapkamer.

De oudere kinderen gniffelden om tante Wijntje die het helaas niet kon nalaten iedere zin te verfraaien met “om zo te zeggen”. We turfden en deden voorspellingen of het deze keer aan het begin of aan het eind van de zin zou komen. Voor de tantes was het belangrijkste onderwerp van gesprek “de spreuk van de dag”. Die spreuk was te lezen op de achterkant van het kalenderblaadje van de kalender van de bond tegen het vloeken, dat iedere dag na het ontbijt werd afgescheurd. Het bezoek daarentegen was vooral geïnteresseerd in de antieke staartjesklok en de kussenkast, die iedereen eigenlijk wel wilde erven en waarvan de door het bezoek geschatte waarde astronomische hoogten bereikte.
Volgens de familie waren de tantes rijk! De enige die daar het fijne van wist was oom Henk, die de boekhouding voor ze deed. Maar oom Henk zei niet veel; volgens sommige familieleden, om later zelf beter zijn slag te kunnen slaan
Achteraf viel het nogal tegen met die rijkdom, hoewel een leven lang hard werken en niets uitgeven toch wel iets oplevert. We zouden dat al gauw merken. Oom Henk had de tantes ingewijd in de geheimen van de successierechten, waarop de tantes besloten maar vast te beginnen met de verdeling van hun geld omdat ze er toch niets mee deden. En zo kregen alle neven en nichten, dat waren er een heel stel, ieder vijfhonderd gulden.
Voor mij werd er een accordeon van gekocht; achteraf een slechte investering want ik heb nooit behoorlijk leren spelen. Later hebben we nog een paar keer geld gekregen maar omdat ik toen zelf al goed verdiende maakte het niet zo’n indruk meer.

De vijftiger jaren brachten voor de tantes geweldige veranderingen: de AOW, die toen nog uitkering van Drees heette en de verplichte vakantiewinkelsluiting. De eerste bracht de tantes die toen tussen de zestig en de zeventig waren een arbeidsloos inkomen, de tweede bracht hun de eerste veertien vakantiedagen van hun leven. Die vakantie beviel hun zo goed dat de klanten op de eerste dag na de vakantie een gesloten winkeldeur aantroffen met daar achter een bordje waarop te lezen viel: we doen het niet meer. En in de wijk wachtten de klanten die dag tevergeefs op Wijntje, met haar intussen gemotoriseerde melkstel.

De winkel werd al snel verhuurd aan een firma die er breiwol etaleerde, en het gemotoriseerde melkstel vond een plaatsje achter het huis. Tot alweer de onvervangbare oom Henk de tantes uitlegde dat het melkstel een redelijke waarde vertegenwoordigde, dat het van het staan niet beter werd en dat het daarom moest worden verkocht.
Zo werd op zijn advies een advertentie geplaatst in “Het Utrechts Nieuwsblad”, te koop etc.
Naderhand hoorden we van de tantes dat de verkoop uitstekend was geslaagd. Er was een meneer gekomen die de koperen melkbussen prachtig vond. Hij had helemaal niet afgedongen op de prijs en hij had het melkstel meteen meegenomen. Of hij ook contant had betaald? Nee, dat niet, maar het was een keurige man en hij zou het geld komen brengen Ze hebben die man nooit terug gezien.
.
Later is het stiller geworden bij de tantes op Nieuwjaarsdag. Veel neven en nichten waren getrouwd en kwamen niet meer met hun ouders mee, en hoewel de echtgenoten ook met een gulden bedeeld werden, had de inflatie en de stijgende welvaart het wervende effect van de nieuwjaarsgulden verminderd. De advocaat en bessenjenever, die in latere jaren geschonken werd, na de koffie met oliebol of appelflap, hielpen wel een beetje.

Mijn vader heeft nog geprobeerd de tantes radiodistributie aan te praten. Ze wilden er niet aan. We hebben uitgelegd dat de kerkuitzendingen zo fijn waren, je kon de dienst volgen ook al kon je niet meer naar de kerk omdat je slecht ter been was. Als ze niet meer naar de kerk konden dan was dat de wens van de Heer en daar moesten wij ons maar niet mee bemoeien. En zo kwam er geen radio.
Voor de meeste van ons kwam het nieuws dat Wijntje, de laatst overlevende van de tantes, was overleden, als een verrassing. Oom Henk was benoemd tot executeur testamentair. Hij moest al snel vaststellen dat er niet veel meer te verdelen viel; het meeste hadden de tantes tijdens hun leven al weggegeven. Omdat het verdelen van zo’n klein bedrag toch nog een heel gezeur zou geven werd besloten het te besteden aan een familiereünie.
En zo kwamen dan op een zondagmiddag een paar maanden later ergens in een feestzaaltje in de buurt van Maarsseveen zo’n honderd elkaar deels wildvreemde mensen bij elkaar. Een uurtje en een paar biertjes later werd het toch gezellig. Die man met die zware baard bleek je wel te kennen, het was dat jongetje dat altijd een matrozenpakje aanhad en niet mocht voetballen van zijn moeder. En die leuke jonge meid naast hem was niet zijn vrouw, maar zijn dochter. Van de tantes werd veel goeds gesproken.
Mijn opa was slager. De “rund- en varkensslagerij” was gevestigd in de Oranjestraat op nr. 6 vlak bij de hoek met de Oude Gracht. De Oranjestraat was een van de belangrijkste straten van de beroemde wijk C die nu bijna geheel plaats heeft moeten maken voor afschuwelijke winkel- en kantoorgebouwen.
Precies op de hoek van de Oude Gracht was een kroeg. Tijdens de tweede wereldoorlog werd er onder die kroeg een bunker gebouwd, die er nog steeds is, en na de oorlog werd hij bunkerbar genoemd. Iedere zaterdagavond werd er voor de deur van de kroeg gevochten. Nooit binnen; de kroegbaas was een poteling en wou dat gedonder binnen niet hebben. Soms belde iemand de politie; die wachtte dan rustig af tot de vechtpartij was afgelopen. Als een van de vechtersbazen beschadigd op straat achterbleef werd hij gearresteerd. De winnaar nam binnen een pilsje van het huis.
Tussen de kroeg en de slagerij waren twee huizen. In het eerste woonde de brugwachter; in het andere woonden Joden. Jacobs heetten ze, maar de buurt noemde ze Floor naar de voornaam van de man. Omstreeks Joods Pasen werd je binnen geroepen en dan kreeg je matzes met boter en suiker. Niet van die kleine matzes, zoals in die rood met bruine doosjes van Verkade, die doosjes die je als een soort harmonica moest openvouwen, nee van die hele grote, zo groot als een bord. Die dingen eten zonder morsen was een hele kunst. Floor had een heleboel kinderen, slechts twee hebben de gaskamers overleefd.
De slagerij was geopend van ’s morgens zeven tot ’s avonds acht. Zes dagen per week. Links van de slagerij was de melkwinkel van Rossewey. Die was ’s morgens al om zes uur open voor de meelmuizen.

De melkwinkel was het laatste pand in de Oranjestraat dat nog uitzicht had op de Nieuwe Kade. Daar meerden de binnenschepen geladen met zakken meel, De meelmuizen droegen de zakken van vijftig kilo op hun schouders langs een laddertje uit het ruim naar het pakhuis. Dat was zwaar en dorstig werk. De meelmuizen die een vooruitziende blik hadden, begonnen daarom de dag met een paar flesjes bier.

Naast de melkboer was het logement van Helsdingen, waar je voor een paar kwartjes kon overnachten; en daarnaast was de heetwaterboer, die grote hoeveelheden water kokend heet stookte, het water daarna in houten vaatjes tapte, die bij de klanten thuis bezorgd werden. Afhalen kon ook, drie cent per emmer.
Tegenover de heetwaterboer was het eerste huis aan de Nieuwe Kade. Dat was het gebouw van de “blauwe knoop”, de geheelonthouders. Op de muur was een tekening van de barmhartige Samaritaan, met als onderschrift: “de liefde van Christus”. Ik begreep er weinig van, maar ik vond het huis, waar je nooit iemand zag, tamelijk griezelig.

Soms kreeg ik van Opa een cent. Daarmee toog ik dan naar de groente- en snoepwinkel van Hazeleger, verderop in de straat waar je voor een cent kon kiezen uit allerlei heerlijke dingen die onder glas lagen uitgestald. Tegenover Hazeleger aan dezelfde kant van de straat als de slagerij was het Oranjehofje, een dertigtal piepkleine huisjes voor oude vrouwen, rondom een klein pleintje met een pomp in het midden. Achter Hazeleger was de mosterdfabriek van Van Rijn, die liep helemaal door naar de Nieuwe Kade. Een van de opwindendste momenten van mijn kinderjaren was toen de fabriek prachtig in de fik vloog net toen ik bij Opa op bezoek was.

De slagerij was tamelijk opvallend; niet alleen door de hoekige bouwstijl maar ook doordat hij van buiten geel geverfd was. Als je de slagerij binnen kwam was links de toonbank met aan het eind dwars erop de ijskast waarvoor iedere morgen twee staven ijs gebracht werden door een jongen op een fiets met een grote rieten mand voorop. Rechts was het grote hakblok en daarachter de tafel voor de gehaktmolen. Via een lange gang kwam je in de werkplaats waar de rokerij was en waar de ketel stond waarin de worsten werden gekookt. Links van die gang was de enige kamer, rechts van de gang waren de bedsteden waar het gezin sliep. Later werd het bovenhuis bijgekocht, de bedsteden werden opslagruimte. Mijn grootouders sliepen toen in een bedstee in de woonkamer boven en de kinderen kregen slaapkamers op de zolder.

Mijn grootvader kocht de koeien en de varkens in op het abattoir en stelde de prijzen vast van de riblappen en de worst. Veel prijscalculatie kwam daar niet aan te pas. Als de tijden slecht waren ging er wat meer vet in het gehakt en wat meer meel in de worst.
Mijn grootmoeder stond achter de toonbank en hield een soort kasboek bij dat doorging voor de boekhouding. Aangezien de dagelijkse uitgaven direct uit de geldla onder de toonbank werden betaald, leverde het kasboek van opoe slechts gebrekkige informatie op, één en ander zeer ten ongerieve van de belastinginspecteur, die er wanhopig van werd. De jaarlijkse gang van opoe met het kasboek naar de belastinginspecteur om te protesteren tegen de hoogte van de aanslag had dan ook altijd succes.
Omdat opoe achter de toonbank stond moest het werk in huis gedaan worden door anderen: de meid, de wasvrouw en de huisnaaister.

Toen de loonkosten hoger werden verdween allengs het personeel en in de latere jaren was opoe niet meer dagelijks achter de toonbank te vinden en werden de oudere kinderen ingeschakeld. Ook de slagersjongen die kwam “horen”, dat is bestellingen opnemen en “brengen”, prijsde zichzelf al gauw uit de markt.

Opa, voor zijn vrienden Jan, was niet bepaald een spraakzaam man; hij was wat nurks. Soms duurde het wel even voor één van zijn minder welgestelde klanten begreep dat hij niet hoefde te betalen als Opa bromde:”pak maar mee”. Opa gaf graag, niet alleen stukjes worst voor de kinderen van de klanten. Toen ik dan ook als veertienjarige jongen op de kermis door mijn geld heen was, maar nog niet genoeg had van de botsautootjes, besloot ik van het Vreeburg, waar de kermis was, naar de Oranjestraat te lopen om bij Opa een gulden te “lenen”.
Nadat ik op nieuwjaarsdag daarna mijn gulden in ontvangst had genomen werd ik door Opa even apart genomen. Hij legde mij uit dat het uiterst onfatsoenlijk was mensen die geld bij je hadden geleend aan de terugbetaling te herinneren. Op die regel was echter een uitzondering en dat was 1 januari. Daarom wilde hij mij er even op attent maken dat ik hem nog een gulden schuldig was en of ik die gulden maar meteen wilde terugbetalen. Toen ik erg sip keek heeft hij mij nog uitgelegd dat ik destijds best een gulden had kunnen krijgen, maar ik had toch zelf gevraagd hem te mogen lenen!

Eén van de dingen die ik erg merkwaardig vond was dat Opa zich nooit zelf schoor. Driemaal in de week toog hij naar de barbier/kapper op het Weerdsingel. Hij had daar een scheerabonnement. Zijn kwast, zeep en aluin waren opgeslagen in een kastje bij de kapper. In die tijd waren er veel mensen die zich lieten scheren want ’s avonds tussen negen en tien als alle winkels dicht en opgeruimd waren had de kapper hoofden vol werk.

Ik vertelde al dat rechts achterin de winkel de gehaktmolen stond. Een grote rode machine met er bovenop een grote witte bak met een hoge opstaande rand. In die bak legde je het te malen vlees en drukte het aan met een houten stopper. ’s Morgens vroeg maalde Opa het gehakt. In de bak liet hij echter altijd was vlees liggen dat nog gemalen moest worden. Soms kwam er namelijk een dame in de winkel die Opa’s gehakt niet goed genoeg vond, een runderlapje kocht en de slager vroeg dat even te malen. Opa maalde dan met een stalen gezicht wat van het klaar liggende, maar voor de klant onzichtbare gehaktvlees en bracht later het runderlapje weer op zijn plaats.

Grote hoeveelheden gehakt gingen ook in de “met” voor de metworst. De “met” bestond uit dubbel gemalen varkensgehakt met meel en kruiden. In grote emaillen bakken ging het naar achteren naar de werkplaats. Daar waren intussen de darmen nog eens extra gewassen. Het uiteinde van een darm werd nu om de vulmachine gedaan. Daar stopte je boven de “met” in en door aan een hendel te draaien die aan een worm vastzat, werd de “met” in de darm gedrukt. Als de worst de gewenste lengte had werd hij aan weerskanten afgebonden met een touwtje en klaar was de worst om te worden gekookt of gerookt.
Het koken gebeurde in een grote ketel, wel zo groot als een huiskamertafel, waaronder een grote gasbrander stond te loeien. Maar je kon nog zien dat het oorspronkelijk een kolenfornuis was.

Een deel van de worst werd gerookt. Achter een zwarte ijzeren deur was een soort diepe kast die uitkwam in een schoorsteen. In die kast werd een smeulend vuurtje van beukenkrullen aangelegd en vervolgens werden de worsten om lange ijzeren staven geschoven boven in de kast gehangen. Na een aantal uren waren de worsten klaar. Vaak had zich in de winkel dan al een groot aantal klanten verzameld die de worst vers gerookt wilden eten.

Ook voor andere dingen was men bereid te wachten zoals warme kaantjes die overbleven bij het uitbakken van rundvet, uierboord, verse zult en reuzel om op de boterham te smeren.
Dit soort goedkope dingen is een beetje uit de tijd maar aangezien de samenstelling van een koe en een varken niet is veranderd zullen die zaken nu wel in de kroketten en in de hamburgers zitten.

Na hun huwelijk kwamen opa’s kinderen nog vaak in de slagerij; soms na sluitingstijd om te helpen met het schrobben van de winkel, soms om vlees voor het eigen gezin te kopen. Ik kwam er nog al eens op zaterdag. Opoe had dan soep gekookt; voor een meer bewerkelijk eten was er op die dag geen tijd en de gaande en de komende man at een bordje mee. Die soep was altijd ontzettend lekker. Grote handen poulet en gehakt gingen in die soep; balletjes maken was te veel werk. Mijn moeder deed nogal smalend over die soep. Kunst als je in de slagerij maar kunt grijpen wat je nodig hebt.

Alle kinderen met de kleinkinderen bezochten opoe en opa op zondagmiddag. De mannen verzamelden zich in de voorkamer en kregen een jonge of een citroentje na de verplichte thee met een koekje, en staken grote sigaren op. Daarna kwamen de dominostenen op tafel. Er werd om geld gespeeld. Zes man om de tafel, eerste inzet een kwartje. Iedere keer dat je eruit ging, dat is meer dan honderd punten, kocht je je weer in voor een dubbeltje; tot vijf van de zes tegelijk over de honderd gingen, dan was het spelletje uit. De winnaar hoefde niets te betalen maar won ook niets. De winst werd onder de kleinkinderen verdeeld. Dat betekende soms een aardige aanvulling op het niet al te ruime zakgeld van die dagen.

Hoogtepunten van het familieleven zijn in mijn herinnering de middagmaaltijd op eerste kerstdag en de bruiloften. Wat betreft de bruiloften laat mijn herinnering mij in zoverre in de steek dat ik niet meer weet of het om huwelijken van de jongere zusters van mijn vader ging of dat de aanleiding was de koperen, zilveren en gouden bruiloft van mijn opoe en opa en hun broers en zusters. Hoe dan ook het kwam nogal eens voor.
In het begin waren die feesten in de zaal van Brons aan de Oude Gracht, later toen die zaal niet meer beschikbaar was in de zaal van het wijkgebouw achter het politiebureau op het Paardeveld.

Zo’n feest had altijd het zelfde verloop. Bij binnenkomst kreeg je een corsage aangeboden die je op je jas of jurk spelde. Als laatste kwam het bruidspaar waarvoor door de aanwezigen het “welkomstlied” werd gezongen op de wijze van “wien Neerlands bloed door de aderen vloeit”. Daarna zocht je je een plaatsje aan één van de lange met witte lakens gedekte schragentafels met daarop schalen met bruidssuikerkers en bekers met sigaren en sigaretten.
IJverige tantes, daarbij geassisteerd door diensters brachten koffie met gebak en daarna een tweede kopje koffie waarbij je geacht werd een bruidssuiker te nemen.

Onder het genot van een glaasje advocaat voor de dames en jonge jenever voor de heren werden daarna de stukjes opgevoerd. Kinderen of broers en zusters belichtten voor- en tegenspoed van het bruidspaar, meestal op rijm en één en ander zeer tot genoegen van de gasten. De kleine kinderen zegden hun versje op, daarbij gesouffleerd door hun moeder.
Ik vertelde het verhaal van de twee stotteraars:

Twee stotteraars lopen op straat, zegt de een:
Kijk da-da-da-daar ga-ga-ga-gaat een vliegtui-tui
He, nou is-ie net weg.
Zegt de ander:
Joh, pa-pa-pas op, da-da-daar ligt een hoop poe-poe
He, nou heb je d’r net ingetrapt

Pick-ups en dergelijke had je nog niet, er werd een harmonicaspeler gehuurd. Hij zorgde voor de muziek bij de stoelendans en andere spelletjes die nu volgden.

Om twaalf uur werden grote manden met belegde broodjes binnen gebracht. Ik zie iedereen daar nog steeds met smaak in happen. Daarna werd er stug door gedanst en gedronken. De jongere kinderen vielen in slaap of werden vervelend; de vaders ergerden hun echtgenotes door voornamelijk de jongere nichtjes en schoonzusjes ten dans te vragen. Ook de zoenspelletjes die daarna volgden waren lang niet tot ieders genoegen. Om twee uur werd er gelapt om de harmonicaspeler die flink meegedronken had ertoe te bewegen nog een uur te spelen, maar om drie uur vonden de vrouwen het echt welletjes en werden de mannen meegesleept naar huis. Een slingerende fietser kon in die tijd nog niet zoveel kwaad, er was nauwelijks verkeer op straat.

Een ander hoogtepunt in het familieleven was de middagmaaltijd op eerste kerstdag.
Opoe had dan konijn gebraden, niet één maar drie of vier konijnen. Iedereen kon dan net zoveel konijn eten als–ie lustte. Niemand in de familie was arm en in alle gezinnen kwam dagelijks vlees op tafel, wat in die tijd zeker niet gebruikelijk was, de slagersfamilie zal daaraan ook wel niet vreemd geweest zijn, toch was net zoveel vlees eten als je lustte een feest. Met onbegrip keek ik naar twee tantes die geen konijn “bliefden” en voor wie speciaal een grote biefstuk moest worden gebakken. Zo’n maaltijd was een organisatie van jewelste en daarom is het gebruik toen opoe ouder werd afgeschaft.
Voor zover ik weet zijn mijn grootouders nooit met vakantie geweest. Wie moest er op de winkel passen? Bij hoge uitzondering ging het gezin op zondagmiddag in een gehuurde “Jan Plezier”, een soort open bus getrokken door een paard naar het Biltse Meertje. Bioscopen, toneelvoorstellingen en concerten waren er nog nauwelijks. En trouwens als ‘s avonds dan eindelijk de winkel dicht ging dan had je ook niet zo’n zin meer. Slechts bij hoge uitzondering werd de revue van Buziot bezocht en dat was dan zo geweldig dat je er nog maanden over sprak. Want waarover sprak je anders? Over de buurt, wie was er ziek en wie ging er trouwen en over de winkel van Sinkel op de Oude Gracht, een voorloper van het warenhuis, waar volgens een liedje uit die tijd alles te koop was, hoeden en petten en dameskorsetten. Veel belangstelling voor wat er buiten Utrecht gebeurde had je niet.

De radio heeft daar wel iets aan veranderd. Ik weet niet op wiens aandringen mijn grootvader zo’n ding gekocht heeft, maar er kwam echt geluid uit een soort rechtopstaand diep bruin bord dat boven op een kastje stond. In dat kastje stonden de accu’s en de eigenlijke radio, een metalen onderstel met daarop een warboel van draden, weerstanden en condensatoren, waartussen geheimzinnige lampen stonden te gloeien. Die lampen gaven geen licht maar ze gingen wel kapot. Door die radio heeft mijn grootvader op hoge leeftijd nog belangstelling voor voetballen gekregen en wist hij precies uit te leggen wat “afsijt” was.

Winkelen of boodschappen doen was er ook niet bij. Vrijwel alle levensmiddelen werden thuis bezorgd, de bakker en de groenteboer kwamen aan de deur en de aardappelboer stortte enkele malen per jaar een paar mud piepers in de kelder, de kruidenier kwam “horen” en “brengen” en de melkboer woonde naast de deur. Opoes jurken en schorten werden gemaakt door de huisnaaister en opa toog eenmaal per drie jaar naar Broekman, met de toepasselijke naam, op het Steenweg om zich een onverslijtbaar kostuum met twee broeken te laten aanmeten. Twee broeken omdat de broek sneller slijt dan de jas en zo gaat het kostuum langer mee. De kostuums mochten dan onverslijtbaar zijn Opa was dat zelf niet. Ik geloof niet dat hij net zo’n prettige levensavond heeft gehad als zijn vader.
Toen opoe was overleden trok het gezin van oom Jan bij hem in boven de zaak en dat leidde op den duur tot strubbelingen. Daarna is hij een aantal jaren langs zijn kinderen gezigeunerd.
Bij ons zat hij dan stilletjes voor het raam naar de voorbij rijdende treinen te kijken. Later is hij ernstig ziek geworden. Hij moest met steeds kortere tussenpozen een bloedtransfusie hebben. Zijn laatste levensjaar heeft hij bijna helemaal in het ziekenhuis doorgebracht. Op het laatst herkende hij je niet meer en sprak nog nauwelijks. In die jaren stond het nog niet ter discussie, maar ik geloof dat hij er wel iets eerder mee had willen ophouden als dat had gekund.

Oom Jan was niet de oudste zoon. Desalniettemin was hij voor zover ik me kan herinneren voorbestemd om de slagerij over te nemen. Had mijn vader, de oudste zoon er geen zin in? Oom Jan miste het inmiddels ontstane vakdiploma en het middenstandsdiploma. Die diploma’s heeft hij later alsnog moeten halen, wat niet zo gemakkelijk was. Niet dat hij niet slim genoeg was, maar hij kon er niet zo goed tegen zich door snotneuzen die geen verstand hadden van de praktijk, te laten uitleggen hoe je een koe uitbeent. Oom Jan was toch al niet zo geneigd zich iets te laten uitleggen en aangezien opa ook vond dat híj het alleen wist, moeten de eerste jaren, toen opa nog boven de slagerij woonde en dagelijks in de winkel hielp, niet gemakkelijk geweest zijn. Later hielp opa nog uitsluitend ’s zaterdags en allengs helemaal niet meer, zeer tot opluchting van oom Jan.

Onder oom Jan ging de zaak in een heel andere richting. Voor een deel was daar geen ontkomen aan. De onteigening en de afbraak van de buurt waren begonnen en de bewoners van Wijk C hadden al snel in de gaten dat het tegen het gemeentebestuur kwaad vechten was. Bestuurders procedeerden met stadhuiswoorden die de buurtbewoners nauwelijks begrepen, de mensen uit hun huizen, tegen schadevergoedingen waarvoor je nergens een ander huis kon kopen. De slagerij trof een typerend lot. Via een onteigeningsprocedure raakte oom Jan het pand kwijt voor een op het moment van het vonnis al schandalig lage prijs van zesduizend gulden. Die prijs werd echter niet betaald, nee betaling zou plaatsvinden als de gemeente het pand werkelijk nodig had. Hoe het is afgelopen weet ik niet, maar de slagerij is tot nu toe de slopershamer ontsprongen en oom Jan woont er nog steeds.

Maar hoe dan ook de buurt ontvolkte en aangezien oom Jan moest wachten tot de gemeente het pand kwam opeisen, moest hij in de tussentijd iets anders verzinnen om van te leven.
Dat werd tienduizenden en nog eens tienduizenden kroketten en gehaktballen maken voor de patatkramen in de stad. In het begin van de vijftiger jaren kreeg de Nederlandse arbeider meer geld op zak. Als hij uit zijn werk kwam lustte hij wel wat en de kramen deden goede zaken.
De werkplaats achter de slagerij veranderde in een soort fabriek waar de dozen met kroketten en gehaktballen de plaats innamen van gerookte worst en andere lekkere zaken. Volgens opa werd er meer meel verwerkt dan vlees en hij at voor geen prijs een kroket. Maar ja wat wil je, de concurrentie was groot en de klanten proefden het verschil toch niet.
Het massabedrijf leverde wel veel geld op en oom Jan liet het rollen, overigens niet op een manier die volgens de familie de meest gewenste was. Oom Jan was getrouwd met een meisje uit de buurt bij wie hij vijf kinderen kreeg. Het was een opgewekte zorgeloze vrouw, die er zelfs na twintig jaar huwelijk nog zo goed uitzag dat de mannen op straat naar haar omkeken. Zij was ook prima in staat om op zaterdagavond nadat de winkel was geschrobd en opgeruimd eens lekker door te zakken bij Ritzer.

Oorspronkelijk was Dikke Dries “het” café van de buurt, maar na de oorlog kon je daar nauwelijks nog komen omdat het om de één of andere reden populair geworden was bij niet buurtbewoners. Aan het eind van de vijftiger jaren veranderde de reputatie van de hele buurt trouwens ineens van achterlijk en vies naar artistiek en interessant. Er gingen stemmen op om de afbraak van de buurt te stoppen.
Mannen in spijkerbroeken en slobbertuien en met een haardos als Jezus op de bidprentjes van mijn Roomse vriendjes, trokken in de huizen. De buurtbewoners gingen in de diaspora.
De aantrekkingskracht van de buurt zat toch niet in de huizen. Het waren voor een groot deel krotten geworden, vaak nog met een “doos” in plaats van een wc. De buurtbewoners waren met zijn allen graag naar Tuindorp verhuisd. Het aantrekkelijke van de buurt was de manier waarop de mensen met elkaar omgingen. De huizen waren klein en benauwd en dus zette je op mooie zomerdagen de stoelen buiten voor de deur op straat. Je leefde zo dicht bij elkaar dat je ook niets voor elkaar verborgen kon houden en niemand vond het verbazingwekkend dat echtelijke ruzies op straat uitgevochten werden. Nee, men trok partij, mengde zich in de strijd of probeerde de zaak bij te leggen. Men droeg het hard op de tong en had grote ervaring in het schelden.
Vooral de vele straathandelaren die er woonden en die gewend waren hun waren schreeuwend langs de straten te slijten waren meesters in het elkaar uitmaken voor rotte vis. Het platte Utrechts klonk niet bepaald mooi, maar het leek niet op wat Rijk de Gooier, die overigens uit Zeist kwam, den lande via de radio als Utrechts probeerde te verkopen. Vraag iemand die beweert plat Utrechts te spreken wat een “augie”is, als hij het weet is hij geslaagd, Jaaaaan is behaaanger, traaaaap op traaaaap aaaaaf en maar plaaaaakke, is een veel minder goede test.

Ik zocht oom Jan nog wel eens op in mijn studententijd; op de fiets over de Molenbrug naar het Paardeveld, door de Achterstraat naar de Oranjestraat. We dronken dan samen een pilsje bij Ritzer en daarna zakten we samen met mijn tante gezellig door bij Metropole of Limburgia op het Steenweg. Oom Jan kende iedereen en zorgen bestonden er niet; ook voor mij niet omdat Oom Jan voor een arm student altijd de rekening opraapte.
Mijn moeder was over die bezoeken helemaal niet te spreken. Volgens haar kwamen in Limburgia uitsluitend vieze meiden en mannen die daar op af kwamen. Ze was daar zo zeker van dat ze nooit is gaan kijken of het waar was.

Behalve Jan had mijn vader nog twee broers die ik niet goed heb leren kennen.
Rijk had een baan bij Werkspoor en werd bij elk van de vele reorganisaties ontslagen en daarna weer aangenomen. Op een gegeven moment ging de zaak definitief op de fles; gelukkig voor Rijk op een moment dat hij toch al bijna aan zijn pensioen toe was.
Gerrit was in goed Wijk C’se traditie straathandelaar in fruit. Vrijdags stond hij altijd in de Kanaalstraat met een bakfiets vol. Ik kwam hem wel eens tegen en kreeg dan een paar kersen van het bovenste laagje. Dat waren eerst kwaliteit kersen gespreid over een grote berg van mindere kwaliteit. Per slot, het oog wil ook wat.





























HOOFDSTUK 4


Mijn vader



Mijn vader heette Albertus naar zijn grootvader, de vader van de tantes. Hij is geboren in 1908 en overleden in 1980.
Van zijn kinderjaren weet ik niet zoveel. Het was niet de bedoeling dat hij de slagerij zou overnemen en daarom ging hij naar school. De ambachtsschool; verder reikte de fantasie van een slager in 1920 nog niet. Je leerde een vak en dat was al heel wat. Pa werd instrumentmaker en nadat hij met goed gevolg de ambachtsschool had doorlopen kreeg hij een baantje ergens in De Bilt als winder van koperen spoelen; vijf gulden in de week voor een 48-urige werkweek.
Het werk was eentonig, Pa wilde wel iets meer en dus ging hij naar de avondschool.
’s Morgens om zes uur de deur uit en ’s avonds om negen uur er weer in. Het gezin had al gegeten. Opoe zei dan: snij maar een stukje vlees voor je zelf af in de winkel; hier zijn wat aardappeltjes om op te bakken en in die schaal is nog wat sla.
Jaren is het zo gegaan. Het gevolg was dat Pa die voornamelijk biefstukjes en varkenshaasjes afsneed, nooit iets anders heeft leren eten. Hij lustte geen uien, knoflook, tomaten en geen kool, Hij lustte eigenlijk alleen doperwten, hele kleintjes.

Toen hij pas getrouwd was viel mijn moeder de eer te beurt hem uit te leggen dat je van twintig gulden in de week niet iedere dag biefstuk kunt eten, het moet een hele opgave geweest zijn hem te leren wennen aan riblappen en gehakt.

In die tijd werkte mijn vader al bij de PTT waar hij verder zijn hele leven gebleven is tot aan zijn pensioen op 63 jarige leeftijd. Hij had het aardig gerooid en in de tussentijd een rang bereikt die bij de erg op diploma’s gestelde PTT eigenlijk alleen open stond voor medewerkers met een hogere technische opleiding.
In mijn vroegste kinderjaren werd mijn vader achtereenvolgens overgeplaatst naar Deventer, Lochem en Hengelo; maar na een vijfjarige zwerftocht hebben we ons weer voorgoed in Utrecht gevestigd. We woonden in de Cremerstraat, een lange straat die aan de Zuidzijde de spoorlijn naar Den Haag volgt van het Centraal Station tot aan de Carthesiusweg. De straat weerspiegelde de groei van Utrecht, vanaf de Carthesiusweg werden de huizen steeds ouder en de bewoners minder welvarend. Langs de straat was een balie van geteerd ijzer, daarachter liep een sloot. Tussen de sloot en de spoorbaan waren de volkstuintjes van spoorwegarbeiders.
Eén van mijn vroegste herinneringen betreft een zonnige morgen waarop we veel vroeger op waren dan gewoonlijk. Samen met mijn vader zat ik op de balie aan de overkant van de straat te kijken naar grote aantallen vliegtuigen scherp afgetekend tegen de blauwe lucht.
Het was 14 mei 1940, Duitse bommenwerpers op weg naar Rotterdam.
Hoewel Utrecht nauwelijks in direct oorlogsgeweld betrokken is geweest, zijn mijn herinneringen aan die tijd toch door de oorlog bepaald. Voor een Utrechtse jongen van mijn leeftijd waren de oorlogsjaren een fijne tijd.
De Wehrmacht vond dat ze ons schoolgebouw nodig hadden. Wij moesten intrekken bij een andere school op het M.P. Lindoplein. Vanaf dat moment hadden we nog maar halve dagen school, een buitenkansje. Twee jaar later gingen de scholen helemaal dicht omdat er geen kolen meer waren om de lokalen te verwarmen en geen onderwijzers meer om les te geven. Het betekende wel dat alle kinderen een jaar achter raakten.
Voor mij liep dat iets anders. Mijn vader die in zijn werk moest concurreren met mensen met diploma’s die hij miste, was vastbesloten dat zijn zoon arts of ingenieur zou worden. Er kon dus geen tijd verloren gaan en toen de school sloot kreeg ik twee maal per week privé les van meneer Kruiselbrink, de onderwijzer van de zesde klas, bij hem thuis in de Havikstraat, een wat stille deftige straat.

Aangezien geld in de latere oorlogsjaren nauwelijks nog waarde had, je kon er niets voor kopen, had meneer Kruiselbrink bedongen dat het lesgeld zou bestaan uit twee keer twee kilo aardappelen per week. Op mijn fietsje, het tasje met aardappelen aan het stuur en de tas met huiswerk achterop ging ik naar het toen, de zestig al gepasseerde onderwijzers echtpaar, in het donkere huis. Hun eigen kinderen waren volwassen en allang uit huis. Ik kreeg veel aandacht maar ik was toch altijd blij als het er weer opzat.

Mijn fietsje was iets bijzonders. Fietsen die een klein beetje goed waren, werden gevorderd door de Wehrmacht. Wat nog over was reed op houten banden of zo maar op de velg. Maar mijn fietsje had nog echte luchtbanden, het was zo klein dat er met de beste wil van de wereld geen soldaat op kon.

Na de oorlog werd ik als enige van mijn klas bevorderd. Ik kwam in een klas met kinderen die allemaal een jaar ouder waren dan ik. Ik werd niet met open armen ontvangen, ik werd meer als onderkruiper beschouwd. Lollig was het niet weer naar school te moeten gaan.
De aardappelen voor meneer Kruiselbrink kwamen van mijn vaders volkstuin. We gingen er op de fiets naar toe. Eerst langs het Majellapark, dan langs de machinefabriek Jaffa over de Groene Weg, over de sluizen langs de lijnkoeken fabriek en door het park Oog in Al. Langs de Wartburg een sjiek maar geheimzinnig huis, het Amsterdam –Rijn kanaal over en voor de autoweg naar links. Daar ingeklemd tussen weg en kanaal lag het volkstuincomplex. In die dagen hield de autoweg daar op; de weg naar Amsterdam is pas na de oorlog aangelegd. Alle auto’s waren gevorderd en verkeer was er niet. De enige auto die ik er ooit gezien heb was een Duitse Jeep, Kuebel noemden ze zo’n ding.

De gezamenlijke volkstuinders hadden een bewakingsdienst georganiseerd; het tekort aan voedsel was in de latere jaren van de oorlog zo nijpend geworden dat de volkstuinen leeg gestolen werden nog voor de spullen rijp waren. In de winkels was in die tijd nauwelijks nog iets te koop. Duwel, de groenteman in de Hazebroekstraat was tot op het laatst toe open en verkocht bloembollen en brandnetels. De eerste als vervanging van aardappels en van de brandnetels kookte je een soep die heel lekker heette te zijn. Ook je rantsoen suikerbieten kon je bij hem kopen, daar kookte je een zwarte suikerstroop van. Ik vond dat het smerig smaakte.

Mijn vader heeft wel eens geprobeerd mij uit te leggen wat reclamedrukwerk was. Ik begreep het niet. Als je iets wilde kopen moest je tijdig in de rij gaan staan en de winkelier vooral niet tegen je innemen. Dat er schaars papier zou worden besteed om iemand zover te krijgen dat hij iets kocht wilde er bij mij niet in.

Ik kan mij ook nog levendig herinneren dat Karsbergen, een vriend van mijn vader, met vrouw en twee kinderen was uitgenodigd om te komen eten. Uitnodigingen voor een maaltijd waren geen gewoonte meer in die tijd. Wie wat te eten had, at dat stilletjes op, bang om te moeten delen. De uitnodiging illustreert dat de honger onze deur voorbij gegaan is. Pa had bij opa een stukje vlees versierd, er was verse groente uit de tuin en een pan zo groot als een wasteil vol met aardappelen. Omdat mijn moeder op het laatste moment het gevoel kreeg dat er voor die uitgehongerde lui misschien toch niet genoeg te eten was, werd er nog een pan aardappelen gekookt. Ma herinnerde zich die pan aardappelen pas toen de maaltijd eigenlijk afgelopen was. Verlegen vroeg ze of iemand nog iets lustte. Guus Karsbergen kon het niet over zijn hart krijgen dat er iets bleef staan en at in zijn eentje als dessert nog een hele pan aardappelen.

Wat de volkstuin niet opleverde moest van de boer komen. Er waren goede en slechte boeren. De slechte stuurden de hond op je af als je op het erf kwam en leverden wat ze konden aan de zwarte markt waar betaald werd met zilveren rijksdaalders en gouden ringen. De goede boeren riepen een klein jongetje als ik binnen en gaven je een boterham met kaas.
Nu nog veertig jaar later vind ik een boterham met kaas het lekkerste dat er bestaat.

Naar de boer gingen we op de fiets; in de zijtassen lege melkflessen. Soms mocht je die bij een boer wel eens vullen met melk. Als je een goede dag had kreeg je meer melk dan je die dag op kon drinken. De melk werd dan geschud in de flessen om boter te maken. Bij dit eindeloze werk werd ik ook ingeschakeld. Eens vloog de kurk eraf omdat ik niet op tijd ontlucht had. De inhoud van de fles spoot tegen het behang. Omdat er tot ver na de oorlog geen behang te koop was hebben we aardig lang van die vlekken kunnen genieten.

In die tijd is mijn vader ook een beetje afgekomen van zijn dieet van biefstuk met gebakken aardappelen en doperwtjes. Bij de tuinders in Vleuten en De Meern kon je nog wel eens tomaten kopen en hoewel pa die dingen voor de oorlog niet lustte heb ik hem er tijdens de oorlog wel eens met smaak in zien happen.

Brandstof was er ook niet veel. Samen met de buurjongen ging ik jonge boompjes kappen langs diezelfde autoweg waarvan ik al eerder sprak. We brachten het hout naar huis op mijn zeepkistwagen. De tocht eindigde helaas op het politiebureau. We moesten languit op de grond gaan liggen en ons tweehonderd keer opdrukken. Daarna mochten de vaders ons ophalen. De onvervangbare bijl werd in beslag genomen. Mijn vader was nogal driftig en toen hij dreigde met één van onze stammetjes de hoofden van de agenten te bewerken, kregen we de bijl alsnog terug.
Later toen pa met de broers hout ging halen, werd de zaak groot aangepakt. In Wijk C werden twee handkarren en een trekzaag geleend en daarmee ging het naar de bossen bij Bilthoven. Stammetjes van zo’n twintig cm dik werden bij tientallen omgezaagd. Toen de zaak op de handkarren lag zakten die zowat in elkaar. Op dat moment verscheen er een man in een groen pak. Niet de Duitse “Grüne Polizei”, nee een echte Nederlandse houtvester, die de heren kwam uitleggen dat het bos particulier bezit was en dat je dat niet zomaar kon omzagen. Kortom of de heren maar weer wilden afladen. De broers, die nog hijgden van het zware werk en die de stammetjes al bij de houtvester thuis zagen liggen zijn heel dicht om de man heen gaan staan. Hij begon de zaak toen ineens beter te begrijpen en bleek bereid één keer een oogje dicht te doen.
Bij ons in de straat stonden heel mooie populieren. Op een morgen waren ze verdwenen. Omgezaagd door mensen die Bilthoven te ver vonden.

Mijn vader was ook actief in het verzet, bij de centrale inlichtingendienst. Hij was bezig in zijn vak, het aanleggen van telefoonverbindingen. Na de oorlog ben ik in de illegale telefooncentrale geweest, in een woonhuis in de Brigittenstraat verborgen achter een wegschuifbare muur. Vanuit die centrale kon je in 1944 via de door de Duitsers bezette telefooncentrale op de Neude bellen met de inlichtingendienst van het Nederlandse leger in bevrijd Zuid-Nederland. De Duitsers hebben nooit in de gaten gehad dat er tussen de miljoenen schakelingen een paar anders werkten dan ze behoorden te doen.
Een angstig moment voor mijn moeder was een zoekactie door Duitse soldaten waarbij alle huizen in onze straat werden doorzocht. Via een klein luik achter de voordeur kon je onder de huizen komen. Bij ons lagen daar allerlei belastende zaken zoals veldtelefoons en radiozenders. De Duitsers stapten in alle huizen meteen naar het bewuste luik. Van alles werd er gevonden. Onze buurman werd gearresteerd omdat hij zijn radio had verborgen, die had hij moeten inleveren.
Bij ons liet een oudere Duitse soldaat zich met moeite in het luik zakken en verdween gewapend met een zaklantaarn onder het huis. Na enige tijd kwam hij weer tevoorschijn en rapporteerde: “Nichts Besonderes Herr Hauptman”. We hebben het nooit begrepen; had hij medelijden met mijn moeder? Vond hij het als soldaat beneden zijn waardigheid vrouwen te melden?

Toch nog onverwacht kwam de bevrijding. De Canadezen reden Utrecht binnen via de Voorstraat, mensen rijen dik langs de straat om ze toe te juichen. Wij kinderen mochten meerijden op de tanks en op de gevechtswagens en we kregen kauwgom en chocola, dingen die we nog nooit gezien hadden. Mijn vader kreeg er na de oorlog al gauw de balen van. Het militair gezag deelde de lakens uit. Mijn vader vond hun mentaliteit dichter bij de mentaliteit van de Duitsers liggen dan bij de zijne en haakte teleurgesteld af. Dat de vette baantjes weer naar de mensen gingen die ze voor de oorlog ook al hadden maar die in tussentijd getoond hadden weinig visie en nog minder karakter te hebben, maakte hem ook niet enthousiaster.

Maar de gewone mensen hadden elkaar ontdekt. Straat- en buurtfeesten veroverden de stad.
Het bestuur van de straatvereniging, waar mijn vader natuurlijk meteen in zat, organiseerde een podium en een band, er werden slingers en verlichting opgehangen en dansen maar op de Amerikaanse hits die je vijf jaar niet had mogen horen.
En als er geen buurtfeest was dan werd er gevoetbald. De Cremerstraat onder leiding van mijn vader tegen de Johan de Meesterstraat op het veldje achter ons huis waar nu de ambachtsschool staat. Hoofdprijs van het stratentoernooi: een worst voor alle spelers van het winnende elftal uitgeloofd door slager Veldkamp uit de Van Koetsveldstraat.. De hele buurt liep uit om de spelers aan te moedigen.
Fantastische saamhorigheid; zo zou het natuurlijk niet blijven. Het duurde niet lang of mevrouw De Vries ontdekte dat dat mens van drie huizen verder te veel naar haar man keek en meneer Pikaar vond de buren toch eigenlijk niet helemaal van zijn stand, bovendien gingen ze naar de verkeerde kerk. Na een jaar was het over en wist je vaak niet eens de naam van nieuwe mensen die in de straat waren komen wonen.

Pa stortte zich nu op het amateurtoneel. Hij werd voorzitter van de toneelvereniging van de PTT; had altijd een hoofdrol en aan het eind van de voorstelling sprak hij iedereen toe.
De uitvoeringen waren in het NV Huis aan de Oude Gracht. Iedereen was er op zo’n avond.
De jongeren vonden het toneel maar een verplicht nummer, zij kwamen voor het bal. In de danszaal speelde na afloop van de voorstelling een band samengesteld uit leden van de PTT Harmonie.

’s Zomers ging ik met mijn vader zwemmen in het Amsterdam-Rijn kanaal. In het begin zwommen we bij de PEGUS. Toen het daar te vies werd gingen we over de draaibrug bij Douwe Egberts tot achter Oog in Al. Toen daar huizen gebouwd werden ging de grap eraf en gingen we naar de weilanden langs het kanaal op wat nu het Kanaaleiland is. We zwommen naar voorbijvarende rijnaken, klommen aan boord en voeren einden mee.

Overal gingen we op de fiets naar toe. In het begin van de vijftiger jaren verschenen de bromfietsen, maar mijn vader heeft nooit zo’n ding gehad. Wel kwam toen de eerste auto voor de deur, een Ford Taunus Favoriet, die toen wij hem kregen al 100.000 km had gelopen.
Op zijn vijftigste moest mijn Pa weer examen doen. Hij moest een rijbewijs halen; eindeloos heeft het geduurd.

En toen kwamen de jaren van overvloed. In restaurants eten, buitenlandse vakanties, televisie, bier en jenever niet meer alleen voor verjaardagen, het kon niet op.
Pa heeft het allemaal nog meegemaakt.

Voordat in de tachtiger jaren het ombuigen en inleveren begon is hij overleden.










































Kind


Mijn jeugd begint in mijn herinnering in Utrecht; ik was vijf toen we daarheen verhuisden.
Daarvoor hadden we in Deventer, in Lochem en in Hengelo gewoond. Van Deventer herinner ik me vaag iets van een reis met een gele bus in de sneeuw en van Lochem meen ik me te herinneren dat we tegenover een klooster woonden, de zusters verwenden me. Het kan trouwens ook best zijn dat ik me alleen de verhalen van mijn ouders herinner, want ik herinner me geen beelden. Ook niet van Jan Man die aan het einde van de Bergweg woonde en die stenen kabouters in zijn tuin had. En bij de verhalen over de buren die zo gierig waren dat ze met een schepnet de noten probeerden op te vissen die aan hun boom boven onze tuin hingen. Bij die verhalen kan ik me ook niet meer voorstellen dan ieder die dit leest.

In Hengelo wordt het anders. De villa waar we toen in woonden staat me duidelijk voor de geest. Later ben ik er vaak langs gereden en was erg teleurgesteld dat de villa meer een modern arbeidershuis was.
Onze buurman was een Oostenrijker, die als “fijn mechanicus” bij Stork werkte. In die tijd was er in Nederland een tekort aan hoog geschoolde vaklieden. Een industriële traditie hadden we niet en tekorten aan vaklieden werden aangevuld met buitenlanders. Volgens mijn vader verdiende de buurman ongelooflijk veel. In ieder geval verdiende hij genoeg om zich regelmatig vol te laten lopen. Als hij goed dronken was kreeg hij honger en dan ging hij naar de keuken waar hij een varkenskop bewaarde. Daar werd dan een stuk afgesneden en gebakken. Zijn vrouw was ook iets heel bijzonders; ze had als enige in de buurt geblondeerde haren!

Pas aan Utrecht worden de herinneringen echt levendig, ze stormen aan en het is moeilijk het voor die tijd typerende te scheiden van de grote massa dingen die kinderen nog steeds overkomen.
De tijd dat ik naar de “grote school” mocht was weliswaar niet ver meer weg, maar ik ging toch nog een paar maanden naar de kleuterschool die bij ons in de straat in een woonhuis was.
Locomotieven plakken van stukjes gekleurd papier en spelen in een zandbak in de tuin. We moesten ook psalmen opzeggen, want het was een Christelijk schooltje waar ik alleen naar toe mocht omdat het in de straat was en omdat openbare kleuterscholen niet dik gezaaid waren.

Toen de tijd voor de lagere school kwam, was het echter afgelopen; ik ging naar de “openbare” lagere school aan de Pieter Bothstraat. De lessen godsdienstonderwijs diende ik echter bij te wonen. Mij kon het allemaal niet zoveel schelen, ik genoot van de ijzersterke verhalen uit de bijbel waarmee door de jaren heen zoveel zielen voor het christendom zijn gewonnen. Wij liepen naar school. Vier maal per dag 20 minuten. Verkeer was er niet. Tot ver na de oorlog had niemand van onze kennissen een auto. De kolenboer had een vrachtauto, de schillenboer en de groenteboer een paard en wagen, de melkboer en de visman een handkar en de slager en de dokter kwamen op de fiets.
Er kwamen ook allerlei andere mensen aan de deur zoals de loper van het begrafenisfonds, die iedere week 5 cent kwam innen, de controleur van gas en licht, de man van het ziekenfonds, de voddenman, de peterolieman, de leurders met stofzuigers, encyclopedieën en vloerkleden, het draaiorgel, de man met de kunsten makende aap en het straatorkest, de man zonder armen die met de mond geschilderde ansichtkaarten verkocht en de kar met de borstelwerken van de blindeninrichting, de man die wekelijks de huur kwam innen en de verkopers van de strijdkreet en andere godvruchtige blaadjes. Allemaal te voet of op de fiets.

De onderwijzer echter dacht er niet over op huisbezoek te gaan. Voor zover hij überhaupt bereid was iets met ouders te bespreken, vond hij, dat ze maar bij hem moesten komen tijdens de schooluren. De kwekeling nam dan zolang de klas over.
Zo af en toe kwam de inspecteur op school. Als hij de klas binnen kwam moesten we allemaal opstaan en op een teken van de onderwijzeres riepen we dan: “Dag meneer de inspecteur”.
“Dag kinderen” zei de inspecteur dan en ging in een bank achter in de klas zitten.
Daarna kregen alleen de goede leerlingen een beurt bij het opzeggen van de tafel van twaalf of het opnoemen van alle stations die je tegen kwam als je per spoor reisde van Amsterdam naar Den Helder.

Mevrouw Van Emden en juffrouw Schinkel heetten de onderwijzeressen van de eerste en de tweede klas. De laatste was een wat zure tante die bij de gymnastiekles midden in de gymzaal met een stok op de grond stond te stampen opdat wij in de maat konden hardlopen. Mevrouw Van Emden daarentegen herinner ik me als een lieve vrouw en toen ik bij haar in de klas zat vond ik het vaak jammer dat ik aan het eind van de schooltijd naar huis moest.

Na de bezetting legde de Duitse Wehrmacht beslag op onze school en wij trokken in bij een katholieke school op het M.P. Lindoplein; vanaf die tijd hadden we nog maar halve dagen school, afwisselend ’s morgens en ’s middags en lessen in minder “nuttige” vakken als tekenen, zingen, handwerken en gymnastiek werden afgeschaft. Mijn ouders waren niet blij met de nieuwe school,; hij lag op de rand van een arme buurt met een slechte reputatie.

Ik weet niet meer hoe lang het precies geduurd heeft, maar niet zo erg lang daarna werd de school helemaal gesloten. Er waren geen steenkolen meer voor de grote kachels in de lokalen en veel onderwijzers waren onder gedoken om de arbeidsdienst te ontlopen.
Voor de kinderen een buitenkansje, altijd vakantie!
We liepen langs de spoorbaan stukken kool te zoeken die van de tender van locomotieven waren gevallen of probeerden een stuk kool te jatten als er kolen gebracht werden voor de moffen die gelegerd waren in het vroegere seinhuis aan de overkant langs de spoorbaan. Stelen van Duitsers was niet alleen toegestaan, het was zelfs een heldendaad. Niet dat we geen kinderspelletjes deden, we knikkerden, hoewel de voorraad knikkers zonder nieuwe aanvoer steeds meer slonk, we hinkelden, speelden tuutje met verlos, pik olie of dik, en we voetbalden met een oude tennisbal. Dat laatste werd door de ouders niet erg op prijs gesteld omdat er niet meer aan schoenen te komen was. Ik liep op klompen met eronder een oude autoband gespijkerd als zool. Kleren droeg je tot ze tot op de draad versleten waren en voor kinderen waren ze dus altijd te klein.

Wij woonden op één van de twee bovenhuizen die op één benedenhuis waren gebouwd.
In het brede portiek was links de deur van het benedenhuis, daar woonde Beekman. Rechts daarvan waren de twee deuren van de bovenhuizen met achter de deur een piepklein halletje en dan de trap naar boven met het touw erlangs om van boven af de deur open te kunnen trekken. De middelste deur was van ons; achter de rechtse deur woonde De Bruin.
Boven was een klein gangetje met links de trap naar boven, een kast en de WC. De laatste lag aan een buitenmuur en was dus ’s winters altijd bevroren. Meestal alleen de wateraanvoer, dan moest je met een emmer doorspoelen, maar soms ook de afvoer en dan was het pas echt erg. Na de oorlog toen de huizen weer beter verwarmd werden was het gezeur pas over.
Aan het andere einde van het gangetje was de keuken, een pijpen laatje met een granieten aanrecht en kastjes met glas in de deuren. De keuken was zo klein dat later toen de welvaart kwam er eigenlijk geen plaats was voor de ijskast. Naast het gangetje waren twee “kamers en suite” met glas in lood schuifdeuren ertussen. In de voorkamer stonden fauteuils en een salontafel. De tussendeuren gingen echter alleen op hoogtijdagen open. De voorkamer werd verwarmd met een kolenhaard, de achterkamer met een kolenkachel.
Tijdens de laatste oorlogswinter waren die allebei niet meer aan en zaten we gewoon in de kou. Op de kachel in de kamer stond een zogenaamd noodkacheltje, zo’n 30 cm “groot”, waarin de weinige brandstof die je kon bemachtigen werd opgestookt om het eten te koken.
In die tijd hadden we ook geen elektriciteit meer; maar we hadden voor Pa’s baan bij uitzondering nog wel telefoon.

Pa had een constructie bedacht waarbij twee grote accu’s werden opgeladen uit de telefoon en zo hadden we gewoon licht in huis. Natuurlijk maar 6 volt fietslampjes, maar we hoefden niet zoals veel anderen de accu vol te trappen met een fietsdynamo. De meeste mensen gingen gewoon vroeg naar bed.
Boven hadden we drie slaapkamers en een douchecel. Dat laatste was in die tijd uiterst modern maar in de oorlogsjaren werd hij natuurlijk niet gebruikt; er was nauwelijks of geen gas. Eens in de week een teiltje warm water en voor de rest waste je je maar met koud water. Het was trouwens voor de oorlog in onze kringen helemaal niet gebruikelijk iedere dag te baden. ’s Morgens waste je je hoofd, nek en handen en dat was het verder. Eénmaal in de week in het bad en dan kreeg je ook schoon ondergoed. Het heeft jaren geduurd totdat ik merkte dat ik mijn probleem met “roos” in het haar gewoon kon oplossen door iedere dag mijn haar te wassen.

Mijn ouders sliepen in de grote achterslaapkamer en ik had de kleinere maar ook koudere voorslaapkamer. Boven de keuken was nog een klein slaapkamertje dat als logeerkamer kon worden gebruikt. Toen de “Sperrzeit” al om acht uur ’s avonds begon had je nog wel eens slapers. De meeste mensen die in die tijd in onze straat woonden kan ik me nog goed herinneren. Net zoals Farla, de man van mijn moeders zuster Mien, miste Beekman allerlei stukken vinger, hij was ook bankwerker. Hij kreeg veel bezoek van een dikke man, die altijd erg aardig voor mij was: Meneer De Vries. Op een gegeven moment liep meneer De Vries ineens met een jodenster op; ik begreep daar niets van. Joden had ik gehoord kon je heel gemakkelijk herkennen aan hun grote neus. Meneer De Vries had een heel gewone neus en er was ook verder niets bijzonders aan hem te zien. Later kwam meneer De Vries niet meer, hij is vergast.

Mevrouw Beekman kwam nooit buiten. Ze kleedde zich ook niet aan en liep altijd in een peignoir. Ze riep kinderen om aspirines voor haar te kopen bij de drogist. Ze at het buisje dan in een keer leeg en dan moest meneer Beekman van zijn werk gehaald worden. Hij stotterde dan nog meer dan gewoonlijk. Ze was zo bedroefd omdat haar kinderen waren overleden zei mijn moeder.
Later heeft ze zich opgehangen. Ze was een zware vrouw en meneer Beekman was maar klein; mijn vader heeft haar los moeten snijden.

Op het andere bovenhuis woonde De Bruin. Hij was operateur in de bioscoop. Ik mocht wel eens met hem mee. In het hokje boven het balkon van de bioscoopzaal stonden geweldige projectoren met koolspitsbogen als lamp. Ik kreeg een klein krukje en door de luikjes voor de operateur kon ik fijn gratig de film zien. Hij was een wat bange man die als er iets mis kon gaan altijd de klos was. Zo was hij waarschijnlijk ook getrouwd met de bijna debiele dochter uit een rijk Utrechts tandartsengezin. Haar moeder kwam een enkele keer op bezoek om wat geld te brengen als aanvulling op het kleine operateurs weekloon, maar ze bleef nooit lang.
De Bruin was ook de enige man uit de straat die gepakt werd voor zoiets lulligs als een verstopte radio. Daarna zat hij de laatste jaren van de oorlog in Duitsland bij de Arbeits Einsatz. Hij had natuurlijk geen goede smoes en durfde ook niet weg te lopen en onder te duiken. Misschien vond hij het niet zo erg; zo gezellig was het thuis nu ook weer niet..

Onze buren op het bovenhuis in het andere portiek heetten Petersen, een onderwijzers echtpaar. Hij had het door zelfstudie gebracht tot leraar Frans aan de Rijks HBS en na de oorlog verhuisden ze vrij snel naar een veel mooier huis in Oog in Al.
Naast de lessen van meneer Kruisselbrink kreeg ik van de buurvrouw onderwijs in aardrijkskunde en geschiedenis. Ik was bevriend met hun jongste zoon Ad, die net zo serieus was als zijn ouders en die een grote liefde had voor de natuur. Met hem trok ik, hoewel ik helemaal niet kon tekenen, met potlood en papier naar het park om een merel te bespieden en te tekenen en het verschil te ontdekken tussen een huismus en een mees. We hadden een aquarium met stekelbaarsjes en dikkoppen en een terrarium met padden en salamanders.
Petersen speelde viool en Ad fluit. Mijn ouders werden ervan overtuigd dat ik ook een muziekinstrument moest leren bespelen en na de oorlog toen we geërfd hadden van de tantes moest er een piano voor mij worden gekocht.

Maar de pianolessen van vriendjes hadden mij tot de overtuiging gebracht dat pianoles niet fijn was; de accordeonist op bruiloften en partijen had meer indruk op mij gemaakt en zo werd er voor mij een 80-bas accordeon gekocht voor een voor vandaag de dag gigantische prijs. Met het instrument achter op mijn kleine fietsje gebonden toog ik éénmaal per week naar meneer Verhoeven om les te krijgen. Meneer Verhoeven speelde zelf piano, accordeon, saxofoon, gitaar en ieder ander instrument dat hij in handen kreeg. Hij schreef ieder bekend melodietje op, met prachtige akkoorden aan tafel zonder gebruik te maken van een instrument. Hij moet wel snel in de gaten gekregen hebben dat ik geen talent had. Ik deed geweldig mijn best, zag mezelf al als Johnnie Meyer, maar helaas de vorderingen waren zeer beperkt. Wat ik wel vlug opstak was de akkoordenleer en de muziektheorie en later ben ik Verhoeven er van gaan verdenken dat daar extra veel tijd aan besteed werd omdat ik het spelen toch nooit zou leren. Hoe dan ook, ik heb nooit geleerd enig instrument te bespelen, hoewel ik later nog wel eens pogingen heb gedaan met eenvoudiger instrumenten, maar van de muziektheoretische lessen heb ik erg veel plezier gehad.
Later heb ik bij Stafhorst in de Drie Haringenstraat de accordeon ingeruild voor een pick-up en platen; daar kon ik beter mee overweg.

Onder Petersen woonden de Fei’s, een oprecht Christelijk gezin, die in het besef uitverkoren te zijn nooit iets deden wat het vermelden waard is.
Wie er boven Fei naast Petersen woonde weet ik niet meer, maar daarnaast woonde Blonde Fien. Haar werkelijke naam weet ik ook niet meer. Ze was getrouwd met een beroepsofficier van de administratieve diensten die door de Duitsers toch zo gevaarlijk werd geacht dat hij werd geïnterneerd. Fien kon kennelijk niet zonder soldaten; bracht haar twee kinderen elders onder en vulde haar huis met Duitse officieren. De buurt sprak er schande van dat ze zelfs de gordijnen niet sloot als ze geheel ontkleed door blote mannen om de tafel werd nagezeten.
Wij mochten haar met toestemming van onze ouders sarren en moffenhoer naroepen, hoewel ik moet bekennen dat mij niet precies duidelijk was wat een hoer nu eigenlijk deed. Bij de bevrijding werd ook zij door een paar onbekenden kaal geknipt en met teer ingesmeerd, maar ze bleef gewoon in het zelfde huis wonen. Haar man kwam terug uit krijgsgevangenschap en op den duur werd er niet meer over gepraat.
Alle straatbewoners zijn de oorlog doorgekomen. Meneer Patist en meneer Pisa, die iedere morgen ging zwemmen en in het bestuur zat van de Zwemvereniging Zwemlust, meneer Liesker die dronk en de Pinins die uit Italië kwamen. Zij was een prachtige vrouw en hij kon volgens mijn vader niets anders dan kinderen maken en hij was te lui dat ie keek.
Toch moest ik er in de hongerwinter wel eens iets te eten brengen.
Mevrouw Luitjens met wie mijn moeder melk ging halen bij de boer en Ruts die net als mijn vader bij de PTT werkte.

Totdat de spoormannen staakten gingen we zelfs nog met vakantie naar Annie een zuster van mijn vader, getrouwd met een dahliakweker in Heiloo bij Alkmaar.
In de eerste oorlogsjaren ging ik met oom Cor bloemen langs de deur verkopen omdat de handel in knollen waar het normaal om ging, plat lag. Maar al gauw schakelde oom Cor over op groenten, aardappelen en tabak, waar betere prijzen voor werden gemaakt.
De tabaksbladeren hingen te drogen in de schuur en werden daarna gesneden tot echte Hollandse shag die goed geld opbracht. In die tijd heb ik mijn eerste pijp gerookt, stiekem gevuld met de bladeren van oom Cor. Doodziek ben ik geweest, maar het was er goed toeven. Oom Cor hield varkens en kippen en je at eieren en grote stukken vlees. Samen met de vaders hielp je bij het spitten net als Gerrit de broer van mijn vader die bij oom Cor was ondergedoken omdat hij anders naar Duitsland moest voor de Arbeits Einsatz.

Hoewel Heiloo vlak bij zee was kon je daar in die tijd niet naar toe, de weg in Egmond aan Zee was afgesloten en je kon alleen uit de verte een klein stukje water zien. Ik kon me dan ook helemaal niet voorstellen hoe de zee er uit zou zien. Het heeft tot na de oorlog geduurd voor ik voor het eerst de zee zag.

In de eerste jaren na de oorlog gingen we weer naar oom Cor met vakantie. Intussen was de tuinderij door de gemeente onteigend om er huizen op te bouwen en oom Cor had nu een groentekwekerij in Alkmaar en hoewel er door die kwekerij echte rails liepen waarop je met een karretje kon rijden, was het toch niet zo leuk als Heiloo.

De eerste vakantie na de oorlog ging niet naar Heiloo maar naar Heerlen. Daar woonde Van Tongeren een collega van mijn vader. Zij waren al eerder bevrijd en nodigden ons uit. Met zijn allen gingen we in Limburg “aren lezen” dat is het verzamelen van de aren die bij het oogsten van het graan op het veld waren achter gebleven. In een zak werd er dan gedorst. De aren in een zak en met een flink eind hout erop slaan. Her vermalen tot meel ging in de koffiemolen. We gingen ook wel wandelen. Van Tongeren was een boom van een vent die van een flinke wandeling niet terug schrok. We liepen naar de Rooie Beek en van Valkenburg naar Schin op Geul.
De kinderen in Heerlen moesten me niet. Nadat gebleken was dat ik ’s zondags niet naar de kerk ging werd ik uitgescholden voor verrekte Hollander en met stenen gegooid.
Vergeleken bij de Van Tongerens moeten wij echte boeren geweest zijn. Bij hen at ik voor het eerst asperges en aubergines; ik had er nog nooit van gehoord en mijn vader en moeder wisten ook niet wat ze met die dingen aan moesten

Intussen waren wij dus ook bevrijd. De bevrijding had zich al aangekondigd door de vliegtuigen die voedsel kwamen afwerpen bij ons op de Lage Weide over de spoordijk.
Laag kwamen de bommenwerpers over ons huis vliegen om even verder pakketten naar beneden te gooien. Bij ons voor het raam kon je het prachtig zien. Lang keken we niet, we gingen snel naar het weiland om ook wat te bemachtigen. Dat ging mooi niet door. Het weiland was afgezet door Nederlandse politie en Ambtenaren die alles mee namen om te inventariseren en een rechtvaardige verdeling te regelen. Dagen later waren ze daar nog mee bezig en bleven mensen honger lijden. Ik hoorde later van mijn vader dat het de bedoeling van de geallieerden was geweest deze noodhulp ter plaatse te verdelen om onmiddellijk de ergste honger te stillen. Maar Nederlanders denken daar anders over; er moest eerst voor worden gezorgd dat niemand te veel krijgt ook al bleek dat er naderhand niet veel meer viel te verdelen omdat veel op onnaspeurlijke wijze was verdwenen.

Vrij snel daarna waren de Canadezen er trouwens. Door de Bildstraat en de Voorstraat trokken ze Utrecht binnen. Vrolijk lachende mannen met Jeeps, gevechtswagens en tanks waarop wij kinderen en vooral de meisjes mochten meerijden.
Het was een heel ander soort soldaat dan de strenge, gedisciplineerde Duitser die we gewend waren. Later kwamen er treinen vol Canadezen voorbij op weg naar Rotterdam waar ze scheep gingen naar huis. Wij stonden langs de spoorbaan om ze toe te wuiven, niet zozeer om ze goedendag te zeggen, maar meer in de hoop dat ze kauwgum en chocola uit het raam naar ons zouden gooien.


































HOOFDSTUK 5



De middelbare school




In mei 1946 deed ik toelatingsexamen voor de Rijks Hogere Burger School aan de Kruisstraat. De school was door mijn vader gekozen. Het gymnasium kwam niet in aanmerking omdat de opleiding een jaar langer duurde, terwijl aan het diploma nauwelijks meer rechten verbonden waren. Ik moest zo snel mogelijk ingenieur worden. De Rijks werd uitgekozen omdat Pa dacht dat als we weer zouden moeten verhuizen het programma beter zou aansluiten dan dat van gemeentescholen.

Bijzondere scholen kwamen om principiële redenen niet in aanmerking. De enige particuliere H.B.S. die Utrecht rijk was, de Munnik, was in Pa’s ogen alleen voor kinderen van rijke lui die te dom waren om op een gewone school een diploma te kunnen halen. Later bleek dat de overgrote meerderheid van de ouders van mijn medescholieren zelf geen middelbaar onderwijs hadden genoten; ouders die middelbaar of hoger onderwijs hadden genoten deden hun kinderen op het gym.
De Rijks had in die tijd 4 parallel klassen, hetgeen betekende dat de school zo’n 500 leerlingen telde. Naast de leraren bestond personeel uit een secretaresse, een amanuensis, een conciërge en een stoker/werkman. Eén van de leraren Frans, was directeur en goeddeels vrijgesteld van het geven van onderwijs. Hij heette De Liefde, bijgenaamd de Baas, een bijnaam waar hij trots op was. Als ’s morgens na de bel de leerlingen het gebouw binnenstroomden stond hij boven aan de trap om briefjes van ouders, meestal ter bevestiging van verzuim door ziekte, in ontvangst te nemen. Die positie was ook zeer geschikt om lawaaierig of anderszins incorrect gedrag op te merken en te corrigeren.
Hij kende alle leerlingen bij naam, riep je met luide stem tot orde en was gevreesd. Hij zag zichzelf als streng maar rechtvaardigen en hij duldde, ook van de leraren, geen tegenspraak.

In die jaren werd er op de middelbare school hard gewerkt. In mijn herinnering hebben de meeste van mijn klasgenoten uit de eerste klas de eindstreep gehaald, hoewel de eisen niet gering waren. Van maandag tot vrijdag hadden we school van kwart voor negen tot kwart voor een en op zaterdagmorgen van kwart voor negen tot vijf over twaalf. Op maandag-, woensdag- en vrijdagmiddag hadden we bovendien les van twee tot vier. In de middagpauze fietste je heen en weer naar huis voor de middagboterham bij je moeder; voor mij een fietstocht van twee keer vijf en twintig minuten.
Na thuiskomst ’s middags een kopje thee en daarna meteen naar boven om voor het avondeten het schriftelijke huiswerk zoals de wiskunde te maken. Na het avondeten verder met de andere vakken tot een uur of tien, een kleine avondwandeling met de vrienden en daarna naar bed.
De vrije middagen waren voor het voorbereiden van de eeuwige repetities. Omdat ik niet naar de kerk hoefde werd het huiswerk voor maandag op zondagmorgen gemaakt zodat ik in het algemeen zaterdag en zondag zowel ’s middags als ’s avonds vrij was. Alles bij elkaar een 70 uur werkweek; ik heb in mijn leven ook nooit meer zo hard hoeven te werken als in de HBS jaren. Niet dat er geen tijd zou zijn voor een geintje.We zetten in het Natte Hist lokaal het skelet achter de deur om iedereen een hand te geven; deden de proeven op het scheikunde practicum zo, dat er zich een geweldige stank ontwikkelde die door de hele school te ruiken was en we verwisselden in de garderobe de altijd erg op elkaar lijkende jassen en hoeden van de leraren.

De leraren hadden allen een bijnaam. Het Rund was een man van meer den tweehonderd pond, die wiskunde gaf. Hij had de reputatie erg geleerd te zijn omdat hij ook in de hoogste klassen kosmografie gaf waarbij je leerde de zwaartekracht op aarde en de banen van de hemellichamen uit te rekenen.

De gymnastiekleraar heette De Rooie. Hij zat voor de communistische partij in de gemeenteraad. Ouders hebben geprobeerd zijn ontslag te bewerkstelligen. De Baas wilde er niet aan. Op ’s mans lessen viel niets aan te merken en als democraat moest je een voorbeeld geven en niet zelf je toevlucht nemen tot ondemocratische methodes. Volgens ons stelden zijn lessen niet veel voor. ’s Zomers was het altijd korfbal op de binnenplaats, een meidenspel volgens ons.

Hoewel we gemengde klassen hadden kregen de meisjes afzonderlijk gymles. Ik weet niet meer hoe dat geregeld werd.
’s Winters hadden we les binnen: ringen, wandrek, brug en rekstok. Aan de rekstok was ik al gauw “voorwerker”, ik woog toen maar net 100 pond en dat gewicht viel betrekkelijk gemakkelijk in borstwaarts om of in de kniedraai bovenop de rekstok te trekken. De Rooie deed zelf nooit iets voor, daarvoor was hij volgens ons te lui en te dik De enige echt leuke les was de laatste gymles voor de vakantie: Apekooi, alle toestellen uit en krijgertje spelen zonder de grond te raken.

Vanaf het tweede jaar kregen we ook natuurkunde van Brunner. Hij woonde in Zeist, kwam met de groene tram naar Utrecht. Tussen de middag moest hij dus overblijven. Hij at zijn boterhammetje met een glas chocolademelk dat hij warmde op een Bunsenbrander en roerde met een thermometer zodat hij tot op de graad Celsius nauwkeurig kon vaststellen wanneer de chocolademelk de door hem gewenste consumptie temperatuur had. De grappen die de les moesten verlevendigen waren in de kantlijn van het boek geschreven en werden jaar na jaar herhaald. Iedere jaargang heeft bij het hoofdstuk uitzetting moeten uitrekenen hoeveel procent tramrails hij ’s zomers meer dan ’s winters aflegde voor hetzelfde geld.

Vanaf de derde klas kregen we scheikunde, van Zuideweg, een vriendelijk wat zenuwachtig mannetje, niet onaardig maar pietluttig. ’s Zijns ondanks ben ik later scheikunde gaan studeren. In het scheikundeboek stond een foto van de olieraffinaderij van Shell op Curaçao.
Leven en werk in die omstandigheden sprak tot mijn verbeelding, het leek me avontuurlijk en belangrijk. Bij de Shell ben ik inderdaad terecht gekomen; in een 25 jarige carrière heb ik de hele wereld afgereisd, alleen op één plaats ben ik nooit geweest: Curaçao.

Na de derde klas kon je kiezen tussen HBS-A en HBS-B, de eerste was zonder wis-, natuur- en scheikunde. Omdat je A deed als de B niet kon stond de A opleiding en het diploma niet in hoog aanzien.

We hadden ook les in kunstgeschiedenis en in muziek. Mijn familie kende de Nederlandse schilders alleen van de straatnamen en de belangstelling voor muziek hield op bij “O SOLE MIO”. De muzieklessen werden gegeven door onze buurman, leraar Frans. Tijdens zijn lessen heb ik voor het eerst opnamen gehoord van de Brandenburgse Concerten. De thema’s speelde hij voor op de viool. Niemand vond er iets aan, wij hielden toen van Jazz. Toch was het wel stil tijdens de les en iedereen ging mee naar de jeugdconcerten van het USO met inleidingen van de dirigent.

Kunstgeschiedenis werd gegeven door een leraar Nederlands.
We begonnen bij de grottentekeningen en eindigden bij Piet Mondriaan. In de tussentijd hadden we de ontwikkeling van het kruisgewelf uit het tongewelf bestudeerd; hadden ons bezig gehouden met de verschijningsvormen van de renaissance in de verschillende kunsten en hadden samenhangen ontdekt tussen de politieke, de economische, de sociale en de kunstgeschiedenis
Erg veel tijd ging er zitten in de talen, Nederlands, Engels en Frans en van de tweede klas af ook Duits. Het uit je hoofd leren van rijtjes onregelmatige meervouden vond ik niet boeiend.
Later toen we begonnen te lezen werd het anders. Ik zie mezelf nog steeds over de Andes vliegen toen we “VOL DE NUIT” van Antoine d’Exupery in de klas lazen.
Ik las erg veel. In de eerste klas nog de indianenboeken van Karl May en de detective romans van Wallace, maar daarna al snel de “Schaapherder” en “Het Slot Loevestein” vanwaar de stap naar “Ferdinand Huyck”, “De Camera Obscura”, “Mereintje Gijze” en “Max Havelaar” niet zo erg groot meer was. Ik moet een tamelijk eenzaam kind geweest zijn, erg veel vrienden had ik niet en ik deed ook niet of nauwelijks aan sport. Mijn schaarse vrije tijd bracht ik goeddeels lezend door.
In de eerste klas was ik nog lid van de AJC, de Arbeiders Jeugd Centrale. Andere kinderen gingen naar de Padvinderij. Mijn vader vond de Padvinderij te militaristisch en het scheiden van jongens en meisjes zoals dat daar gebruikelijk was vond hij ongezond. Inderdaad heb ik in de kampen op de Paasheuvel oudere jongens en meisjes in het stro van de tent ongegeneerd zien vrijen en tijdens de nachtwandelingen ontstonden veel puberliefdes.

Op 1 mei gingen we naar Amsterdam om de dag van de arbeid te vieren. We logeerden bij leiders en partijleden, ik op de Keizersgracht. Met zijn allen wandelden we naar de Westertoren en de Jordaan. We marcheerden ook met trommels voorop; ik mocht al gauw trommelen, prachtig was dat. Ook zonder trommels wandelden we veel.

Op een middag tegen de avond toen het al wat donker werd liepen we met een groep kinderen op weg naar huis over de brug over het kanaal bij Oog in Al. Zoals gezegd was er bijna geen verkeer. Maar de ene auto die er wel was schepte me met een hersenschudding en een gebroken been het ziekenhuis in. Dat gebroken been bleek erger dan we eerst dachten. Ik ben een half jaar niet naar school geweest. Toen eindelijk het gips eraf ging kwam er een dun stijf beentje te voorschijn. Mijn vader heeft toen een fiets met een freewheel voor me gekocht en op die fiets op de staander in de gang hebben we het been langzaam weer gebogen. Als ik er aan denk voel ik de pijn nu nog.

Op de AJC zaten geen HBS kinderen, ze kwamen van de ULO, de Huishoudschool en de Ambachtsschool en ze woonden in een andere wijk. Na de eerste klas had ik er geen zin meer in; niet zolang daarna is de AJC trouwens opgeheven.
Aan het einde van de tweede klas kwam ik voor het eerst in het buitenland. Met een uitwisselingsprogramma een week naar Engeland. Met de nachtboot van Rotterdam naar Londen, de stad bezichtigen, overnachten op de slaapzaal van een soort jeugdherberg en daarna door met de trein naar Cardiff waar we waren ondergebracht. De vader van het gezin waar ik was ondergebracht had een auto, een Ford Anglia. Ook mocht ook een keer achter het stuur, wat ik geweldig vond. Wij hadden geen auto. In die tijd, 1948, hadden nog erg weinig Nederlandse gezinnen een auto. Ik was dan ook zeer verbaasd toen ik hoorde dat de moeder die iedere morgen met de auto wegreed dan naar haar mevrouw ging, ze was werkster.

Als je in Nederland een auto had dan was je geen werkster, je hád een werkster.
Het jaar daarop moesten wij hen ontvangen. De verbazing van mijn moeder, die van onze gast had uitgevonden dat Engelse jongens naar school geen dunne sandwiches meenamen, maar dikke dubbele boterhammen met kaas, is het enige dat me van dit bezoek is bijgebleven.

Vanaf de derde klas ging ik met de school op zomerkamp, zeilen op de Loosdrechtse plassen. Direct na de oorlog was ik ook al eens een week in Loosdrecht geweest toen mijn vader in het kader van “lief zijn voor oud illegalen” een week gratis verblijf in een vakantiebungalow van Ottenhome was aangeboden. Ik heb toen al een grote liefde voor de Hollandse plassen opgevat en zodra ik het kon betalen ben ik aan die plassen gaan wonen.
Met de school namen we onze intrek in Simmerwille bij Poortinga, een in Loosdrecht verdwaalde Fries. Dat waren fantastische vakanties. De school vulde bijna de gehele kampeerboerderij zodat er nauwelijks andere gasten waren. Poort kon dus al zijn aandacht aan ons besteden en hij had er slag van met zo’n stel kinderen om te gaan en het verblijf voor ons plezierig te maken. We sliepen op stapelbedden in een omgebouwde hooiberg; moesten ons wassen onder de pomp en helpen met klaar maken van de geweldige hoeveelheden voedsel die we opaten.
’s Avonds was er feest, de stoelen gingen aan de kant, er werd gedanst en we deden polonaise onder leiding van Poort, die op een harmonica speelde. Hij zette twee stoelen met de ruggen tegen elkaar, daar moest de stoet overheen en als het jouw beurt was om op de stoel te staan dan moest het meisje gekust worden. “De kans van je leven” riep Poort dan.
Poort was een rare kerel. Hij waste zich niet iedere dag en zeker niet op de morgens die volgden op de avonden waarop hij nadat de kinderen naar bed waren, op het kantoor een half flesje Bokma tot zich had genomen. Later ben ik nog wel eens in de vakantie bij Poort gaan werken als onbetaald botenknecht met vrije kost en inwoning en vrij zeilen als er geen werk meer was. Dat laatste deed zich trouwens nooit voor. Er kwam nog wel eens post voor gasten die al weer naar huis waren. De standaard kreet was dan: “Leg het maar bij Poort op het kantoor dan raakt het wel weg”.

Tijdens de eerste vakantie hadden een broer en een zus uit een parallelklas een pick-up met platen bij zich. Bill Haley and the Comets, ik had er nog nooit van gehoord. Ik denk dat de kleren die mijn moeder voor mij kocht ook wel niet erg “trendy” zullen zijn geweest.
In die vakanties kwam ik in tegenstelling tot andere kinderen niet onder het toeziend oog van mijn ouders uit omdat zij zich onmiddellijk hadden aangemeld toen er vanuit de school gevraagd werd naar ouders die wilden helpen met de leiding.
Ondanks mijn tegenstribbelen waren ze ieder jaar van de partij. Omstreeks die tijd moet ik ook het gevoel gekregen hebben dat ik ondanks alle goede bedoelingen te veel op mijn huid gezeten werd en ik ontwikkelde een onverschilligheid als afweer. Mijn vader en moeder wekten in steeds grotere mate mijn irritatie op; dat ik ze in de loop van de middelbare school qua kennis boven het hoofd groeide hielp natuurlijk ook niet. Het is nooit weer helemaal goed gekomen.

In het kamp werd de leiding met roep/bijnamen aangesproken. Voor mijn moeder was dat een neutraal, kleurloos Riek, haar voornaam, voor mijn vader werd het Paljas. Ik weet niet meer wat de kinderen er toe bracht juist die naam te geven. Ik was er niet blij mee en ik haat de gedachte dat ik zo op hem zou lijken dat mij in die omstandigheden hetzelfde zou overkomen.

Eén van prettigste herinneringen aan de middelbare schooltijd is de herinnering aan Cissy. Zij was mijn eerste echte liefde. Samen fietsten we naar school, zwommen in het kanaal en gingen naar de schoolfeesten. Ze woonde in een eengezinswoning in één van de twee straten die van de Carthesiusweg direct ten noorden van de spoorlijn naar Den Haag, naar het kanaal liepen. Het is me toen nooit opgevallen, maar toen ik er twintig jaar later nog eens langs reed vond ik die huisjes eigenlijk wel erg klein. Haar vader was beroepsofficier in Nederlands-Indië en daar tijdens de oorlog gesneuveld. Zijn Indische vrouw was na de oorlog naar Nederland gekomen waar ze zichzelf en de twee dochters moest onderhouden van een klein pensioentje.
Samen met vrienden werden we vaak uitgenodigd voor het eten. Rijst met sajoer koening en sateh babi, heel pedis. Ik was opgegroeid met aardappelen, vlees en groenten; ik genoot van dit onbekende eten. Ik genoot ook van de sfeer in huis, alles mocht en niemand maakte zich kwaad over kleinigheden. Urenlang namen Cissy en ik ’s avonds afscheid in de gang waar we elkaars lichaam verkenden. Cissy heeft mij geleerd hoe een vrouwenlijf precies in elkaar zit. Maar toen ze op een gegeven moment zei dat het nu wel kon vond ik dat toch te griezelig en hield de boot af; ik vond het strelen al fijn genoeg. Toen op een gegeven moment haar moeder in de gaten kreeg wat er in de gang precies gebeurde, bleek dat toch niet alles mocht. Al dan niet in opdracht kreeg ik de bons en mocht er niet meer thuis komen.
Ik was erg gekwetst en verongelijkt maar ik heb toch nog veel jaren zo af en toe eens naar haar portret gekeken en ik vind het nu nog steeds jammer dat haar foto tijdens een van mijn vele verhuizingen is weggeraakt. Ze is vrij snel daarna getrouwd met haar buurjongen, een veel oudere Indische jongen die piloot was op de Gloster Meteor straaljagers van die tijd.
Ik ben Cissy uit het oog verloren, ze kreeg vrij snel kinderen, die moeten al groot geweest zijn toen ik afstudeerde. Ik word nu nog een beetje warm van binnen nu ik over haar schrijf.
Ze is denk ik ook mijn eerste echte kameraad geweest en ik herinner me dat mijn cijferlijst bij de overgang naar de vijfde klas niet was wat hij zonder dit gedwongen afscheid zou zijn geweest.
Tijdens de latere jaren had ik wel een groepje van niet zo erg vaste vrienden uit de buurt waarmee ik ’s avonds een straatje omliep om een kleine pauze te hebben in het huiswerk maken, wat frisse lucht op te doen en om onze visie op de problemen van de school uit te wisselen. Wim zat bij mij op school, eerst een klas hoger, later één lager omdat hij alsmaar bleef zitten, Gerard en Gijs, twee broers die op het Christelijk Gym zaten en nog een Gerard die via het Uitgebreid Lager Onderwijs en het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs op weg was naar het Hoger Beroeps Onderwijs, omdat de meester van de Lagere School zijn moeder had uitgelegd dat Gerard niet slim genoeg was voor HBS of GYM.

De zondagavond luisterden we ook wel gezamenlijk naar de radio, naar Paul Vlaanderen een detective hoorspel in een oneindig aantal afleveringen zo spannend dat de rillingen je over de rug liepen en als de tijd het toeliet naar de Bonte Dinsdagavondtrein waarin sterren als Juffrouw Snip en Juffrouw Snap optraden met René Sleeswijks revue. Soms deden we ook hersengymnastiek in navolging van een radioprogramma van Jan van Ees en Jan van Herpen, waarbij je vragen moest beantwoorden als: “Aan welke rivier ligt Parijs?” We zaten dan in de huiskamer rond de grote tafel onder de lampenkap met franje. Mijn moeder schonk chocolademelk en mijn vader stelde de vragen, hield de stand bij en deed net of hij zelf alle antwoorden wist die hij achter in het boekje vond.

Eén keer per jaar was er ook het schoolfeest. Het werd gehouden in het gebouw Tivoli, een zalencomplex dat naast de school in de Kruisstraat was gelegen.
Het feest bestond uit de traditionele toneelavond met bal na voor de kinderen van de drie hoogste klassen en hun ouders. De twee laagste en de drie hoogste klassen voerden een toneelstuk op Vanaf de eerste klas moest ik altijd meespelen. Eerst in “De Gouden Pantoffel, later in de “Ingebeelde Zieke”. Achteraf geloof ik dat ik er ondanks de bewondering van iedereen niet veel aanvond. Ik zat liever stilletjes en onopvallend in de zaal handje te vrijen met Cissy. Het hoogtepunt van de avond was het bal. In die tijd kon een school zich nog veroorloven uit de kaartverkoop een goed orkest te huren. We hadden de “Dutch Swing College Band”, de “Dixilandpipers” en “Willie Langestraat”. De meisjes droegen een avondjurk tot op de grond en de jongens waren in “plus fours”. We dronken limonadegazeuse, alcoholhoudende dranken werden op last van De Baas aan scholieren, ongeacht de leeftijd, niet verstrekt. Je swingde je in het zweet tot vijf minuten voor twee want dan speelde de band het Wilhelmus en daarna was het feest afgelopen. Je jas halen aan de garderobe en in je avondjurk op de fiets in de regen naar huis,

In mei 1951 begon het eindexamen. We deden examen in 13 vakken: Aardrijkskunde, Geschiedenis, Natuurlijke Historie, de B-vakken Algebra, Stereometrie, Beschrijvende Meetkunde, Goniometrie, Natuurkunde en Scheikunde en de talen Nederlands, Frans, Engels en Duits. Voor de eerste drie vakken kon je een examenvrijstelling krijgen als je op de schoolrapporten in de hoogste klas gemiddeld een zeven had of meer. Als je voor de B-vakken op het schriftelijk examen een zeven of meer had hoefde je geen mondeling te doen; voor de talen deed je zowel schriftelijk als mondeling examen. Het schriftelijk examen duurde een week, het mondeling van twee dagen tot een week afhankelijk van het aantal vrijstellingen dat je had weten te halen.
Toen ik slaagde was ik nog geen 17. Ik was blij dat ik er af was en ik ben nooit naar Reünies en andere sentimentele bijeenkomsten geweest. Ik vond de HBS-tijd een rot tijd, ik was altijd en overal de jongste en zelfs op de niet zo chique ”Rijks”, was mijn milieu wat gênant. Ondanks het feit dat ik altijd het juiste antwoord wist, kwam niemand mijn sommen overschrijven en ik heb op die school geen echte vriend gehad. Nuttig was het wel.



























HOOFDSTUK 6



Student


In de tijd waarover ik spreek studeerde je alleen bij het hoger onderwijs, universiteit en hogeschool. Bij alle andere vormen van onderwijs ging je naar school. Het verschil zou zitten in de mate van zelfstandigheid die je genoot. Op school werd de stof voorgekauwd, bij het hoger onderwijs kon je begeleid worden als je daar prijs op stelde, het was geenszins verplicht. In de praktijk was vooral voor de technische vakken enige controle toch wel nodig in verband met de beperkte beschikbaarheid van de apparatuur. Desalniettemin, de overgang van de strakke controle op de middelbare school naar de grote mate van vrijheid tijdens de universitaire studie maakte in het eerste en tweede studiejaar veel slachtoffers: in het bijzonder ouders die de studie van hun kinderen niet eindeloos konden financieren zagen de studie van hun kinderen voortijdig beëindigd.

Ook ik studeerde van een kleine beurs. Daarom was mijn vader van mening dat de lang uitgestelde verhuizing naar Den Haag, waar hij intussen werkte, nu maar eens moest plaatsvinden, dan hoefde hij niet meer heen en weer te reizen en ik kon in Delft gaan studeren zonder dat ik op kamers hoefde. Student op kamers was te duur en Delft was beter dan de universiteit omdat de studie een jaar korter was terwijl een ingenieur niet minder aanzien genoot dan een doctorandus. Mijn moeder heeft het tegengehouden. Ze vertikte het naar Den Haag te verhuizen, ze kende er niemand en in Utrecht woonde alle familie.
Pa reisde dagelijks naar Den Haag, in die tijd nog zes dagen per week, en dat hij dagelijks vier uur op weg was kon mijn moeder blijkbaar niet veel schelen.
Voor mij betekende het dat ik in Utrecht moest studeren. Er is toen nog even sprake van geweest dat ik dan maar arts moest worden, een beroep dat veel aanzien genoot. De gedachte aan het behandelen van zweren deed mij griezelen en ik hield die boot af. Ten onrechte geloof ik achteraf, ik zou het best leuk gevonden hebben huisarts te zijn. Geen punt van overweging was de mogelijkheid een baan of een praktijk te vinden. In die tijd gold het als vanzelfsprekend dat er behoefte bestond aan mensen die een wetenschappelijke vorming hadden. Rechten was een uitzondering. Als je niet briljant was kon je niet zonder een goede kruiwagen. Een andere uitzondering was sociologie, het vak werd door ons als onwetenschappelijk beschouwd, de studenten sociologie waren kletsmajoors die op school niet hadden kunnen meekomen met de wis- en natuurkunde.
In september 1951 liet ik mij in Utrecht op het Domplein inschrijven als student aan de Rijks Universiteit in de filosofische faculteit met het voornemen mij voor te bereiden op de kandidaatsexamen in de scheikunde. Het collegegeld bedroeg 350 gulden hetgeen zo ongeveer gelijk moet zijn geweest aan twee maanden minimum loon.
Ik kreeg een soort spoorboekje waarin stond welke hoogleraren , op welke tijd en waar het voornemen hadden college te geven en voor welke studierichtingen colleges van belang waren in verband met de tentamens die moesten worden afgelegd.
De colleges werden gegeven in de instituten en laboratoria en zo fietste je op je oude fiets in verplicht vette regenjas van het ene eind van de stad naar het andere.
Van analytische chemie waarvan het lab op terrein van veeartsenijkunde aan het einde van de Bildtstraat was naar natuurkunde op het Ledig Erf; van organische chemie aan de Croessestraat naar biologie aan de Lange Nieuwestraat en van anorganische scheikunde op de Catharijnesingel naar mineralogie op de Kromme Nieuwe Gracht. Bij binnenkomst in de collegezaal werd de inschrijvingskaart gecontroleerd omdat er lieden waren die meenden goedkoper dan anderen te kunnen studeren.
Na een paar maanden had je al in de gaten dat veel van die colleges de moeite van het bijwonen echt niet waard waren. Veel hoogleraren vonden het college geven ronduit vervelend en maakten er niets van. Bij mineralogie, een tweedejaars college, ging dat zo ver dat er na drie weken nog één student aanwezig was om de wijze woorden van professor aan te horen, waarop de bewuste hoogleraar de student aanbood hem het professorale boek uit te lenen mits de student ermee instemde dat er niet alleen voor hem college gegeven werd. De student die het hoge cijfer op het mondeling tentamen al voor zich zag stemde daar natuurlijk mee in zodat er dat jaar verder geen college gegeven werd.

Bijvoet die thermodynamica, röntgenanalyse en atoomfisica gaf, heeft geschiedenis gemaakt met de volgende opmerkingen:
Student: “Professor, wat u links bovenaan op het bord hebt geschreven kan ik niet goed lezen.”
Professor: “Dat is ook de bedoeling want het is geloof ik niet helemaal goed.”
En deze:
Professor: “Heren, (meisjes hadden geen belangstelling voor dit soort vakken), heren, wie stelt er eens een slimme vraag?”
Geen reactie.
Professor: “Wie stelt er dan eens een domme vraag?”
Geen reactie.
Professor: “Ik zal het u makkelijk maken, wie stelt er eens een vraag?”
Student, die kennelijk de stilte niet langer kan verdragen stelt vraag:
“Professor, jammer dat u die vraag daarnet niet gesteld hebt, want dit is typisch een heel domme vraag.
Sommige hooggeleerde heren vonden het gênant dat er niemand op hun colleges kwam, ze deden er iets aan. Niet de colleges verbeteren, maar presentielijsten laten bijhouden. Zonder voldoende handtekeningen op de presentielijsten was het zinloos tentamen te gaan doen omdat dan toch bleek dat de kennis onvoldoende was. En op zo’n college in de analytische chemie waar het normaal tamelijk luidruchtig was, kon het gebeuren dat de hooggeleerde aankondigde dat er in de demonstratie een sissen viel te beluisteren. In de onverwachte stilte die volgde op zijn aankondiging klonk het luid van een van de achterste banken “vier schoppen”.

Op zaterdagmorgen hadden we colloquia in de organische chemie bij Kögl. De presentielijst ging rond voor de pauze. Na de pauze was het merendeel der studenten verdwenen. De pauze is toen afgeschaft.

’s Middags was er practicum. Voor chemici in het eerste jaar een middag in de week natuurkunde, een middag plantkunde en de rest analytische chemie, werken voor het A tentamen dat na drie maanden kon worden afgelegd. De stof was in wezen de scheikunde van de middelbare school, maar de vraagstelling was veel moeilijker.
Het A tentamen was voor chemici de grote zeef; sommigen hadden het tentamen een jaar later nog niet gehaald en aangezien je niet verder kon als je dat tentamen niet had, gaven velen dan maar op of zwaaiden om naar een andere studierichting.
Was je geslaagd dan kon je door naar de B-zaal waar je je bezig hield met de kwalitatieve analyse. Een assistent gooide vier of vijf stofjes door elkaar en jij moest dan met een systeem uit de negentiende eeuw uitvinden wat er in het mengsel zat. Als je resultaat beoordeeld werd met twee teveel en een te weinig, betekende dat, dat je twee bestanddelen had gevonden die er niet in zaten en één niet gevonden die er wel in zat. Officieel was voor dit onderdeel van de studie zes maanden uitgetrokken. Je was geslaagd als je drie foutloze analyses na elkaar had gemaakt. In de praktijk deden sommige studenten er twee jaar over voor ze deze baarlijke nonsens tot een goed eind konden brengen. “Eerlijk duurt het langst” was het motto van dit onderdeel van de studie.

Het natuurkunde practicum blonk uit door het gebruik van eenvoudige middelen. Wij verdiepten ons in het verschijnsel van de hysterese door kogeltjes aan een elastiekje te hangen en dan vast te stellen dat het elastiekje nadat de gewichtjes waren verwijderd niet onmiddellijk zijn oorspronkelijke lengte terug kreeg.

Mijn herinnering aan het fysisch practicum is vooral de herinnering aan Lidy Reijntjes. Je werkte met z’n tweeën en ik werkte met haar. Ze was een van de weinige meisjes, studeerde farmacie en kwam van het Christelijk Gymnasium. Haar tanden moesten gereguleerd en daarom was ze niet echt mooi maar het was een frisse meid, aardig om te zien, goed figuur en een heel hoog iekukeleku; helaas hoefde ik haar dus nooit iets uit te leggen.
Ik weet niet meer welk lot ons samen bracht maar op plantkunde zat ze ook naast me en hielp mij met een scheermes de dunne plakjes stengel af te snijden waarin je onder een microscoop celvorming moest herkennen waarna je ze moest tekenen in een schetsboek. Haar tekeningen waren veel beter dan de mijne. Bovendien speelde ze ook nog cello, een instrument dat ik nog nooit van dichtbij had gezien. In haar ouderlijk huis aan het chique Wilhelminapark ben ik voor zover ik me kan herinneren slechts eenmaal geweest. Bij mij thuis kwam ze veel vaker en op mijn kamer stoeiden en kusten we. Zij stopte dan een heel klein puntje van haar tong in mijn mond; dat was typisch voor onze verhouding. Als ik probeerde eens flink onder haar trui te pakken dan werd ik snel terecht gewezen. Toen ik later hoorde dat ze met een ouderejaars was uitgeweest die overal trots rond vertelde dat hij haar uit haar bh had gepraat, voelde ik me geflest en had ik geen zin meer in Lidy.

De wetenschappelijke begeleiding werd vrijwel geheel uitgevoerd door studenten. De hoogleraar zag je uit de verte als je naar college ging; op de practica waar je het grootste deel van je tijd sleet, kwamen ze nooit. Als chemicus kon je al in je tweede jaar co-assistent worden, belast met hulp bij en controle op de uitvoering van analyses door medische studenten. De dames en heren moesten onder andere pis koken met Fehlings reagens A en B, een tamelijk ingewikkelde geschiedenis waarmee je moest vaststellen of er suiker in de urine zat. Ook daar waren onze methodes uit de tijd. Zodra ze zich na afloop van de studie gevestigd hadden kwam de bekende “artsen bezoeker” van één van de grote farmaceutische fabrieken zijn goocheldozen verkopen waarin voor alle reacties een papiertje zat. Als u dit papiertje in de urine houdt en het wordt rood, dan is de patiënt gezond, wordt het papiertje blauw dan heeft hij suikerziekte.
Wij vonden het best. Als co-assistent kreeg je vierhonderd gulden voor iets dat neerkwam op twee volledige werkweken per jaar in een tijd dat een arbeider dertig gulden per week verdiende. Als je na je kandidaats assistent kon worden op de “voor” kandidaats practica voor vakgenoten dan was je kostje helemaal gekocht. Ik werd assistent voor de niet-chemici, chef van de co-assistenten waar ik net over sprak. Ik moest een inleidend college geven voor de practica en was verantwoordelijk voor de wetenschappelijke begeleiding van de studenten. Voor de praktische organisatie, materialen, administratie e.d. zorgden ambtenaren in vaste dienst. Voor mijn job die begroot was op een halve dagtaak en die beslist ook niet meer tijd kostte, kreeg ik tweehonderd gulden per maand schoon, een vermogen. Spoedig reed ik op een zo goed als nieuwe motorfiets; de vette jaren waren begonnen.

Om tot het kandidaatsexamen toegelaten te worden moest je met goed gevolg dertien tentamens afgelegd hebben. Toen ik bezig was de laatste voor te bereiden las ik in het universitaire krantje dat de professor in kwestie voor drie maanden naar Amerika ging en dat er in die periode geen tentamens afgenomen konden worden. Een ramp; drie maanden uitstel van examen. Onmiddellijk schreef ik de professor een brief met het verzoek het tentamen voor zijn vertrek te mogen afleggen. Dat kon. Ik werd uitgenodigd het tentamen te komen afleggen te zijnen huize op 11 juli, mijn verjaardag, des ’s avonds om elf uur.
Hoewel tentamen aan huis vroeger gewoon was, was het in mijn tijd al tamelijk ongebruikelijk en ik heb nog geaarzeld of ik me in jacquet moest hullen. Er deed een verhaal de ronde over de socialistische student die het nodig vond in een vergelijkbaar geval in ribfluweel, destijds het uniform van “links” , naar tentamen te gaan. Toen hij de werkkamer van de hoogleraar binnen kwam begon deze te vragen zonder hem een stoel aan te bieden.
Toen hij dan maar ongevraagd wilde gaan zitten werd hij door de hooggeleerde tegen gehouden, die zich vervolgens de kamer uit spoedde, terugkeerde met een oude krant, die op een stoel uitspreidde en zei: “Meneer gaat u zitten”.

Als je voor alle tentamens een zeven of meer had gehaald stelde het wettelijk verplichtte examen niets meer voor.
Mijn kandidaats- en doctoraal examen heb ik gehaald door drie kwartier in de gang van het Universiteitsgebouw te lopen. Je melde je bij de pedel, een soort administrateur, die de voorzitter van de faculteit meedeelde dat je aanwezig was. Was je aan de beurt dan vroeg de voorzitter de aanwezige hoogleraren of er iemand de kandidaat vragen wilde stellen.. Dat bleek nooit het geval en zo konden in die drie kwartier makkelijk vijftien kandidaten slagen.
Heb ik in het vorige hoofdstuk min of meer de loftrompet gestoken over de HBS direct na de oorlog, het oordeel over de filosofische faculteit van de RU te Utrecht moet negatief uitvallen en ik heb redenen aan te nemen dat het in de rest van het land niet veel beter was. De professoren stelden in wetenschappelijk opzicht weinig voor; waren didactisch niet begaafd of niet geïnteresseerd, forceerden de studenten in programma’s die al tot de geschiedenis behoorden op het moment dat ze werden opgegeven en bovendien moesten die programma’s worden uitgevoerd met apparaten die uitsluitend antiquarische betekenis hadden.
Ruim zes jaar heb ik er rondgelopen voor ik doctoraal examen mocht doen. Ik was één van de vluggen. Het gemiddelde lag op acht jaar. Dat wat naderhand de moeite waard bleek te zijn had ik ook in twee jaar kunnen leren. Ik ben nog uitgenodigd om als wetenschappelijk ambtenaar, dat is op kosten van de staat te promoveren; dat duurde gemiddeld nog eens vijf jaar. Het additionele voordeel daarbij was dat je intussen zo oud werd dat je niet meer in militaire dienst hoefde. Ik ben nog steeds blij dat ik de verleiding heb kunnen weerstaan en na het doctoraal de RU vaarwel heb gezegd.

Een leuke tijd waren de studiejaren natuurlijk wel. Het had weinig zin je echt in te spannen en zo bleef er veel tijd over voor allerlei amusement. Terugziend moet ik echter constateren dat het allemaal wel een beetje onbenullig en oudbakken was.
Er was voordat ik met de studie begon al besloten dat ik geen lid zou worden van het Utrechts Studenten Corps, dat was meer voor rijkeluiskinderen. Bij studentenverenigingen op Christelijke grondslag had ik ook niets te zoeken. Toch ben ik, zei het enige weken verlaat, nog lid geworden van een studentenvereniging. Ik had van andere studenten gehoord dat je bij USR vermindering van contributie kon krijgen als je ouders onbemiddeld waren. Dat hielp mijn vader over de brug en zo kwam ik enigszins verlaat deelnemen aan het novitiaat, het woord dat bij Unitas gebruikt werd voor de groentijd.

Unitas was ontstaan als reactie op de verstarring in het Corps. Er waren dan ook wel verschillen. Wij hadden meisjesleden, novieten mochten niet geslagen worden, jongere jaars en oudere jaars hadden dezelfde rechten en er waren minder sub-culturen van studenten die zich op grond van de positie, financiën of geboorte van hun ouders “meer” voelden dan anderen. Maar er waren ook erg veel overeenkomsten. “Student zijn is meer dan studeren” heette het. Dat moest je dan voornamelijk demonstreren door veel bier te drinken, de nachten in de sociëteit en de ochtenden in je bed door te brengen.
Op zo’n bieravond kon het gebeuren dat we vonden dat Willebrordus op het Janskerkhof er wat kaal bij zat waarna we hem versierden met lege flessen. Twee politie agenten vonden dat dat niet kon en zo werden we opgebracht naar de politiewacht bij de Wittevrouwenbrug. Op weg daarheen passeerden we de sociëteit op het Lucas Bolwerk waa,rna een waarschuwing door vrienden, iedereen buiten voor de geopende deuren stond. Op het moment dat we die deuren passeerden wilde ineens iedereen naar binnen zodat agenten en arrestanten de bar werden ingeperst. ’s Morgens hebben we met zijn allen de toeterzatte agenten op het bureau afgeleverd hetgeen niet werd gewaardeerd.

Op 5 mei werd er op het Bolwerk geconcerteerd door een Utrechts fanfareorkest. Het was traditie, dat het orkest na afloop van het concert werd uitgenodigd voor een biertje. Dat liep ook altijd uit de hand. Levendig zie ik de arme bas tubaspeler voor me die werd uitgedaagd een solo te geven en die geen geluid uit het instrument kreeg omdat allerlei grappenmakers er glazen bier in gooiden.

We hadden veel leden die diergeneeskunde studeerden, de zogenaamde veebonken, vaak boerenzoons, die zich in het niet erg in het intellectuele milieu goed thuis voelden. Een vriendje, ook boerenzoon die geslaagd was voor het eerste deel van het propedeutisch examen, dat aan het eind van het eerste jaar werd afgelegd, belde zijn vader op.
:”Vader, ik ben geslaagd voor propjes 1”.
:”Gefeliciteerd. Wat is dat propjes?”
:”Een belangrijk examen vader. Nou wil ik een feestje geven”
:”Doe dat maar”.
:”Hoeveel mag ik uitgeven vader?”
:”Het mag wel een koei kosten jongen”
Op een gegeven morgen was ik erg vroeg en als eerste op de sociëteit. Ik was door mijn vader mijn bed uit getremd. Ik was desalniettemin niet van plan naar college te gaan en op het practicum was op dat uur ook nog niets te beleven. Ik zat behaaglijk bij de grote kolenkachel in de leeszaal toen Mevrouw Floor, de vrouw van de gérant, haar nood bij mij kwam klagen. Het bleek dat de grote sociëteitszaal de vorige avond aan de Vereniging van Dierengeneeskunde Studenten was uitgeleend. Mevrouw Floor moest nu opruimen. De vloer was egaal bedekt met een laag glasscherven.
Ik was wel wat gewend intussen. Iedereen vond Klaas leuk. Als hij dronken werd rukte hij altijd het ronde tafelblad van een salontafel en liep daarmee door de sociëteit, door ons kroeg genoemd, om iedereen uit te leggen dat hij de stuurman was.
Maar de woestenij die Mevrouw Floor me liet zien maakte me toch zo sprakeloos dat ik geen woorden vond om haar te troosten. Het meubilair op de kroeg was ook altijd stuk en het bekende blinde paard kon er geen schade doen. Op de WC waren speciale kotsbakken, opdat de wastafels niet altijd verstopt zouden zitten. Helaas kwam het nogal eens voor dat iemand de kotsbak niet meer haalde.

Zoals ik al zei, nam ik verlaat deel aan het novitiaat, de kennismakingstijd. Die kennismaking met de leden was effectief geregeld. Iedere noviet had een boekje waarin je handtekeningen van leden moest verzamelen als bewijs dat je een gesprek met hen had gevoerd of hen anderszins had leren kennen. Vaak vonden leden het nodig je aan de tand te voelen over je belangstelling voor en kennis van culturele zaken. Ik was door de Rijks niet zo slecht voorbereid en ik had al snel het idee dat ik van het gemiddelde USR-lid op dit gebied niet veel zou opsteken.
Het aanschouwelijk onderwijs in tafelmanieren daarentegen was voor mij heel nuttig. We aten thuis alleen met een vork en je vlees sneed je van te voren in stukjes. Nu werd je toegeroepen “niet roeien!” als je vork en mes op de rand van je bord legde en ook “handen onder tafel” en “bijvullen” waren vergrijpen die de aandacht trokken. Daarnaast had je dienst als kelner en moest je tafeldekken en bedienen; ik heb flink moeten oefenen voor ik een stuk rubber dat een biefstuk voorstelde tussen vork en lepel kon klemmen.

Je moest ook op de ton tien minuten lang een groep ouderejaars toespreken, die je voortdurend in de rede vielen. Ik moest á l’improviste spreken over: “de eieren zijn bijna gaar”. Achteraf was het best leuk en het onderwerp vond ik een vondst.

We werden ook seksueel voorgelicht door een gastspreker. Daarnaast was er praktijk. Ik moest voor mijn mentor condooms kopen in een winkeltje op de Voorstraat. Mijn mentor had mij op het hart gebonden een grote maat te vragen maar daar was ik niet van plan in te trappen. Aangezien het toen nog verboden was condooms te verkopen werd ik door de eigenaar van het winkeltje meegenomen naar een achterkamer waar de verboden waar was uitgestald.
Beleefd informeerde hij welke prijsklasse ik in gedachten had. Daar had mijn opdrachtgever niets over gezegd. Voorzichtig vroeg ik wat de prijzen waren en wat voor verschil er was. Geduldig legde de oude heer die bediende uit, dat de prijs varieerde van vijftig cent tot twee gulden vijftig en dat de dure dikker waren dan de goedkopere. De goedkope gooide je na gebruik weg, de dikke daarentegen waste je af om ze opnieuw te gebruiken.
Verlegen vroeg ik de man wat hij me aanraadde te kopen. De dikke kon hij eigenlijk niet aanbevelen zei hij, het gevoel ging eruit, je kon net zo goed tussen de deur gaan staan.
‘s Avonds laat in de bar waar de meisjes geen toegang hadden kregen we aanschouwelijk onderricht. Tien novieten moesten in twee rijen van vijf met een meter tussenruimte tegenover elkaar gaan staan en paarsgewijs met de handen bogen vormen. Zij waren de vagina. Een noviet moest zijn regenjas uit de garderobe halen en die ervoor hangen als vlies. Ik werd omdat ik “sowieso” een lul was omdat ik zo laat gekomen was, benoemd tot penis en moest, “rechtop Klein!”, de vagina in en uit stormen de regenjas daarbij vertrappend. De vagina novieten moesten eerst “AU” roepen, nadat ik enige keren in en uit was gelopen moest hun geroep langzaam overgaan in een gelukzalig “Ah” en moesten ze daartoe luid aangemoedigd door de omstanders “trillen van emotie”. De omzet in de bar was hoog op zulke avonden.

Er werd ook veel gezongen, oude liedjes zoals:
O alter Bursche Herrlichkeit
Wohin bist du verschwunden.
En:
Auprès de ma blonde
Qui fait bon dormir, dormir.
Maar in de bar zongen we het tragische lied van het jonge hoertje, dat eindigde met:
O naai mij maar dood, zo sprak het jonge hoertje
En spijker mijn kistje met lullen maar dicht.
Schrijf op mijn grafsteen, met sierlijke letters
Dood genaaid hoertje door infanterist.”

We zongen ook een eigen tekst op het Universiteitslied, het
“Gaudeamus Igitur”. Dat ging zo:
Sinterklaas had syfilis
Wat verdomd vervelend is.
Salversaan en bloem van zwavel
Droop hem tappelings langs zijn navel, etc.

Het novitiaat eindigde in stijl met het eerstejaarsfeest dat gehouden werd in Kerckebos in Zeist. Voor velen, ook voor mij, was dat de eerste keer dat je smoking of rok droeg. Mijn moeder had voor mij een gebruikte smoking gekocht die uitstekend paste en er goed uitzag. Hij heeft me de hele verdere studententijd gediend. Voltooid was onze inwijding zeker nog niet. Toen Betty Bitter die met Wim uit was een Gin Fizz bestelde wist niemand wat dat was. De kelner gelukkig wel.
Als je eenmaal lid was mocht je een zwart fluwelen baret dragen met een baton in de kleur van de faculteit, voor mij geel.
Je mocht dan ook eten op de sociëteit. Voor mij maakte het niets uit, ik at thuis. Ik ben vaak jaloers geweest op de op kast wonende studenten die aten wat en wanneer ze wilden al was het ook niet zo lekker als dat wat ik thuis te eten kreeg. Zelf koken was er niet bij, de hospita zag dat nooit zitten. Studentenflats en dat soort behuizingen bestonden nog niet.

Ook de mensa verschafte gesubsidieerde warme maaltijden op vertoon van collegekaart, maar verenigingsleden aten op de sociëteit. Je kon groot en klein eten. Groot was met vlees en kostte fl. 1,25; klein was zonder vlees voor 85 cent. In de tijd dat de lustrumfeesten in het verschiet lagen was een gevleugelde uitdrukking: “Drie maanden klein eten om groot feest te kunnen vieren”.

Mijn eerste jaar was meteen een lustrumjaar. Het is ook het enige jaar geweest dat ik rustig in de zaal zat bij de opvoering van het toneelstuk. Omdat ik toen nog dacht dat je als student erg hard moest werken, om in de voorgeschreven tijd de eindstreep te halen heb ik maar matig mee gefeest,; ik had trouwens ook geen geld. Vanaf het tweede jaar speelde ik ieder jaar mee in het toneelstuk dat op “dies natalis” van de vereniging werd opgevoerd. Het studenten toneel had in die jaren niet geheel onterecht de pretentie stukken op te voeren die zonder hen geen kans zouden hebben gekregen bij het beroepstoneel. Het beroepstoneel speelde de zogenaamde publiekstukken, een lach en een traan voor volle zalen. Wij probeerden nieuwe stukken te vinden, vaak in Frankrijk; vertaalden zelf en werkten met een beroepsregisseur die lol had in dit soort dingen.
Utrecht kende ook een aantal rederijkerskamers, zoals “Jan van Beers” die toneelstukken opvoerden die al door het beroepstoneel waren gebracht. Later werd ik praeses, dat is voorzitter van de toneelvereniging en in die capaciteit werd ik uitgenodigd voor alle voorstellingen van de rederijkerskamers. Na afloop van de voorstelling sprak je de voorzitter van de rederijkerskamer toe om te complimenteren met de voorstelling. Alle andere studententoneelverenigingen en de andere rederijkerskamers deden dat ook, zodat er altijd een aantal sprekers was. Zelfs voor de neven en nichten van de spelers die meestal het publiek vormden en vast van plan waren alles mooi te vinden, moet drie kwartier speeches van mensen die niets te zeggen hadden een grote aanslag zijn geweest op hun geduld.
Dat de vertegenwoordigers van het studententoneel in rokkostuum verschenen en zich gedroegen alsof ze op bezoek waren bij arme enigszins achterlijke familieleden, moet toch ook niet op prijs zijn gesteld.

Bij de uitvoeringen van de studentenverenigingen was het nog erger. Daar was ook het begin van de voorstelling een ramp. De genodigden, zo’n tweehonderd vertegenwoordigers van de universiteit, de studentenverenigingen, de overheid en de culturele instellingen, kwamen na het gewone publiek binnen in een cortège, een soort optocht, waarbij steeds met luider stemme werd aangekondigd, wie er binnentrad.
“De garnizoenscommandant van Utrecht” klonk het dan, waarna het publiek geacht werd te klappen. De senaat van de vereniging kwam als laatste binnen en dan moest het verenigingslied worden gezonden,

“Studenten juicht en jubelt
Een jeugdig geestdrift vlam u aan,
Voor het groots en schone streven,
In machtig eenheid saam te gaan, etc.”

De Nederlandse dominee dichters zouden zich voor de tekst niet geschaamd hebben. Veel leden zongen het met volle overgave; ik hoorde daar niet bij.
De binnenkomst van de cortège duurde zo’n drie kwartier en samen met de speeches aan het eind van de voorstelling namen de formaliteiten anderhalf uur in beslag. Hoe hielden we het uit! Daarna volgde het bal in alle zalen van Esplande.

Omdat speeches zo veel tijd vergden, duurde het bal maar kort. Stijlvol was het wel. De heren in rok of smoking en de dames in avondjurken.
Bij je “dame” liet je de bloemist ’s middags een corsage bezorgen nadat je voorzichtig had geïnformeerd naar de kleur van het toiletje dat ze die avond zou dragen en je dame bracht voor jou een buttonhole mee die ze persoonlijk op je revers spelde. Je dronk wijn en bij de bestelling liet je duidelijk merken dat je een wijnkenner was. Sommige dames dronken sinaasappelsap, dat op dit soort avonden jus d’orange heette.

Er was een chronisch tekort aan dames. Meisjesstudenten maakten niet meer dan zo’n 10 procent uit en de meisjes van Vroom die op andere avonden werden versierd waren voor dit soort uitjes niet zo geschikt. Veelal moesten meisjes uit de ouderlijke woonplaats overkomen en werden ze bij vrienden en kennissen ondergebracht.
Ik had al snel een vaste vriendin waarmee ik later ook ben getrouwd. Zij was de dochter van een uit Suriname afkomstige arts, die tijdens de oorlog inviel voor Ossendrijver die als jood geen praktijk meer mocht uitoefenen. Toen ik haar leerde kennen zat Lily nog op de meisjes HBS, ik hielp haar met de natuur en scheikunde. Samen gingen we naar alle studentenfeesten en overal waar dat kon was ze van de partij.

Het sinterklaasfeest was alleen voor leden. Sinterklaas sloeg de uitnodiging om op de sociëteit te verschijnen nooit af omdat, naast de stoel waarop hij zich neervlijde, om geïnspireerd door aantekeningen in het grote boek sommigen ter vermaning tot zich te roepen, een tafeltje stond met tien jonge Bokma’s. Hoeveel hij ook dronk, het sociëteitsbestuur zag er op toe dat er altijd tien borrels te beschikking bleven. Normaal werd Sinterklaas op zijn verjaardag dan ook toeterzat op kosten van de vereniging. Dat moest afgunst opwekken en zo kon het gebeuren dat een tiental valse Sinterklazen, qua uitmonstering niet van de echte te onderscheiden, een ladder tegen de buitenmuur plaatsten en door het raam de sociëteitszaal betraden.
Aangezien deze Sinterklazen hun sympathisanten bij een deel der aanwezigen bleken te hebben, die van deze sympathie ook luidkeels blijk gaven, werd het zo’n bende dat we uiteindelijk niet meer wisten wie de echte Sinterklaas was en dus recht had op de borrels.

Aan het eind van mijn studententijd ben ik nog voorzitter geweest van de lustrumcommissie. Ik heb daar niet veel lauweren mee geoogst. Het lustrum verliep vlekkeloos; en als eerste praeses lustrumcommissie sinds decennia kwam ik niet alleen uit met het budget, maar hield zelfs geld over. Niemand was mij dankbaar. Het heeft jaren geduurd voor ik begreep dat er grenzen waren aan mijn vermogen om anderen niet te laten merken wat ik werkelijk dacht en men moet hebben gemerkt dat ik de hele toestand wat overdreven vond en zonde van het geld.

Studenten waren goede klanten voor de bioscoop. TV bestond nog niet en naast theater en concertzaal was de bioscoop het vaste weekenduitje voor veel studenten. Eindeloze keren heb ik mijn 35 cent betaald voor een nekloge, de eerste twee rijen in de Flora bioscoop. Daar werden de betere films gedraaid. In de Palace op het Vreeburg werden de cowboy films gedraaid waar het publiek de bedreigde held toeriep: “Kijk uit, achter je!”.

Sommigen bezochten ook de colleges van het Studium Generale ’s middags om vijf of zes uur gegeven door hoogleraren die er lol in hadden iets van hun vak te vertellen aan geïnteresseerde buitenstaanders. Ik volgde de colleges van Minnaert over het uitdijende heelal en andere universum zaken. Minnaert kon boeiend vertellen en zijn colleges waren voor mij een hoogtepunt van de week.
Verder was de studie op het laatst toch voornamelijk meer van hetzelfde en ik begon het tamelijk vervelend te vinden.

Na het kandidaats koos je een hoofdvak en een bijvak. Ik koos economie als bijvak; dat was eens wat anders. Het bleek geweldig leuk te zijn. Het kostte wel veel meer tijd dan ik er voor had uitgetrokken. Ik dacht dat vak in drie, vier maanden te doen; het zijn er acht geworden, dat is in academische termen praktisch een jaar. Organisatorisch was economie een afdeling van de juridische faculteit; de naam van de hoogleraar ben ik vergeten, jammer, want het was een kleurrijk figuur. :”Zo meneer” zei hij tegen me, we zien hier niet vaak mensen uit de filosofische faculteit. U moet eerst maar eens een paar boekjes lezen. Als u nu naar mijn assistent gaat, dan zal die u een lijstje met titels geven. Het lijstje was meer dan 2500 pagina’s, maar toen ik na drie maanden alles gelezen had begreep ik het weekstaatje van de Nederlandse Bank: kon een jaarverslag analyseren en wist wat er in Het Plan Van de Arbeid van de Wiardi Beckman Stichting stond.
Het was wel even wennen. Soms zat je twee pagina’s lang te worstelen met moeilijk te begrijpen zinnen alleen om daarna vast te stellen dat de schrijver slechts had willen zeggen dat A de eerste afgeleide was van B, maar geen wiskundige begrippen wilde gebruiken.
Tentamen bij de assistent, en daarna een specialisatie: bedrijfseconomie. Weer 2500 bladzijden, nu over organisatieleer, budgettering, rendement van investeringen en andere zaken. Tenslotte mocht ik een scriptie schrijven over een door mij te kiezen onderwerp om die met de professor te bespreken.
Ik koos de concurrentie tussen natuur- en synthetische rubber. Nu dertig jaar later is intussen gebleken dat ik het toen juist had gezien. Synrubber was niet een nasudderend overblijfsel uit de oorlogsjaren dat in vredestijd de concurrentie tegen het veel betere natuurproduct niet zou kunnen volhouden, nee, het zou een goedkoop massaproduct worden dat de natuurrubber uit veel van de minder gespecialiseerde toepassingen zou verdringen.

Op een gegeven moment was het dan zover. Om tien uur s’ morgens moest ik mijn standpunt toelichten en verdedigen bij professor aan huis. Om precies tien uur drukte ik op de bel aan de Nieuwe Gracht. Het dienstmeisje deed open. :”Had ik een afspraak? Oh, waarvoor dan wel?”
Ik kwam tentamen doen. :”Oh ja?”. Ze zou professor vragen, hij lag nog in bed. Ik mocht binnen komen en om kwart over tien zat ik tegenover een ongeschoren prof in kamerjas.

’s Middags om vier uur nam ik afscheid, een tikkeltje aangeschoten van de wijn die de prof tijdens het tentamen had aangeboden. Gelukkig had in de laatste twee uur niets meer hoeven te zeggen. De prof had vele jaren in Indië gesleten en de discussie over het “roken” van de vellen natuurrubber had allerlei emoties bij hem wakker gemaakt die hij met mij wilde delen.
Opgelucht stond ik buiten, ik was geslaagd en het wat uitgelopen bijvak zat erop.
Mijn hoofdvak had ik al af, maar ik moest nog tentamen doen in de organische chemie. Kögel stond erop dat je de structuurformules van alkaloïden, vitaminen en hormonen uit je hoofd kende. Ik begreep en begrijp het nut er niet van. Als je zo’n structuur wil weten zoek je het toch op in een boek? Eindeloze keren heb ik die domme dingen op een stuk papier geschreven. Mijn moeder hielp me, keek de formules na, hoewel ze niet wist wat het voorstelde en probeerde me te stimuleren om het nog maar een keer te proberen.
Toen ik uiteindelijk tentamen ging doen had de prof geen tijd en moest ik naar Salemink zijn assistent, die zich gelukkig wel voor kon stellen dat je eens een methylgroep op een verkeerde plaats zette.

Veertien dagen later liep ik in jacquet in de gang van het universiteitsgebouw. Het was februari 1958; ik deed doctoraal.
































HOOFDSTUK 7



Onder de wapenen


In 1954 werd ik opgeroepen om gekeurd te worden voor de militaire dienst.
De keuring vond plaats in het militair hospitaal aan de Springweg. Samen met 25 andere jongens moest ik sommen maken, bloed laten aftappen, werd ik betast en beklopt, werd er in mijn anus gekeken, moest ik vallende stokken opvangen en op knoppen drukken als er gekleurde lichtjes gingen branden.
In die tijd was het niet gemakkelijk onder de militaire dienstplicht uit te komen en iedereen werd dus ook gekeurd.
In onze groep zat zelfs een half debiele jongen die er allemaal niets van begreep maar toch het hele programma moest afwerken. Sommigen hadden pillen geslikt of trachtten een ernstige ziekte te simuleren. De meeste vielen door de mand. Ook het verhaal dat je de keuringsarts moest trachten te versieren, omdat homo’s werden afgekeurd, moest naar het rijk van de fabeltjes worden verwezen.
In het militair hospitaal werkten geen verpleegsters, zoals in ziekenhuizen, maar verplegers, die de rang van sergeant hadden. Ze behandelden je als vee en vonden het helemaal niet nodig, zelfs heel elementaire vormen van beleefdheid in acht te nemen.
Daarentegen stonden de “heren” erop met hun rang aangesproken te worden. :”Ja sergeant, dat weet ik niet sergeant!”
De keuring eindigde met een gesprek met de indelingsofficier. Op mijn formulier had ik ingevuld dat ik bij de chemische troepen wilde, wel wetende dat die niet bestonden. De indelingsofficier wilde niet aannemen dat het onderwerp me niet interesseerde en besteedde er een half uur aan om me uit te leggen hoe fijn de job was van de verkeersleider op een militair vliegveld. Uiteindelijk ging ik met de nieuwe voorkeur akkoord. Het zou nog wel een jaar of vier duren want ik was er zeker van dat ik in de termen viel om “uitstel van eerste oefening” te krijgen.

Wie schetst mijn grenzeloze verbazing toen ik twee weken later een brief thuis kreeg waarin me werd meegedeeld dat ik op grond van keuringsresultaten en belangstelling was uitgekozen om opgeleid te worden tot straaljagerpiloot. In verband met de duur van de opleiding zou de diensttijd niet 18 maanden maar zes jaar bedragen. Ik zou binnenkort opgeroepen worden.
Intussen moest ik bijgaand contract tekenen en gezien mijn minderjarigheid moesten mijn ouders meetekenen. Dat je misschien niet zou willen was geen punt van overweging.
Het was althans in Nederland nog de begintijd van de straaljagers. Er werd gevlogen met Gloster Meteors waarvan er weinig hun pensioen hebben gehaald; de meeste zijn neergestort en hoewel die dingen al wel met een schietstoel waren uitgerust betekende het neerstorten van het vliegtuig toch meestal de dood van de piloot. Hoewel ik zelf nog zo suf was me vereerd te voelen, had Pa helemaal geen last van dit soort gevoelens en er werd geweigerd.
Toen hoorde ik een hele tijd niets waarna een tweeregelig briefje kwam waarin stond dat ik was heringedeeld en wel bij de veldartillerie.

Toen ik in februari 1958 afstudeerde wist ik dat de jaarlijkse aanvraag om verder uitstel van eerste oefening zou worden afgewezen en omdat ik geen zin had een half jaar te verlummelen vroeg ik onmiddellijke indiensttreding aan.

Op 1 juni stapte ik voorzien van een vrijkaartje in Utrecht in de trein naar Breda op weg naar de Frederik Hendrik kazerne waar het regiment veldartillerie “Van Essen” was gelegerd. Die kazerne bleek een ongelooflijk ouwe troep te zijn en het zootje ongeregeld dat aantrad om soldaat te worden kreeg een nog grotere tegenzin dan ze toch al hadden.
Eerst werd ons de slaapplaats gewezen, met veertig man op een kamer op stalen stapelbedden. Daarna gingen we onze strozakken halen die als matras dienst deden. Gelukkig hoefden we ze niet te stoppen, dat had de vorige lichting al voor ons gedaan. ’s Nachts merkten we dat de gein was er grote stenen bij in te stoppen. Lakens werden niet verstrekt, je sliep in je groene dienstpyjama, waaronder de meeste jongens hun ondergoed aanhielden, direct onder de paardendekens die niet werden gelucht of gewassen. Het wassen van het lijf stelde bij de meesten ook niet veel voor en de enige goede beurt was het verplichte gezamenlijke douchebad, eenmaal in de week; het stonk ongelooflijk op de kamer.

We aten aan schragentafels. Grote stapels boterhammen, twee plakken kaas en twee plakken vleeswaren de man en potten jam op tafel. Sommigen hielden meer van kaas dan van vlees en dus moest er geruild worden. Via vele handen wordt er dan doorgegeven. Op de goede plaats aangekomen ging de plak op het brood om vervolgens te worden plat geslagen. Iedereen schreeuwt luid, niet nadat hij eerst zijn mond heeft volgepropt. De warme maaltijd met een messtin vol met prut was nog erger.

’s Middags naar de foerier voor de uniformen. Een nieuw eerste grijs, je zondagse uitgaanspak, grijs genoemd ondanks de kaki kleur. De rest gebruikte, gestoomde kleding in twee maten: te groot en te klein. Twee paar nieuwe hoge schoenen. Nu werd er op gelet dat je de juiste maat kreeg, desalniettemin had je binnen de kortste keren blaren. ’s Avonds op de kamer voor het eerst blancoën, dat is je riem en pukkel, een klein model rugzak, insmeren met groene schoensmeer. Een uiterst vies en tijdrovend werk waar generaties dienstplichtigen vele uren aan vermorst hebben en waar vele officieren die beter zouden moeten weten, tijd aan besteedden om te controleren of bij het insmeren niet een plekje was vergeten.

Met één of twee anderen was ik een buitenbeentje. Niet alleen omdat ik wat ouder was, maar ook omdat ik veel meer onderwijs had genoten; veel jongens hadden niet veel meer dan lager onderwijs, sommigen Ulo of Ambachtschool
De eerste nacht kon ik wel janken. De anderen hadden de grootste lol, flinke boeren en harde scheten in het bijzonder vermochten hilariteit op te wekken. Daarna kwamen de schuine moppen. Ik was niet zo dol op schuine moppen, te preuts denk ik. Maar als ze echt leuk waren kon ik toch wel lachen. Maar de soort grap die hier de lachlust moest opwekken vond ik alleen maar smerig.
Met de blik op oneindig ben ik die eerste twee maanden door gekomen. De zinloze vernederingen waar je je aan moest onderwerpen. Het systeem was simpel. Wie protesteerde of onvoldoende ijver aan de dag legde mocht in het weekeinde niet naar huis.
Na drie weken mocht je om de veertien dagen van zaterdagmorgen tot zondagavond naar huis.

Wie een voet dwars zette, en dat werd al gauw zo ervaren, bleef in de kazerne. Voor je op zaterdag naar huis ging moest je aantreden op appel. Eerst werd dan gekeken of je je dekens wel model had opgevouwen in je kastje en of er niet een pluisje was blijven liggen op een richeltje achter de kast. Was dat in orde dan trad je buiten aan en moest tot twee uur achtereen rechtop op de binnenplaats van de kazerne staan tot de officier die met de controle was belast had vastgesteld dat alle schoenen ook aan de binnenkant waren gepoetst en dat iedereen zijn nagels had schoongemaakt.

Iedere zaterdag vielen er wel een paar jongens flauw, het lange staan vooral in de hete zomer die we hadden viel niet mee.
De meer emotionelen hadden een oplossing: ze kwamen niet meer terug. Dat viel tegen. Je werd thuis opgehaald door de militaire politie, afgeleverd en strijk en zet door de commanderende kapitein krijgstuchtelijk, dat wil zeggen zonder rechter of wat dan ook veroordeeld tot veertien dagen streng arrest; een straf waarbij vergeleken veertien dagen gevangenis een lolletje was. Bovendien telde straftijd niet als diensttijd en moest worden nagediend. Hetgeen sommigen er niet van terughield de dag nadat ze uit de petoet gekomen waren weer over het hek te klimmen. Als je dat een maand of vijf volhield werd je toch afgekeurd voor verdere militaire dienst wegens geestelijke ongeschiktheid: je kreeg een zogenaamd S5; S was stabiliteit en 5 de slechtst mogelijke waardering. Als je met S5 uit de militaire dienst ging werd je bij de overheid en veel particulieren niet meer aangenomen, zelfs de meest fervente weglopers lieten het daarom zover niet komen. Sommigen, zoals Jan Thijmen, kon het geen bal schelen. Hij simuleerde voetklachten, kwam ’s morgens met zijn gymschoenen onder zijn voeten gebonden op het appel, zat continu bij de dokter op het spreekuur en viel bij iedere mars na tien minuten uit, kreunend van de pijn. Omdat hij zo ziek was kon hij natuurlijk niet naar huis, vijf maanden lang. Toen werd hij afgekeurd, niet O5-voeten, maar S5. Ik was slecht voorbereid. Als student stond ik zelden voor tien uur op en ging meestal pas ver na middernacht naar bed.
In Breda stonden we ’s zomers om vijf en ’s winters om zes uur op. Bij de theorielessen kon ik wat tot rust komen. Die gingen volgens het Amerikaanse systeem.
Het geweer: Het geweer bestaat uit twee delen, de loop, en de kolf. De loop is van staal, de kolf van hout.
Vraag 1: Uit hoeveel delen bestaat het geweer, enz.

Het geweer, voor ons gelukkig een karabijn, die aanzienlijk lichter was dan het Garant geweer waar de infanterie mee rond zeulde, was een obsessie. Niet dat we vaak schoten. Ik kan me zelfs niet herinneren dat we in die twee eerste maanden überhaupt hebben geschoten. Het was voornamelijk een apparaat om mee te exerceren, dat is het op allerlei ingewikkelde manieren meedragen tijdens het lopen of om het te presenteren, dat is rechtop houden, als er belangrijke personages zoals officieren langs kwamen.
Soms kwam onverwacht de vijand en dan was er alarm. De vijand kwam uitsluitend vrijdagnacht . Als je dan op zaterdag naar huis mocht zat je thuis de hele dag te slapen en had je niks aan je vrije dag. De komst van de vijand hield ook altijd in dat je naar een andere plek moest dan die waar je was en aangezien we ons alleen te voet verplaatsten moesten er grote einden gelopen worden.
De bruggetjes werden verondersteld door de uiterst slimme vijand allemaal opgeblazen te zijn, zodat wij naast de brug door de sloot moesten, uiteraard met het kostbare geweer boven je hoofd zodat het niet nat werd.

Alles bij elkaar waren die eerste twee maanden, de rekrutentijd, onaangenaam. Bij het invullen van de test die werd afgenomen voor de indeling voor verdere opleiding heb ik dus ingevuld dat ik reserve officier wilde worden. Enerzijds betekende dat wel een diensttijd van 21 maanden in plaats van de verplichte 18, anderzijds leken de omstandigheden me dermate prettiger dat ik die drie maanden extra er maar voor over moest hebben.

Zo ging ik na twee maanden naar de SROA, de school reserve officieren artillerie. De opleiding duurde acht maanden. Bij gebleken geschiktheid kwam een ieder die een Gymnasium of een HBS diploma had in aanmerking om een officiersopleiding te volgen. Wij waren een zogenaamde tussenlichting, niet opgekomen in september na de middelbare schoolexamens. In ons klasje van 12 zaten voornamelijk al dan niet afgestudeerde studenten en er heerste onmiddellijk een sfeer van ouwe jongens krentenbrood.
We waren ook ouder; de gemiddelde leeftijd in onze klas was 24, vergeleken met 19 voor de rekruut die geen uitstel voor studie had gekregen.
De omstandigheden werden direct veel beter. We kregen nieuwe kleding, sliepen op normale bedden met matrassen, lakens en nette dekens. We aten aan gedekte tafels met mes en vork van borden in plaats van messtins en het eten werd opgediend in schalen en was ondanks de grote hoeveelheden die moesten worden klaargemaakt van uitstekende kwaliteit.
Lachen deed ik ook weer. Zoals om het verhaal van Janssen die van de SROA verwijderd werd. Dat zat zo.
Hij had iets uitgevreten en de klasse commandant had een leuke straf voor hem bedacht.
Hij moest ’s avonds na afloop van de dienst in volledige bepakking in zijn eentje een mars lopen van veertig kilometer. Om zeker te stellen dat hij de mars zou uitvoeren kreeg hij een lijstje met kaartcoördinaten mee met daarbij behorende vragen zoals:
Wat is het huisnummer van het huis op coördinaten 754216/325698. Geen manier om daar achter te komen dan er naar toe te gaan.
’s Avonds loopt Joop met volledige bepakking mismoedig de poort uit en voelt zich zo rot dat hij besluit in ons stamcafé eerst maar eens een biertje te nemen. Aan de bar raakt hij in gesprek met een vent die zich verveelt, omdat zijn vrouw naar haar moeder is en na enige tijd rijden ze samen in zijn auto de coördinaten af en beantwoorden alle vragen. Daarna kruipt Joop met een cognacje in het logeerbed en geniet op een redelijke tijd van een ontbijt met gebakken eitjes. Als de gastheer naar zijn werk is vertrokken, ruimt Joop op zijn gemak de boel op, gort zich in zijn volledige bepakking en strompelt omstreeks tien uur ’s morgens dodelijk vermoeid de kazernepoort binnen.
Als de commandant verneemt dat Joop het allemaal niet zo gemakkelijk heeft kunnen vinden en daarom wel vijftig kilometer heeft gelopen en dus niet voor tien uur thuis kon zijn, en als de antwoorden allemaal goed blijken, dan krijgt Joop voor de rest van de dag vrij van dienst om uit te slapen. Er zou niets gebeurd zijn als Joop het verhaal niet aan iedereen had verteld.
Onze klasse commandant was Kapitein Schrier, oudere broer van Joop Schrier, de klarinettist van de Dutch Swingcollege Band. Hij heeft de band nog eens naar de kazerne gehaald voor een concert, leuke avond.

Schrier werd bijgestaan door één officier, een eerste luitenant en twee onderofficieren, opperwachtmeesters, allen beroepsmilitairen. Hun voornaamste taak was ons les geven. Een granaat uit de loop van een stuk geschut precies op de bedoelde plaats te brengen is niet zo eenvoudig en er komt nogal wat theorie aan te pas.
Voor het berekenen van kogelbanen en het inmeten van de batterij kwam zelfs nogal wat wiskunde om de hoek kijken. Schrier was niet de slimste. Wij spraken van dom, dommer Schrier. Op een gegeven moment vond hij het nodig om ons uit te leggen wat de tangens van een hoek was. Hij tekende daartoe een hoek op het bord, trok daarin twee loodlijnen en beweerde toen dat de tangens met de langste loodlijn groter was dan die met de kortste loodlijn. Wij waren wel iets van hem gewend maar nu voelde iemand zich toch geroepen hem er op te wijzen dat een hoek maar één tangens heeft en dat de twee tangenten die hij aanwees identiek waren. Er ontspon zich een discussie die hij dreigde te verliezen. Hij kapte toen af met de mededeling dat het niet onmogelijk was dat we gelijk hadden; hij zou het nazien in de boeken. Belangrijk was het niet want het ging in deze berekening niet om de tangens maar om de logaritme van de tangens en die was verschillend, dat herinnerde hij zich heel goed. We hebben het toen maar opgegeven

De opperwachtmeesters gaven de meer praktische lessen, zoals het gebruik van het kompas richttoestel, de sterkte van de kardoezen en de trekken en velden in het kanon, de vakterm voor de loop. Gaandeweg liet Schrier echter steeds meer van de theorielessen aan hen over. De oppers hadden daarvoor zo hun eigen methode. Zij wisten hoe het moest en zo moesten wij het doen en niet anders. Waarom het zo moest was een ingewikkelde zaak en als wij dachten dat we dat al wisten, dan kwam dat goed uit want dan hoefden zij het ons niet te vertellen en bleek er meer tijd over om een sigaretje te roken.
Het tempo lag niet erg hoog en hoewel we in acht maanden een vak moesten leren zat er zoveel ruimte in het programma dat het altijd goed uitkwam als we zeiden: “Opper, vanmorgen hebben we geen zin”. Zonder uitzondering bleek de opper ook geen zin te hebben.
Al moest je dan 10 km heen en 10 km terug lopen naar de schietbaan, schieten vond iedereen leuk en de oppers schoten braaf mee. We schoten karabijn en pistool. Karabijn op 100 m en pistool op 20 m. Met de karabijn wist ik de roos nogal eens te raken, van het poppen schieten met pistool bracht ik niet veel terecht. Het zware 9 mm pistool vloog bijna uit mijn hand als het afging.
Om de beurt had je kuildienst, Je zat in een kuil direct voor de schietschijf en met een lange stok moest je aanwijzen waar de schijf geraakt was. Zag iemand kans zo slecht te richten dat hij de schijf helemaal niet raakte, dan zwaaide je de stok heen en weer om aan te duiden dat het een afzwaaier was. Als de oppers schoten werden er vanzelfsprekend slechts afzwaaiers vastgesteld.

Iedere twee maanden gingen we een week naar het schietkamp Oldebroek op de Veluwe om het geleerde in de praktijk te brengen. Ons geschut, zogenaamde 25 ponders, ging mee achter Daf 3 tonners bestuurd door beroeps korporaal chauffeurs. Ook dat waren leuke weken. Achtereenvolgens moest je alle taken vervullen van richter tot terreinmeter en zonder gezeur deden we ons best de zaak zo goed mogelijk te laten verlopen. Al de eerste avond in de mess hadden we ons laten uitleggen dat het gierende geluid dat we hoorden veroorzaakt werd door overvliegende granaten van de “18 inch lang” die avondoefening hadden. Voor zover ik weet is er nooit één op de mess gevallen. Maar wel op de spoorlijn naar Zwolle,gelukkig op een moment dat er geen trein voorbij kwam. Daar is toen heel veel over te doen geweest. Hoe dan ook de schrik zat er bij ons wel in en voor je als dienstdoend batterij officier riep: “lagenvuur”, wilde je wel zeker zijn dat de projectielen althans in de buurt van het doel zouden vallen.

Als je ’s avonds moe achter de rijsttafel zat, die in Oldebroek traditioneel op woensdag werd verstrekt, dan voelde je je voldaan en wilde het biertje er goed in.
Om de twee maanden was er examen en dan moest je de sommen kunnen maken en het geschut richten. We moesten dan ook ’s avonds wel eens iets leren en aangezien de kazerne geen studieruimte had ging je dan naar een militair tehuis. Er waren er drie: katholiek, protestant en humanistisch. De religieus daklozen moesten maar een keuze maken. Voor zover ik me kan herinneren slaagde altijd iedereen voor de examens. Er werden wel jongens weggestuurd, maar altijd omdat ze niet de juiste mentaliteit hadden om officier te worden.
Het tentoon spreiden van de “juiste” mentaliteit was niet eenvoudig. Zeker niet als we midden in de winter ’s morgens om zes uur in sporttenue buiten moesten aantreden om ons vervolgens in looppas naar het zwembad te begeven. Geen fatsoenlijk mens wilde zwemmen op zo’n onmogelijk uur en dus moesten wij. We verzonnen er iets op. “Luit ik heb helaas mijn zwembroek vergeten”.
De luitenant bedacht er ook iets op; als we waren aangetreden moesten we onze rechterarm opsteken met onze zwemkleding erin; wie zijn zwemspullen had “vergeten” ging terug naar de kamer om ze te halen. In het zwembad bleek dan dat we helaas alleen een handdoek bij ons hadden, geheel tegen onze verwachting zat de zwembroek er niet in. De volgende keer hielden we twee armen omhoog, in de ene de handdoek, in de andere de zwembroek.

De eerste keer bleek ook dat negen van de tien de zwemkunst niet machtig waren. Helaas mochten zij niet aan de kant toekijken, maar moesten kopje onder in het pierebad.
Bij het tweede zwembadbezoek bleek dat negen van de tien plotseling wel konden zwemmen en zo stonden we dan in vier lange rijen te wachten. Als de luitenant floot doken steeds de voorste vier het koude water in tot we met zijn allen heen en weer zwommen.

Ik was met O-3, platvoeten, goed gekeurd. Dat betekende dat ik vrijgesteld was van lange marsen. Een marsje heen en weer naar de schietbaan, twee keer tien km werd niet als een lange mars gezien. Mijn toneelervaring bleek waardevol. Bij de promotie tot wachtmeester was Schrier van mening dat ik weliswaar gehandicapt was maar dat ik me inspande om aan zoveel mogelijk marsen mee te doen en dus de juiste mentaliteit bezat.

Om de twee maanden deed je examen. Na twee maanden werd je soldaat eerste klas en werd je soldij verhoogd van 50 cent tot 75 cent per dag. Na vier maanden werd je korporaal met 1 gulden en weer twee maanden later wachtmeester met fl. 1,25 per dag. Na 8 maanden verliet je de SROA als kornet, je kreeg dan geen soldij meer maar “wedde”, die even hoog was als beroepsofficieren van gelijke rang en senioriteit.

Aangezien ik met 25 niet meer zo jong was en omdat mijn universitaire assistentschappen meetelden als dienstjaren, bracht ik het toen na aftrek van kost en inwoning tot 400 gulden per maand, weer een goudmijn. De reserve wachtmeesters die nooit hoger kwamen dan f 1,75 per dag voelden zich gepakt en de verhouding reserve officier, reserve onderofficier liet veel te wensen over. De reserve wachtmeester kwam ook nooit verder dan het door de foerier verstrekte eerste grijs. Zodra je echter reserve officier werd viel je in een andere regeling. Je werd geacht je militaire tenue zelf aan te schaffen en te betalen uit je wedde. De eerste, voor ons vanzelfsprekend enige aanschaf werd echter door de dienst betaald. Daaronder viel ook een toelage om een ’s zondags lakens pak, om onbegrijpelijke redenen dagelijkse tenue geheten, bij een echte kleermaker naar maat te laten maken. Daarbij droeg je nappa lederen handschoenen en zwaaide met een met leer bekleed stokje waarvan het nut me nooit duidelijk is geworden.

Het afscheid van de SROA was een feest waarvoor zelfs de dames overkwamen. We sliepen niet in de kazerne maar in één van de plaatselijke hotels. De beroepsofficieren in prachtige pakken met biezen en tressen stonden erop als collega behandeld te worden. Tijdens de feestvreugde valt het niet eens op dat de oppers niet zijn uitgenodigd. Als je ze de volgende dag op straat tegen komt brengen ze, lachend als de bekende boer met kiespijn de verplichte militaire groet aan hun meerdere in rang; ze maken deze ellende iedere acht maanden mee.
Met de meisjes achter een pilsje in ons stamcafé blijkt dat de oppers ons de beroerdsten nog niet vinden. Ze hebben klassen gehad die een blokje om holden om de opper nog eens tegen te komen zodat hij weer moest salueren.

Nog één keer speelden we ons lievelingsnummer op de jukebox, The Lady is a Tramp met Frank Sinatra, en toen gingen we naar huis. Een week verlof en daarna naar de parate hap, ieder naar een verschillend onderdeel. Het heeft 20 jaar geduurd voor ik weer eens in Breda kwam






Paraat


Na afloop van de opleiding werd je ingedeeld bij de parate troepen, troepen die paraat waren om onmiddellijk tegen een mogelijke vijand te worden ingezet. Voor mij werd dat de elfde afdeling veldartillerie, later opgesierd met de naam Gele Rijders, gelegerd in Schaarsbergen even ten noorden van Arnhem. Zo’n afdeling, onder leiding van een luitenant-kolonel, aangesproken met overste, bestond uit drie batterijen, de Alpha, Bravo en Charley batterij met ieder acht stukken geschut van het type 25 ponder, een stafbatterij voor de strategie en tactiek, en een verzorgingsbatterij voor bevoorrading en reparatie. Alles bij elkaar zo’n 600 man met 24 stukken geschut en 150 auto’s, voornamelijk jeeps en zware trucks.
Ik werd batterijofficier bij de Bravo batterij. Dat was een grapje van de overste, de commandant van die batterij heette namelijk ook Kleyn, zij het anders gespeld. Verder waren er bij een gevechtsbatterij 4 officieren waarnemer; een officier terreinmeter en een munitie officier. Waarnemers werden geacht in oorlogstijd in de voorste linies bij de infanterie te verkeren en daar gemiddeld niet langer te overleven dan twee dagen, zodat je veel waarnemers nodig had. Iedere batterij had een stuk of twintig onderofficieren, variërend van stukscommandant tot hoofd verbindingen. Hoofd van de inwendige dienst was de opper; hij en de kapitein waren de enige beroeps. De hele zaak draaide met dienstplichtigen. De soldaten hadden ook ieder hun taak waarvoor ze na de rekruten tijd twee maanden waren getraind; ze waren chauffeur, waarvan we er 35 hadden, richter, kok, radiotelegrafist, schrijver, automonteur, terreinmeter of verpleger. De minst slimme werden kanonnenboer en hielden zich bezig met het zeulen met het geschut en de munitie.
De leefomstandigheden van de soldaten waren hier iets, maar niet veel beter dan tijdens de rekrutentijd. Omdat ze zelden werden overgeplaatst en dus zo’n veertien maanden op dezelfde kamer bleven loonde het de moeite allerlei zaken van huis mee te nemen en zo sliepen sommigen onder lakens en gebruikten burgerzeep, ondergoed, pyjama’s etc. en in de kantine kon je gevulde koeken kopen als je het door de dienst verstrekte eten niet door de keel had kunnen krijgen.
Soldaten hadden nog steeds geen enkele privacy; ze sliepen weliswaar niet meer op stapelbedden, maar wel met zijn zestienen op een kamer. Voor de maaltijden moesten ze aantreden en marcheerden onder leiding van de officier van de week in colonnes van zo’n 100 man naar de eetzaal, waar 20 van dit soort colonnes aankwamen, die om de beurt naar binnen mochten en langs de ruif moesten lopen waar de koks wat voedsel kwakten op een metalen vakjesbord. Daarna moesten ze een plaatsje zoeken aan de lange banken waar het eten naar binnen geschoffeld werd. Conversatie was niet mogelijk in de herrie die er gemaakt werd met de metalen borden en gamellen.
Niet dat het eten slecht was van kwaliteit. Er werden goede producten ingekocht. Zo af en toe was ik Officier van Piket. Daarbij hoorde de controle op keuken en eetzaal en het proeven van de te verstrekken maaltijd. Dezelfde maaltijd gegeten van een bord op een rustig plekje in de keuken werd ineens heel behoorlijk. Ook kleding en uitrusting was van goede kwaliteit. Vijfentwintig jaar nadat ik de dienst verliet gebruik ik ’s winters nog steeds de lange leger onderbroeken voor het schaatsen, maar het model is zo zakkerig dat ik er wel voor oppas me erin te laten zien.

Het gevechtsmaterieel daarentegen zou geen vijand veel angst inboezemen. Het was door de Engelsen afgedankt materiaal uit de oorlog. Bij een stuk geschut hoorde een boekje waarin opgetekend werd wanneer en waar het was onderhouden en afgesteld, vergelijkbaar met het serviceboekje van een auto. De boekjes van onze stukken vermeldden plaatsen als El Alamein waar ze 15 jaar tevoren hun steentje hadden bijgedragen in de strijd tegen Rommel en onderdelen voor onze mitrailleurs waren niet meer te koop omdat de dingen al jaren niet meer werden gemaakt.
Desalniettemin werd een groot deel van de tijd doorgebracht met onderhoud materieel, het zogenaamde “poetsen”. Schieten deden we zelden, daarover straks meer, maar ook het zogenaamde droogneuken schieten zonder granaten, kon slechts op beperkte schaal omdat er geen geld was voor benzine voor de trekkers. Het eindeloze poetsen was een soort georganiseerde verveling onder leiding van de officier van de week, die de grootste moeite had althans een schijn van orde en werk op te houden. Al tijdens mijn eerste weekdienst kwam een van de brutaalste soldaten naar me toe. ”Kornet mogen we kaarten, alles is schoon”.
Dat laatste viel niet te ontkennen, ze waren ook al uren bezig.
“Nee joh, dat mag niet van de overste”.
“Dat hoeft de overste toch niet te weten kornet”.
“Jawel, want hij komt altijd onverwachts inspecteren!”.
”Kornet, we zetten op alle hoeken wachtposten uit, die fluiten als hij eraan komt¸ intussen gaan wij kaarten en u rookt en sigaretje (dat mocht ook niet). Als de overste komt, poetsen wij als gekken en maakt u een goeie beurt.”
Het leek me het proberen waard. Het bleek feilloos te werken. Ik werd zogenaamd verrast door de overste terwijl ik toezicht hield op kanonniers die een loop doorhaalden alsof hun leven ervan afhing. Ik riep de batterij tot orde. Dat is rechtop staan met de pink op de naad van de broek en meldde me bij de overste.
“De Kornet Klein meldt de Bravo batterij bezig met onderhoud.
“Doorgaan Kornet”.
In militaire taal betekent dat “geen aanmerkingen” en de mannen storten zich met vernieuwde ijver op het poetsen. Pas toen de overste de hoek om was barstte het lachen los, zelfs zo, dat ik later pas hoorde hoe mijn collega van de Charley batterij op zijn donder kreeg omdat zijn mannen er als zoutzakken bijstonden en het materieel verwaarloosden.
Vanaf dat moment lagen de loyaliteiten duidelijk en door geen onzinnige dingen te verlangen en zo af en toe het systeem te saboteren bleek het heel goed mogelijk de noodzakelijke dingen gedaan te krijgen zonder al te veel druk en in een redelijke sfeer.
Toch, de dagen in de kazerne duurden lang en het weekprogramma door de kanonnier schrijver uitgetikt en opgehangen naast de deur van de batterij administratie bood weinig verassingen.
’s Avonds kon iedereen, die niet toevallig licht arrest had voor een of ander klein vergrijp, avondpermissie krijgen. Men dronk bier in een van de militaire tehuizen of kroegen in de buurt of nam de bus naar Arnhem. Ondanks de verveling werd er door bijna niemand iets geleerd of zelfs maar gelezen; ook door het gebrek aan privacy, een soldaat was nooit alleen. Ik had het aanzienlijk beter. De officieren sliepen in het buiten de kazerne gelegen officiers hotel, waar ieder een eigen kamer had. Weliswaar gezamenlijke wc’s en douches maar verder redelijk comfortabel. Een eetzaal met een keuken met een goede kok erin, een bar met kanonnier messbedienden, een leeszaal en een biljart. Tenzij je officier van de week of officier van Piket was had je buiten kantooruren in de kazerne niets te zoeken. Om het andere weekeinde was je paraat en moest je je ’s morgens en ’s avonds aanwezig melden. Het tussenliggende weekeinde ging je vrijdag na de lunch naar huis tot maandag na de lunch. Na korte tijd had ik het wel gezien. Als het weer niet te gek was stapte ik ook ’s avonds na de dienst op de motorfiets en reed naar Utrecht, naar huis of naar Lily en reed ’s avonds laat weer terug. Op de parate weekeinden ging ik ook naar huis en kwam alleen even naar Arnhem voor het appèl.
Het saaie kazerneleven werd onderbroken door de grote oefeningen. Ik heb er drie meegemaakt, twee in Duitsland in het Muensterlager op de Lünenburgerheide en een in Frankrijk in La Courtine op het Massif Central. In Nederland waren er behalve Oldenbroek geen oefenterreinen groot genoeg voor de artillerie om er te kunnen schieten. Onze lullige 25 ponders schoten toch nog altijd meer dan tien km op lading drie en de 18 inch lang schoten meer dan dertig km.
De reis naar het oefenkamp was een hele onderneming en een test voor de logistiek. De karavaan reed met een gemiddelde snelheid van 36 km per uur, hetgeen nog altijd inhield dat de laatste wagen van het konvooi soms tegen de honderd moest rijden om bij te blijven omdat de colonne als een harmonica kromp en uitdijde. Naar Frankrijk waren we dan toch wel drie dagen onderweg. Aan het einde van de dag moest er eerst worden getankt. We gingen met een gevechtsgroep, twee regimenten, infanterie, een afdeling artillerie, wat cavalerie, genie etc. alles bij elkaar zo’n 500 voertuigen die in een half uurtje moesten worden getankt. Daartoe was in een weiland in een lange rij om de 20 meter een stapel gevulde jerrycans door de verzorgingsbatterij klaar gezet. De chauffeur reed zijn voertuig achter zijn voorganger naar een vulplaats, vulde zijn tank uit de jerrycans en een half uur later waren er 500 auto’s getankt.
’s Avonds sloegen we een kamp op, elke soldaat had een zeiltje dat samengeknoopt met een tweede, een tentje opleverde. Je kon er weliswaar niet eens rechtop in zitten. Maar het was waterdicht. Bij de artillerie was het opzetten van de tentjes een formaliteit. Niemand sliep erin, allen sliepen in de vele vrachtauto’s die we bij ons hadden. De kok ging ook aan het werk. Met een oliebrander werd in een soort vuilnisvat water verwarmd. Daarin lagen blikjes noodrantsoenen. Bij de oorlogsvoorraden liggen vele tonnen van deze rantsoenen opgeslagen en aangezien je zelfs blikvoer niet eeuwig kunt bewaren, moest de voorraad zo af en toe worden opgegeten. Dat gebeurde bij oefeningen. Als de blikjes lang genoeg in het hete water hadden gelegen werden ze uitgedeeld en had de kok zijn taak verricht. Er waren vijf smaken, ik herinner er me drie van: hutspot met klapstuk, kapucijners met uien en speklapjes en erwtensoep. Na een lange dag gingen dit soort maaltijden er best in ook midden in de zomer.

Er werden ook andere voorzieningen getroffen, zoals het grote scherm met daar achter een vijf meter lange balk om op te zitten. Zeker tien man kon zich dan tegelijk ontlasten in de achter de balk gegraven geul.
Een van de twee keukenwagens had een waterwagen als aanhanger waar de veldflessen konden worden gevuld voor drink- en waswater. Stond het wassen in de kazerne al niet op een hoog peil, te velde werden alleen die delen gewassen die zichtbaar vuil waren. We probeerden daarom in de buurt van zwemwater te bivakkeren, maar dat lukte niet altijd. Bovendien kreeg je als het koud was de mannen het zwemwater niet in.
Op de schietterreinen werden we ingekwartierd in kazernes en was het leed weer geleden.
Veel van de soldaten hadden weinig of geen buitenlandse ervaring en verbaasden zich over de hurk wc, over de wijn die goedkoper blijkt dan bier en over de meisjes in het kazernedorp die er geen twijfel over laten bestaan wat hun broodwinning is en welke prijs ze vragen per keer.
Ook blijkt het op het Massif Central ontzettend te regenen.
Tijdens een van de vele nachtoefeningen waar we voor de zoveelste keer zonder munitie de hele procedure moeten dooroefenen in de stromende regen gok ik erop dat de overste die nacht wel niet langs zal komen en zal vertrouwen op de veldtelefoon en de radio verbinding die hij met ons heeft vanuit het drie km verder gelegen centrum voor de vuurleiding. Onze kapitein is er ook niet, hij traint bij de huzaren, en als hoogst aanwezige stuur ik iedereen naar bed in de voertuigen.
De stukscommandanten met wie ik een telefoonverbinding heb slapen net als ikzelf met het hoofd op de veldtelefoon. Als er een vuuraanvraag komt kan de overste in luisteren en horen hoe de bevelen worden doorgegeven aan de stukscommandanten. Maar hij kan niet zien dat we lekker droog en warm met de telefoon in de slaapzak liggen en dat de batterij in diepe rust is.
De volgende dag krijgt de bravo batterij veel waarderende woorden omdat we blijkbaar beter dan de andere batterijen een zware nacht hebben doorstaan en zichtbaar fit en enthousiast oefenen.

Als we vijf weken oefenen en een lang verlof later weer terug zijn in de kazerne en de georganiseerde verveling weer is ingezet hebben we in ieder geval wat om over te praten.
Een hoogtepunt in het bestaan van de batterij was ook ons bezoek aan Amsterdam om saluutschoten af te geven bij de aankomst van de Sjah van Perzië. Als we de dag voor de aankomst van de Sjah Amsterdam binnen rijden worden we bij de gemeentegrens opgewacht door de Marechaussee, die ons wel even door het drukke verkeer zal loodsen op weg naar ons onderkomen als gasten in de kazerne van een Compagnie Intendance troepen. Achteraf leek het alsof de Marechaussee zo’n klus voor het eerst deed; ze gingen er vandoor met zo’n snelheid dat de achterste drie ton trekkers met 80 km per uur door de rode stoplichten scheurden.
Daar kwam bij dat veel van de chauffeurs, die voor het eerst van hun leven in Amsterdam kwamen, hun ogen uitkeken en meer aandacht hadden voor de mooie meiden dan voor de weg. Een ongeluk kon niet uitblijven. Toen er plotseling geremd moest worden omdat iemand de colonne geen voorrang verleende, schoof een van de trekkers door zodat het kanon dat er voor reed de cabine binnen ramde. Gelukkig voor de chauffeur en de er naast zittende stukscommandant zo, dat er niemand verwondingen opliep. De twee trekker/geschut combi’s waren echter met geen mogelijkheid uit elkaar te krijgen. Daar moest de genie aan te pas komen. De troep reed door en ik wachtte op een oude adjudant die ik moest uitleggen dat de heleboel de volgende morgen gerepareerd moest zijn. Het leger kon als het moest best efficiënt zijn. Een peloton genie werkte ’s nachts door, sloopte alles wat aan de trekker kapot was eraf en verving het door nieuw. Het geschut kreeg alleen een verfje; we moesten naderhand thuis zelf de loop maar richten. Saluutschoten zijn losse flodders en dus hoef je niet te richten.

De volgende morgen om zes uur was alles klaar en om acht uur stonden we opgesteld om twee uur te wachten en daarna onze saluutschoten, 102 voor een regerend vorst, af te geven.
Het werd een anti climax voor de batterij. We waren ergens achteraf opgesteld waar we niets van de aankomst konden zien en niemand had enige belangstelling voor ons of de herrie die we voortbrachten. Een uur later waren we katterig op de terugweg naar Schaarsbergen.

Ook 14 maanden verveling gaan om en op 1 maart 1960 zwaaide ik af. We vierden niet eens feest, direct na afloop van de laatste dag gingen we naar huis. Drie maanden later moesten we nog een keer een dag terugkomen om beëdigd te worden als reserve tweede luitenant.
Daarna gingen we in de kaartenbak van een majoor in Haarlem, die reserve officieren opriep voor herhalingsoefeningen. Mij heeft hij gelukkig nooit nodig gehad.
Ik heb wel een uitgebreide correspondentie met hem gevoerd. Toen ik enige jaren later in Duitsland woonde kreeg ik via de Nederlandse ambassadeur in Bonn een brief waarin hij mij meedeelde dat hem ter ore was gekomen dat ik mij in het buitenland bevond en dat hij mij er aan wilde herinneren dat militaire goederen niet meegenomen mochten worden, maar in Nederland zorgvuldig moesten worden opgeslagen. Ik heb hem toen geschreven dat ik niets had meegenomen en dat ik alles zorgvuldig had opgeslagen.
Niet lang daarna kreeg ik een brief van mijn moeder dat er soldaten aan de deur waren geweest die mijn kist met militaire spullen wilden meenemen. Aangezien ik niets had geschreven, had ze maar geweigerd. Ik heb de majoor weer geschreven dat mijn militaire kleding eigendom was en dat hij die niet zomaar kon meenemen.
De majoor heeft via de ambassade mij weer geschreven dat het niet om de kleding ging, maar om andere militaire goederen die ik als reserve officier in mijn bezit had.
Ik weer geschreven dat ik die goederen tijdens mijn vakantie in Nederland dan wel zou inleveren als hij een lijstje stuurde met de artikelen waarom het ging.
Weer via de ambassade kreeg ik dat lijstje. Het vermeldde slechts 1 artikel: het handboek soldaat, een boekje waarvan ik de kostprijs schat op een paar gulden en dat instructie gaf over het graven van schuttersputjes en andere militaire “geheimen”. Het was de majoor ontgaan dat wij bij het afzwaaien nauwelijks iets meekregen omdat onze commandant vermoedde dat wij nooit voor herhalingsoefeningen zouden worden opgeroepen.
Dezelfde majoor in Haarlem hield mij ook regelmatig op de hoogte van mijn bevorderingen.
Van tijdelijk reserve tweede luitenant werd ik via allerlei tussengraden bevorderd tot gewoon eerste luitenant. Verder ging mijn carrière niet. Om tot reserve kapitein te kunnen worden bevorderd waren herhalingsoefeningen noodzakelijk. Ik ben gelukkig nooit nodig geweest.
Niet lang nadat ik afzwaaide is de 25 ponder naar het museum verdwenen.
Het einde van mijn militaire carrière kwam op 45 jarige leeftijd. Ik kreeg een brief van de bewuste majoor, die intussen overste was geworden, dat Hare Majesteit de Koningin van mijn diensten geen gebruik meer wenste te maken en dat ik, als ik het aangehechte antwoord tekende “op verzoek eervol” zou worden ontslagen.
Aangezien ik nog steeds weinig vertrouwen in de afzender had, heb ik niet getekend. Na een half jaar kreeg ik een brief dat het Hare Majesteit had gehaagd mij “eervol te ontslaan”. Ik vond het feit dat H.M. behagen in mij schepte wel een waardige afsluiting van mijn militaire carrière, ook al liet H.M. het tekenen van haar brieven over aan die domoor in Haarlem.



j.p.klein @ 31-08-2008 12:15:03
Ik heb deze tekst 25 jaar geleden geschreven, mijn vrouw en ik woonden toen in Bintulu aan de westkust van Borneo. Ik heb nu geen veranderingen aangebracht.
De tekst is 54 kantjes A4, te veel om in één keer aan het scherm te lezen. De hoofdstuk indeling is behouden, je kunt terugkomen om verder te lezen.
Afdrukken is nog beter, dan lees je zondagmorgen in bed terwijl je partner de eitjes bakt.



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens