maandag 25 juni 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
suuns - Drake(n)slaaf - Hoofdstuk 1, deel 1
Gepubliceerd op: 22-01-2008 Aantal woorden: 2178
Laatste wijziging: - Aantal views: 1228
Easy-print versie Aantal reacties: 5 reacties

Drake(n)slaaf - Hoofdstuk 1, deel 1

suuns


De lucht is gitzwart maar wordt af en toe opgelicht door een felle bliksemschicht. De donderslagen gaan door merg en been terwijl het zo hard regent dat de man niets ziet als hij vanuit de grot naar de buitenwereld kijkt. Zijn mond staat strak gespannen en hij heeft zwarte wallen onder zijn ogen wat zijn normaal prachtig gevormde ovalen gezicht helemaal onrecht aandoet. Zijn lichtpaarse ogen staren strak voor zich uit. Met een zucht schudt hij een paar keer met zijn lange witte haren. Zo een hoop regendruppels uit zijn haren schuddend. Heel even toont hij zo ook zijn scherpe puntige oren. Nog heel even kijkt hij naar de buitenwereld en draait zich dan heel sierlijk om.
“Zelfs de weergoden hebben door dat er iets speciaals gebeurd vanavond.” Zijn stem klinkt heel melodieus en zacht. Juist alsof zijn zin aanhoord is, trekt een ijskoude vlaag wind door de grot. Zelf met zijn dikke rode flanellen broek en gele wollen bloes met daar een blauwe cape om geslagen, kan de man een huivering niet onderdrukken. Langzaam stapt hij terug dieper de grot in. Des te dieper hij gaat, des te warmer het wordt. Met een triestige blik kijkt hij rond in de gangen.

‘Ik weet nog dat hier het ooit gonsde van het leven. Dat men geen vijf stappen kon zetten om een andere soortgenoot tegen te komen. Toen was het nog een tijd dat wij op ons hoogtepunt leefden. Nu leven er nog maar een paar honderdtal van ons ras. Hoe diep zijn we gezonken.’ Denkt de man terwijl hij rustig verder wandelt. Zijn triestige blik maakt plaats voor een blik vol van haat en woede.
‘Maar na vanavond zal het anders zijn. Dit is ons keerpunt. En ik, Dracomar, zal de gene zijn die daar voor zal zorgen.’ Bij deze gedachten verschijnt een valste glimlach op het gelaat. Deze glimlach ontsiert zijn prachtige gezicht. En als men goed kijkt lijkt het zelfs juist alsof er veel te veel tanden in de mond aanwezig zijn bij de glimlach. Een vijftal minuten stappen later, hoort hij het bekende geluid van neervallend water. Een teken dat hij bijna op de juiste plaats is. Onmiddellijk trekt hij zijn gezicht in een plooi en de valse glimlach verdwijnt meteen.

Na nog een drietal minuten rustig te hebben gewandeld, komt hij voor de ingang van een ondergrondse zaal. Hier blijft de man even wachten. Vanuit de zaal schijnt een gele gloed die met zich ook warme lucht meevoert. Buiten het geluid van neervallend water, is er nu ook duidelijk een soort van zwaar gehijg en gegrom te horen.
“Hoe lang ga je nog buiten wachten? Het is niet omdat je zo stil als een muis je kunt bewegen dat ik je niet opmerk hoor. Je weet goed genoeg hoe scherp onze reukzin is.” Klinkt plots een zachte vrouwen stem.
“Met uw toestemming mijn liefste, mijn alles.” De man buigt zijn hoofd en gaat zo de zaal binnen. De zaal zelf is enorm. Men zou vlot drie enorme metropolen zoals New York, Parijs en Hongkong in de zaal kunnen kwijt geraken en nog plaats over hebben. De wanden zijn zacht donkergeel met daarin duizenden fonkelende edelstenen. Uit een van de wanden komt een statige stroom helder water naar onder gedenderd. Dit water stroomt daarna langzaam door de grot in een brede stroom. Overal rond de stroom bloeien kleurrijke bloemen en struiken. Het vreemde aan de zaal is dat nergens een stalagmiet of stalactiet te zien is. De grond, het plafond en zelfs de muren zijn allemaal zo glad als ijs. Wat echter het meeste op valt aan heel de zaal, is wat er centraal zit.

Hier zit een prachtige draak van tweeëntwintig meter lang en zeker zes meter hoog. Haar enorme vleugels zijn strak tegen haar lichaam getrokken, haar vier poten met de vlijmscherpe drie klauwen liggen onder haar lichaam en haar lange staart heeft ze om haar heen gekruld. Maar wat de draak zo mooi maakt, zijn haar schubben. Deze schubben lijken continue van kleur te veranderen. Het eerst hebben ze een prachtige gouden glans, daarna een zacht rood, helder paars, donker blauw, gitzwart, grasgroen, ijswit en dan terug naar de gouden glans. Gecombineerd met de enorme warmte die de draak uitstraalt, is dit een adembenemend gezicht. De man, die hier al verschillende keren is geweest, is toch even onder de indruk. Terwijl hij langzaam dichter bij de draak komt, voelt hij hoe de twee robijnrode ogen hem opnemen. Zijn blik zo neutraal mogelijk houdend, kijkt hij diep in de robijnrode ogen. In de ogen van de draak kun je de wijsheid, die ze door de eeuwen heen heeft opgedaan, duidelijk opmerken. Wie echter diep in de lichtpaarse ogen van de man zou kijken, zou onmiddellijk dezelfde soort van wijsheid opmerken.

De man schraapt zijn keel heel even. “Dus vanavond is de avond?” Zijn stem klinkt heel melodieus. De draak zet haar zich recht en toont zo het ei dat ze eerst omcirkelde. Vol bewondering komt de man langzaam dichterbij.
“De schaal is compleet uitgehard. Hij kan elk moment uitkomen.” Zegt de draak met een zachte vrouwenstem.
“Hij, het is dus een jongen?” De man kijkt met een hoopvolle blik naar de draak. Deze knikt met haar reusachtige kop.
“Dat is gewoon prachtig. Het kan niet beter.” De man glimlacht breed. Iets te breed dat normaal zou zijn. Dit merkt de draak ook op en kijkt de man nu heel scherp aan.
“Waarom kan dat niet beter, Dracomar?” Bij het stellen van deze vraag ziet de draak plots de verandering plaats vinden in de man. Het is juist alsof hij plots een heel iemand anders wordt. Het knappe elegante gezicht veranderd plots naar een verwrongen en vals gezicht. Zijn houding krijgt iets heel duisters en zijn ogen schijnen een soort van waanzin uit.

De draak springt recht en brult luidt. Hissend en sissend blijft ze de man aankijken. “Wie ben jij en wat heb jij met Dracomar gedaan?”
De man genaamd Dracomar blijft gewoon heel stoïcijns staan en kijkt met een hongerige blik naar het vaalgele ei.
“Oh, ik ben nog altijd dezelfde Dracomar die je kent. Alleen heb ik nu eindelijk het licht gezien. Ik weet wat ik moet doen, ik zal de gene zijn die de draken terug tot de rechtmatige heersers van deze wereld zal brengen. Al de mindere soorten van mensen, elfen en al de rest onder ons bedwing. Niet andersom.” Des te meer hij zegt, des te duidelijker zijn waanzin wordt. Ondertussen blijft hij ook langzaam dichter naar het ei bewegen. De vrouwelijke draak verplaatst zich snel tussen hem en het ei in.
“Denk je echt dat ik je hem laat meenemen. Aan jou zal meegeven terwijl het duidelijk is dat je compleet gek geworden bent. Het is onze taak niet meer om de minderen rassen te controleren, we hebben ze in de goede richting gestuurd. Nu is het aan hen om aan te tonen wat ze kunnen. Onze tijd is gedaan Dracomar, leg je daar bij neer.”

“Daar zit je fout. Jou tijd is gedaan, die van mijn begint pas.” Dracomar knipt snel een keer met zijn vingers voordat de vrouwelijk draak iets kan doen. Vanuit het niets verschijnen plots een vijftal gouden kettingen die de vrouwelijke draak aan de grond binden. Hoe hard ze ook trekt en beweegt ze lijkt zich maar niet los te kunnen rukken.
“Wann mal tincya(*)” Roept de vrouw in een oude elfentaal. Heel even gloeien de gouden kettingen op maar blijven dan normaal zitten.
“Leuk geprobeerd, maar mijn magie is altijd beter geweest als die van jou.” Dracomar toont weer zijn waanzinnige glimlach. Op dat moment klinkt plots een raar geluid. Een grote barst verschijnt in de vaalgele eierschaal. “Nu als je mij even excuseert, ik heb een afspraak met mijn toekomst.” Simpel loopt Dracomar langs de vrouwelijke draak heen. Het ei blijft verder barsten. Dracomar kan zijn ongeduld en nieuwsgierigheid niet onderdrukken. Met een laatste luide krak, barst de hele eischaal open.

De blik van Dracomar kan je nu het best vergelijken met dat van een kind van vier, vijf jaar die moet wachten aan de deur totdat hij toestemming krijgt van zijn ouders om binnen te gaan en zien wat sinterklaas hem gebracht heeft. Dracomar kan zich niet meer inhouden en zet enkele stappen naar voor. De vrouwelijke draak kijkt met een pijnlijke blik toe en brult nog eens luid.
“Genoeg met je gebrul.” Opnieuw knipt Dracomar met zijn vingers. Er verschijnt een nieuwe gouden ketting die deze keer rond de enorme kaak komt, zo belettend dat de vrouwelijke draak nog iets kan zeggen, laat staan om nog te brullen. Nu hij weet dat deze hindernis uit de weg is, kan hij zich terug concentreren op de inhoud van het ei. Tussen de gebroken eierschaal ligt, tot Dracomars verbazing, geen klein draakje maar een klein jongentje.
“Wat is dit voor onzin! Waar is hij?!” Woedend draait Dracomar zich om naar de draak. “Kom op zeg het! Waar is hij?! Waar heb jij hem verstopt?!” Dracomar blijft het uitschreeuwen van blinde woede dat hij zelfs niet in ziet dat de draak hem niet eens kan beantwoorden door de gouden ketting rondom haar.

De lichtpaarse ogen van Dracomar zijn compleet veranderd in gitzwarte ogen, zijn gezicht is compleet verscheurd tussen de waanzin die in hem heerst en de woede die hij op het moment heeft. Hij blijft maar schreeuwen dat ze hem moet zeggen waar hij is. Door het continue geschreeuw rondom zich heen, begint het jongentje plots luid te wenen. Met een ruk draait Dracomar zich om.
“Zwijg!” Maar door dat hij roept, begint het jongentje nog luider te wenen. “Ik zeg dat je moet zwijgen!!!” Het gezicht van Dracomar loopt rood aan. Natuurlijk blijft het jongentje gewoon verder wenen.
“Niemand, maar dan ook niemand negeert mijn bevelen!” Dracomar brengt zijn linkerhand omhoog en zet zijn vingers klaar om daar opnieuw een keer mee te knippen. Het jongentje stopt met wenen en kijkt met grote angstige ogen naar Dracomar. “Vaarwel pest!” Juist op het moment dat Dracomar met zijn vingers knipt, verdwijnt het jongentje plots in een helder gouden straal.

“Nee!! Hoe was dat mogelijk! Het is onmogelijk, dat kan niet!” Dracomar knipt snel een keer met zijn vingers en de gouden ketting rond de mond van de draak verdwijnt. “Wat je nu zegt zal mee bepalen als ik je snel of traag dood onthoudt dat. Waar is hij en wie was dat jongetje?”
De vrouwelijke draak begint hard te lachen. “Ben je al zo gek geworden dat je nog niet eens je eigen soortgenoten meer herkent. Het jongentje was de gene die je wou hebben. Waarschijnlijk voelde hij een soort van gevaar aan en heeft hij meteen zijn mensenvorm aangenomen zoals jij nu hier rond loopt. Maar dat komt er van als je zo ge….” Het laatste van haar zin kan ze niet afmaken want ze begint te brullen van de pijn. Een speer van paars licht heeft haar linkervleugel doorboort.
“Ik heb je gewaarschuwd gehad dat je niet met mij moet beginnen te spotten. Nu zeg me, waar is hij naar toe?” Dracomar begint nu zacht te grommen terwijl hij spreekt. Zijn uiterlijk lijkt helemaal niet meer op dat van een mens. Zijn gezicht begint langgerekt te worden, zijn armen spreiden zich breder uit, langs zijn rug verschijnen er zwarte pinnen en een kleine zwarte staart wordt duidelijk.

“Zelfs ik weet niet waar hij naar toe is. Waarschijnlijk ergens ver weg van jou, waar hij zich veilig zal voelen. Je zult hem nu nooit onder je controle kunnen krijgen.” Nu schieten er tegelijkertijd vier paarse lichtsperen door alle vier haar poten. De draak brult het uit van de pijn en de frustratie niets aan de pijn te kunnen doen.
“Wacht maar, ik zal hem vinden en hem krijgen. Niets zal mij tegenhouden want ik ben Dracomar!” Zelfs zijn stem geeft aan hoe waanzinnig en gek hij eigenlijk wel niet is. “En tijd om het eerste mogelijke opstakel nu uit de weg te ruimen.” Tergend langzaam brengt hij zijn linkerhand omhoog. Vijf seconden later ontploft heel de grot en blijft er van de top van de berg niets meer over dan een simpel plateau waar alleen Dracomar nog staat. Zijn menselijke vorm heeft hij totaal van zich afgeworpen en staat nu in zijn ware vorm. Een enorme zwarte draak van vijfentwintig meter lang en zeven meter hoog. Zijn vleugels hebben een lichtpaarse kleur net zoals zijn ogen. Over heel zijn rug lopen scherpe zwarte stekels en zijn lange zwarte staart zwiept heen en weer. Zelfs in zijn drakenvorm is de waanzin nog duidelijk af te lezen van zijn kop.
“Ja, wacht maar ik zal je vinden en ik zal nemen wat mij toekomt!” En om zijn woorden kracht bij te zetten brult hij nog een keer luid juist voordat hij opstijgt en zo in de zwarte nachtlucht en de hevige regenval verdwijnt.

suuns @ 27-01-2008 12:34:19
Zoals ik al gezegd had Nico, het eerste was een kleine inleiding. Nu begint het verhaal, plus je zal wel achterkomen uit welk perspectief dat wordt verteld. je moet beetje geduld hebben hé. Geen enkele schrijver verklapt meteen alles.


nico @ 26-01-2008 12:50:08
Ik begrijp het niet goed. Waar is de ik-figuur nu gebleven? En vanuit welk perspectief wordt het verhaal nu verteld?


suuns @ 23-01-2008 16:13:24
Dank je beide, plus santie zoals tijd om is iets anders dan altijd sci-fi te schrijven hé. Plus je hebt eig nog geen enkel hoofdpersonage ontmoet
Malach mss een Messias figuur mss ook niet, zul je wel merken hé. ma je kent mij, verwacht het onverwachte


Santar @ 23-01-2008 14:13:32
Suuns die naar fantasy met elfen en zo gaat. Wat ga ik hier nog beleven . Fijn begin, maar pas op dat je je hoofdpersonage niet te machtig maakt. Dat smoort na een tijdje je verhaal. Geloof me .



F.A.W. Malach @ 23-01-2008 12:51:58
Mmmh, een lekker lang stuk! En we weten meteen hoe boosaardig Dracomar is. Knappe vondsten, die gouden kettingen, dat drakenei en de geboorte van de "beloofde". Een soort van Messias figuur, geloof ik... Ik ben benieuwd waar de gouden straal hem naartoe heeft gebracht? Die elfentaal was ook leuk, zo helemaal jij .
Greetz !



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens