donderdag 18 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Eva - Voor een keer de hulk
Gepubliceerd op: 03-09-2003 Aantal woorden: 3832
Laatste wijziging: - Aantal views: 1806
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Voor een keer de hulk

Eva


Dit is een toneeltekst voor twee personages. Twee jonge mannen. Type 'eeuwige student'. Arthur heeft Stein uitgenodigd om te komen hospiteren. Ze zijn gedurende het hele stuk in de keuken.


Stein: Zo.
Arthur: Ja. Het is een hoop.
Stein: Heb je dat in je eentje gedaan?
Arthur: Nee joh. Dat kan toch niet man,
Stein: Nee lul. Dat is onmogelijk.
Arthur: Zo goed kennen we elkaar nog niet.
Stein: Sorry, ik dacht dat we al zover waren.

A: Wil je misschien een appeltje?
S: Ja. Best.
A: Hier.
S: Er zit een stickertje op.
A: Ja, komt uit new zealand,
S: Ja, maar ik bedoel dat je moet uitkijken dat je m niet opeet.
A: Oh, ja. Bedankt.
S: Goede appel.
A: Dank je. Nou ja, alsof ik er wat aan kan doen he.

A: Dit is mn OV.
S: Ja, die heb ik ook. Weekend of week?
A: Week. Ik ga nog best vaak op stap in de week. Studie is niet elke dag.
S: Relaxed.
A: Stomme foto he?
S: Ja, je bent een schrijvertje.
A: Ja, dat zeggen er wel meer.
S: Het haar van een schrijver. Hier dan.
A: Ja, toen had ik het net geknipt.
S: Oh.
A: Maar ik weet in ieder geval dat als het niets word….
S: Kan je schrijvertje worden.

A: Verdient geen ene rochel. Coke?
S: Nou nee. Ik weet niet. Ik heb het nog nooit gedaan.
A: Eens moet de eerste keer zijn.
S: Ja, maar weet je. Wat doet dat dan?
A: Deze verandert je gedachten. Voor eventjes.
S: En dan?
A: Dan doe je alles wat je anders nooit zou doen.
S: Echt>
A: Nee, niet echt. Dat denk je. Voor even de hulk.
S: Voor even de hulk.
A: Alleen hopen dat je er niet echt groen van word. Dat gebeurt de eerste keer.
S: Oh.
A: Ja, maar eens moet de eerste keer zijn.

S: Ik doe het liever niet, als je het niet erg vind.
A: Ik vind het natuurlijk wel erg.
S: Ja, sorry weet je.
A: Jij bent er niet zo voor in.
S: Nee.
A: Goed vind ik dat. Dan moet je het niet doen.
S: Nee?
A: Nee.

S: Was dat meisje van jou?
A: Als ze niet van jou was.
S: Nee, nee. Ik bezit geen vrouw.
A: Voel je je daar rot over?
S: Valt wel mee eigenlijk. Ik hou er niet zo van.
A: Ben je homo.
S: Nee, niet perse.
A: Oh.

S: Zou je het erg vinden als ik homo was.
A: Ik zou het erg vinden als je het zou verzwijgen.
S: Ik ben homo. Geloof ik.
A: Oh.
S: Ik had het expres niet gezegd. Sorry.
A: Geeft niets.
S: Nee?
A: Nee.

A: Ei?
S: Nee.

S: Weet je dat jij zo’n man bent waar andere mensen aan denken?
A: Ja.
S: Vind je dat niet naar dat er zoveel aan jou gedacht word?
A: Je leert ermee leven. Het is niet zo leuk als het lijkt.
S: Het lijkt mij niet leuk.
A: Het is ook niet leuk.
S: Je hebt geen zelf meer.
A: Oh, jawel hoor. Alleen een andere.

A: Vind je het okee dat ik nu even onder de tafel ga zitten?
S: Als je dat wil.
A: Ik kruip nu onder de tafel.
S: Wat ga je daar doen dan.
A: Even rustig zitten.
S: Is het daar rustiger dan hier?
A: Nogal ja.
S: Zal ik mijn schoenen maar weer aan doen, misschien ruiken ze.
A: Ja, als dat niet een probleem is.
S: Is het daar echt rustiger?
A: Kom maar even voelen.

S: Het is hier stil.
A: Maar wel een beetje krap hoor.
S: Hebben we nog een tafel?
A: Ik zal even zoeken.
A: Ja, MAAR DEZE is wel kleiner.
S: Misschien moet ik daar dan onder, want jij bent iets groter.
A: Nou, zoveel scheelt dat niet.
S: Jawel.
A: Niet. Ga weg man. Hoeveel weeg jij?
S: Weet ik veel. Niet zo veel. Een kilo of zeventig,
A: Ja, ik ook zo iets.
S: Laat mij nou maar onder die kleine.
A: Okee.

A: Ben jij dronken?
S: Nee, een beetje aangeschoten.
A: Ja, ik ook. Ik word niet zo snel dronken.
S: Dat is een goede eigenschap.
A: Ja?
S: Geen wijf wil met een dronken man naar huis.
A: Ik weet niet of ik m nog omhoog krijg hoor.
S: Maakt niet uit. Ze is toch thuis. Andere mensen zien dat.
A: Hoe dan?
S: Ze volgen je, of bespieden je. En als je dan zegt dat er niets is gebeurt geloven ze dat niet.
A: Dat is inderdaad waar.
S: En haar ook niet. Want ze kennen jou.
A: En ze weten dat jij elke week een wijf mee naar huis neemt.
S: Juistem.

A: Misschien moeten we ook even stil zijn.

S: Ik kan geen stilte meer horen.
A: Het piept he?
S: Ja, het kraakt en het piept. Wij zijn te hoog opgeleid om stil te zijn.
A: Om stilte te kunnen verdragen.
S: Teveel meegemaakt.

A: Mijn zusje is vermoord weet je.
S: Oh jee, door wie?
A: Door de griep.
S: De griep had haar in de greep.
A: Maak er geen grapjes over.
S: Sorry.

S: Was het erg?
A: Ja, heel erg.
S: Hoe erg.
A: Dat zeg ik toch. Heel.
S: Heel is niets, heel is een woord dat te veel mensen gebruiken. Het raakt zijn betekenis kwijt.
A: Wat moet ik dan zeggen.
S: Of het echt erg was.

Het was lawaai, hersenloos lawaai. En geel met zwart.
Ja?
En hard en snel en modern, en onveilig. Dat je steeds achter je moet kijken om door te durven lopen. Het was durf,lef en hoge gebouwen. Hoge grijzen levenloosheid. Boze gezichten, grijze parken met drugs, en stelen en pak mijn portemonnee uit mijn jaszak, terwijl ik je vraag waar het station is, terwijl ik zeg hartstikke bedankt voor u vriendelijkheid en u glimlach. En hoe vriendelijk de mens toch is. Dat al die verhalen roddels zijn over die mensen die dingen van je nemen, die misbruik maken van een deel van zichzelf. Want ieder mens was toch gelijk, dat is mij verteld toen op de basischool, toen ik voor sinterklaas een donker popje had gekregen, en ik niet snapte waarom ze niet wit was. Terwijl ik echt niet minder van haar hield, maar iedereen was gelijk zie ze, iedereen. Je mag ook dat meisje met haar rode haar niet pesten, want stel je nou eens voor dat je zelf gepest word, dat is toch niet leuk?
Nee, dat is inderdaad niet leuk. Maar je word alleen gepest als je zelf niet pest. Deze wereld is fucked up.

Speelde jij met poppen?
Dat bedoel ik. Ik had niet gedacht dat je dat zou zeggen.
Waarom niet.
Ik dacht dat jij wijzer was omdat je stiltes niet kan verdragen.
Iedereen is toch gelijk.
Niemand is gelijk.
Maar iedereen mag toch hetzelfde?
Niet iedereen neemt hetzelfde. De mens is niet zo bescheiden als een olifant.

Waar heb jij het klokhuis gelaten?
Opgegeten.
Gatver. Eet jij klokhuizen?
Ja.
Sommige mensen doen dat. Typisch.
Is dat typisch?
Die nemen alles.

Was dat meisje nou van jou?
Ja.
Wat deed ze dan hier?
Wat ze gedaan heeft?
Ja.
Ze heeft naast me geslapen. Ze snurkte en liet een hele harde scheet vlak voor ik in slaap viel.
Gatver.
Dat is niet gatver. Meisjes scheten zijn eerlijk. Er is niets eerlijker dan meisjes scheten.
Er is niets eerlijker dan nieuws.
Nieuws is het meest oneerlijk.
Objectief, en recht voor zijn raap.
Onzin.
Dan hebben wij een meningsverschil.
Het is niet zo stil meer onder de tafel.

Hoe heette je zusje?
Kara.
Apart.
Vind je het niet mooi.
Jawel.
Ik noem mijn kind ook zo.
Heb je een kind.
Ja, maar ze is nog niet geboren.
Ik neem geen kinderen.
Kinderen krijg je.
Kinderen overvallen je leven, en verpesten je eigen.
Wat stelen ze dan?
Voedsel, geld en zelfkennis.
Voedsel, geld en zelfkennis.
Ja, je kan niet zonder he?
Voedsel geld en zelfkennis, waarom in die volgorde?
1, 2 en 3.
Is geld belangrijker dan zelfkennis.
Zonder geld zal je nooit zelfkennis krijgen.
Koop je dat?
Ja.

Ik ga op de tafel zitten.
Hoor je die herrie.
Ja.
Ik niet. Hier is het rustig.

Ik wil dat je goed schoonmaakt. Geen rotzzoi in mijn huis.
Het is hier al een rotzooi.
Voor jou is het rotzooi, voor mij is het orde, als jij mijn orde verziekt met jou rotzooi dat is het mis.
Tussen ons.
Nee, met jou.
Ik ben vrij schoon.
Dat kan schoner.
Ik verzorg mezelf goed. En ga best vroeg naar bed.
Hoe laat?
12 uur.
Altijd?
Ja, altijd.

Heb jij weleend iemand gesproken die een moord overleeft had?
Nee.
Dat lijkt me het ergste wat er is.
Ik zou niet meer op straat durven.
Ik ook niet.
Ik heb weleens een steekpartij gezien.
Ik ook. Wie niet?
Ja, wie niet.

Heb jij wleens iemand ontmoet die iemand vermoord had?
Nee.
Dat lijkt me het twee na ergste.
Ja. Mij ook.

Ben jij weleens vernedert.
Ja. Door vrouwen.
Oe, dat lijkt me erg.
Ja, dat is echt erg.
Een keer, toen ben ik zo vernedert. Ik had sex met haar en toen stopte ze ineens. Ze bevroos en ging huilen en ze zei dat ze het niet meer voelde.
Dat is echt erg.
Vergeet dat ik dat verteld heb.
Wat?

Heb jij deo?
Nee, deo is slecht voor je oksels. Dat stopt het transpireren.
Ja.
Transpireren hoort erbij. Dat is het leven. Transpireren is het leven.
Transpireren is het leven.

Ik val in slaap.
Wakker blijven!
Waarom?
We moeten praten, om elkaar te leren kennen. Anders slaap ik niet met jou in een huis,
Je hebt vannacht toch ook met mij geslapen.
Toen was ereen vrouw bij.
De eerlijke vrouw.
De eerlijke vrouwenschetenlaatvrouw.
Ik heb nog nooit een vrouwenscheet gehoord.
Wel geroken?
Dat weet ik niet. Hoe ruikt een vrouwen scheet.
Vaak erger dan je eigen scheten, en de scheten van je vrienden, bij elkaar.
Gatverdamme. Echt?
Ja. Echt. Vrouwen zijn echt smerig.
Vrouwen ruiken toch naar bloemen?
Vrouwen stinken naar zweet, en allerlei schoonmaakmiddelen bij elkaar.
Ruiken mannen lekker?
Heb je mij geroken?
Je voeten stinken.
Waarnaar?
Naar kaas.
Ik hou wel van kaas.
Of ei.
Ei stinkt ja.

En een vagina.
Gewoon.
Hoe dan gewoon?
Waarom noem jij het een vagina?
Zo heet het toch.
Durf je niet grof te zijn?
Nee. Ik ken je nog niet goed.
Mooi. Ik hou ook niet van grof.

Als witte wijn.
Droog of zoet?
Dat hangt van het meisje af.
Kutwijven ruiken naar droge witte wijn, kurkdroge.
Ik vind droge wijn beter. Zoete daar krijg ik zere tanden van.
Ja, maar ja je moet keuzes maken.

Ik zat met mijn hoofd vast aan mijnn broer.
We moesten alles samen doen.
Ik ook. Ik zat ook met mijn hoofd vast aan het hoofd van mijn broer.
Hij zag alles wat ik deed. Hoe ik at, hoe ik pieste, hoe ik krabde.
Ik werd er gek van. Hij had nooit honger.
Hij had altijd honger.
Hij snurkte.
Hij ook.

Voordat ik ging slapen dacht ik altijd even na. Hoe het anders zou zijn. Hoe ik het zou willen zijn. Gewoon zijn en alles fijn. Dat mensen hallo zeggen en dan eigenlijk willen zeggen ik hou van je omdat je een goed mens bent net als ik. Ik ben een goed mens, omdat ik twijfel over alles. Omdat ik nadenk hoe het anders zou moeten. Ik ben een goed mens omdat ik in mijn hoofd dingen verander en ooit zal iedereen dat begrijpen en hetzelfde doen.

Dat heeft geen zin. Je moet protesteren. Je moet brieven schrijven met leugens en overdrijvingen erin, en doe met parfum dichtplakken zodat een vrouw ze heeft gestuurd en dat ze dan bellen om een afspraak te maken en dat je ze dan bereikt, en dat je dan zegt hoe het is en waar zij mee bezig zijn en dan zeggen ze ja, je hebt gelijk en je krijgt een hoop geld en de wereld is gelukkig vanaf nu.

Jij liegt. Je bent zo oneerlijk als een aangelegd park.
Een aangelegd park is onschuldig. Een aangelegd park bestaat niet.
Een aangelegd parek is niet een echt park. Een aangelegd park doet alsof ze een park is midden in de stad dat er al eeuwen is waar kinderen in spelen. Maar dat is ze niet want ze heeft hobbelpaarden en jonge beukjes die groeien op groeimedicijn omdat ze het zelf niet meer willen. En kinderen vechten wie er op het hobbelpaard mag en dan duwt de sterkste de slapste eraf en dan huilt ie, en dan gaat ie dood.

Jij ziet de wereld somber.
Ja, ik ben een realistisch mens.
Pessimist.
Als ik daar gelukkig van word.
Daar kan je niet gelukkig van worden, daar maak je mensen ongelukkig mee.
Op de lange termijn zullen mensen gelukkiger worden dan nu.
Pessimisme is geen lange termijn werk.
In deze wereld wel.
Is er ook een andere wereld dan?
Nee.

Ik zag een fluitketel op tv. Het water kookte, en het was zo’n ouderwetse die heel hard fluit als het kookt, en het kookte.
Oh, zo een.
Ja.
Op welk net?
Volgens mij sbs 6.
Echt waar? Normaal zendden ze dat niet uit op dat net. Vind het meer een lokale oproep ding.
En toen kwam er een vrouw. Een vrouw met hele dikke eyeliner, en die vroeg aan de fluitketel: Heb je het warm:? En toen zei de fluitketel FFFFFFF. En buiten was het oorlog. En de vrouw had het koud, en hield haar handen boven de fluitketel om op te warmen, en er kwam heel veel stoom vanaf, en toen pakte ze een pannelap, en daarmee pakte ze de fluitketel en schonk ze het kokende water in een groene grote mok. Zo’n hele fijne mok die niet ruikt en die precies groot genoeg is en die van heerlijk materiaal is gemaakt, en dan laat ze het thee zakje in de mok zakken en haald hem een paar keer heen en weer. En het water word bruinig, en dan zet ze de fluitketel weer terug op een ander pitje, en dan pakt ze de mok maar die is te heet, en dan blaast ze een paar keer naar de thee terwijl ze hem snel weer op het aanrecht neerzet. Ze kan hem niet drinken. Ze wil het heel graag, maar het kan niet want het doet zeer.

Goh.

Wat is toch jou probleem?
Ik wil geen probleem hebben.
Dan moet je het oplossen.
Maar dan moet je er over praten.
Ja.
En dan pas heb je echt een probleem.
Omdat iemand anders het dan bevestigd.
Nee, omdat je het voor jezelf concreet maakt. Zodra je iets zegt of op schrijft is het er.

Zullen we wat gaan drinken in de stad.
Nee.
Ik moet er even uit.
Ga maar.
Ga mee.
Je breekt onze kennismaking. Waarom doe je dat?
Ik zit hier al te lang onder een tafel. Ik zei toch dat ik slecht tegen stiltes en rust kan. Ik wil mensen om me heen die schreeuwen. En dingen doen waar ze spijt van krijgen, want die doe ik dan ook, en dan kan ik morgen tegen jou zeggen: oh, ik heb toch zo iets stoms gedaan.

Jij ook altijd.
Ja, ik weet het. Het ging echt nergens over.
Wat was het dan?
Ja, ik durf het bijna niet te vertellen.
Je hebt toch niet…
Ja, ik denk het wel. Maar ik weet de helft niet meer man, het ging allemaal zo door elkaar en alles bewoog.
Had je teveel gedronken.
Ja, ook dat nog. Ik durf echt de straat niet meer op. Ik schaam me zo.
……..

ik moet je zeggen dat ik gek ben. Er zit een steekje los bij mij.
Welk steekje dan?
Dat weet niemand precies. Anders ben je niet gek. Want als ze het steekje kunnen vinden dat kunnen ze het vast zetten. En bij mij weet niemand waar het zit. Het zit in een prop, en zelf die prop kan niemand vinden. Maar ik voel hem wel, overal, de hele dag en de hele nacht. En hij beweegt ook van de ene situatie naar de andere, en in plaats van dat ie inkrimpt word ie groter en groter, en ben ik bang dat ie ooit mijn lijf overneemt en dat ik dan helemaal niets meer kan.
Maar je kan wel gewoon alles?
Nee, ik kan niets.
Wil je niets?
Ik durf niets.
waar ben je bang voor?
Voor mezelf, dat ik dingen doen, en dat andere mensen dingen bij mij doen, en dat ik zomaar neerval of dat ik moet kotsen of dat ik op een fietspad fiets langs de weg en dat ik dan ineens mn stuur omsla als er een auto komt en dat ik er dan onder lig. Of dat iemand iets tegen me zegt en dat ik daardoor moet huilen of kwaad word, zo kwaad word dat ik alsnog moet huilen. Of dat ik in de supermarkt sta en de supermarkt word ineens donker en ik kan er niet meer uit, of dat ik in mn eentje midden in de nacht naar huis moet lopen en dat ik zo bang ben dat ik heel snel adem en steeds sneller moet ademen en dat ik zoveel energie verspil dat als ik thuis kom ik hyper ben en niet meer kan slapen. Ik ben bang om bang te zijn, om heel bang te zijn en dan niets meer te durven omdat ik overal bang voor ben.

Ben je hier ook bang, en voor mij?
Nee, dat is niet hetzelfde. Ik heb nu de macht. Ik neem jou in huis. In mijn huis. Mijn bank, alles is van mij.
Maar je bent tocg bang voor jezelf.
In een andere situatie, thuis ben ik alleen bang als ik nadenk. En dan ben ik meestal alleen. Ik kan er goed over praten. Dat is niet erg.
Ik kan best goed luisteren. Heb je mij daarom gekozen?
Onder andere, denk ik.
Ik ben niet van plan alleen maar te luisteren hoor. Ik wil ook wel eens iets zeggen.
Ik ben ook niet bang voor vrouwen. Vrouwen die hier zijn, jij wel.
Niet altijd hoor. Alleen voor grote vrouwen ebn ik bang.
Ik juist voor kleine,
Waarom?
Kleine daar is niemand bang voor, dus die hebben geleerd hoe ze mensen bang moeten maken, grote niet.
Grote vrouwen zijn als reuzen. Dat ze naar je toe lopen en dat er een schaduw over jou en je hele huis en tuin en familie valt.
Leven in de schaduw.
En die gaan schreeuwen als ze iets willen.
Wil jij koffie.
Jij kan niet luisteren, ik merk het al.
Jij kan niet praten. Oorzaak – Gevolg.

Ja, ik wil koffie. Heb je ook een koekje?
Wat voor koekje wil je?
We hebben al best lang niets gegeten, dus een groot koekje.
Een gevulde of appel koek ofzo?
Ja, zoiets, of een beignet, of een aantal chocolade koekjes.
Of weet je wat lekker is: Speculaas. Met dat spul erin.
Ja, dat zoete. Van die dikke winter speculaas.
Oh, daar heb ik trek in. Een moedr van een vriendin maakte dat altijd zelf. Dan was het nog warm.
En dan at je het met warme chocolademelk.
Ja, of met thee. Maar nu met koffie.
Heb je speculaas?
Nee. Ik heb helemaal geen koek, ik eet eigenlijk nooit koek, alleen maar drop.
Ik heb geen trek in drop.
Nee, ik ook niet.
Nou ja, koffie is ook goed.
Ja, koffie dat houdt ons wakker.
Geloof je dat echt.
Ja, dr zit tocg cafeine in.
Ja, maar het werkt niet bepaald snel.
Je moet een paar koppen nemen.
Doe er dan extra koffie in en minder water.
Dat zal ik eens proberen.

Ik heb weer even zin in stilte, kun je even stil zijn.
Ja hoor.

De wegen worden breder.
Monden worden groter.
Wij hebben niets gemeen.

Kom jij ooit buiten.
Nee.
Mis jij geen lucht, en beweeglijkheid.
Ik kan toch mijn raam open zetten.
Mis jij niets?
Ik zou niet weten waarom.

Ik ben heel erg moe.
Daarom geef ik je koffie, we zijn nog niet uitgepraat.
Vind je het gezellig dat ik er ben?
Ja wel hoor.
Waarom verhuur je de kamer?
Geld.
Om geld te krijgen moet je naar buiten.
In dit geval niet.
Krijg je geld van je ouders.
Ja, en van de regering.
Aardig van ze.
Ja.
Maar je wilt meer.
Ik heb geen geld nodig. Het is de afleiding.
Ik ben hier voor de afleiding?
Ben je het daar niet mee eens?
Mwoah. Ik twijfel.
Had je iets beters te doen.
Nou ja, beter. Ik weet niet of het beter was.
Dat weet je nooit. Wat was het?
Huiswerk. En tv, denk ik.
Ik geloof dat je hier meer van geleerd heb.
Wat dan?
Leer je niet veel van mij?
Jij komt niet buiten, wat kan ik dan van jou leren?
Ik denk veel. Dus dan zal ik ook wel veel weten.

Zal ik nu gaan?
Drink je koffie op.
Hebben er nog meer mensen op de advertentie gereageerd?
Ja.
Komen die ook allemaal slapen?
Ja. De kamer nood is hoog.
Wat zeg je ze dan?
Dat ze zich moeten bewijzen, omdat ik niet iedereen vertrouw.
Zo genees jij.
Misschien wel.
Wat doe je met de kamer?
Wil je hier nog wonen?
Nee.
Dan weet ik het niet.

Mijn koffie is op.
Wil je een koekje?
Je hebt geen koekjes.
Fruit?
Nee, ik heb al een appel op.
Banaan? Drop? Thee?
Nee, dank je.
Iets anders?
Een tientje.

Ik geef je een tientje.
En dan ga ik.
Hoe is het buiten nu?
Stil. Het is al laat.
Nee, maar hoe is het echt.
Groen met grijs. De straat is vreemd. Druk en dan weer stil, maar nu is het stil. Ga met me mee. Dan gaan we nog even ergens heen.
Jij houd van stilte.
Ja, ik vind het heerlijk om nu nog even op straat te lopen.
Je bent gek.
Nee, jij bent gek.
Ik ga niet mee. Ga maar.
Kom nou. Wat kan er gebeuren.
Daar gaat het niet om.
Waar dan om? Begrijpt iemand het?
Niemand heeft hetzelfde. Ik kan het je niet vertellen, want dan is het waar, of is het onzin. En dat is het probleem.
Helpt het als ik zeg dat ik het begrijp?
Ja.
Ik begrijp het.
Wat denk je dan?
Ik denk dat je gelijk heb. Dat als je over buiten nadenkt terwijl je binnen zit en dat je teveel nadenkt terwijl je binnen zit. Soms heb ik het andersom. Als ik buiten ben ben ik soms bang om naar binnen te gaan.
Dus wat moet ik doen.
Dat kan ik niet zeggen. Je weet het zelf het beste.
Binnen blijven en gaan slapen.
Dat denk ik ook.
Ik laat je even uit.,
Dank je wel.
Ga je nu nog wat doen?
Nee, ik denk dat ik naar huis ga.
Okee. Laat je nog eens wat horen?
Misschien wel.
Ik kijk je uit straks. Zwaai je dan nog even?
Ja, dat is goed.

Dag.



@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens