vrijdag 21 september 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
God Dethroned - ...en hij zag dat het goed was
Gepubliceerd op: 15-08-2003 Aantal woorden: 1027
Laatste wijziging: - Aantal views: 2272
Easy-print versie Aantal reacties: 2 reacties

...en hij zag dat het goed was

God Dethroned


32 was hij, fors gebouwd, breed geschouderd en ietwat lang golvend bruin haar, dat net niet tot het verwijfde toe kwam. Z'n naam is slechts bijzaak, en hem in een tijdskader plaatsen of een woonplaats toebedelen, zijn zaken die geen enkele relevantie met zich meedragen. Laten we het liever hebben over zijn maagdelijk wit hemd dat in een eeuwige strijd verwikkeld leek met zijn onafscheidelijke zwarte kostuumbroek. Te weten dat hij een jurist was, kan misschien bijdragen tot het schetsen van een beeld in je hoofd. Succesvol, inclusief de opgeblazen en doorprikte pogingen tot het uitstralen van een verfijnde levensstijl.
Het uitspreken van een huwelijksbelofte had hij nog niet ondergaan, trouwens, geen enkele slepende verbintenis met een partner was reeds in z'n leven binnengedrongen. Niet dat hij er zich om bekommerde, niet dat hij streefde naar het tegendeel, helemaal niet. Regelmatig zag men een van zijn talrijke vriendinnen met een bovenmaatse glimlach op onchristelijk uur zijn woning verlaten. Hij was het type man waarmee vrouwen met plezier hun eigen man bedrogen.
Alles floreerde naar de buitenwereld toe. Wanneer hij alleen in zijn huis vertoefde en de eventuele laatste gast de gezelligheid met zich mee had genomen, werd hij telkens opnieuw geconfronteerd met zijn ene ongemakje. Het ergerde hem niet meteen mateloos, het was eerder een handicap waarmee hij had leren leven, die hij met het verstrijken van de tijd had kunnen aanvaarden.
Niemand was op de hoogte. Eens was het geheim met drieŽn gedeeld, totdat zijn ouders het tijdelijke voor het eeuwige verwisselden.
Niemand wist van het bestaan van zijn broer af.
Al die jaren terug, was zijn moeder de cocon van een tweeling. Bij de thuisbevalling was hijzelf probleemloos ter wereld gekomen, daar waar bij zijn broer een luchtgebrek was opgetreden, nog lang voor het daglicht in z'n ogen zou priemen. Het had hem een fysieke en mentale afwijking bezorgd.
Onder de gordel was verlamming opgetreden, terwijl erboven ongecontroleerde bewegingen domineerden. Zijn linkermond was als het ware vergroeid met z'n neus en op de te verwaarlozen rotte ophopingen na bezat het gedrocht geen tanden. Haar had hij al helemaal niet, en zijn achterhoofd liet bijna fier een kolossaal gezwel schitteren. De ogen keken twee verschillende richtingen uit, leken twee gescheiden levens te leiden, observeerden beide verschillend, maar konden de waarnemingen toch bijna niet verwerken.
Na de geboorte was het kindje op een muffe zolderkamer geplaatst, waar het nog steeds vegeteerde en langzaam meer vergroeide met de duistere nis. De schaamte, de woede, de onmacht waren immens bij de bevalling, van dergelijke aard dat deze daad door de ouders een spontane reactie was geweest. De moreel was nog net hoog genoeg geweest om het leven te behouden.
De gezonde knaap werd het pronkstuk naar vrienden en familie toe, het misbaksel werd doodgezwegen. Jaren terug, hij had z'n studies juist beŽindigd, was hij ingewijd in de familietragedie omtrent zijn broer op zolder, maar liefde had hij nooit meer kunnen koesteren voor het monster, z'n ouders net zo min. Na de dood van eerst z'n vader, en kort daarop z'n moeder die na het heengaan van haar man was gaan verwelken, was hij hetzelfde huis blijven bewonen en had zo ingestemd de last te blijven dragen.
Het gedrocht op zolder sleet dag na dag, hijgde soms eens in de richting van een streepje zonlicht dat tussen een slecht geplaatste dakpan binnenviel en had als enige afwisseling af en toe een verdwaalde kraai waarvan het geluid tot in de kamer doordrong, en het feit of het dekentje waarop hij lag zacht en wollig dan wel als staalwol was.
Een naam had hij nooit gekregen, affectie was hem nooit gegund. Toch leek zijn gezicht liefde uit te stralen wanneer zijn broer hem twee maal daags kwam voederen. Alleen het hoogstnodige, want een gedrocht op zolder is maar een geldlek, om niet te spreken over het nachtelijke gehuil dat het wezen met horten en stoten voortbracht.
Toch veranderde er op een dag iets. De verstotene kreeg van zijn broer een eerste vorm van betrokkenheid. Het gedrocht werd aangeleerd iedere brief die de jurist ontving te openen. Alleen de envelop zachtjes op te rijten welteverstaan, want wanneer hij betrapt werd op het eruit vissen van een document of reclamefolder, werd hem de eerstvolgende maaltijd onthouden. De debiel leerde het verrassend goed, men zou zelfs fierheid uit z'n gelaat hebben kunnen opmaken, en wanneer de jurist echt aandachtig toekeek, leek hij te zien dat z'n verzwegen familielid zich belangrijk voelde, gewaardeerd, hoewel hem nooit emoties waren voorgeschoteld.
Zo opende hij die niet bestond voor de wereld de aandacht die zijn aanvaarde broer ontving.
De jurist bedacht een test, een met een niet concreet bepaald doel, die in elk geval toch plezier kon verzekeren.
Hij deed het allemaal vlot en gepland. Hij ging naar boven en hield het schepsel een spiegel voor, die op zijn beurt stoÔcijns en apathisch naar de reflectie zichzelf staarde. Vervolgens nam hij een foto van zijn verkankerd familielid, en trok zich daarna terug om de debiel weerom in z'n ritme te brengen.
De foto verwerkte hij in een overlijdensbericht dat hij met volwaardige perfectie zelf vervaardigde, en na enkele weken voegde hij dit tussen de dagelijkse portie brieven, folders en rekeningen.
Uitzonderlijk ging hij die dag in de namiddag naar de claustrofobische zoldercel. Hoewel het nog veel te vroeg was voor het avondeten, had zijn nieuwsgierigheid toch de bovenhand genomen en elke vorm van rust en gelatenheid bruusk de kop ingedrukt. De trap naar de eerste etage werd in kalmte overbrucht, terwijl hij in zichzelf fantaseerde. Bij de trap naar de tweede etage werden steeds drie treden overgeslagen, terwijl z'n ogen ontdeugend straalden. De hendel van het zolderluik werd in een overdreven kinderlijk enthousiasme naar beneden gesleurd. Wild klauterend met alle arm- en beenkracht werkte hij zichzelf in luttele seconden op het schamele trapje.
Het overlijdensbericht was uit de omslag gehaald. Aan de ene kant raakte het de grond, aan de andere kant werd het papier in een krachtige greep vastgeklemd. Het gedrocht lag roerloos en grauwer dan voorheen op zijn doek. Een streepje braaksel liep nog uit z'n mondhoek en begon reeds te stollen.
De jurist lachte...


Simone @ 21-12-2007 16:33:01
das kei zielig is hij nou dood?ik vind het wel erg mooi geschreven


Simone @ 29-01-2006 21:20:36
Wow...



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Renť Claessens