woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Pengeheim - Rozemarijn 1
Gepubliceerd op: 30-06-2007 Aantal woorden: 885
Laatste wijziging: - Aantal views: 1477
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Rozemarijn 1

Pengeheim


HOOFDSTUK 1

Mexico, 17de eeuw. De Spanjaarden hadden de macht in handen en regeerden als dictators. Ze plunderden en onderdrukten het arme volk wiens kreet naar vrijheid galmde over de wereld. Helaas, hun smeekbede werd niet verhoord… Zodoende ondergingen de mensen een wreed lot, een lot dat reeds vele volkeren beschoren was. Het onrecht stond haast aan de lippen en verscheidene mensen raakten op het slechte pad; Oscar Velez bijvoorbeeld.
Hij woonde in een armtierig dorp waar de lemen huizen met strooien daken als treurwilgen langsheen de zandweg pronkten, waar mensen weigerden hun mondhoeken om te krullen tot een glimlach of hun ogen het vuur van vrolijkheid te laten spuwen. Elke emotie beklemtoonde de doffe emotie. De jongeman waggelde over het zand en murmelde binnensmonds een liedje. Alle omstanders snoven minachtend. Opnieuw stomdronken!
‘Toch spijtig,’ jammerde een oude vrouw, ‘Hij leek me een lieve, knappe jongen.’
Tsja, hoewel zijn zwarte haren - vrij normaal in Mexico - sierlijk gekruld waren en hij groene ogen had gelijk de kleur van jonge plantjes overgoten met dauwdruppeltjes, bezat Oscar een veel mindere fraaie kant. Hij stonk immers meestal naar de drank, droeg gehavende kleren opgesmukt met stoflappen en aarde besmeurde zijn gezicht.
Plotseling rees een lange man op uit de kudde snibbende mensen. Het was alsof de klokken middernacht sloegen, want de man bezat typische kenmerken van een spook: graatmager, lijkbleek gelijk zijn kledij en holle ogen. Enkel de vettige, sluikse haren en groezelige sikkebaard vermoedden dat deze zonderlinge man een levend wezen was.
Hij bewoog zich traag naar Oscar toe. Precies zwevend; het zand kleefde niet aan zijn poederschone laarzen. Oscar kreeg hem in het kielzog en brulde:
‘Beroof me maar! Ik heb geen rooie duit!’
De man stak zijn hand uit - de vingers leken smalle takken - en greep Oscars pols. Een wansmakelijke koude omarmde de verbijsterde jongeman. Met zijn andere hand legde de mysterieuze man 2 peso’s in de handpalm van Oscar Velez.
‘Hier,’ zei hij bruusk, ‘Moge dit de eerste vruchten zijn van een welvarend leven. Verdoe je niet aan zonden zoals alcohol. We hebben het allemaal moeilijk, maar strijden voor rechtvaardigheid!’
‘V-vier goudstukken,’ stamelde Oscar en staarde naar het geld alsof die een onweerstaanbare charme bezat. Toen hij weer opkeek om de milde weldoener te bedanken, was de man echter verdwenen. In rook opgegaan…
Oscar haalde nonchalant de schouders op. De peso’s integreerden hem meer. Terwijl hij plannen smeedde, groeide twijfel. De woorden van de man bevatten waarheid. Hij had namelijk een tweede kans gekregen. Gedaan met problemen, rijkdom en vreugde zouden voortaan zijn leven vervullen! Maar de wijn verstuurde een onweerstaanbare lokroep en Oscar voelde het door merg en been snijden. Hoewel hij zich hevig verzetten, zwichtte de jongen en trok - enigszins beschaamd jegens geen wilskracht - richting taverne.

De nacht viel en trok een deken over het dorp. Bewoners sliepen in de wetenschap dat fonkelende sterren over hen waakten. Enkel de taverne bood leven; gesymboliseerd in de schelle, flakkerende toortsen die langzaam doofden. Weldra was deze plaats eveneens rust.
De enkele aanwezigen dronken hun glas leeg en stapten op.
Doch werden zij tegengehouden door de luide binnenkomst van vier gasten. Men schrok.
Noch de bloedrode vesten met blinkende manchetten, noch de zwarte hoeden en blauwe broeken boezemden angst in, maar die nieuwelingen hadden een lichtere getinte huid dan de doorsnee Mexicaan en musketten om de schouders. Spanjaarden!
Keurig stonden zij stokstijf in het gelid, behalve één. Oordelend naar de medailles die zijn borst decoreerden, was hij de leider. Hij was gezet en nors met varkensoogjes die zich versmalden tot kille spleetjes waarmee hij iedereen nauwlettend in het oog hield. De dorpelingen maakten vlug een flauwe buiging. Allerminst uit respect, wel om problemen te vermijden. Het behaagde de struise Spanjaard tot de schaduw zijn aandacht trok.
In een hoekje aan de toog - waar het licht zich niet strekken kon - sliep iemand. Wie was zo’n onbeschofte boerenkinkel die het Spaanse gezag tartte? Dat kon de soldaat niet dulden en hij stampte de slapende tooghanger ruw van de kruk. Laatstgenoemde viel met een smak om tenslotte versuft overeind te krabbelen.
‘Lelijke aap,’ beschimpte Oscar Velez de soldaat, ‘Je hebt mijn leven misschien verwoest, maar het recht om te schelden blijft bestaan, ondanks jouw tirannie.’
Intussen zocht de jongen houvast bij de toog, want recht blijven staan lukte amper.
‘Haha! Dronkemanstaal!’ smaalde de Spanjaard, ’Moeten wij je serieus nemen?’
Zijn stemming sloeg meteen om in bittere ernst.
‘Belediging aan hogere instanties,’ blafte hij en besproeide Oscar rijkelijk met speeksel, ‘Dat tolereren we niet!’ Hij haalde vernietigend uit met gebalde vuist waarmee Oscars slaap werd geraakt. De arme jongeman voelde hoe alles draaide en zag niets behalve hoe duisternis opdoemde. Zijn oorschelpen suisden; klanken verdwenen langzaam. Vlak voor Oscar het bewustzijn verloor, hoorde hij een nog laatste kristalheldere vrouwenstem: ‘Stop!’
Jong, dynamisch, helder, fris,… het was of Oscar de engelen hoorden zingen, begeleid door gulden harpen. Nagenietend zonk hij weg in de donkere periode. Hij vormde een magisch beeld over de vrouw. Toen Oscar weer de ogen opende, merkte hij dat de taverne uitgestorven was, indien je die mysterieuze weldoener negeerde die hem grijnzend aankeek.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens