vrijdag 19 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Harrij Smit - Welkom in de Vogezen
Gepubliceerd op: 27-06-2003 Aantal woorden: 2506
Laatste wijziging: - Aantal views: 1795
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Welkom in de Vogezen

Harrij Smit


Er zijn van die gebeurtenissen die je niet licht vergeet. De kerstdagen van drie jaar geleden bijvoorbeeld, toen de kerstbomen ons letterlijk om de oren vlogen. Mijn vrouw en ik zijn de vijftig gepasseerd, en sinds de dag dat onze kinderen het nest verlaten hebben, geven we regelmatig gehoor aan onze impulsieve en zwerflustige aard. Het begon die keer met een eenvoudig verlangen. We wilden wel weer eens een witte kerst. Omdat de temperatuur in Nederland niet beneden de tien graden wilde zakken, stapten we vroeg in de ochtend van 24 december in ons bestelbusje, en gingen op weg naar Frankrijk.
Halverwege de middag verlieten we tussen Colmar en Mulhouse de grote weg, om via het aan de oostelijke rand van de Vogezen liggende stadje Thann de bergen in te rijden. Het regende, maar op de hoger gelegen hellingen zag het wit van de sneeuw. Onze zoektocht naar een witte kerst leek succesvol te worden. Een paar kilometer voor het dorp Saint-Amarin draaide ik de bus een breed pad op. Met grote slingers bracht het ons hoger en hoger de bergen in. De regen ging nu over in sneeuw, en overal ontstonden witte plekken. Terwijl ik de auto behoedzaam tussen boomstronken, kuilen en rotsblokken manoeuvreerde, keken we uit naar een plaats waar we ons zouden kunnen verstoppen. De knoestige oude bomen die het pad omzoomden, gaven weinig dekking en de daar achter liggende begroeiing van brem en buxus zag er ondoordringbaar uit. Na een paar kilometer vonden we een smal bospad dat naar een kleine open plek in een dennenbos leidde. Aan de rand ervan, onder de gebogen takken van een prachtige spar, konden we het busje kwijt. Het leek een prima plek. Uit het zicht, en ver van de bewoonde wereld.
Tevreden stapten we uit. Het besneeuwde bos en de bergen rondom waren van een ongekende schoonheid. Er hing in het verstilde landschap een geheimzinnige, feeërieke sfeer, die door het zwakker wordende licht nog versterkt werd. Her was bijna kwart voor vijf. Een rilling trok over mijn rug. Mariet had het blijkbaar ook koud, want ze vluchtte met haar hoofd diep tussen haar schouders de bus in. Ik zette een paar keien onder de wielen en volgde haar voorbeeld. Met een paar kussens in de rug nestelden we ons op de matras, die op de vloer van de bus dienst deed als bed en bankstel. Door de motor van het busje te laten draaien, konden we de ergste kou verdrijven, maar al gauw moesten we met jas en al onder het dekbed kruipen. We dronken wijn en smulden van vers stokbrood met geitenkaas. Door de achterruit konden we zien hoe ontelbare sneeuwvlokken naar beneden dwarrelden.

'Misschien sneeuwen we in,' zei Mariet.
Ik kroop behaaglijk tegen haar aan. 'We hebben voor minstens drie dagen eten aan boord, daarna moeten ze ons maar uitgraven.'
Demonstratief verborg ze haar hoofd onder de kussens.
'We hadden mijn vader bij ons moeten hebben,' vervolgde ik. 'Die zou ons binnen de kortst mogelijke keren weer onder de sneeuw vandaan helpen. Hij heeft zijn halve leven met een schop gewerkt. Vroeger. Toen mannen nog kerels waren.'
'Een uitspraak van je vader?'
Ik knikte. 'Ja. Gelukkig is hij er niet echt bij. Hij heeft de pest aan sneeuw. En aan kou, en aan onnodige risico's en zo. En bovendien zou hij met Kerstmis beslist niet van huis zijn gegaan.' Ik herinnerde mij zijn barse stem: "Met Kerstmis hoort een mens thuis te zijn!" In een flits kwam de kerstsfeer van de jaren vijftig bij mij langs. Overal kaarsjes, echte kaarsjes. Een emmer water binnen handbereik. De opgetuigde kerstboom, het vertrouwde kerststalletje, kerstliedjes zingen. De gloeiende kolenkachel. Lekker eten. En flakkerende kaarsjes op tafel. Het was altijd prachtig geweest. Maar dat waren andere tijden. Nu zaten wij hier. Ergens hoog in de bergen, met zijn tweetjes in een oud busje.
'Het is maar waar je voor kiest,' mompelde ik tegen de sneeuwvlokken die lichtvoetig op het zwarte scherm van de achterruit dansten.
Mariet keek mij vragend aan.
'Dit is nu ons thuis,' zei ik. 'Midden in de Vogezen. In de sneeuw, in een sprookjesbos. Voorlopig blijven we hier wonen.'
Met een warme glimlach boog ze zich naar mij toe. Een sneeuwvlok had mij niet zachter kunnen kussen.


We waren in elkaars armen in slaap gevallen. Toen ik mij weer van mijn omgeving bewust werd, bleek er een storm te zijn opgestoken. Mariet lag met haar hoofd op mijn gevoelloos geworden arm. Ik draaide mij voorzichtig om, maar ze werd wakker.
'Het klapt van de regen,' zei ik overbodig, want het lawaai boven ons hoofd sprak duidelijke taal. Striemende regen kletterde op het dak en tegen de ruiten. Hevige windvlagen joegen denappels en stukken dood hout naar beneden.
'Daar gaat je witte kerst,' zei ze slaperig. Hoe laat...'
'Het is bijna vier uur. Welterusten.'
Maar we deden geen oog meer dicht. De storm werd steeds heviger en leek tegen de ochtend tot orkaankracht aan te zwellen. Zeer zware rukwinden lieten de bus schudden als een boot in de branding en de neerkletterende regen maakte nu zo'n oorverdovend lawaai op het dak, dat we moesten schreeuwen om elkaar te verstaan.
We kropen diep onder het dekbed, en bang luisterden we naar het tumult. De bomen kreunden en kraakten en leken met hun zware basten tegen elkaar te schuren. Voortdurend hoorden we takken breken, en af en toe was het geluid van knappend en versplinterend hout zo hevig, dat het leek alsof er hele bomen afbraken. We probeerden naar buiten te kijken, maar achter de gutsende regen op de ruiten zagen we niets dan inktzwarte duisternis. Plotseling was er een vreemd, zuigend geluid van modder of klei, en terwijl er stukken hout -of waren het keien? - tegen de bus kletterden, kwam er met veel gekraak een boom naar beneden. De cabine werd ingedrukt en er vloog een hagel van glas om ons heen. In een reflex trokken we het dekbed over ons hoofd. Machteloos bleven we liggen, onze lijven dicht tegen elkaar aan, ons hoofd nu verstopt onder de kussens. We durfden voor geen goud de bus uit. De bescherming die de zwaar gehavende carrosserie ons bood leek minimaal, maar daar buiten was de hel losgebroken. Overal hoorden we het angstaanjagend geluid van afknappende en vallende bomen en na een tijdje kwam er opnieuw een boom op de wagen terecht, en kort erna nog een, maar de bus werd niet veel verder in elkaar gedrukt.
Toen het om een uur of half negen licht begon te worden, woedde de storm nog steeds in volle hevigheid, maar er kwamen geen bomen meer naar beneden. De zwaar beschadigde bus was bedolven onder een zee van dennen, stukken ruwe, geschubde stam en versplinterd wit hout. De ingedrukte cabine was een grote ravage, de drijfnatte vloer was bezaaid met glas, stukken bast en dennennaalden. We spanden een stuk grondzeil tussen de cabine en het slaapgedeelte en kropen opnieuw in ons geïmproviseerde bed.
Een paar uur later begon de storm te luwen, maar het bleef hard regenen. We zetten koffie en aten wat brood. Daarna gingen we op zoek naar onze kleine wereldontvanger, die gelukkig nog heel bleek te zijn. Al snel kwamen we aan de weet dat een groot deel van Frankrijk door een ongekend zware orkaan getroffen was. Op veel plaatsen was de elektriciteit uitgevallen en waren de telefoonverbindingen verbroken. Overal versperden omgewaaide bomen de weg, waardoor de hulpverlening nauwelijks op gang kon komen. Het was duidelijk dat we voorlopig niet op hulp hoefden te rekenen. Maar we hadden dikke jassen en stevige bergschoenen, we zouden de bewoonde wereld wel halen.
We bestudeerden de drijfnatte wegenkaart en kwamen tot de conclusie dat we maar het best bergafwaarts konden gaan. Daar lag, in een langgerekt dal, de N66. Met een beetje geluk zouden we die voor donker kunnen bereiken, waarna het niet zo moeilijk zou zijn om het dorp Saint-Amarin te bereiken. De tijd drong. Het was al bijna half twee en we hadden berekend dat we minstens tien kilometer van het dorp verwijderd waren. Bovendien moesten we zeker zo'n vijfhonderd meter zakken.


Omdat alle deuren ontzet waren, moesten we door de vernielde voorruit naar buiten klimmen, waarna we ons slechts met veel moeite tussen de scherpe takken van de omgewaaide bomen door wisten te wurmen. Het dennenbos was een ravage. Er stond haast geen boom meer overeind. Veel bomen die niet ontworteld waren, bleken als luciferhoutjes te zijn afgeknapt. Pas toen we na veel geklim en geklauter de rand van het dennenbos bereikt hadden, werd het beter. Hier stonden voornamelijk loofbomen, die dankzij hun kale kruinen de orkaan goed hadden doorstaan. Opeens konden we flink opschieten.
We ontdekten een met gele rechthoekjes aangegeven wandelroute en even later een bordje dat naar Saint-Amarin verwees. Hoopvol bleven we de gemarkeerde route volgen, tot we onze weg opnieuw versperd vonden door een massa over elkaar heen gevallen dennen. Het was onmogelijk die route naar het dorp nog verder te volgen. We trokken in een wijde boog om het verwoeste bos heen, waarbij we ons door ongebaand terrein moesten worstelen. Toen we na veel vallen en opstaan via een smal ravijn op een glooiend heideveld terechtgekomen waren, begon het donker te worden. Aan de andere kant van de hei vonden we een smal pad, dat steil bergafwaarts ging. Het was een gevaarlijk, glibberig keienpad en omdat het donker geworden was, moesten we voortdurend onze snel zwakker wordende zaklantaarn gebruiken. Hand in hand gingen we verder, tot we struikelend en glijdend op een smalle asfaltweg terechtkwamen.
We waren nat, smerig en koud, maar gelukkig regende het niet meer. De asfaltweg was redelijk begaanbaar, slechts zo nu en dan moesten we over een omgevallen boom klauteren. De batterij van de zaklantaarn was bijna leeg, maar regelmatig verscheen nu de maan tussen de jachtende wolken. Mariet wees op een telefoondraad, die boven de weg zichtbaar was.
Even verder vonden we een zijpad. Aan een boom hing een bord: LES DEUX HETRES - Propriété privé, en er hingen bordjes met verboden toegang. Hoopvol volgden we het pad dat werd geflankeerd door dikke beuken. Er waren heel wat grote takken naar beneden gekomen, maar alle bomen stonden nog overeind. Het pad was kaarsrecht en minstens honderd meter lang. Aan het eind bevond zich, in een manshoge muur, een smeedijzeren hek, dat gastvrij open stond. Daarachter verhief zich een château, een prachtig, oud landhuis van twee verdiepingen, met hoge ramen en een breed bordes. In het licht van de maan konden we de fraaie contouren van het gebouw goed onderscheiden. Aan beide zijden stond een enorme boom, waarvan de knoestige kale kruinen zich tot ver boven het dak verhieven. Les deux hêtres, de twee beuken.


'Aardig plekje voor een kerstdiner,' zei ik. 'Al vrees ik, dat er niemand thuis is. Er brandt nergens licht.'
'Dat zegt niks,' zei Mariet hoopvol. 'De Fransen hebben altijd alle luiken dicht.'
Maar op ons roepen kwam geen antwoord. Mismoedig liepen we terug naar het hek. 'Waarom staat zo'n hek eigenlijk open?' mopperde ik teleurgesteld.
'Ik zie een lichtje,' zei Mariet.
Tegen de kasteelmuur aangebouwd bleek zich een dienstwoning te bevinden, en achter een van de raampjes flakkerde inderdaad een lichtje. Aarzelend klopten we op de deur, die bijna op hetzelfde moment geopend werd.
'Het licht doet het niet,' klonk een mannenstem in het Frans. 'We dachten al wat te horen. Maar waarom zijn jullie zo laat? We zitten al vanaf vijf uur te wachten.'
'Pardonnez-moi, monsieur,' begon ik in mijn beste Frans. 'Wij zijn vast niet degenen op wie u wacht. Wij zijn verdwaalde Hollanders, mijn vrouw en ik, en we...'
'Kom verder, kom naar binnen, alstublieft.' De Fransman opende uitnodigend de deur.
Vanuit het huis klonk een vrouwenstem. 'Maurice! Laat ze toch verder komen, Maurice. Ze zijn al zo laat. Ik zal de wijn inschenken, en de oven weer aansteken.'
Aan het eind van de gang ging een deur open, en in het zwakke licht werd een oude vrouw in een schortjurk zichtbaar. De geur van gebraden vlees hing als een zoete belofte in het huis.
'Waarom zijn jullie zo laat?' riep ze. 'Je vader en ik, we waren zo ongerust...'
'Ze zijn het niet, Sophie. We hebben hier een paar verdwaalde Hollanders aan de deur.'
'Ze zijn er niet? Maar wat zal er gebeurd zijn, waarom...'
'De wegen zijn versperd,' zei ik. 'De storm...'
'Het is een heel verhaal,' zei Mariet.


We werden naar een grote woonkeuken geleid, die door twee ouderwetse olielampen verlicht werd. In het midden van het vertrek stond een feestelijk gedekte tafel met gezellig flakkerende kaarsen. We moesten onze doorweekte kleren uittrekken en werden met een warme deken om ons heen, voor de open haard gezet. De vrouw draaide de gasfles van de oven weer dicht, zette koffie en blies de kaarsen op de gedekte tafel uit.
Onder het genot van een kop koffie vertelden we ons verhaal. Maurice en zijn vrouw Sophie reageerden ongelovig op de beschrijving van de enorme ravage in de dennenbossen. Ze hadden de zware storm natuurlijk wel gehoord, maar er waren hier geen bomen omgewaaid. Hun huis en het château waarop ze toezicht hielden, waren onbeschadigd gebleven. Omdat stroom en telefoon waren uitgevallen, hadden ze op hun afgelegen woonplek geen idee gehad van de enorme problemen die door het noodweer veroorzaakt waren. Hun zoon, die met vrouw en kinderen de kerstdagen bij hen zou doorbrengen, had er geen kans toe gezien om afbericht te geven.
Ik haalde het radiootje uit mijn rugtas, en stemde af op een van de Franse zenders. Het nieuws over de chaos in het land stelde Sophie en haar man gerust. Daar was het bewijs dat hun zoon onmogelijk vanuit de vijftig kilometer verder gelegen stad Belfort naar Saint-Amarin had kunnen komen.


Het was half tien in de avond. Opnieuw flakkerden de kaarsjes op de feestelijk gedekte tafel. De wijnglazen werden gevuld.
Gekleed in een lange zwarte rok en een zijden blouse van de gastvrouw keek Mariet mij glimlachend aan. Ik deed mijn best om er in het op een na beste pak van onze gastheer net zo mooi en ontspannen uit te zien. Sophie had op het laatste moment haar schortjurk voor een plechtige robe verruild en gaf met een knikje aan Maurice te kennen, dat het juiste moment gekomen was om het gebraden konijn te verdelen. Met een tevreden gezicht schoof de oude man zijn stoel naar achteren en stond op. Langzaam en plechtig sneed hij het vlees aan. En even langzaam en plechtig hief hij zijn glas, waarna hij Sophie, Mariet en mij een gelukkig Kerstmis wenste.
'En ik spreek de wens uit,' vervolgde Maurice ernstig, 'dat u zich bij ons thuis zult voelen.'
Weer moest ik aan mijn vader denken. Ik knikte, op zoek naar de juiste woorden. Maar het was Mariet, die mijn gedachten uitsprak. 'Want met Kerstmis,' zei ze zacht, 'met Kerstmis hoort een mens thuis te zijn.'




@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens