woensdag 24 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Knobbout - Een Hand-Vol Magie
Gepubliceerd op: 16-06-2003 Aantal woorden: 1403
Laatste wijziging: - Aantal views: 1646
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Een Hand-Vol Magie

Knobbout



-I-

Ruisend langs schaduwloze grachten lopen gedaantes in grauwe capes door de verlaten hemelgracht. Vluchtend verstoren hun laarzen de druipende regen die neerdaalt in deze, doch eenzame, novembernacht.
Geruisloos lijken regendruppels te zweven in het helder avondlicht.
Een dekbed van druppels zweeft als een tapijt over de stad. Dat achtervolgt door gedaantes wordt voortgetrokken; langs onrustige straten en wegen, langs het rustige stadsleven. Mensen slapen. Kalm en ongestoord. Lopen de gedaantes verder?!

Ze waren anders; Hun uitstraling; charisma. Anders dan de normale werklui, boeren en ridders. Hun houding, hun stijl. Mysterieus, onverklaarbaar.
Ze waren anders, zonder woorden.

Regen druipt langs daken en plonst in groeven en plassen op het trottoir. Sluipend lopen mantels door onoverzichtelijke straten. Mantels die, eens als kleding, nu voor regenpakken doorgaan. Hun gezichten verhullend onder capes en hun lichaam verkleed in lange gewaden. Die doordrenkt van regen worden meegesleurd.

's nachts was de stad kil en stil. In de verte enkel geruis van krekels die zich schuil hielden voor de nacht. Niks opmerkelijks of vreemds. Waardoor de gedaantes rustig verder liepen. Totdat de voorste man plotseling een steeg in sloeg. En de andere mannen hem zwijgzaam volgde.

In de steeg was het kouder. In die nauwe doorgang moesten ze oppassen nergens tegenaan te lopen. Alleen het licht aan de andere kant van het steegje diende als oriėntatiepunt. Doch de aanhoudende regen belemmerde het overzicht. In het steegje was nu nog duidelijker het gestamp en geplons van de schoenen te horen. Het geluid was bijna tastbaar. De klanken weerkaatste aan weerzijde van het steegje.
Het doffe licht kwam dichterbij ; het einde van het steegje kwam in zicht. De voorste man aarzelde. Maar wierp zijn zware cape om en sloeg linksaf. Gevolgd door de rest.

In een reflex ontweek hij een lantaarnpaal. Terwijl hij, in zijn kielsoog, op de hoek van de straat een man bemerkte. Iemand die met meer dan belangstelling naar hem keek. Vervolgens keerde hij zich langzaam naar de man toe. Vanzelfsprekend verschenen de andere 3 gedaantes achter hem.

Er stond een man op de hoek van de straat. Onder een afdakje met een schemerige lantaarnpaal op hem gericht. Rillend keek hij hoe zijn adem verdampte in de koude regenlucht. Het was dat zijn aandacht werd afgeleid toen hij zijn jas stevig opknoopte en zijn hoed strak opzette. Vanuit een steegje kwamen donkere figuren aangesneld. Atletisch ontweek de voorste een lantaarnpaal. Waarna de gedaantes zijn richting op liepen.
Het waren magiėrs, daar was geen twijfel over mogelijk. Zulke mensen herkende je van mijlen ver. Vooral hun zorgeloze houding was altijd opmerkelijk. Ofdat ze de hele wereld aankonden.

Dit kon niet veel goeds betekenen. Magiėrs in de nacht waren altijd verraderlijk en onvoorspelbaar. Maar bovenal erg arrogant en bot; niet echt een vriendelijk gezelschap. Eigenlijk had hij verwacht dat er enkel stadsbewakers op zijn tip hadden gereageerd. Nu bleek een magiėrgezelschap erop af te zijn gekomen.

Angst, vrees en tranen mixte zich. Het regenachtige avondbeeld was even vergeten. In een fractie van een seconde scheen er een onverklaarbaar fel licht in zijn ogen. Pijnlijk verblind, draaide hij zijn hoofd van het licht weg. Hoofdpijn volgde. Terwijl hij ondertussen hoorde , aan klinkende voetstappen, hoe de magiėrs hem naderde. Elk moment; ja elk moment, konden ze voor hem staan. Onrustig begon hij zijn gesloten ogen in zijn oogkassen te bewegen. Vreemd genoeg verdween het felle licht alsmede de hoofdpijn. En net wanneer hij wou opkijken om te kijken waar het licht vandaan kwam, schok hij op.

"Waarheen? " hoorde hij een zware klank roepen.
Hij keek op. En keek recht in een mooi zilver ingewerkt kruis op de borst van de magiėr, zoekend naar een gezicht. Door de grote cape over zijn hoofd was er alleen niet veel te zien. Water droop, langs zijn behaarde kin en aan de uiteinden van de cape, naar beneden. Strakke contouren waren op zijn gezicht getekend. En zwijgzame mondhoeken weende vastbesloten naar een antwoord. Terwijl hij geruststellend zijn handen opvouwden achter zijn rug.
De vastberadenheid droop er vanaf.

Verschillende uitdrukkingen vormde zich tot een indruk. Even wist hij niet wat hij moest zeggen. Hij aarzelde. Gedesoriėnteerd keek hij om zich heen. Hoe konden ze hem herkend hebben? Hoe wisten ze dat hij de persoon was die ze zochten? Hij had ze nooit ontmoet en niks over hem verteld. Daarbij komt dat hij , hier, onherkenbaar weggescholen onder een lantaarnpaal stond....en er werd nog geeneens gevraagd of hij al dan niet hun man was. Hij begreep het niet en twijfelde. De magiėrs , achter de voorste man, werden ongeduldig; getuige de onrustige manier waarop ze bewogen.
" Is er iets? " riep de man pal voor hem. "Nee niets" zei hij automatisch; zachtjes en zonder er bij na te denken. Een eenzame stilte volgde…

Totdat de voorste magiėr zijn hoofd naar zijn schouder draaide en zei: "mooi,..Breng ons erheen" Waarbij het woord "breng" in een helder daglicht werd gesteld; er ontstond een lichte sprankeling onder de grote cape. Even was er een gedeelte van het gezicht zichtbaar. Grote fonkelende kattenogen keken hem doordringend aan. De nachtkijkers probeerde hem duidelijk te maken dat hij het meende. De ogen waren onverschrokken en schikwekkend. Het maakte hem bang. “het mes werd op zijn kil gezet”
"V-Volg mij maar" Zei hij al dan niet struikelend over een aantal woorden. Het grote woord was er nu tenminste uit. Hij keerde zich om en wees hen de weg. Alhoewel hij nogal stil en ingetogen overkwam.

Onder de "tranen" van de maan
"Druipen" gedaantes af.
"Dorstig" op zoek naar antwoorden
"Regent" het vragen.
"Als men niet weet wat het is" *1)

*1) Nederlands spreekwoord, het betekend: het regent erg hard

We volgde de man daar diep in de nacht. De aanblik van mijn ogen was al genoeg om hem overstag te krijgen. Mensen schikken er altijd van, ze kijken me nooit lang aan. Mijn ogen werken ontzaghebbend. Het is een charme en een gave. De eindeloze regenachtige nacht dienend als decoratie. Nachten hebben altijd iets speciaals; ze hebben een aangename sfeer.
’s Nachts is het kouder dan buiten. Er zijn weinig mensen op straat wat zorgt voor een onwerkelijk stadsbeeld. De enige zekerheid is dat de zon ’s morgens opkomt. Voor de rest is het een realiteit zonder dirigent. Een fantasie zonder noten. Een dimensie die daardoor onberekenbaar word en juist daarom veel mensen bang afschikt. Mensen zijn gewend aan routine en voorspelbaarheid, “dat voel je aan je elleboog”. De nacht is onbekend terrein, het word overgeslagen; mensen slapen liever. Er word met een boogje omheen gelopen. Maar ik heb hier mijn roeping gevonden. En heb altijd van “de klank van de nacht” genoten. Het is mijn wapen.

Niemand, hier op straat, kon aanwijzen waar ze heen gingen.
Niemand wist wat er "aan de hand was".
En niemand durfde vragend zijn hand op te steken
Bang om zijn "vingers te branden" in deze regenachtige nacht.

Het was dat we met zijn drieėn al een tijd lang aardig ongeduldig begonnen te worden. Eindelijk leidde de man ons dan de weg. We passeerde druipende poorten en doordrenkte straten. Er schuilde hier en daar wat mensen die ons verontwaardigd aankeken, maar daar ben ik zo langzamerhand wel aan gewend. Het was weer eens zover dat we midden in de nacht op een missie werden gestuurd. Later bleek dat de nacht en de regen niet het enige was wat tegenzat. Toch was het altijd weer opmerkelijk om te zien hoe de nachtegaal als enige genoot van de nacht. Hij is nooit echt spraakzaam en houdt niet van directe contacten, maar zijn opgetogen houding maakt duidelijk dat hij het naar ze zin heeft. Deze houding heeft hij vreemd genoeg alleen als het nacht is. Hij wordt daarom ook niet voor niks de heimelijke nachtegaal genoemd. Ik had toch liever gewacht op het daglicht. Helaas vertelde het bevel van bovenaf dat ik mee moest gaan op deze belangrijke missie. Maar als ik had geweten wat ik nu weet, had ik geweigerd.

We sloegen daar opeens een onbekende straat in, een straat waar ik nog nooit eerder was geweest...
(einde fragment)


@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens