vrijdag 22 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
peter muselaers - Het Grote Einde
Gepubliceerd op: 24-04-2003 Aantal woorden: 1420
Laatste wijziging: - Aantal views: 1473
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het Grote Einde

peter muselaers


Onderweg stoppen we even en praten verder over het “naderende einde”. Ze vraagt me of ik me de commotie rondom de millenniumwisseling nog kan herinneren. Ik knik ja en zij gaat rustig verder met haar verhaal. Langzaam lopen we verder. Er schenen in die roerige tijden sektes te zijn die zichzelf van kant wilden maken, omdat ze de uit de kluiten gewassen jaarwisseling van 1999 op 2000 zagen als de Apocalyps, het einde van de wereld. Je zou er haast depressief van worden. Ook andere groepen mensen, computerprogrammeurs bijvoorbeeld, waren onderhevig aan grote stress en zware depressies. “Alles draait om computers en als computer stuk gaan, zijn wij verloren,” legt het vrouwenfiguurtje links van me uit. “Men was bang voor het grote einde, het einde van de wereld.”
“Dat zo’n vaag gegeven als die cijfers zo’n impact hebben op de anders zo nuchtere samenleving van tegenwoordig, ongelooflijk,” zeg ik niet geheel vrij van verveling tot mijn gesprekspartner. Al enige tijd heb ik het gevoel dat we niet alleen zijn in dit park. Een wat schuchtere man met een aktentas onder zijn armen geklemd, bevestigt mijn gevoel. Hij lijkt al een tijdje achter ons aan te lopen (wij slenteren, dus hij slentert op korte afstand achter ons aan). Vanaf het moment dat ik hem in de gaten kreeg, is hij harder gaan slenteren en hij sportwandelt ons nu luid snikkend voorbij. “Over depressies gesproken!” merkt het nog steeds kwebbelende schepseltje naast mij scherp op. Zij heeft het dus ook gemerkt. De man leek in en in bedroefd en gaat er nu, steeds harder wandelend, vandoor richting de grote weg.Ik stel haar voor iets te gaan drinken in het koffiehuisje bij het park. Ze heeft geen dorst, maar wel honger. Even later zit ik aan mijn koffie en zij aan mijn appelgebak. Het begint zachtjes te waaien buiten, ik verwacht storm. Vrolijk gaan we verder met ons onderwerp. Blij babbelend kletsen we verder over het grote einde. Het einde van de wereld, welteverstaan.
“Wil jij ook een hapje,” onderbreekt mijn prinsesje me wanneer ik het heb over het feit dat er maar een klein verschil is tussen het eind van de wereld en het verliezen van een dierbare. “Of heb je geen honger?”
Ineens vliegt er ergens een deur open. De huilebalk met de aktentas van daarnet, rent gillend vanuit het toilet naar de kassa en vraagt hijgend aan de koffiedame of zij een oplossing heeft. Ik dacht dat ze niet zo maar één, twee, drie een passende oplossing zou kunnen bedenken. Toch pakt ze, na enige seconden vol meelij naar de man te hebben gekeken, de telefoon om haar oplossing te laten toetsen door de politie. “Nee,” roept de bezwete, in tranen zijnde man tegen de vrouw. “Geen politie, brandweer of psychiatrische inrichting! Ik ben niet gek, ik ben niet gevaarlijk, ik heb een missie!”
De theemuts legt de hoorn weer neer. Benieuwd naar een zinnige verklaring kijken we gedrieën in de richting van de excentrieke man. Huilend geeft de, duidelijk depressieve, man uitleg. Hij schijnt computerprogrammeur te zijn voor een grote internationale organisatie. Dat verklaart een hoop. Wanneer we echter vragen waarvoor hij een oplossing zoekt, krijgen we ontwijkende antwoorden en praat hij onzin. Ook wanneer wij vragen waarom hij toch steeds die aktentas zo krampachtig beethoudt, krijgen we geen enkel zinnig antwoord uit de bevende en snikkende man.
Zij kijkt me aan en ik zie de blik in haar ogen. Die had ze ook toen ze de krijtjes van de leraar aan de tafel had vastgelijmd of toen ze de opzettelijk dode vliegen uit de vensterbank in de soep van haar opa en oma had gedaan in dat restaurant, vorig jaar. Ze wil weten wat er in die aktentas zat, ik weet het zeker.

Opnieuw begint de man te sn...snik…snikken. Steeds harder. Ook begint hij heen en weer te wiegen. Ondertussen draait de verkoopster toch maar het nummer van het ziekenhuis om te melden dat er zich hier een gestoorde man bevond. Om de beurt proberen we nu de man tot reden te brengen. Dit wil absoluut niet vlotten. “Kan ik iets voor u doen, meneer, wilt u een glaasje water?” probeer ik.
“Of wilt u liever een hapje van mijn… van zijn appeltaart?” lacht mijn kleine doktertje hem toe.
Hij lijkt voor geen enkele reden vatbaar. Ze probeert hem zijn tas te ontfutselen. Tevergeefs. Hij houdt hem nog steeds klem tussen zijn onderarmen en zijn borst. En daar zal de aktentas nog wel even blijven.
Bij het horen van de sirenes veranderd de blik in het nog immer schreiende gelaat van de informaticus. Hij springt op en roept: “Waar is de uitgang? Ik heb de oplossing! Waar is de uitgang? Ze komen me halen! Help mij! Ik heb de oplossing!” Tijdens alle commotie blijkt mijn dievegge in staat de tas weg te grissen en rent naar de andere kant van het koffiehuis. Ik ren haar achter na, maar kan niet beletten dat de man in tranen me voorbij springt en haar een kopje kleiner dreigt te maken. Net voordat ik hem vastheb en de ambulances bij de ingang stoppen, grijpt hij zijn aktentas terug en rent naar het grote raam. Hier springt hij dwars doorheen, waarna hij in hoog tempo weg hinkelt, terug naar het park. Gelukkig is het nu-niet-meer-zo-hard-kwebbelende wezentje ongedeerd. Zonder erbij na te denken, rennen we achter de huilebalk aan. Hij moet zich lelijk gesneden hebben tijdens zijn val door het raam, hier en daar sieren bloeddruppeltjes het jonge groene mos. Omdat hij hinkelt, zien we telkens maar één voetafdruk in het zand staan. Dat geeft een wonderbaarlijk leuk effect tijdens een achtervolging.
Eenmaal bij de parkvijver gekomen, ontdekken we de man. Hij vlucht een dichtbegroeid bosje dennen in. Behoedzaam lopen we in zijn richting. Achter ons horen we de theemuts en het ambulancepersoneel roepen en vragen waar we zijn. Het begint te gieten en weerlichten schieten langs de hemel. Naarmate we dichter bij het bosje komen horen we een bekend geluid. Het wordt steeds sterker. Het snikken van de man is nog steeds niet opgehouden!
“Geef je over, we zullen u niets doen, meneer.” zegt mijn dievegge vriendelijk in de richting van het bosje dennen. Het snikken wordt onderbroken. ”Zullen jullie mij echt niets doen? Hebben jullie echt geen kwaad in de zin?” vraagt de man met bevende stem. “Nee,” zeg ik. Ik lieg wel vaker. “We zullen je niets doen. Kom maar tevoorschijn. Het is niet erg. Kom maar.”
Aarzelend zegt de man daarna: “Als jullie me maar beloven niet te willen weten wat er in mijn aktentas zit. Als dat bekend wordt, is alles afgelopen. Dat is de reden van mijn ondraaglijke lot. Niemand mag het weten en daar word ik zo ongelukkig van. Niet kijken, afgesproken? Alstublieft!”
“Afgesproken!” liegen we allebei glashard. De man komt, minder en minder snotterend, langzaam maar zeker uit de bosjes. Achter ons horen we het ambulancepersoneel roepen dat we moed moeten houden en dat ze ons zullen komen helpen. Even kijken we elkaar aan. Daarna geeft ze de arme man een duw terug de bosjes in en grijpt ondertussen zijn tas. Ze rent weg. Beschaamd ren ik maar achter haar aan. Ik kijk om en zie hoe de ambulance-mannetjes zich over de hevig huilende en schreeuwende man ontfermen.

Bij de kiosk houd ik haar tegen. “Kijk alsjeblieft uit met wat je gaat doen,” zeg ik. “Hij zou misschien gelijk kunnen hebben. Dat alles dan afgelopen is en zo…”
“Ach,” zegt ze schaterend. “Wat is er nou mis met het bekijken van de inhoud van zo’n tasje. Bovendien ben ik op van de zenuwen en knap ik bijna van nieuwsgierigheid. Ik moet het weten.”
Ze trekt zenuwachtig aan de slotjes van de leren tas, het lukt haar niet om hem open te krijgen. Ik steek een hand toe en de tas gaat open. Vol verwachting haalt ze een grote zwarte envelop uit de tas. We kijken elkaar aan terwijl ze de envelop openvouwt. Hierin zit een kaart. Na het lezen de kaart geeft ze met grote geschrokken ogen het epistel aan mij. Ook ik lees de boodschap. De huilende man had gelijk. Alles lijkt afgelopen. Verschrikt leg ik de envelop met de inhoud ernaast op het gras. We lopen weg en beginnen te huilen. De storm is gaan liggen.
Op het gras van het stadspark, in de buurt van de kiosk, ligt nu een zwarte envelop met een kaart, waarop met sierlijke letters staat geschreven: ”EINDE”

peter muselaers - 2002


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens