zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - Zolderkamers
Gepubliceerd op: 12-04-2003 Aantal woorden: 6039
Laatste wijziging: - Aantal views: 2277
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Zolderkamers

Rik van Schaik


Oedipus
Denkt u echt zo door te kunnen gaan?
Tiresias
Ja. Als de waarheid nog enige kracht bezit.
Oedipus
Dat bezit zij zeker, behalve voor u. Blind bent u, niet alleen van oog, maar ook van oor en ook van geest!
Tiresias
U bent te beklagen: u spot met een handicap waarom u straks zelf door iedereen bespot zal worden.


De jonge dichter Francois Bovenhuis wordt door de redactie van het radioprogramma ´Zolderkamers´ uitgenodigd om een uitzending te maken met een literair kopstuk naar zijn keuze. De keuze van Francois valt op de zeventig jarige schrijver Han Miller, één van zijn grote inspiratiebronnen. In deze aflevering, die op een zomerse nacht live zal worden uitgezonden vanaf een strandterras in Bergen aan Zee, zal het gesprek tussen de heren gaan over de rol die herinneringen hebben in het leven en werk van schrijvers.
Door de ogen van de gevierde schrijver Miller beleeft de lezer deze uren van Zolderkamers en de gebeurtenissen die hiermee in verband staan. Wat begint als een levensbeschouwelijk gesprek tussen twee letterkunstenaars eindigt in een kille breuk met de filosofie die Miller er aangaande zijn persoonlijke geschiedenis op na houdt. Wanneer Francois Bovenhuis halverwege het programma een droevige joker op tafel gooit brengt hij daarmee Miller zijn overtuiging, over hoe hij als schrijver en fantast moet omgaan met zijn oorsprong en historie, ernstig aan het wankelen. Miller´s vlucht voor zijn bron, verboden liefdes en de dood krijgt aan het slot van deze nacht een nieuwe, sinistere bestemming.

E e r s t e u u r ´ Z o l d e r k a m e r s ´
00.00 – 01.00 uur

Ik ben dood.
Met deze woorden wil ik dat vieren, mezelf alvast begraven en een plek geven.
Ik wil mezelf bewaren, voor iedereen en altijd bewaren. Daarom schrijf ik, om te laten zien dat ik geleefd heb. Alle verhalen, zinnen en woorden die ik geschreven heb en nog schrijven zal, vormen mijn naam. Een betere naam dan de drie nietszeggende letters die me zeventig jaar geleden zijn opgeplakt.
Een naam, wat is dat? Niets meer dan een zaklamp die je de wegwijst in het donker: oh ja, daar staat hij. Ik zie hem. Dat is mooi, maar wat zie je? Een rottende zak vlees met breekbare botten. Niets wijst mij aan. Daarom schrijf ik, om niet dood te gaan.
Ik ben dus niet dood. Nooit.

Hiermee wilde ik de aflevering van Zolderkamers inzetten. Hierover wilde ik met Francois Bovenhuis woordelijk rondspoken, doorkruipen en ons na drie uur afkloppen.
Dat wilde ik.

Je kunt je verleden ruiken. In kleding, in spullen maar vooral wanneer je in iemands huis of keuken komt. Via de neus trekt oude lucht een herinnering tevoorschijn. Zo kun je, daar ben ik van overtuigd, ook je toekomst ruiken. Je voelt het wanneer je iemand ziet, wanneer je in de ochtend je ogen open doet en je weer heel even als nieuw geborene het licht aanschouwt. Onraad is ook zoiets dat je welhaast voorspellend op kunt snuiven wanneer er iets is dat je waarneemt in iemands blik, een gebaar…
Deze drie zaken verenigden zich toen ik halverwege de avond uit de taxi stapte voor het strandhotel van Bergen aan Zee. De producer van Zolderkamers en de gastheer van de aflevering stonden me boven aan de terrastrap op te wachten. Hun lippen lispelde mijn naam, onverstaanbaar door de in de wind klapperende vlaggen. Een oranje gloed viel over hun gestaltes toen ik naar hen opklom en mijn hand naar hen uitstak.
Toen zag ik het dus… De jonge dichter, die me uitgenodigd had om drie uur met hem over ons vak te spreken, keek me aan. Het was meer dan een begroeting. Het rook als een weerzien, een afspraak die nog openstond van lang voordat hij werd geboren. Mijn hersenen verstevigde uit voorzorg hun greep om mijn gerepeteerde filosofie. Ik moest alert blijven vanavond. Zijn knappe blonde koppie, schuin gehouden op zijn slanke hals, zijn weke maar glinsterende ogen die uitkeken naar de zonsondergang achter mij… Het klopte niet, ergens zat er een scheurtje in zijn smetteloze gelaat waardoor er een zoete, venijnige lucht ontsnapte…

U heeft een uitgesproken mening. Vooral over de waarde die er aan geschiedenissen en herinneringen wordt gegeven. Heeft dat een oorsprong die buiten uw werk ligt?

Je hebt mensen die alles bewaren. Elke foto van elk feest, optreden, geboren familielid of bezeten huisinterieur heeft bij hen een plaats in geordende fotoalbums. Schoolrapporten, werkstukken, kindertekeningen, gefabriceerde moederdagcadeautjes en in elkaar gekleide asbakken blijven in archieven en bergkasten veilig opgeborgen als een herinnering.
Ik ben een opruimer, een opgewekte afdanker van de zogenaamde feitelijke herinnering. Ze zijn niet interessant voor mij, zeggen me gewoon bitter weinig. Ik bewaar de dood en de geschiedenis in mijn hoofd, daar in die donkere zolderkamer leeft het. Daar buiten niet.
Vlak voor mijn dertigste vroeg mijn psychiater: “Heeft u veel foto´s van uw overleden vader?”
“Drie. En een paar kleintjes in een geboortealbum”.
“Kijkt u daar vaak naar? En wat voelt u dan?”
“Ik kijk nooit. Ik voel niks”.
“Als u met uw gedachten bij u vader bent, waar denkt u dan aan? Wat ziet u dan?”
“Dan hoor ik de verhalen over hem. Verhalen van zijn familie, van mijn moeder, van zijn vrienden…”
“Kloppen die denkt u?”
“In verhouding met elkaar wel. Hij was God. Dat blijft hij ook. De overlevering maakt hem uit de monden van hem die hem gekend hebben groter en groter. Men blijft lyrisch. Hij is al bijna langer God dan dat hij heeft geleefd”.
“En strookt dat met de realiteit, denkt u?”
“Ik geloof het wel, denken doe ik dat niet”.
“Daar heeft u vrede mee? U zou hem nooit eens werkelijk willen zien?”
“Nee. Laat mij de verhalen maar horen. Waarom zouden ze ook minder waar zijn? De overlevering leeft, zijn fabel groeit en hij is dood. Dat is de waarheid”.
Ik ben op zoek naar de zolderkamers. Foto´s leven niet, het zijn bestorven glimlachen, het haar eeuwig in model. De gedachten kronkelen jaren verder. Ik klim trappen op, open luiken en dozen, blader door oude agenda´s, bekijk notities en denk, fantaseer, maak het passend… Waar?

De producer maakte veel geluid, schonk vaak onze glazen vol en lachte vrij veel om zaken die ik niet begreep. Ik voelde de ogen van de jongen aan mij vreten terwijl ik zorgvuldig mijn vis ontkleedde. Hij sprak niet veel, liet alles over aan de luidruchtige organisatie, bewaarde wat hij had voor de uitzending, live in de lucht zou hij mondiger zijn…
Ik kauwde zorgvuldig om niet te hoeven spreken en staarde langdurig over zee. Buiten, rechts van de terrasdeuren, stond onze tafel. Twee microfoons staken schuin het luchtledige in naar de kale rugleuningen van onze stoelen. Hier stond de toekomst uit de van zee aanwakkerende wind te wachten op iets waarvan ik slechts één ingrediënt kon ruiken.
Ik keek hem aan en zag dat hij ieder kwartier minder verlegen werd. Zoals hij daar zat, onderuitgezakt in zijn stoel hangend, zijn vingers om de glimmende kraag van zijn paarse blouse, de bewonderende maar ook uitdagende blik in zijn ogen.
De schemer viel, een pianist begon te spelen en onze maaltijd was geweest. Het wachten was op de koffie. In mijn geval espresso.
Ik stak een sigaret op terwijl in mijn hoofd krachtig een wolk optrok. Het ene ingrediënt begon wat te bereiden, er was een kleine onthulling… Een summiere herinnering. Ik bestelde nog snel een likeurtje en hield mijn gezicht in de plooi.

Ik zat achterin en keek over de schouder van mijn neef naar de lichtbundels op het asfalt voor ons. Mijn arm lag om haar blote schouder waar ik de sproeten op kon tellen wanneer we onder een lantaarn reden. Zij lag tegen mij aan en deed alsof ze sliep. Ze glimlachte tevreden.
Het was warm in Los Angeles en de heuvels waar we nu doorheen reden waren het broeierige dak daarvan. Mijn oksels waren nat en jaloers keek ik naar de arm van mijn neef Arthur die losjes een brandende sigaret uit het raam hield.
Op mijn kruis lag haar slapende hand.
Arthur zijn kruis werd verwarmd door de masserende voeten van zijn vorige vrouw. Ik hoorde hem tevreden zuchten en haar smachtende keelgeluiden maken.
Ik was dronken, het was duister in mijn hoofd. Toch vertelde mijn instinct me één ding: ik zou hier nog één avond van genieten en dan terug gaan naar Nederland om nooit meer terug te komen. Mijn beroemde neef en zijn befaamde, mythologische ex moest ik in Holland uit de schaduw van mijn eigen werk houden. Om die banden te verbreken moest ik eenling worden, ze verzwijgen en zo de mensen in stilte vertellen ze nooit te hebben ontmoet. Dat was mijn besluit terwijl het zweet in mijn onderbroek begon te kriebelen en de lichtbundels van de wagen tegen Brentwood opklommen onder een hemel van bewerkt folie waar het licht van de aarde schaduwen in wierp en de sterren ontelbaar waren.
Ze opende haar groene ogen en haar strelende klauw opende mijn gulp. Haar ogen waren nat en keken me vanaf mijn bovenbenen aan met een geloofwaardige onwetendheid, een onschuld die in ieder geval in mijn hoofd begon te groeien en mijn spieren lustig deden samenknijpen. Ze had me vanavond betoverd op een merkwaardig feest waarvan ik me enkel nog de decoraties kon herinneren. Arthur had me meegebracht want ik ´moest dit meegemaakt hebben´. Ik had een hoop meegemaakt, in mijn hoofd. Daarbuiten was alles dood geweest.
Ik had haar dus op mijn beurt meegebracht. Voor mijn hoofd. Voor die avond.
Het waren mijn laatste dagen in Hollywood geweest, omdat ik mijn moeder een plezier wilde doen om haar enig overgebleven schoonfamilie op te zoeken, zij zouden me ook een boel over mijn vader kunnen vertellen (niets dat ik nog niet wist). Die ochtend las ik een oude Nederlandse krant in ´Rick´s bar´ en had ik haar zien zitten achter een groot glas vruchtensap. Met gesloten lippen vertelde ze me dat ze Nederlands was, met woorden sprak ze over haar inmiddels verloren ambitie om het in Hollywood als model te gaan maken. In haar zag ik mezelf: opnieuw kind, eenzaam tussen alle oppervlakkige herrie… Maar ik moest onkwetsbaar zijn dus in mijn hoofd verplaatste ik mezelf in haar… En zo kon ik mezelf troosten door haar te bewonderen, zo kon ik zoveel van mezelf houden door haar mee te nemen naar dat feest van die avond… ´Rick´s bar´ was rustig en de kalme, omhoogklimmende zon maakte het gevoel van een nieuw begin compleet; de start van de vlucht naar mijn eigen leven in Nederland binnen twee dagen… Het waren haar groene ogen en de rode kleur van haar zonnige hals waar ik mijn lippen in drukte terwijl ik mompelend verlichtende woorden sprak mezelf en haar aanmoedigde voor de laatste meters van dit rampzalige bezoek…
Met het uitstappen voor Brentwood (wat zei het me nog, waar had ik het verstopt?) verpletterde de neerslaande regen alle stilte, een wolkbreuk zette ons onder een verfrissende douche en bevroor een kort moment de hitte van alle alcohol… Ze liep naast me, hing in me, haar heup tegen mijn bovenbenen… tuitende lippen naar mijn kin, haar tranen in haar hals… We liepen om de auto waar mijn neef met zijn voorbije liefde stond… In het weerlicht zag ik haar gelaat… open mond, giechelend, kirrend, dronken en ik zag dat haar godenverhaal zijn einde naderde, dat de fatale vrouw zichzelf opvrat. In het dal klonk de rollende donder en terwijl we op een holletje, dicht tegen elkaar aan en over elkaar heen gebogen, op het huis afliepen voelde ik een diepe droefenis… Ik voelde me gewaarschuwd…

Het was bijna twaalf uur en de koffie was op. Twee jongens in strakke t-shirts wandelden over het terras om de tuinfakkels voor ons te ontsteken. Er zwaaide een geluidshengel tussen de stoelen en de producer schoof zijn kopje naar het midden van de tafel. Nu kon het wel, dacht ik… Ik haalde de eerste en enige dichtbundel van Bovenhuis tevoorschijn en vertelde dat ik het gedicht aan zijn moeder ontroerend en melodieus had gevonden. Maar ik voelde meteen dat ik iets verkeerds had gezegd, er lag drijfzand voor mijn voeten toen ik opstond en achter de twee mannen naar het terras toe liep. Mijn hersenmassa ging kokend op zoek naar het verband, mijn neus zocht de richting waar de geur vandaan kwam…
Buiten ruiste de zee kalm, ik haalde diep adem en verloor mijn speurzin. Ik rechtte mijn schouders en herhaalde in gedachten alle duizend interviews die ik gegeven had, gestuurd had. Ik was de spreker, de ander de luisteraar. Ik hoefde nergens bang voor te zijn.
Tussen de knetterende fakkels keken zijn helgroene ogen mij wraakzuchtig aan.

T w e e d e u u r ´ Z o l d e r k a m e r s ´
01.00 – 02.00 uur

Wie was deze mooie, stille jongen? Ik had zijn bundel gelezen en in de uitnodigingsbrief voor deze avond zijn te behandelen thema´s bestudeerd. Op het tafeltje voor ons lagen, alsof de radioluisteraar ze zou kunnen zien liggen, al mijn titels. Waarom moest ik voor het eerst sinds jaren mezelf moed inspuiten door mijn antwoorden alsmaar in stilte te repeteren? Waarom zocht ik in gedachten, terwijl het eerste uur vlekkeloos was verlopen, alle mogelijke vragen op die hij voor mijn voeten kon werpen? Ik had mezelf op geen enkele verspreking kunnen betrappen en toch was de geur van onraad sterker geworden, soms kwam het in dikke vlagen van zee op me afgeblazen…

U heeft zeer veel talent. Geeft dat u meer vrijheid om een spel met de geschiedenis te spelen?

(Geen antwoord geven, vertellen!) Kijk, talent of vrijheid koop je niet. Dat moet je ontwikkelen. Luister, ik ben een schrijver, ik creëer. Als ik me nu dagelijks zou laten leiden door de wereld is het voor mij onmogelijk om per dag een extra bladzijde wereld te schrijven. Begrijpt u? Ik wist al vrij snel wat me in het leven te doen stond want ik was alleen. De wereld komt niet naar iemand die alleen is dus had ik de keuze om twee dingen te doen: naar de wereld toegaan of een eigen wereld maken. Ik heb voor dat laatste gekozen omdat de feitelijke wereld, zoals gezegd, veel te ontnuchterend en te saai is voor mij. Ik kan die niet kneden. Ik maak zelf van de wereld één groot theater! Het sociale aspect van mijn manier met de wereld omgaan is dat iedereen er een rol in mag spelen…

(Zijn ogen vernauwden zich weer tot twee fel groene spleetjes en in de stilte hoorde ik hem sissen terwijl zijn tong zijn lippen nat maakte) Maar u verdeelt de rollen! U noemt het een wereld schrijven, daarin bent u naar mening gigantisch groots geslaagd, maar zou je het ook een vlucht voor de eenzaamheid kunnen noemen?

Tuurlijk… (Ik gaf antwoord, ik bevestigde ´iets´) Vluchten voor de dood, je eigen sterfelijkheid of zoals men het ook wel noemt…

Of vluchten voor de mythe van uw vroeg overleden vader?

(Niet alleen de vragen werden onaangenaam maar ook de manier waarop ze gesteld werden. Uitermate tevreden hing Francois onderuit in zijn stoel – Geen antwoord geven, niets bevestigen, vertellen! Vertel zoals je altijd gedaan hebt!) Met de dood van mijn vader ging zijn mythe uitgroeien tot een onsterfelijk soort mens, het eeuwige goede. Ik besloot het slechte te kiezen, niet het intens slechte maar de kant van het zwakke, het menselijke. Op die manier kon men me nooit met die mythe laten concurreren. Slecht zijn is een keuze…

In uw geval een gedwongen keuze! (Hij begon naar me te wijzen! Hij was me aan het aanvallen! Iets dat me in mijn hele leven vol vraaggesprekken nog nooit was overkomen.) U had eigenlijk geen keuze. Het was of verliezen van de goedheid van een God die niet meer leefde of een wegduiken van uw oorsprong in een nieuwe, zelfgemaakte, wereld!

(Ik nam een slok water en poogde zijn blik te trotseren) Ik hou niet zo van al dat psychologiseren, ik zie het meer als gebruik maken van…

U had het zoëven in het eerste uur zelf over uw psycholoog…

…je talent. Daar ben ik geloof ik meer dan voldoende in geslaagd. Anders had u me niet uitgenodigd! (Die zat. Even. Want het wachten was nog steeds op zijn ware motief) Wellicht dat die omschrijving van die keuze voor u geldig is nu u zojuist uw moeder heeft verloren?

´Rick´s Bar´ liep voller en het licht op Hollywoodboulevard werd feller. Ik zette met mijn vrije hand mijn zonnebril op, in de andere lag haar hand die ik met zachte kneepjes omsloot. Ze dronk haar cocktail door een rietje. Mijn koffie was op. We hadden over Nederland gesproken en het vergeleken met het oppervlakkige rondom ons huidige samenzijn. Ze was zoals mij: alleen. Mijn woorden goot ik in haar open mond, ik beademde haar desillusie weg door te praten en te strelen, door vertederd in haar ogen naar mijn ´kindzijn´ te kijken. Haar oogleden keken op, ze hapte met open mond zoenen op mijn kin. Haar bovenlijf weerspiegelde zich in het glazentafelblad voor ons, het kronkelde en schonk een fatamorgana van kwetsbaarheid. Ik verlangde er naar om die weg te eten. Voor mezelf en voor haar.
“Wil je niet weggaan?” fluisterde ze.
Ik nodigde haar uit voor het feest van die avond. Haar ogen vielen dicht en haar gezicht daalde in mijn schoot. Ik streelde haar glanzende haren en ik rook een nooduitgang voor mijn laatste uren Hollywood zoals zij zich, door de warmte, de alcohol en het betoverende suikerspin-interieur, veilig voelde na haar angstig vechten van de afgelopen weken.

Met het stellen van mijn wedervraag (wie was hier de gastheer en wie de gast?) schoot er een prop door mijn hoofd en kreeg ik lucht van een nieuwe herinnering. Ik zag het voor me, ik zag zijn ogen en wist dat het gerecht dat lag te sudderen een galgenmaal zou worden. Ik had de geest uit de fles geblazen en dankbaar luisterde ik naar het intermezzo van de pianist. Pauze. Een sigaret. Ik ontweek zijn blik en keek naar zee. Het heldere hemelgeweld boven de golven trok dicht met donkere wolken, de sterren verdwenen en achter de ruiten van het strandhotel verscheen de producer met een zorgelijk grimas. Het was 01.45 uur en de pianist stopte toen de eerste druppels vielen.

U heeft altijd hoog opgegeven over het aantal vrouwen waarmee u het bed heeft gedeeld en de vraag die ik u nu wil stellen is welke rol deze dames in uw verbeelding hebben gespeeld en, nu ze inmiddels geschiedenis zijn, spelen? Zij moeten toch, gezien de imposante aantallen, een belangrijk onderdeel zijn uw zelf geschapen theatrale wereld? (Daar had je het! De meest hondsbrutale vraag die ik me voor kon stellen… Bloed pompte de vaten in mijn hoofd overvol, het werd daar te druk, het kloppen viel uit en er kwamen weer beelden van toen…)

Ik wist dat Arthur zijn vorige vrouw mee zou nemen. Ik wist ook wie zij was. Daarom maakte ik mij op het feest samen met mijn Nederlandse vriendin zo snel mogelijk los van hen. Ik wilde, als het kon, de schaduw opzoeken. We vonden een leeg balkon. Door de opendeuren klonk het orkest en ik ving over haar schouder blikken op van mijn neef. Jolig danste hij met zijn verloren liefde. Ook zij maakte hun eigen theater, ze waren het middelpunt en ik vroeg me af waarom zij elkaar vanavond moesten treffen. Wat was er waar van de vele geruchten over hun huwelijk en haar affaires in de hogere kringen?
Achter me blonk de beloofde stad en mijn vriendin kwam al drinkend in haar roes. Ik trok haar tegen mij aan, wiegde haar en fluisterde haar de vragen die ik mezelf stelde… Mijn hand gleed langs de binnenkant van haar benen, kroop omhoog en mijn vingers vermengde haar zweet met de kleverige room uit haar schoot. Haar gezicht keek naar mij op, haar groene ogen werden nat en haar kleverige lippen opende zich. Ze kreunde zachtjes, vriendelijk, uitdagend… De huid langs haar ogen verstrakte. Haar ogen vielen dicht en ze zoog op mijn duim, ze begon te schokschouderen… Over haar schouder zag ik de blonde godin opgewekt gillend tegen mijn neef aanvallen. Ook zij opende haar mond, Arthur stak een sigaret op en zoende haar mond vol rook… Mijn duim en ringvinger streelde de binnenkant van haar bibberende benen terwijl mijn middelvinger roerde… Ik drukte mijn kruis tegen haar buik en ving haar trillend op terwijl ze zachtjes begon te gillen en in mijn vingers beet…
Het licht viel gaandeweg de avond steeds vaker uit mijn ogen. Ik zag dienbladen met witte streepjes, cocktails met kersen… Ik zag haar ondeugend fruit van prikkertjes happen en in mijn hoofd verdedigde ze haar onschuld, mijn onschuld… Ik ving haar op en ontbeerde zelf iedere opluchting of troost, ik wiegde mijn heupen vreugdeloos tegen haar buik.
Ik ontwaakte toen het goudblonde idool tegen mijn schouder het balkon opviel en langs mijn broekspijpen braakte. Ik wilde haar gezicht zien, spande me in, kneep mijn ogen samen… Ik kreeg de kans niet, de hand van mijn neef trok me naar binnen: “We gaan, kom, ik neem jullie mee… Het is mooi geweest”.
Ik droeg mijn vriendin, die half in slaap was met me mee naar binnen op weg naar de uitgang. Achterom kijkend zag ik hoe mijn neef zijn verloren liefde van de balkonvloer optilde. Hij fluisterde iets, zijn gezicht stond vriendelijk… Mijn niet tot ontlading gekomen opwinding verzonk in een gevoel van zelfmedelijden toen ik met het slaperige meisje buiten kwam in de warme avondlucht. Het zelfmedelijden sloeg om in woede toen iemand ons beneden aan de trap op een polaroid zette en mijn hoofdpijn opzweepte met een hinderlijk flitslicht. Achter mijn rug krijste het wijfje van mijn neef aanstellerig opgewekt naar de fotograaf voor ons.

“… kortom: vrouwen sturen mijn filosofie, ik zou gedachteloos zijn en mijn wereldbeeld zou zich nauwelijks ontwikkelen zonder hen”.
Ik beluisterde mijn antwoorden met schaamte en voelde dat ik het roer uit handen had gegeven.
Francois keek me glimlachend aan met een mengeling van tevredenheid en drift. Zijn hand trilde en greep naar de kan water op onze tafel. Het tweede uur was teneinde en de aankondiging voor de reclame weerklonk op het inmiddels koude terras.
Waar wilde de jonge dichter me naar toe trekken? Welke woorden wilde hij me ontlokken? Ik strekte mijn benen en keek geschrokken om me heen toen de jongens van het geluid de tafel oppakte en naar binnen brachten.
“We maken het laatste uur binnen af” sprak de producer met een zorgelijke blik in de ogen. Hij nam me op met ongeloof en ik voelde voor het eerst dat ik in andermans ogen niet meer diegene was wie ik altijd was geweest. Wie was ik, hier en nu met al die terugkerende herinneringen, voor mezelf? Hoeveel mensen zouden er op dit uur naar Zolderkamers luisteren? Ik rilde en holde naar de warmte binnen.
Het begon te stormen en de regendruppels werden dikker. Enkele bloempotten braken in scherven op de plek waar we zoëven nog hadden gefilosofeerd. Er werden kabels verlegd, microfoons verplaatst en ik zag haar weer… Ik zag haar onder haar zoon: Francois stond gebogen over een klein spiegeltje en bediende zichzelf van de oppepper die ik ontbeerde. Ik zocht houvast toen haar gelaat tevoorschijn kwam uit de wegtrekkende witte lijnen op de spiegel. Wat was dit voor een hallucinerend spel aan het worden? Ging ik naar realiteit verlangen? Ik kneep in mijn wang en zocht mijn stoel terwijl de dichter zijn neus schoonmaakte en me een venijnige grijns schonk.

D e r d e u u r ´ Z o l d e r k a m e r s ´
02.00 – 03.00 uur

Terwijl de pianist de laatste toetsen van zijn intro speelde, de regen tegen de ruiten sloeg en de zee onzichtbaar was geworden begon de rode lamp op ons tafeltje te branden. Met een breed armgebaar legde Francois een notitie voor me op tafel terwijl hij huichelachtig zijn volgende vraag stelde. Dolgelukkig met de verwarring die hij zaaide door me met zowel een vraag als met een notitie te confronteren, liet hij zich behaaglijk achterover in zijn stoel hangen.
Ik verraadde mijn opwinding door de notitie te grijpen. De jongen had in een keurig handschrift geschreven:

Brentwood, LA – De nacht van 4 op 5 augustus 1962
U was daar met mijn moeder en…?

Mijn hand trilde en ik trok hem snel op mijn knie, die ik evenmin onder controle wist te brengen. Ik schraapte mijn keel en vroeg of hij de vraag wilde herhalen. Er ontsnapte hem een theatrale zucht.

Ik vroeg u: U bent nogal een autoriteit in ons schrijversland en uw werken hebben mij altijd zeer geïnspireerd. Zou u bereid willen zijn uw visie te geven op wat audio-opnamen?

(Wat nu weer? Natuurlijk wist ik inmiddels wie zijn moeder was en natuurlijk wist ik in wiens gezelschap ik die nacht was geweest. Maar het zat diep, ik had mijn neef altijd moeten en kunnen verzwijgen – het paste gewoonweg niet…) Ik keek hem aan, dacht niks, bevestigde niks. Ik hoopte, nee verlangde, naar een uitleg.

Ik heb hier een tape bij me van een zogenaamde Breyton-sessie aan het sterfbed van mijn moeder. Even voor de luisteraars: (Och ja, de luisteraars! Die hadden we ook nog!) Han Miller heeft een aantal jaren terug een essay geschreven over deze vermaarde arts uit Engeland die, onder het toedienen van bepaalde middelen doodsangsten wegneemt bij stervende patiënten. Deze angsten zijn weliswaar afkomstig uit het verleden van de betreffende patiënt maar spelen op onder invloed van sommige heftige pijnstillers. Zo kreeg mijn moeder veel nachtmerries in haar laatste maanden. Ik was enkel getuige van haar zweetaanvallen en kreeg niet meer te horen dan enkel wat kreten die haar angsten behelsde. Zoals: Los Angeles, blonde Godin, moord en… Han Miller!
Op mijn verzoek heeft ze zich laten behandelen door een leerling van Breyton die haar onder een hypnose liet vertellen over deze boze herinneringen. Na deze sessie is mijn moeder vredig overleden. Ik wilde u graag een fragment laten horen…

Er kwam een klein recordertje uit zijn linnen tas en hij plaatste dit onder zijn microfoon. Ik vond zijn ogen en zag dat de woede had plaats gemaakt voor een weemoedigheid die ik nog niet eerder bij hem had waargenomen. Ik wist niet waar ik angstiger voor moest zijn.
Zijn wijsvinger schoof trillend over de zware toetsen, het mechanisme ging lopen en het zachte geluid van een klein motortje vermengde zich met de ruis van de geluidsband. Zweet droop tussen mijn schouderbladen, mijn handen waren vochtig, ik zat vast… Toen klonk haar stem; ontspannen. Uit niks kon je herleiden dat ze ernstig ziek was. Haar ademhaling was raspend, ze sprak wat traag maar verder klonken haar woorden als die van een onderwijzeres die haar leerlingen bemoedigend onthulde hoe de wereld in elkaar stak.

Mevrouw Bovenhuis, u heeft last van angsten waar u zich al geruime tijd instinctief voor afsluit. U heeft iets meegemaakt dat u routinematig een plek geeft in een afgesloten veld. Het betreft hier een moment dat u samen was met Han Miller, iemand die u ´zijn neef´ noemt en een andere vrouw waarvoor u kreten gebruikt als ´blonde Godin´ of ´fabel der mannen´. Wanneer was dit moment?

´s Nachts. Het was nacht. Ik was na afloop van een feest terechtgekomen in haar huis. Ik heb mijn wetenswaardigheden daar achter moeten laten omdat…

Francois keek me niet meer aan maar had zijn blik verlegd naar het draaiende bandje dat zijn overleden moeder een geheim liet onthullen dat gaandeweg deze nacht, na tientallen jaren, weer zijn rol aan het opeisen was in mijn halfslachtige bewustzijn. Mijn boeken lagen niet meer op ons tafelblad, ook de glazen water waren verdwenen. Er waren enkel microfoons, de rode lamp en het mechanische spook dat zijn mond opendeed. Vanuit mijn ooghoeken zag ik één van de geluidsmannen een microfoonhengel boven het apparaat brengen en de radars van mijn geheugen gingen een richting op waarvan ik de grenzen definitief moest heropenen. Ik verloor alles wat ik gecreëerd had. Ik verloor mijn naam.

Arthur sloeg de deur dicht en het kabaal van het onweer weg. Zijn verminkte liefde trok haar schoenen uit, wierp ze in een hoek, stak wat lampen aan en waggelde naar een karretje met drank dat voor een gigantisch venster stond. Ze snotterde toen ze een fles gin greep. Achter het venster voor haar flitste de Hollywood-hills aan en uit en achter mij klonken de ferme voetstappen van mijn neef. Vastberaden greep hij haar pols en de fles viel voor haar blote voeten aan scherven. Ze gilde pathetisch maar oorverdovend hard en ze werd aan haar pols een slaapkamer in getrokken waarvandaan ik woorden opving die hoorde bij een discussie die het vroegere echtpaar eerder die avond moest zijn begonnen.
“Mister President was crying!”
“He was afraid of you!”
Er was geluid van krakend hout en mijn verovering wierp zich angstig tegen mijn borst. Ik vergat wat ik had gezien en gehoord en mijn heupen begonnen weer te draaien, mijn hand dook onder haar rok en verstijfd van vrees liet ze mijn handen doen wat ik wilde. Zolang ik met haar bezig was hield ze haar wezen verborgen voor het geweld achter de slaapkamerdeur. Ik draaide haar rug naar de spiegel en terwijl haar blouse van haar schouders gleed zag ik een goedkoop kopie van een portret van da Vinci. De dame met de blauwe parelketting hield het witte hermelijntje koesterend in haar handen terwijl ik over het angstige meisje op het bankstel viel en vervolgens mijn broek los maakte. Als een verlepte teddybeer liet ze mij haar benen draaien en legde ze haar handen in het zweet op mijn rug. Op jacht naar vertroosting zette ik mijn pompende vlucht op haar lichaam voort en vlak voordat ik opgelucht mijn ogen sloot zag ik in de spiegel dat de slaperkamerdeur geopend werd. Mijn neef kwam naar buiten en stopte enkele aluminium strips in een pedaalemmer. Achter hem lagen haar onderbenen behaaglijk over elkaar heen gevouwen tussen de lakens van haar bed. Ik viel in een korte slaap waarin ik enkel zijn voetstappen waarnam.
Toen ik wakker werd keek ik in de loop van zijn revolver, kleedde me aan en liep met het meisje uit Holland voor hem uit naar buiten toe, op weg naar zijn geparkeerde auto. Terwijl we plaatsnamen op de achterbank en hij de portieren krachtig dichtsloeg zag ik hem door de regendruppels heen in de berm het pedaalemmertje in brand steken. Hij liet de vlammen haast bezwerend opklimmen naar zijn uitgestoken handen. Toen gaf hij een forse trap tegen het metaal en liet het emmertje naar het dal rollen.
Zonder een woord te zeggen stapte hij in, startte de motor en liet de ruitenwissers uitslaan. Het meisje deed of ze sliep.

Op het bandje was het angstig stil geworden. Enkel ruis kwam er uit het apparaat. Ik durfde niet op te kijken en luisterde aandachtig. Francois bleef kaarsrecht aan tafel zitten. Toen begon zijn moeder weer te kuchen en te slikken, ze maakte zich klaar voor een woedend gegil dat de stilte angstig aan flarden scheurde. Ik kwam overeind en luisterde naar haar laatste woorden.

Waarom heb ik het aan de rand van mijn kop laten zitten? Waarom voelde ik me sterker worden naarmate de jaren verstreken en de mist dikker werd? Ik heb me laten gebruiken en mijn getuigenis als een ongeboren kind genegeerd! Ik was bang… zo bang… De waarheid, dit verhaal, het had mij door de wereld tot volslagen krankzinnig laten verklaren. Haar wezen was show, haar sterven was een waas, haar leven een godenverhaal…

U heeft het verteld. Heel goed. Wilt u wat drinken?

Het gelaat van de jonge dichter was lijkwit en zijn stramme vingers zochten de stopknop. Zijn stem was fluisterend, welhaast ruisend te noemen. Zijn woorden gingen langs me heen, het waren gegevens waar ik niks mee kon. Ik had geen wapen om ze te verslaan.
De producer kwam achter hem staan en legde zijn hand op diens schouder.

De rol van deze vrouw, mijn moeder, was in uw leven niks anders dan een vluchtig onderkruipen in een wereld die haat. U heeft altijd vol minachting over Amerika geschreven en daarmee ook Arthur Miller, uw volle neef, de wereldberoemde toneelschrijver, naar het dodenrijk gedirigeerd. U bleef in uw eigen wereld, uw sacrale theater staan. Tot hier meneer Miller. Tot hier! We weten allemaal wie uw neef die nacht bij zich had. En ergens wist ik het ook al lang voor die Breyton-sessie. Ik rook het, zoals u het zelf zo mooi wist te noemen aan het begin van deze uitzending. Mijn moeder, die eeuwig naar videobanden van ´Some like it hot´ bleef kijken en altijd een nieuwe verjaardagskalender met haar foto´s op bleef hangen. Mijn moeder heeft van u gehouden, heeft alles van u gelezen, gebruikte uw fraaie woorden in twistgesprekken met mijn vader… U heeft gebruik gemaakt van haar vermeende onschuld en haar vanaf die avond schuldig gemaakt…De rol van vrouwen is het zoeken en bevredigen van uw eigen, zogenaamd kinderlijke, onschuld. Uw lust bevredigt uw verlangen naar kind zijn meneer Miller. En om die kwetsbaarheid te verhullen verminkt u hem die van uw houden. Uw kijk op uw geschiedenis deugt gewoonweg niet.

Het leek wel alsof we uren doorgereden waren toen de auto zachtjes uitreed en langs een wild begroeide berm tot stilstand kwam. Mijn neef stapte uit, liep om de auto heen en controleerde de uitgestorven weg. Toen opende hij het portier.
“Er kwam iets tussen. Er is niks dat naar mij en jullie wijzen zal. Stap uit… Stap uit!”
Stropelend werkte ze zich voor mij uit naar buiten. Ze keek me niet aan toen ik achter haar ging staan, haar schouders zachtjes beet pakte en luisterde naar de auto die zich van ons verwijderde.

Ik herinner me niet meer wat ik gezegd heb, alleen dat de strekking ervan geleid moet hebben tot de kansen die mijn verbeelding kon maken op het papier.
Piepend schoven de stoelpoten van Bovenhuis naar achteren, hij stond op en wierp tot slot een verbleekte polaroidfoto op tafel. Zijn voetstappen klonken kil en verdwenen naar de hal aan de overkant van de zaal.
Ik zag mezelf in smoking naast zijn jonge moeder staan. Achter me liep naast mijn neef die mysterieuze, fatale vrouw, de verpersoonlijking van zoveel lust en macht. De mysterieuze Kennedy-lady die als eerste dit aardse toneel verliet voor iets dat opnieuw bij zoveel personen de verbeelding liet leven. Boeken en films hebben haar in verband gebracht met even zoveel complotten. Terwijl wat we werkelijk zagen niets was.
Net als haar naam die we in deze hele uitzending niet hadden genoemd.
Ze was niet haar naam. Ze was dat wat ze vertegenwoordigde. Net als ik.
Getroost door deze vergelijking sprak ik mompelend mijn gedachten in de microfoon onder mijn neus. Maar hij stond uit. Net als de rode lamp op tafel.


© Rik van Schaik 2003
www.rikvanschaik.nl
verhalen@rikvanschaik.nl

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens