woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Jorrit - L’homme de nature
Gepubliceerd op: 06-11-2006 Aantal woorden: 1189
Laatste wijziging: 06-11-2006 Aantal views: 1524
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

L’homme de nature

Jorrit


‘Hollanders zijn rijk’ zoveel weet hij me wel te vertellen. Ik ontken, maar als ik naar de sloeberige armoede op de camping om me heen kijk moet ik eigenlijk bekennen. Marlies wil mijn caravan, als ik hem na deze zomer niet meer nodig heb, plat laten rijden door de Hummer van een vriend.
Hier heeft iemand zijn caravan plat laten rijden. De rotzooi ligt er gewoon te liggen, naast de parasol en het zitje van de buurman. Triest steekt een koelkast tussen het puin omhoog. Ik zie iemand die in de rotzooi begint te wroeten, er een schijnbaar nog bruikbare stoel uit sleept, om het even verder als waardeloos weer achter te laten. Ik ben het niet met hem eens. Voor die twee dagen dat ik hier ben is die wankele wat vieze plastic stoel luxe.
De friterie maakt een even troosteloze indruk, de ranzige lucht nodigt niet uit tot eten. Ik geloof dat ik maar even terugfiets. Op de hoek was en frietkot van minder twijfelachtig allooi. Hoop ik.
Eerst mijn bidons schoonmaken. Er komt bruin water uit de kraan. Nee. Ook maar geen douche. Voor is het beter.

Gelokt door het plaatje van caravans en tenten aan een mooi water ben ik hier terechtgekomen. Een warme, zeg maar gerust bloedhete fietsdag afsluiten met een duik in zo’n zeldzaam meer.. Dat leek me wel wat. En dan een dag zonder bagage trappen, ook niet verkeerd. Maar nu: zal ik hier echt nog een nacht extra blijven?
Een ding, ik ben hier niet alleen. Binnen de kortste keren heb ik gezelschap van een zesjarig dik zwart jongetje, die me niet meer met rust laat. Een rap Frans pratende wijsneus, die me overal volgt.
Zonder aarzeling ook in het groezelige water. Het is eigenlijk te vies en te dubieus om ook maar met je tenen te beroeren. Maar goed, ik heb het mezelf beloofd. Ik zoek naar een deel waar het in ieder geval diep genoeg is om te zwemmen. Maar de jongen? Kan hij eigenlijk wel? Hij spartelt als een bezetene, maar verder..Snel help ik hem terug naar het ondiepe gedeelte. Een slecht plan, dat zwemmen, voel me viezer dan eerst.
De jongen raak ik niet meer kwijt. Uit Cote d’Ivoire komt hij, en ja, vooruit, hij is ook een beetje Belg. Bruxelles. Ja, eigenlijk maar een klein eindje hier vandaan. Daarom al dat Frans hier om me heen begrijp ik. Moeder is in Paris, vader in Afrique. Het zullen wel een grootouders zijn, of een tante ofzo die voor meneer hier zorgen. Ik versta de helft niet. Maar hij wordt er niet door gehinderd, praat honderduit.
Hollanders zijn rijk, en Hollanders kunnen voetballen. In een tel heeft hij zijn plaatjes gehaald en krijg ik de Oranjehelden te zien. Perdu, dat wel. Net als Drogba en de zijnen. Voetbal verbroedert, en perdu, dat doen we toch bijna allemaal. Het zoet der overwinning is slechts aan een gegund.
Waar ik sta, wil de jongen weten, en waar ik slaap, en wat ik eet. Alles lijkt interessant voor hem. Ik laat het hem zien, en hij blijft bij me zitten terwijl ik kook. Nou ja, koken. Wat rijst, blikje wortels, stukje harde chorizo en klaar. Doen we morgen die frites wel, ben te moe om weer te fietsen. Gelukkig heb ik nog betrouwbaar water. Hij wil ook. De boterhammen van oma. Altijd lekker, altijd goed.
De hele zomer blijft hij er. Alleen bij die tante? Nee, met zijn zusje. Grote broers heeft hij ook. Maar die zijn thuis, of elders.

Dan heb ik er genoeg van. Kom, ik moet naar de wc,verzin ik maar.
‘Gaan we morgen weer zwemmen?’ Ja, dat is goed. Als ik er nog ben morgen. Maar waarom zou ik er niet zijn? Verder trekken heeft nu geen zin meer, daarvoor heb ik te weinig dagen meer over. Woemi is op vakantie, met haar jongen. Thuis is er niemand die op me wacht. En thuis is er haast geen weggetje meer te vinden dat ik niet ken. Ik blijf.
Een dag toer ik zonder bagage langs riviertjes en dorpjes, bekijk stadjes en geniet. Het is warm, zeg maar gerust heet, het is mijn weer. Zomer. Zon, fiets, heerlijk gek België.
‘Wat ben je bruin’ zal ze zeggen, en sneller dan ooit glijden kledingstukken op de grond.
‘Mooi’ Haar vingers glijden langs mijn borst.
‘Heb je me een beetje gemist?’ vraagt ze, dicht tegen me aan gekropen.
Ja, lieve, ik heb je gemist. Maar dat zeggen? Over m’n lijk.
‘Een beetje, soms’ lieg ik. Maar aan mijn lichaam, aan mijn geslacht voelt ze de waarheid.

Overdag? Geen probleem. De avonden, dat zijn de lastige uurtjes. Alleen.
‘Salut’ Het is mijn kleine vriend. Hij is niks vergeten. Ongevraagd volgt hij me.Eerst wat eten. En drinken. Na zo’n lange warme dag is bier lauw ook nog lekker.
En weer vraagt hij honderduit. Of mijn fiets snel kan. Welnee, het is een echte camion, een vrachtauto. Twintig kilo bijna zeul ik mee. Ik probeer de Tour, niks makkelijker in een vreemde taal dan namen. Maar nee, dat zegt hem niks.
Dan maar weer voetbal. Zizou en zijn kopstoot. Hij lacht erbij en laat zich op het gras rollen. Nu moet ik hem toch echt even vaderlijk bestraffend toespreken. Nee, dat was niet goed. Hij knikt. Niet goed. Maar mooi was het wel lachen zijn ogen.
Alles is mooi. Dat deksel oppakken met dat onhandige grijpertje als het water kookt. Dat drinken uit de fles. Mijn boek. Garrincha. Wie is dat? Ook een voetballer. En nu? Nu is hij dood. Waarom? Drank en vrouwen moet het antwoord zijn.
‘Zijn hart’ zeg ik.
We zwemmen. Weer verzuipt hij bijna. Blind is zijn vertrouwen. Ik probeer hem wat te leren. Veel heeft het niet om het lijf. Mijn les niet, mijn Frans niet, zijn kunsten niet.
Als we het koud krijgen keren we terug naar het gras. Zitten in de laatste zon. Mooi parelt het water op zijn bruine huid. Zo bruin zal ik nooit worden Woemi.

Dan vind ik het genoeg. Zeg hem eerlijk dat ik alleen wil zijn. Tenslotte heb ik nog maar twee dagen. En wat moet ik zeggen. Tegen Woemi, als ze me naar zich toetrekt en tot zich neemt. Graag had ik kinderen verwekt in haar schoot. Maar ze vind zichzelf er nu al te oud voor. Tegen Mischa, met haar bedroefde blik die me smeekt:
‘Ga niet weg, blijf bij me, laat me niet alleen, ik hou van je’.
Twee dagen, en ik weet het nog niet.
Nicolai begrijpt me.
‘Vous étés un homme de nature’ zegt hij, met nauw verhulde bewondering. En die zijn graag alleen, mijn fiets is mijn paard, waarmee ik naar onbekende landen en streken trek. De Vlaamse bergen scheiden dit land van het verre wilde westen waar ik thuis ben, en nog verder, van de zee die hij nog nooit gezien heeft.
Even draalt hij nog. Dan pakt hij zijn fietsje.
‘Au revoir, Nicolai’
‘Au revoir’ zegt hij, en hij zwaait nog een keer als hij de bocht omfietst.






Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens