zaterdag 20 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Nils Ĺselius - Jij bedekt de hemel met je zwevende lichaam
Gepubliceerd op: 03-06-2006 Aantal woorden: 980
Laatste wijziging: 06-06-2006 Aantal views: 1643
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Jij bedekt de hemel met je zwevende lichaam

Nils Ĺselius


We stapten uit en klapten haast synchroon de deuren van de auto dicht — de auto had er door uit elkaar kunnen vallen. Ik liep in een iets snellere pas naar de andere kant van de auto. Daar wachtte je, met je hazelnootbruine haren rustend op je schouders. Je stak je hand uit. Uiteraard wist ik dat dit geen hand was die erom vroeg geschud te worden ter kennismaking, nee; het was een hand die erom vroeg vastgehouden te worden door een andere hand.
Toen onze handen elkaar raakten, keek je me aan. Met een goedkeurende lach begonnen we onze wandeling. Het was een zondagmorgen en dus een uitstekende dag om te gaan wandelen in een bos. Ik had het wel vaker gedaan: zowel met jou als met familie als alleen. Wandelingen die ik in mijn eentje maakte waren het fascinerendst, omdat ik dan de kans had me volledig te concentreren op de natuur; ik werd één met de berkenbomen, de eksters en de slakjes. Wandelingen die ik met jou maakte waren echter vele malen leuker. Ik schrok wel eens van mezelf hoezeer ik kon genieten als ik wandelde met jou mijn parel, mijn halfgodin.
We liepen over een al van tevoren uitgezette route: de blauwe. Deze route was welgeteld vier kilometer lang en dat betekende dat ik vier kilometer lang met jou kon praten, lachen en genieten van de heerlijke geur van de bomen — in de ochtend, als de lucht nog vochtig is, is de geur sterker. Ik had het je nog nooit verteld, maar je was werkelijk zoetgevooisd. Vooral in dit bos klonk je erg mooi. Het leek alsof je niet alleen met mij je ervaringen deelde, maar ook met het bos; takken kraakten, lijsters floten, bladeren waaiden op.
Terwijl jij je verhaal deed begon het steeds harden te waaien. De koude bries greep mij onder mijn jas. Ik had het koud, en jij schijnbaar ook: we knepen de handen wat harder in elkaar. Ik ritste mijn jas dicht. Je vroeg: “Je bent met mij, niet waar?” Ik knikte en lachte terug. Je ogen glinsterden. Ik wist eigenlijk niet waarom je het opeens vroeg. Was je soms bang om mij te verliezen? Vertrouwde je mij niet meer? Als we elkaar zouden verliezen, dan was het jouw schuld en niet die van mij.
Inmiddels hadden we al minstens een kilometer afgelegd, want toen ik even achter me keek, kon ik de plek waar we begonnen waren met deze wandeling, niet meer zien. Jij zweeg, en ik ook. We genoten van de natuur en ook van elkaars bijzijn. Ik dacht eraan hoe jij in de loop van de tijd steeds meer een fantasiebeeld was geworden; ik ontmoette je steeds minder vaak. In mijn fantasie ontmoette ik je echter elke dag, elk uur en misschien zelfs elke minuut. Ik heb je niet alleen verward met de zwartharige Tahitimeisjes op Gaugains schilderijen en meisjes uit Deense bands. Ik heb ook een glimp van je opgevangen in Hollywood-films en eenmaal dacht ik zelfs dat je je als verpleegster bij het Amerikaanse leger had gemeld en in Vietnam was achtergebleven.
Denken aan het feit dat ik jouw hand over een paar uur los moest laten, deed me dan ook geen vreugd.
“Ik heb het boek dat je me hebt aangeraden uitgelezen. Het was echt een geweldig boek.” Jij wist meteen welk boek ik bedoelde: Englar alheimsins, van Einar Már Guđmundsson. Je had er zo van genoten toen je het voor het eerst, drie jaar geleden, op de kop had getikt in IJsland. Je vertelde dat je het, toen je thuiskwam, er meteen in begon te lezen; je stopte pas de volgende ochtend. Daarna had je het nog een stuk of drie keer gelezen. Ook ik was zeer te spreken over het boek, waarin emoties, verdrietige en verblijde, op een bijzondere manier met elkaar in aanraking kwamen.
De voorheen zo serene rust, leek door een vlakgom te zijn uitgewist. Wat er voor in de plaats kwam, was een hevig waaiende wind. Nog meer dan eerst deed hij onze haren omhoogvliegen, deed hij ons bibberen van de kou en deed hij ons haast opstijgen van de aarde. Nog even keek je me aan: “Ja, maar het boek is ook verfilmd. De film heeft dezelfde titel als het boek: Englar alheimsins.” Eigenlijk wist ik dit al, maar ik deed alsof ik het niet wist: “O ja? Wat geweldig! Die heb jij zeker al gezien?”
Maar jij, jij gaf geen antwoord. Je hand glipte uit de mijne en ik keek naar jou, naar hoe je opsteeg, steeds hoger en hoger. Ondertussen lachte je; het leek je helemaal niets te kunnen schelen dat je omhoog werd gevoerd door de wind. Het leek je niets te kunnen schelen dat jij mijn hand moest loslaten om vervolgens de lucht in te stijgen. Het "jij bent met mij" leek niet meer te gelden. omdat het nou eenmaal niet meer kon. Mijn gezicht vertrok. Ik stond stil en jij steeg op alsof je zou worden toegelaten tot het rijk der goden. Mijn engel, mijn licht: verlaat me niet.
Het was te laat: je verdween door de kruinen van de bomen. En terwijl ik je gade sloeg, luisterde ik naar het geweldige waaien van de wind. Ik wist niet of ik je ooit nog zou zien. Ik wilde er ook niet aan denken. Als ik je nooit meer zou zien, had ik altijd nog de Tahitimeisjes op Gaugains schilderijen, had ik altijd nog de verpleegster uit het Amerikaanse leger die in Vietnam was achtergebleven en had ik altijd nog de herinneringen aan jou.

Daarna kwam de zon tevoorschijn en werd de wind luw. Ik zakte op de grond. De tranen rolden langzaam over mijn wangen, want jij was weg, vriendin in de wind. Maar daarna, toen ik mijn ogen opende, ging juist de ochtendzon op. De zonnestralen kleurden mijn kamer oranje.

@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens