dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Maikel - Etili
Gepubliceerd op: 15-12-2002 Aantal woorden: 2573
Laatste wijziging: - Aantal views: 1506
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Etili

Maikel


Het begin van een mythe

Aan het begin van de Nieuwe Jaartelling, na de inslag van de Grote Komeet, was het land Etili opnieuw compleet verwoest, ditmaal door een allesvernietigende oorlog. Tot ver in het westen waren dagelijks vele vuurregens te zien en vooral ‘s nachts werd de hemel verlicht door gewelddadige aanvallen. De eens zo mooie, noordelijke sneeuwwitte berg- en meerlandschappen waren verscheurd door de woede van machtige krijgers, zwarte magiërs en gewelddadige supermachten. De legers van Koning Senhor, onder leiding van Taryn, zoon van Rhadus, vielen spoedig de zuidelijke landen binnen die overheerst werden door de Skaarj, lenige roofdieren die de volkeren van Senhor aangevallen en gedeeltelijk uitgeroeid hadden, in een poging de totale heerschappij van Etili te verkrijgen.
Het hoogtepunt van de oorlog om de macht bereikte een climax die de geschiedenis in zou gaan als De Zesde Oorlog. De exacte data zijn niet bekend, hoewel geschiedkundigen jaartallen schatten van zo’n 500 tot 1200 na de Nieuwe Jaartelling. Onder luid trompettergeschal werd een verrassingsaanval uitgevoerd door vanuit het noorden het dal van de Nali binnen te vallen, die onder bezetting van de Skaarj stond. Een veldslag volgde, waarin vele doden vielen. Maar de Skaarj waren flink verrast door deze aanval en waren onvoorbereid, zodat in minder dan een uur het, flink uitgedunde, koningsleger uit de pas liep terwijl men de overwinning zong.
De troepen van Senhor bereikten na een week onafgebroken marcheren het hol van de leeuw; het kasteel van de Nali, in het diepe zuiden, een gebied dat eeuwig in duisternis gehuld is. De Skaarj hadden echter hulp gekregen van de weerwolven die in de Grotten van Ginia huisden, en waren met een te grote overmacht en zo sterk dat zwaarden van geen nut waren. Rond dit kasteel sneuvelden vele dappere mannen; velen vielen in de diepe afgronden die het kasteel omheinden, in de kolkende lava afkomstig uit de vulkaan, en een poging het Kasteel in te nemen, die als belangrijk strategisch punt in de oorlog diende, mislukte en men trok zich terug de heuvellanden in. Taryn vroeg zijn mannen te verzamelen bij de voet van een grote berg en sprak hen toe. “Wees gerust, dappere mannen,” zei hij. “Wij zijn nu verdreven door onze vijand, maar zullen niet opgeven. We zijn ver gekomen, en zullen nog verder gaan. Geef de moed niet op; de Goden zijn met ons en zullen ons hulp geven. Hier rusten wij, en als de zon weer opkomt zullen wij opnieuw een poging wagen het kasteel in te nemen.” Hij liep met zijn paard langs zijn leger. “Slijp jullie zwaarden, bereid je voor op de grote veldslag morgen. Er zullen morgen nog meer mensen omkomen. Sommigen van jullie hebben een liefhebbende vrouw en kinderen. Stel hen niet teleur, en beeld je in hoe zij samen met je andere dorpsbewoners je zullen onthalen als je terugkomt van een succesvolle missie. Jullie zullen helden zijn en jullie namen zullen in vele geschiedenisboeken staan. Rust nu. Het zal zwaar worden.”
Iedereen juichte Taryn toe en zij hieven hun zwaarden. Er klonk trompettergeschal en rode vlaggen, het teken van oorlog, werden in de lucht geheven. Zij stapten van hun paarden en gingen op de rotsen en de grond zitten. Zij bewerkten hun zwaarden en speren en pijlen met stenen. Toen ontstaken zij een groot kampvuur en vertelden verhalen en spraken elkaar moed in. Zij brachten hun paarden naar de rivier en lieten hen drinken van het versterkende water. Zij dachten aan hun vrouwen en kinderen. De romantische nachten onder de grote boom met de overhangende takken bij de zee onder een heldere sterrenhemel. De lange nachten in de Tuinen van Livion. Over hun kinderen die renden met de honden en krijgertje speelden in de bossen. Zij mistten deze tijden en verlangden ernaar om terug te keren, maar zij waren dapper en wilden het gevaar trotseren zodat hun kinderen trots op hen konden zijn. Het waren allemaal gelukkige mannen, met een goed hart, met liefhebbende vrienden en familie. Slechts één persoon was een zonderling figuur die niemand opgemerkt had. Galires was zijn naam.

Galires stond vooral in het noorden bekend als een mysterieuze, bijna mythische Dief die, naar men vermoedde, vele belangrijke gebeurtenissen heeft veroorzaakt. Niemand weet zijn oorsprong, maar in de vele verhalen wordt geschreven dat hij altijd door de nacht sluipt in een zwarte mantel met een even zwarte kap over zijn hoofd. Niemand weet waar hij woont, al zijn er, slechts kleine, geruchten dat hij met de wolven van Ginia woonde. Vooral het dorp Narduril, hoofdstad van Etili en tevens de verblijfplaats van de koning, zat vaak in angst omdat deze stad vaak het doelwit was van geheimzinnige taferelen. Ondanks dat het kasteel van de koning streng bewaakt werd (en na verschillende inbraken in belangrijke banken werd de bewaking extra versterkt) woonden de inwoners van het kasteel met de constante gedachte dat er misschien iets vreselijks zou kunnen gebeuren.
Maar Galires bleef bij het kasteel uit de buurt. Voorlopig tenminste, zou hij gedacht hebben toen. Ondanks dat hij geen vechter was, doch een kei in het hanteren van het kruis- en pijl en boog, was hij wel degelijk betrokken bij de veldslagen van de Zesde Oorlog. Echter hij bleef alles op een kleine afstand volgen, sluipend tussen de bergen, al beweren sommige geschiedenisschrijvers anders. Op de kruistochten maakte hij niet veel mee, maar wat hij bij het kasteel van de Nali ontdekte had hij nooit durven dromen en het begin van een nu eeuwenlange legende.

De legers van Senhor waren teruggetrokken, maar Galires bereikte het mysterieuze kasteel via de Grotten van Ginia. Hoe hij hier levend doorgekomen is wist niemand; vandaar dat de geruchten gingen dat hij met de weerwolven samen zou werken. In zijn vele dwaaltochten zat hij regelmatig op een rots, verscholen tussen dennenbomen, die recht op de enorme poorten van de burcht uitkeek. Men vermoedt dat hij dit deed om na te denken over zijn daden, en om verdere plannen te verzinnen. Sinds de Mensen uit het zuiden het kasteel van Nali hadden ingenomen, waren er altijd twee bewakers en als zij meenden dat hun vijand de Skaarj te dicht in de buurt van het kasteel kwamen, gingen zij daar op af en ontstonden er kleine vechtpartijen, waar Galires met genoegen naar keek.
Maar deze keer, toen de legers de heuvels weer introkken, bleef Galires niet op een rots zitten om af te wachten wat de volgende stap van Senhor zou zijn, maar klom hij naar beneden het donkerte in. Ditmaal zou hij het kasteel binnendringen om te kijken wat voor geheimen de Nali achterhielden in de diepe kelders onder het kasteel, in het enorme rotseiland daar midden in een vallei van helder lichtgevend kristalwater. Galires had erg goede ogen, vooral in het donker, dus ontdekte hij vrij snel een pad die helemaal langs de rotswand naar beneden liep, richting het water, zo’n 500 meter naar beneden. Eenmaal beneden aangekomen liep hij door het water naar het smalle rotsstrandje. Daar rustte hij even door op een steen te zitten en wat water te drinken die hij altijd in een stenen flesje bij zich had. Toen dook hij het meer in en zwom onder de geheime tunnel die uitkwam in een vergaderkamer. Het was een grote kamer, gehouwen uit steen. In het midden van de kamer stond een grote ronde houten tafel met daaromheen zes stoelen. Op de tafel stonden bekers, kommen, borden en bestek. En het mooiste van alles was dat er kannen wijn, brood, vlees en melk bij stonden. Aan de muren waren toortsen bevestigd die het vertrek een warme, oranjerode gloed gaven. Hier en daar hing een schilderij van een ongetwijfeld erg belangrijke heerser uit verre tijden. Links van de kamer was een grote houten trap die naar boven leidde. Onder die trap stonden grote houten vaten met wijn en jute zakken die voor de opslag van kruiden dienden.

Hij liep de houten trap op. Boven was een houten deur. Langzaam deed hij deze open en keek door de kier. Een lange gang lag voor hem. Een kille, stenen gang slechts verlicht door fakkels aan de muur. Langzaam keek hij om de deur. De gang was verlaten. Hij stapte de gang in en deed de deur achter zich dicht. Hij ging zijn instinct achterna en ging de linkerkant op. Langzaam lopend, omdat zijn voetstappen goed hoorbaar waren op de stenen. Blijkbaar waren dit kelders waar voedsel werd bewaard en gevangenen werden vastgehouden. Er bevonden zich verschillende kamers in de lange gang. Allen waren donker, uit slechts één keer kamer kwam echter licht. Een drietal wachters zaten rond een tafel naar wat het leek te dobbelen. Galires ging tegen de muur tegenover de kamer staan, waardoor hij onzichtbaar werd in het donker, en sloop langzaam, met zijn rug lichtjes schuivende tegen de muur, langs het deurloze vertrek. Eenmaal voorbij sloop hij verder en kwam niet veel later aan het einde van de gang, die een scherpe bocht naar links beschreef. Aan het einde was een stenen trap met boven een houten deur. Hij beklom de trap en legde zijn oor tegen de houten deur. Er was niets te horen, dus langzaam opende hij de deur. Voor hem was weer een gang, maar ditmaal waren de vloeren van wit marmer. Het was een brede gang, met in het midden een prachtig handgemaakt tapijt. Hij maakte een sprongetje over het wit glanzende marmer op het tapijt. Nu kon hij wat sneller lopen omdat het zachte tapijt het geluid van zijn voetstappen dempte. Aan de muren waren eveneens brandende toortsen en schilderijen. Om de tien meter was een smalle inkeping waar een vaas met bloemen of een borstbeeld van de heerser van de Nali stond. Het was doodstil maar plotseling hoorde hij gelach. Daarna het schorre gepraat van een Zuidermens die met zijn twee maten door de gangen liep. Zeker wachters die dienst hadden. In een oogwenk zag hij een inkeping waar niets in stond, maar wel erg diep en donker. Hij snelde ernaartoe en drukte zich zo plat als hij kon tegen de muur. Hij bleef kalm, maar had het ondanks dat toch een beetje benauwd omdat hij dit kasteel niet kende maar vooral omdat Zuidermensen gevaarlijk waren. De drie liepen schreeuwend, wat voor lachen door moest gaan tenminste, langs. Slechts een kleine glinstering in Galires’ ogen van het vuur op de brandende fakkel enkele meters terug was zichtbaar. Door de spanning leek het er even op dat alles vertraagde, zodat Galires de wachters goed kon bekijken. Zij hadden hoofden als woeste stieren. Uit hun bek kwamen twee grote slagtanden en hun brede neuzen hadden grote neusgaten. Hun gele ogen waren klein, maar konden scherp zien. Galires had het geluk dat zij geen reukvermogen hadden, anders was hij ontdekt en had hij het grote geheim van de Nali niet gekend. Zij hadden allen een schild met daarop met goud het wapen van de Nali ingetekend en aan de riem van hun stoffen broeken zat een dolk en een zwaard. In een cilindervormige tas achter op hun rug zat een grote speer met drie spitse punten, als een uit de klauwen gewassen hark, die met één prik een mensenlichaam kon doorboren. De Zuidermensen waren dus zwaarbewapend maar zij zagen hem gelukkig niet.
Toen ze voorbij waren wachtte hij even totdat hij hen niet meer hoorde en liep de gang weer op. Hij wist even niet wat hij moest doen, dus ging hij de voor hem meest interessante kamer in. Het was een slaapkamer, waarschijnlijk van een belangrijk iemand omdat er goud op het nachtkastje naast het enorme bed lag. De kamer was leeg en Galires liep door de kamer naar het balkon. Over de bloembakken met prachtige bloemen keek hij over een kleine binnenplaats die verlicht werd door drie lantaarnpalen. In het midden was een bloembak en daaromheen liep een wit kiezelpad. In een donkere hoek was een onopvallende houten deur. Op zijn strooptochten had Galires altijd een stevig draad bij zich om naar boven of beneden te klimmen. Deze draad was van een oude Tovenaar geweest en had hij ooit gestolen toen hij de schat van de oude Tovenaar Rhadus probeerde te stelen. Die keer werd hij echter betrapt en in zijn vlucht griste hij een draad van een tafel, die hij eenmaal bij het raam aangekomen rond een boom slingerde en zo wegvloog. Hij haalde deze uit zijn zak en gooide het rond een tak van een hoge boom in het midden van de binnenplaats in de bloembak. Toen sprong hij over de stenen pilaren die als hek dienden en zwierde de binnenplaats op. Bijna geruisloos kwam hij op het zwarte zand terecht. Hij trok aan de draad en deze viel naar beneden. Hij stopte hem weer veilig in zijn zak. Toen liep hij naar de deur. Even keek hij om, niemand was te zien, en toen opende hij de deur. Voor hem was een donkere gang. Dat wil zeggen; hij zag geen hand voor ogen toen hij de deur achter zich dicht trok. Hij liep voorzichtig de gang door, zijn handen voor hem in het duister tastend voor eventuele bochten. De gang liep na een tijdje zachtjes naar beneden en beschreef verschillende bochten. Na een half uur liep de gang echter flink steil naar beneden en moest Galires zich vasthouden om niet naar beneden te vallen.
Met veel moeite bereikte hij uiteindelijk een nauwe open plek. Hij vermoedde dat hij nu zo’n 300 meter onder de grond was. Het was er koud en stil. Hij keek om zich heen maar zag nog steeds weinig, op een vaag wit licht na. Voorzichtig liep hij erop af. Het paadje was in een behoorlijke slechte staat en hij struikelde regelmatig over gaten en grote stenen. Naarmate hij dichter bij het helder wordende licht kwam werd de gang vochtiger. En na een tijdje kwam hij op de plek die de geschiedenis in zal gaan als de schat van Nali.
Een rond vertrek, wit verlicht door een onbekende lichtbron. De kamer was niet groter dan 10 meter in de diagonaal. In het midden van de kamer was op de grond een cirkel uitgehouwen. In de cirkel waren mysterieuze runen en tekens gebeiteld. Uit de groeven kwam een licht van goud. Galires stapte naar voren. In de cirkel stond een spiegel. Gewoon een ouderwetse spiegel van een halve meter breed en twee meter hoog. Het stond in een gouden lijst kaarsrecht. Galires zag zichzelf gereflecteerd worden. Langzaam liep hij dichterbij, met open mond van verbazing want de spiegel was zo mooi… zo perfect. Toen stond hij een halve meter voor de spiegel. Dat goud… dacht hij. Dit levert veel op, erg veel. Maar hoe kon hij het het kasteel uitkrijgen? De Zuidermensen zouden hem aanhouden en martelen als ze erachter kwamen dat hij de Schat van Nali probeerde te stelen. Het glas scheen perfect te zijn en als door een betovering ging zijn hand langzaam richting het glas. Langzaam kwam er een wit licht uit het glas, dat steeds sterker werd naarmate zijn vingers dichterbij kwamen. Toen raakte hij zachtjes het glas aan. Het was warm, maar het leek vloeibaar. Toen stak hij zijn hand verder uit en deze verdween helemaal in het glas. Galires wist niet wat hij moest doen. Een tijdje stond hij daar, met zijn hand in de spiegel, totdat hij de gok erop waagde en de spiegel instapte. En toen werd het zwart voor zijn ogen.


Hobbitje (15) @ 24-07-2003 20:49:34
O dank je, Maikel! Dank je! Ik dacht dat ik hier geen fantasie zou vinden, maar (al ben ik maar 15) zeg ik toch: je doet 't geweldig! Keep Going! Ik heb veel van je opgestoken, want ook ik schrijf het liefst dit soort verhalen. Hoop daarom ook snel weer iets van je te lezen.
Was getekend Het 15 jarige Hobbitje.



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens