dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Saskyamuni - De zilveren schaduwberg
Gepubliceerd op: 22-11-2002 Aantal woorden: 1922
Laatste wijziging: - Aantal views: 1857
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

De zilveren schaduwberg

Saskyamuni


Lieve Tijn,

I am totally sleepless again..moet iets kwijt, weet niet wat..iets..weet niet goed hoe ik moet beginnen..laat staan eindigen straks..maar toch..ik probeer het gewoon. Martijn het is niet mijn bedoeling om in reine te komen met wat ik doe dmv dit mailtje. Ik zal nooit in reine kunnen komen met wat ik doe, wat ik toelaat, deze keuze..nooit. Geloof me. Geloof dat ik hier zeker van ben. Gun me dit verdriet. Verdriet is de winnaarsbokaal voor de onnozele verliezer. Dat ben ik en ik verlies. Ik heb reeds een aantal van die bokalen vergaard afgelopen tijd. Maar deze zal geen doorn in mijn oog zijn, meer een balk..dit verdriet is wat jij zou noemen..allesomvattend. En ik weet, dit is gesproken met het korset weer aan..desalniettemin, mijn hart voor jou is zuiver.

DE ZILVEREN SCHADUWBERG by Saskyamuni 22 november y2k2

De onnozele en de berggids.

Ik zit alleen, aan de voet van een berg. Met mijn ogen dichtgeknepen in foetushouding. Mijn kaken stijf op elkaar geperst. Mijn ogen zijn troebel. Mijn maag hol. Ik heb het erg koud. Ik voel dat ik bibber, maar ik denk, als ik maar heel stil blijf liggen, dan overkomt me niets. De berg is breed, hoog en steil. De schaduw van de berg, monsterlijk, groot, koud en gitzwart, omvangrijk weids en leeg, het is mijn thuis. Ik heb geen kracht om mijzelf uit de schaduw te bevrijden. Laat staan de berg te trotseren. Jij wijkt van je pad en loopt haast blindelings naar me toe. Je knielt bij me neer, kust mijn ogen (ik open ze), kust mijn handen (ik reik ze) en helpt me met zachte hand overeind. Wat onwennig en onhandig geef ik me aan je over. Ik vertrouw je blind. In de schaduw kan ik je niet zien. Ik voel alleen de warmte van jouw hand in de mijne. Ik hou je vast, stevig en met beide handen terwijl ik je schoorvoetend volg. Dan loop ik daar zomaar in het felle licht, samen met jou op een pad, lang, steil en bergopwaarts. In het begin wat angstig, onzeker..je kijkt een paar keer om en knikt..ik glimlach weer voorzichtig. Ik schenk je mijn vertrouwen. Jij koestert dat. Het pad lijkt oneindig lang te zijn. Ik probeer maat met je te houden en wijk niet van je zijde. Je maakt een grapje. Ik lach erom. Je klemt je armen om mijn middel. Mijn voeten verliezen hun contact met de grond. Met een grote zwaai til je me op en draai je me in de rondte. Ik voel je hoofd tegen mijn schouder. Je warme adem in mijn nek, je hijgt zachtjes en fluistert..kijk eens? Dan harder..Saskia..Zie je?! Ik kijk. En ik zie. Ik herken alle mooie dingen om me heen. Ik zie ze weer. Mijn ogen glanzen opnieuw. Dan land ik weer op het pad met mijn neus richting de berg en we vervolgen samen onze weg. Vanaf toen heb ik je in mijn hart gesloten weet ik. Onderweg klimmen we boompje. We lachen. Dan stoppen we even. Je kijkt me aan. Ik volg je ogen als in een hypnose. En we knielen samen neer bij een grote oude steen. De steen is wit met grijs en geaderd, ruw en koud. Er staat iets in gegrift. Tekens van een oeroude nog nooit gesproken maar reeds lang vergeten taal. De taal van moeder aarde, de wereld, de natuur. Maar toch is het op een of andere manier leesbaar voor me. Magisch. Mystiek. Ik lees. Ik besef. Ik lees jouw verhaal. Je laat je vingers er over glijden en bepaalt zo mijn leestempo. Dan houd je plots op. Ik kijk van de steen naar jou en van jou naar de steen. Ik zie ineens dat daar waar jij je teruggetrokken hebt zich onafgebroken nieuwe tekens vormen alsof een onzichtbare steenhouwer zich ter plekke ongevraagd te werk heeft gesteld. Het voelt wederom magisch. Een lichte siddering bekruipt me. Het verhaal gaat verder. Waarom? Je was toch al klaar? Ik kijk je vragend aan, maar je haalt je schouders op. Ik kijk met verwondering toe hoe de tekens zich in de steen vormen. Jij kijkt eveneens alsof je water ziet branden. Het verhaal breidt zich uit. Ik knipper met mijn ogen en tracht verder te lezen. De steen vertelt over mij. Ik knijp mijn ogen dicht. Ongeloof. De jouwe glanzen voorzichtig, maar ik word bang. Ik leg mijn handen op de steen om het te laten stoppen, maar de tekens blijven zich vormen. Een voor een en steeds sneller. De steen vonkt. Ik trek mijn handen terug als door een slang gebeten. Toen was daar die uitbraak. Uit het niets. Die oerknal. Oorverdovend. Ik wankel. Mijn nekharen staan recht overeind en ik kijk je verschrikt aan. Ik zie enkel je grote verbaasde ogen en probeer mijn balans te hervinden. Ik weet dat als ik je aan blijf kijken ik vanzelf weer recht ga lopen. Je blijft doodstil staan tot het mij lukt, dan verzucht je opgelucht. Jij bent ook geschrokken en weet je even geen houding te geven. Je snuift de berglucht diep in en vraagt je af of het wel zo'n goed idee was om met mij meteen die berg op te gaan.. Je kijkt nogmaals over je schouder en onderzoekt me met lichtelijk wantrouwende blik om te zien of ik hoe dan ook enigermate gekrenkt zou kunnen zijn. Nochtans lijkt het of ik alles weer vergeten ben, ik haal je in en loop weer naast je, fier en zeker. Ik ben uitgelaten en ik dans. De top van de berg is onbeschrijflijk mooi in mijn gedachte. Zilverkleurig glinsterend, spierwit en licht. Waar je overdag in alle euforie word verwarmd door zonnestralen als warme kussen, bemoedigende schouderklopjes, begripvolle blikken, vertrouwde omhelzingen, liefkozende handen die met je haren spelen, kortom alle gebaren die de belofte van iets onvoorwaardelijks uitspreken. Diepte. Diepgang. Onbeschreven. Onbeschrijflijk. Onmeetbaar diep. En waar je bij nachte betoverd wordt door de aanblik van de maan. Zus maan die iedere maand bevalt van magische kinderen. Is zij onze moeder? De top van de berg moet zo voelen. Jij weet het volgens mij. Alleen je bent er nog nooit samen met mij geweest. Mij. Ik. Die wildvreemde die je aan de voet van de berg uit de schaduw hebt geholpen en nu aan het handje mee naar de top van de berg voert. Bij elke stap stijgt hoopvol mijn verwachting. Je pakt mijn hand en trekt me mee. We rennen. Moeizaam maar toch. We rennen en ik kijk je hoopvol aan. Het voelt alsof ik vlieg. Je kijkt terug, vriendelijk maar je blik verwildert naarmate we harder rennen. Een vreemde sensatie. Het voelt raar. Ik wil dat je vaart mindert. Langzaam gaan we over in looppas. Waar blijft hij nou? Ik zie hem niet. De top. Hij is nog zo ver weg. Toch vertrouw ik erop dat hij net zo mooi zal zijn als in een droom. Zo mooi dat ik weet dat het me ook veel pijn gaat doen. Wat als ik schrik van zoveels moois en goeds. Wat als ik het niet begrijp? In mijn enthousiasme kan ik de wereld aan tot de wereld zich aan mij openbaart, wat dan? Wat als ik verblind zal worden door de zon, zijn liefkozingen misinterpreteer, afwijs. Zal hij dan zijn zonnestralen verbannen uit mijn hart? Zal de deur naar mijn hart gesloten blijven voor zijn liefde? Wat als ik wel wil, met heel mijn ziel en zaligheid zo graag wil, maar de deur klemt. Wat als door het opentrekken de roestige scharnieren zullen gaan draaien en het vuil van de roestige scharnieren mijn hart zal infecteren of..de roest mijn geest zal vergiftigen. Wat dan? En dan heb ik het nog niet over zus maan. Zal zij mij wel erkennen? Zal ik haar erkennen? Kent zij mij? Als ik niet beken, zal ik dan haar toorn over mij afroepen? Zal ze met razernij dreigen? Zal ze tot razernij neigen? Ze is mijn moeder..jij bent mijn broer. Samen kunnen we het goed hebben. Wat denk je? Zullen we het samen goed maken? Te veel vragen te weinig antwoorden. Blinde paniek maakt zich van mij meester, overmant mij. Mijn hoofd tolt. De wereld om mij heen tolt voor mijn ogen. De berg begint te beven. De berg leest gedachten, is tolerant en genadig. Maar het voelt mijn paniek. De berg walgt van mijn minderwaardigheid. De berg voelt mijn ontrouw. En voelt zich verraden. Dan volgt er een donderend geraas. Stof waait op. Steen vergruist. Storm woedt. Het pad versplintert voor onze beider ogen. Je kijkt om en roept naar me. Ik hoor je wel maar ik kan je niet meer zien. Je bent te ver weg ineens. De grond schudt en beeft onder mij. Ik kan me niet meer staande houden en verlies mijn evenwicht. Terwijl ik de grond raak schiet ik volautomatisch in de foetushouding. Ik ben bang. Ik huil. Dan is het weer rustig. De lucht raakt verzadigd door het stof en hult alles in een dichte ondoordringbare nevel. Ik kom langzaam omhoog. Ik roep naar jou. Je roept terug. We horen elkaar. Dan hoor ik een kreet. Gesmoord. Jij bent het. Het klinkt..onnatuurlijk..alsof je heel veel pijn hebt, maar niet verrast bent erdoor. De nevel lost langzaam op en wat ik zie voel ik en wat ik voel zie ik en het zicht alsmede het gevoel gaan door merg en been. Het pad is weggeslagen. Precies onder jou en boven mij. Het midden voert naar ijzingwekkende diepten. De kloof is gemaakt. De wanden lijken wel van ijzer. Ijzeren kloofwanden. Ik zie een glinstering erin en besef meteen dat ik de bergtop nooit zal meemaken. Ik zie je kijken. Je kijkt ondraaglijk teleurgesteld. Je ogen zijn vochtig. Ik kan ze zien glimmen. Je bijt op je lippen en balt je vuisten. Ik zak door mijn knieen en en begin onbedaarlijk te huilen. Ik huil om het verlies van de liefdevolle zon met zijn goede bedoelingen, om zus maan die mij nooit zal betoveren of..toornen. Maar vooral om jou. Jij die mijn ogen gekust heeft, zodat ik ze weer kon openen, mijn handen gekust heeft zodat ik ze weer kon reiken. Jij die mij voorging in de duisternis die ik mijn thuis noemde. Jij die de weg leidde naar de mooie witte bergtop die zo mooi zou zijn als in een droom. Een droom zo fragiel als het dunste glas. Doodstil. Knal. Gerinkel. Ik houd mijn handen tegen mijn oren om het niet te horen. Maar de scherven raken mijn ziel. Treffen me midden in het hart. Ik schreeuw het uit. Mijn geschreeuw gaat over in jammerend gesnik en ongecontroleerd kokhalzen. Ik walg van mezelf. Ik walg van mijn ontrouw. Ik hoor jouw stem in mijn hoofd. Opstaan! Nu! Mijn hele lichaam beeft. Ik sta op en kijk omhoog. Je bent weg. En toch hoor ik je. Waarom kan ik je niet meer zien dan? Alle geluid verstomd. De berg, jij.. Verslagenheid bezorgt me enige apathie. Verdwaasd draai ik me om. Gevolgd door jouw blik daal ik de berg weer af. Een traan glijdt over mijn schrale wang. In gedachten streel ik je gezicht en kus ik je. Vergeef me. Vergeef me mijn minderwaardigheid, mijn twijfels, mijn angst en mijn ontrouw.. Dag..dag mijn allerliefste Martijn..dag Miro. Ik zal jullie nooit vergeten. Geen jaar, geen maand, geen week, geen dag, geen uur, geen minuut, geen milliseconde in dit nietige leven..nooit.

THE END

Voor Martijn van Saskyamuni. Eternity is ours.


Artisticia @ 02-02-2005 15:45:49
poepoe wat een kost. Heeft er iemand een Rennie?



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens