dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Gerard van Oudekerken - Het Ongeluk
Gepubliceerd op: 14-10-2002 Aantal woorden: 1728
Laatste wijziging: - Aantal views: 1915
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het Ongeluk

Gerard van Oudekerken


De wind waait strak in mijn gezicht. Een vlieg in mijn oog, die er snel weer uit is. Het hoge gebrom van de krachtbron onder me. Het stevige getril tussen mijn benen. De snelle bewegingen van de toerentalmeter. De rode wijzer van de snelheidsmeter langzaam omhoog kruipend. Een geur van benzine gemengd met olie tintelt het binnenste van mijn neus en ik proef het ook een beetje op mijn tong lijkt het. De dubbele gele strepen die langs glijden in een vlug tempo. Het gevoel van een rempedaal onder mijn rechtervoet, en het schakelpedaal onder de linkse. Rechts al kilometers lang aan een stuk door weiland met hier en daar een koe en als je geluk hebt ook nog een paard. Voorzichtig lopen de weilanden omlaag, het dal in. Zo te zien grenst het aan een brede maar ondiepe rivier, rustig kabbelend door de wijde omtrek. Aan de linkerkant de hoge steile rotswand die ook al de hele tijd aanwezig is. Mijn gedachten vervagen. Ik denk aan die laatste keer. Die keer dat ik hier voor het laatst de wind in mijn gezicht voelde. Het is alweer vijf maanden terug.
Het was zo koud. Althans de wind was koud, als je stilstond viel het wel mee. Het was zo’n typische herfstdag. De bladeren lagen al op de grond, sommige nog maar net van de bomen afkomstig. Ik zag paarden die al een deken droegen, maar de meeste nog zonder. Het was aangenaam, de zon laag aan de hemel, die trok van die lange schaduwen over het wegdek. Het gaf je een fijn warm gevoel, waar je ook was. Zwermen vogels die overvliegen om de winter door te brengen in het zuiden.

De stem droge stem zegt:,,Nine one one emergencycall”. Ik kom niet uit mijn woorden. Ik probeer alles in één keer uit te leggen. Het zweet dat door mijn handen loopt. Mezelf afvragend waar ik op dit moment precies ben om door te geven zodat het ambulancepersoneel weet waar het moet zijn.

In de spiegels zie ik haar achter me over het wegdek dansen. Van links naar rechts en weer naar links. Voorzichtig accelererend en weer gas terugnemend. Zij op de groen met zwarte Kawa, ik op de duivelsrode Ducatti. Allebei hebben we de lampen aan. Schijnend op het wegdek voor ons. Meereizend met elke meter die we afleggen. Ze trekt aan het gas en verschijnt snel aan de linkerzijde van mij. Kijkt me aan, ze heeft het zwarte vizier gesloten, maar ik zie dat ze me aankijkt, knipoogt naar me, en laat net zo vlug en soepel als ze kwam het gas weer los en drijft in een hoog tempo achter me aan. De groene velden dalen rustig wat verder het dal in, zodat het langzaam een helling begint te vormen. Ze knippert en zet richting uit naar de kant. Ze ontdoet zich van haar helm en gooit haar haren los.
Wat een prachtmeid.
We kijken het diepe dal in en na een half uur genoten te hebben van de wonderbaarlijke natuur besluiten we verder te toeren. Ze grist de sleutels uit mijn hand en scheurt weg op de motor van Italiaanse makelij. Ik zet mijn helm op en schiet haar achterna op de zwaardere motor die op mijn naam staat. De Ducatti staat officieel op haar naam maar we wisselen vaak van motor. Na ongeveer een kleine kilometer zie ik haar in de verte en binnen twintig seconden zit ik op een meter achter haar. Flink wat rook walmt er uit haar dikke uitlaten aan beide kanten van de motor, en ze sprint vooruit. Ik draai met mijn rechterhand en ik vlieg haar achterna. Er verschijnen dikke tranen in mijn ogen. Het vizier staat nog open. Met een vlugge handbeweging gooi ik het dicht.

Een voertuig met hoog toerental komt aangevlogen en dan zie ik in de verte blauwe lampen zwaaien en het angstaanjagende geluid van de ziekenwagen. Ik zit geknield met een hand op haar schouder. De mannen rennen naar de achterkant van de wagen en komen terug aangehold met de brancard.

De weg begint meer bochten aan te nemen en er verschijnen hier en daar stukken vangrails aan de rechterkant van de weg. Dit heeft voor haar weinig betekenis, want ze gaat alsmaar sneller. Ik vlieg er net zo snel achteraan, maar begin toch steeds meer adrenaline aan te maken, duidelijk voelbaar aan het zweet dat ontstaat over mijn rug en aan een snellere hartslag. Tevens moet ik regelmatig een brok wegslikken. Haar haren niet meer wapperend, maar strak naar achteren gehouden door de luchtstroom die ontstaat bij tweehonderdendertien kilometer per uur, af te lezen op mijn digitale snelheidsmeter, en nog steeds oplopend.

Ik kijk haar aan maar ze hoort me waarschijnlijk niet. Haar hand ijskoud in de mijne. Een straaltje bloed loopt uit haar oor langs haar hoofd en valt op het laken waar ze op ligt. De broeder die tegenover me zit veegt met een doekje langs haar hoofd op de plek waar het bloed liep, en stopt het in een klein prullenmandje naast hem.

Ik ben benieuwd hoelang ze nog door kan trekken, want de fabriek gaf als topsnelheid aan tweehonderdvijfentwintig. Een hard, maar mooi geluid klinkt in mijn oren van de twee motoren die samen nu wel zeker vijftienduizend toeren maken. Ze kijkt niet. Ze ziet me niet in haar spiegels. Ik knipper met de koplampen om haar een seintje te geven om even wat rustiger aan te doen. Ze geeft geen reactie. Er is weinig acceleratie meer. Langzaam valt de snelheid iets terug. Ik kijk en zie tweehonderd. Ik draai rustig aan het stuur en kom aan de linkerkant van haar voorbij. Ik kijk haar aan. Ze draait haar hoofd naar mij.

We rennen door de gangen van het St. John’s Hospital en we worden aangevuld met twee zusters en een dokter. Blijkbaar een chirurg met zijn groene pak aan. Ik zie een traan. Er rolt er een over haar slaap en komt terecht op het laken. Een van de zusters houdt me tegen en ik zie haar door de klapdeuren verdwijnen.

Ik zie haar kijken op haar dashboard en ze kijkt me weer aan. Ik schud mijn hoofd. Dan schiet ze vooruit en ik schrik me wezenloos. Is ze gek geworden? Op het moment dat ze wegschiet zie ik een straal donker spul uit het middelste van haar wiel spuiten. Meteen weet ik dat het remvloeistof is. Ik toeter en knipper maar ze is al te ver vooruit om daar iets van te merken.

Ik krijg koffie aangeboden van de zusters en warme soep en ze stellen me alsmaar gerust. Ik weet dat het niet goed zit. Ze zag er zo geschonden uit. Ik weet dat het niet meer goed komt, maar ik wil er niet bij met mijn gedachten.

Gelukkig hebben we van motor gewisseld en zit ik nu op de zwaarste van de twee. Ik trek het gas helemaal open en nader haar van de rechterkant, anders rijd ik recht in de donkere straal en zal ik meteen vallen. Ze ziet me in haar spiegel en gelijk ook de straal die achter haar hoog opspuit.

Er zijn een goede drie uur verstreken en ik zit helemaal onder de cafeïne van wel twaalf bekertjes koffie op het bankje voor de kamer waar ze bezig met haar zijn. Een zuster zit naast me tegen me aan te praten maar ik krijg er helemaal niets van mee.

Ik gebaar haar niet de rem in te drukken maar alleen rustig het gas los te laten. Ik had het zelf ook niet begrepen, want hoe leg je zoiets uit met die snelheid? Ik trek nog iets aan het gas om een meter verder naast haar te komen, maar net op het punt dat mijn voorwiel haar voorwiel voorbijgaat stapt ze stevig op de rem…
Haar achterwiel blokkeert en glijdt de kant uit waar ik net vandaan kom en de motor slaat om. De afstand tussen ons in wordt binnen enkele seconden vergroot van dertig centimeter naar wel honderd meter. Ik rem voluit en zie in mijn spiegels dat de motor snoeihard over het wegdek voortglijdt. Alleen zij is er niet meer. Ik draai me vlug om en de motor komt vlug dichterbij. Hij ligt stil, maar hij rookt flink, het voorwiel draait hevig rond en het achterwiel is half verwoest.

Een zuster komt uit de kamer en roept de zuster bij zich die naast me zit. Ik kijk niet op. Samen lopen ze terug de operatiekamer in. Uren lijken voorbij te gaan.

Het eerst wat volgt na de motor is een stuk van haar vizier. Drie meter verder ligt nog een stuk, met daarna een stuk ijzer, waarschijnlijk van het achterwiel. Ik zie haar niet. Wel een groot stuk rubber, ook van het achterwiel denk ik. Ik ga steeds langzamer. Het is ontzettende koud opeens. Misschien is dat alleen maar een gevoel. Ik kijk in de berm. Van de berm naar de vangrails en verder het dal in. Er is nauwelijks weiland meer, het gaat bijna recht omlaag. Zo steil loopt de helling omlaag. Ik kijk de weg na. Al mijn hoop vestigt zich op wat ik denk dat zij het is, een donkere vorm bij de vangrails zeventig meter verderop. Met een slakkengangetje ga ik ernaartoe.

De man in het groene pak die ik straks ontmoet heb komt de kamer uit, en achter zich aan de twee zusters die me niet aan durven te kijken. Ze lopen de andere kant uit. De chirurg stopt voor me en ik sta snel op. Hij durft me niet recht in de ogen aan te kijken en hij weet biet hoe hij het moet zeggen. Eigenlijk hoeft hij van mij niets meer te zeggen want ik weet genoeg.

Het eerste wat ik zie is haar hoofd en de manier hoe ze uit haar ogen kijkt. De manier hoe ze daar tussen het koude ijzer is gevouwen, de manier hoe ze uit haar ogen kijkt, de manier hoe haar benen zitten ten opzichte van de rest van haar lichaam. Het is allemaal genoeg voor mij om te beseffen dat ik het allermooiste wat er bestaat, wat ik heb vastgehad, wat ik liefheb, deze dag ben kwijtgeraakt. Op zo’n mooie herfstdag in oktober.


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens