woensdag 24 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Bandito - Wakker worden
Gepubliceerd op: 11-10-2002 Aantal woorden: 4277
Laatste wijziging: - Aantal views: 2338
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Wakker worden

Bandito



Have you ever had a dream Neo, that you were so sure it was real.
What if you were unable to wake from that dream.
How would you know the difference between the dream world and the real world?

- Morpheus, The Matrix

De jongen schopte een steentje weg, het ketste af op een paar kiezels voordat het in het water belandde. "Dat klinkt tenminste nog normaal" dacht de jongen.
Hij dacht terug aan het begin van deze surrealistische nachtmerrie (of was het geen droom?)
-nee! dat kan niet waar zijn!
echt niet?
Hij wist het niet.
Terwijl hij het beekje verder afliep liet hij de omgeving nog eens op zich inwerken. Het was een aangename zomermiddag en de wereld was vervuld met geluiden, hij snoof de geuren op en voelde de wind langs zijn gezicht strijken. Allemaal normale dingen waar hij nog nooit bij stil had gestaan, die hij nooit eerder bewust met zijn zintuigen had geïnterpreteerd en dat maakte het juist zo moeilijk om ze te beoordelen. De geluiden kon hij bijna allemaal thuisbrengen, de geuren waren… nou, zoals ze hoorden en de wind had ook niets abnormaals. Maar toch.
“Hoe moet je in godsnaam weten of je droomt”, sinds hij gisteren hier was aanbeland was hij constant bezig geweest met deze vraag en nog steeds probeerde hij zichzelf te overtuigen van…
van wat?
-Zijn eigen saniteit? waanzin?
Waanzin weigerde hij onder ogen te zien, het ontbreken hiervan betekende echter iets dat onbevatbaar erger was dan waanzin.

Drie dagen geleden was hij met zijn ouders en vriendin aangekomen in New York City, waar ze voor twee weken zouden verblijven in een appartement op de 46e verdieping van het San Carlos Hotel op East 50th street. Het was zijn eerste keer in The States en hij was van plan om dat goed tot zich door te laten dringen, het appartement was fantastisch en bood uitzicht op de gehele kustlijn van New York. Na het uitpakken van het hoognodige besloot hij met zijn vriendin de stad is in te trekken (of in hoeverre dat ook mogelijk was in New York), vastberaden om zijn kennis over grote Amerikaanse steden betreffende ‘streets’, ‘avenues’ en het openbaar vervoer te beproeven. Hij had dan wel niet het onfeilbare richtingsgevoel van zijn vader geërfd “Maar met een woordje Engels en een betoverende glimlach kom je tegenwoordig overal!”, dacht de jongen.
‘Overal’, wat klinkt dat woord opeens leuk! Vind je ook niet? Central Park of een stukje natuur waarvan je niet eens zeker weet of het wel op aarde is, maakt verder niks uit, toch!?
Hij negeerde de stem en liet die eerste dag verder door zijn hoofd spelen. De dag verliep goed en na een kleine omweg waren ze inderdaad ook nog in Central Park geweest. In een klein café niet ver buiten Central Park waren ze even gaan zitten voor een authentiek Amerikaans biertje en een ice tea, een heerlijke dag dus. Het café waarin ze hadden gezeten leek in de verste verte niet op Cheers maar het kon ermee door en boven de eikenhouten bar hing een televietoestelletje waar de een of andere lokale nieuwszender sprak over ‘eigenaardige atmosferische veranderingen aan de oostkust van Amerika’. Hij grinnikte bij de gedachte aan de wind die hij had gelaten vlak voor de landing, hij had verwacht dat de zuurstofkapjes elk moment uit de luikjes boven de passagiers zouden vallen, “Eigenaardige atmosferische veranderingen, zeg dat wel!”. Tot zover waren zijn herinneringen nog samenhangend en logisch geweest, die avond echter stierf logica met een diepe zucht en verdween samenhang tegelijkertijd met de gehele oostkust van Amerika.

Ze hadden gegeten in het restaurant dat een etage hoger lag dan hun appartement en hetzelfde fabuleuze uitzicht had. Er werd gelachen, gekibbeld en gemopperd en de jetlag werd op die manier bijna een tastbaar emotioneel verschijnsel, wat was zeuren toch heerlijk bij een bord spaghetti en de herinnering aan de middagwandeling van zo’n tien kilometer. Wat zijn ouders die middag hadden gedaan wist hij nog niet precies maar veel meer dan schoonmaken (gezellig mam) en drie uur met het vliegveld aan de telefoon hangen over een vermiste koffer (gezellig pap) leek er niet in te hebben gezeten.
Was er echt een koffer kwijt? at je wel spaghetti? Wat klink je opeens zeker van jezelf jongen, alsof de details…
-Kop dicht!
…er iets toe doen, belangrijk voor je zijn of…
-KOP DICHT!
De stem gehoorzaamde, voorlopig. Het was inmiddels net acht uur ’s avonds geweest en het nieuws, het landelijke dit keer, repte weer over ‘eigenaardige atmosferische veranderingen’ die blijkbaar nog verder waren doorgezet. Sommige mensen gaven wat aandacht aan het nieuws, enkelen werden er zelfs onrustig door, maar voor de meesten was het slechts een onzinnige onderbreking in de hoogstwaarschijnlijk spectaculaire talkshow waarnaar ze aan het kijken waren geweest. Het enige dat de jongen opviel was dat er verder geen toelichting werd gegeven op deze E.A.V’s zoals de nieuwslezer ze inmiddels noemde. Een uur later echter, kwam alle toelichting die nodig was, meer dan iemand had willen weten.

Op het moment dat David Hasselhoff het zoveelste meisje tijdens de zoveelste herhaling van Baywatch uit het water trok, viel de stroom uit. Uit de bescheiden menigte van zo’n zeventig mensen die nog in het restaurant aanwezig waren steeg een ontstemd geroezemoes op. De jongen zat bij het raam en hoorde hier niets van. In zijn gedachten hoorde hij alleen het oorverdovende gebulder dat de vloedgolf, die hij aan de horizon zag verschijnen, moest maken. Een paar seconden later viel alles stil, iedereen keek naar hetgeen zich aan de horizon begon te ontwikkelen. Toen de jongen begon te beseffen wat zijn ogen al een tijdje registreerden, was het eerste dat hem opviel dat niemand in paniek raakte.
“Waarom rent niemand weg?”, dacht hij. “Omdat dit niet echt is” zei zijn andere hersenhelft. Ondanks deze geruststellende waarheid bleven zijn ogen hardnekkig volhouden dat de golf, die inmiddels nog maar een kilometertje of twintig van de kust leek te zijn, toch wel erg reëel was … en groter werd.
Iemand gilde, niemand luisterde. Langzaam begon de meute te bewegen, iemand gilde harder en toen pas besefte de jongen dat het zijn vriendin was, vaag was hij zich er van bewust dat ze haar nagels diep in zijn arm drukte, hij zag het bloed dat eruit begon te stromen maar gaf er geen aandacht aan.
Tien kilometer.
“Waarom hoor ik niks?”, vervolgde de jongen in gedachten “omdat deze golf sneller dan het geluid gaat”, herinnerde zijn andere hersenhelft hem, deze hersenhelft had teveel films gezien dacht de jongen. Het gillen sterkte aan toen meer mensen zich bij het oerkreten-zangkoortje aansloten. Inmiddels was te zien hoe middelgrote boten (schepen corrigeerde zijn vader hem in gedachten) als stukjes drijfhout in de golf verdwenen, hij zag de diepgroene basis van de golf die, naarmate hij hoger keek, in lichtblauw overliep.
“Waar zijn de schuimkoppen?”, vroeg hij zich af. “Golven hebben toch schuimkoppen”. Zijn andere hersenhelft besefte dat golven van honderdtwintig meter hoog er misschien anders uitzagen dan golven van een halve meter hoog.
Drie kilometer.
De jongen keek opzij naar zijn ouders, maar zijn blik werd direct weer teruggetrokken naar het glas en het schouwspel dat zich daarachter voltrok. “Mijn leven is dadelijk voorbij en ik kan niet eens aan mijn ouders of mijn vriendin denken” realiseerde hij zich. Hij had vaak gelezen en gehoord (zelfs op Discovery Channel, in zijn ogen de ultieme vertegenwoordiging van waarheid en feiten binnen de wonderschone wereld van media) dat mensen in de seconde voor hun dood heel hun leven aan zich voorbij zien trekken en mooie herinneringen herbeleven. “Het enige waaraan ìk kan denken is de snelheid waarmee mijn lichaam dadelijk aan stukken wordt gereten en welke kleur de laatste zal zijn die mijn ogen zullen zien. En meer dan een seconde heb ik volgens mij niet meer”.
De kust
Op het moment dat de vloedgolf de kust bereikte toornde deze boven de meeste gebouwen uit en was op ooghoogte van de jongen. Hij wilde gillen, schreeuwen dat hij van zijn vriendin hield. In plaats daarvan dacht hij weer aan het water, en of hij dood zou zijn voordat hij kon verdrinken. Toen was het voorbij.

Geen tunnel, geen fel licht, alleen een vaag bewustzijn bleef over. Gedachten beperkten zich tot gevoelens die bestonden uit vage indrukken van nietszeggende kleuren en abstracte vormen. Na (een milliseconde? een seconde? een minuut? een uur? een eeuw?) wat een oneindigheid leek te duren, begonnen de zintuiglijke impulsen weer als golfjes water tegen de receptoren in zijn voorste hersenkwabben aan te kabbelen. In het begin liet het zich alleen vertalen door een onverstaanbaar gemompel, maar naar mate de –ondefinieerbare- tijd voorbij streek (vloog?) en de golfjes
vloedgolven
werden leek één woord zich steeds duidelijker te repeteren. Als in een universele taal, die door elk volk, elke cultuur begrepen zou worden, schreeuwden zijn zintuigen: ‘LEVEN! LEVEN! LEVEN!’
Deze krachtige bewering verspreidde zich als een echo
vloedgolf
door zijn hersenen. De schreeuw werd steeds ondraaglijker en de jongen kon zich op een gegeven moment niet meer tegen de realiteit van de buitenwereld verzetten. Uiteindelijk besloot zijn onderbewustzijn de zekerheid van leegte en dood in te ruilen tegen een veel betere, maar ongeloofwaardigere gewaarwording van leven. LEVEN. Voorzichtig, als een pasgeboren baby die net de veilige en bekende baarmoeder tegen een lawaaierige, felle en koude wereld heeft ingeruild, opende de jongen langzaam zijn ogen.

Centimeter voor centimeter nam hij de directe omgeving
Het raam
waar en stuurden zijn ogen hun eerste voorzichtige inschattingen van de situatie door naar zijn hersenen. Op de vloedgolf (het laatste dat zijn ogen hadden gezien) na leek het uitzicht hetzelfde als pakweg een minuut geleden.
-Er was een golf!
De kust leek vredig en werd gedeeltelijk aan het oog onttrokken door een handjevol wolkenkrabbers tussen het strand en de jongen in.
-Er was een grote golf!
Het water was rustig en slechts als hij heel goed keek zag hij de rimpelingen op het water, die vanaf de 46e verdieping even goed een hallucinatie hadden kunnen zijn.
-Er was een HELE grote golf!
Een hallucinatie! Dat was het –moest het zijn- al kon hij zich niet herinneren iets te hebben gegeten dat een dergelijke hallucinatie kon veroorzaken, kon het niets anders zijn!
Overtuigd van de correcte werking van alle vijf de zintuigen begonnen zijn hersenen, bij wijze van een test als eerste de signalen van zijn oren weer door te geven, de jongen werd hierdoor geconfronteerd met -wat leek- een volle honderdveertig decibel van klanken die niet in het alfabet voorkwamen. Klanken die alleen maar konden worden geïnterpreteerd als hysterisch gegil. Op dat moment begonnen al zijn zintuigen, ervan bewust dat ze nog steeds naar behoren werkten, zich met de discussie te bemoeien en uit deze chaos van waarnemingen ontstond een beeld van de werkelijkheid dat overeenkwam met het in een dronken toestand kijken door een caleidoscoop. Alles stond haaks op elkaar en leek rondjes te draaien, het enige duidelijk waarneembare was een overtuiging die niet strookte met zijn logisch beredeneerde gedachte aan een hallucinatie; echte pijn, echt gegil en een inmiddels echt scherp waarnemingsvermogen.
De pijn kwam uit de zenuwcellen in zijn arm die klagelijk de vingernagels van zijn vriendin vervloekten.
Het gegil kwam van alle kanten en was niet te ontkennen, al leek het inmiddels eindelijk af te nemen.
Het scherpe waarnemingsvermogen botste met zijn eerdere ervaringen met hallucinogenen. Hij gebruikte al jaren paddo’s en hij had zelfs een enkele keer LSD gebruikt, en al kon hij niet besluiten of hij er trots op moest zijn of niet, hij beschouwde zichzelf toch wel enigszins als expert op dit gebied. Een trip zou bovenstaande zintuiglijke impressies normaal gesproken juist afzwakken!. Al met al klopte er iets niet.
Er klopte iets niet? Gôh, meen je dat nou. Wat je wilt zeggen is dus eigenlijk dat, aangezien de wereld onderhevig is aan de natuurkunde –vaste regeltjes dus- er hoogstwaarschijnlijk iets met JOU niet klopte.
De stem maakte weinig indruk meer op de jongen, of het was a) zijn eigen stem of b) een ingebrachte hersengolf van hèn of c) een droom
-Een droom! Laat het een droom zijn!
Meer opties zag hij niet, en op de laatste na vond hij ze geen van allen aanvaardbaar. Desondanks was hij de afgelopen dagen met de stem vertrouwd geraakt en of het nou a,b of c was, hij kreeg het zelfs af en toe voor elkaar te stem te negeren of deze zelfs enige tijd tot zwijgen te brengen.

Terug naar dat moment. Het moment dat zijn lichaam weer enigszins normaal begon te functioneren en hij zijn toevlucht zocht tot de kunst van deductie. Misschien had hij zich inderdaad –door welke psychische, ge-encyclopediseerde reden dan ook- de vloedgolf verbeeld, als dat inderdaad zo was dan had hij –om welke psychische, niet ge-encyclopediseerde reden dan ook- deze verbeelding gedeeld met de rest van de aanwezigen in het restaurant, “En”, besefte hij “er klopt nog iets niet”. Het ogenschijnlijk normale uitzicht was bij nader inzien niet helemaal zoals het moest zijn. Wat zijn ogen (al lang?) hadden gezien kon hij eindelijk een plaats geven; de auto’s die hij daar beneden zag stonden stil. In de ruime zin van het woord zou geen enkele New Yorker hier van opkijken, op dit moment van de avond leek je in het verkeer inderdaad stil te staan, maar de afgelopen minuut had geen enkele auto ook maar één centimeter bewogen. Als er inderdaad een vloedgolf van onmenselijke omvang was geweest zou hij geen auto’s meer moeten kunnen zien, die zouden samen met de rest van alle voorwerpen –inclusief hijzelf en het gebouw waarin hij zich bevond- enkele kilometers landinwaarts tot onherkenbare brokstukken gereduceerd moeten zijn. Alles stond dus nog op zijn plek (geen vloedgolf dus) maar de auto’s bewogen niet (wel iets anders dus). Wat betekende dit?
Een experiment van buitenaardse wezens wellicht? Dat weet je nu toch wel?
Op dat moment was dat de laatste gedachte die in hem opkwam, niet dat er veel andere gedachten in de rij stonden ter beoordeling, maar die gedachte was toen in ieder geval nog niet bij hem opgekomen. De deductie bleef de jongen, voorlopig in ieder geval, een aantal antwoorden schuldig. En net toen hij zich tot zijn vriendin en ouders wilde wenden voor … voor wat eigenlijk? Gebeurde het weer.
Aan de horizon verscheen een zelfde vloedgolf als diegene waarvan hij de afgelopen minuten (seconden?) het bestaan had betwijfeld. Dit keer werd er niet gegild, in plaats daarvan was het stil, véél te stil. Als in een dejà-vu kwam de golf dichterbij, werd groter, verslond een aantal schepen en verzwolg vervolgens de kust. En weer vertelden zijn zintuigen hem momenten (seconden? minuten? uren? eeuwen?) later dat er niets aan de hand was, dat er niets was gebeurd.
De tijd verliep raar, versnelde zich, stond vervolgens bijna stil, als de slinger van een oude klok die eindelijk had besloten dat het maar voor altijd half drie moest blijven, en ging weer in onzeker tempo verder. Zijn hersenen wilden blijkbaar niet meer aan de martelgang van heldere waarnemingen of concrete logica beginnen en lieten hem in de steek, het enige dat nog (weer) duidelijk werd, was dat hij nog steeds niet dood was.

Wat was dat een heerlijk moment hè! Lekker apathisch genieten van een of andere tot leven gekomen film zonder je af te vragen ‘Hoe, wat en waarom?’.
Hoewel geen van deze drie dingen hem zelfs nu helemaal duidelijk waren had hij wel enkele theorieën. En met slechts één daarvan kon hij leven;
Hoe? –een droom
Wat? –een droom
Waarom? –een droom
Het was godverdomme of hij met drie dobbelstenen in één keer drie zessen moest gooien.

Lang of kort na de tweede vloedgolf volgde een derde, grotere -en volgens zijn instinct- laatste vloedgolf. Angst voelde hij niet meer, ongeloof ook niet, alleen een geruststellende (krankzinnige) zekerheid dat wat er ook aan de hand was, nu snel voorbij zou zijn. Wat dat ‘voorbij’ dan ook mocht betekenen.
Was het maar echt voorbij geweest hè! Lekker dood, lekker rustig, geen apathische doodsangst en geen geruststellende kinderpraatjes meer dat alles maar een enge droom is. Iets dat je zelf eigenlijk ook niet meer gelooft!
Wat hij op dat moment wèl kon, was hetgeen dat hij vanaf het allereerste moment had willen doen. Hij draaide zich om naar zijn vriendin, die blind naar buiten leek te staren en mompelde: “Ik hou van je liefste, dat heb ik altijd gedaan!’.
Het water spoelde door de ruiten heen. Er waren blijkbaar geen ruiten (al had hij onder het eten toch herhaaldelijk via het spiegelende oppervlak het restaurant bekeken), er brak geen glas en er waren geen scherven. Ook de tafels bleven staan en … hij was nog steeds niet dood.
Op dit cruciale moment besloten zijn hersenen dat in actie komen wel eens kon betekenen dat er sprake zou kunnen zijn van overleving, hoe krankzinnig dat ook leek. Hij begon alles weer bewust te beleven. Als eerste viel hem op dat hij niet het gevoel had in water te liggen, hij lag wel in een vloeistof en voelde de kou van water, maar het voelde eerder aan alsof hij door de lucht zweefde. Daarna zag hij dat anderen rond hem heen zwommen (zweefden) en al even verbaasd, bijna krankzinnig uit hun ogen keken, precies zoals hij zich voelde. Plotseling zag hij links van hem, vlakbij de tafel waaraan hij spaghetti had zitten eten, een vrouw adem halen onder water –of iets dergelijks- hij kon haar borst op en neer zien gaan en haar mond was open. Alleen zag hij geen luchtbellen en in plaats van de pijnlijke uitdrukking van iemand die aan het verdrinken was, keek ze zoals een schipbreukeling zou kijken die niet kan geloven dat hij na twee maanden eenzaam ronddobberen op de Stille Zuidzee eindelijk werd gered.

In alle chaos, krankzinnigheid en onverschilligheid die zijn binnenste beroerden besloot de jongen op aandringen van het brandende gevoel in zijn longen die om zuurstof leken te smeken, ook zijn mond open te doen en zijn longen vol te zuigen met hetgeen waaruit de vloeistof dan ook bestond. Het water stroomde binnen, hij proefde het zoute water, hij hoestte en hij stikte. Nee, zijn hersenen dachten even dat hij stikte, in plaats daarvan haalde hij schokkerig adem en zag vervolgens dat meerdere mensen deze bizarre stap in het onbekende hadden gezet. De opluchting op de gezichten om hem heen was het laatste dat hij zich van het restaurant op de 46e verdieping, het San Carlos hotel, New York –en waarschijnlijk de hele godverdommense aardkloot- kon herinneren. Het volgende dat hij zag was helder blauwe lucht die hem aan een zomer uit zijn kindertijd had doen denken en hij had het gevoel of hij een week had geslapen.
Geslapen?! Bedoel je dat in de zin dat de hele afgelopen week een droom was, of dat je een èchte uitputtende ervaring hebt meegemaakt waarvan je toch wel even moest bijkomen… met een droomloze slaap bijvoorbeeld?
Na enkele momenten van ongeloof en verbijstering won de nieuwsgierigheid het van de verlamming waarin de jongen leek te verkeren en richtte hij zich op. Overal om hem heen zag hij mensen, als zijn geheugen hem niet had bestormd met vragen die gepaard gingen met een verpletterende verbijstering had hij zowaar kunnen geloven dat hij op een of andere survivalpicknick was ontwaakt. De meeste mensen liepen versuft en doelloos rond, sommige hadden het voor elkaar gekregen om met elkaar in discussie te gaan over… wat dan ook, maar veel meer inzicht in de status-quo verschafte dit uitzicht de jongen niet. Er was dus iets gebeurd, iets dat, als het was wat het leek, iedereen die hij nu zag zonder pardon of omzien gedood zou hebben. Aangenomen dat het ontvangstportaal van de hemel er niet als een derderangs camping uitzag en dus iedereen nog in leven was, moest er iets vreemd gebeurd zijn. En toen pas drong er iets tot de jongen door… ZIJN OUDERS! ZIJN VRIENDIN! WAAR WAREN ZE?

De eerste black-out.

Of hij was flauwgevallen of dat zijn hersenen hadden verkozen de tussenliggende passages niet op te nemen in zijn geheugen wist hij niet, maar hij liep nu rond tussen de mensen en luisterde met een half oor naar de gesprekken –in hoeverre er sprake was van dergelijke georganiseerde communicatie- terwijl hij de overige hersencapaciteit benutte om een logische verklaring samen te stellen. Hij hoorde wat gemompel over experimenten van het leger, zijn overige hersencapaciteit liet niks van zich horen. Ander gemompel ging over UFO’s en buitenaardse wezens, zijn overige hersencapaciteit liet hem nog steeds in de steek, en aangezien de helft van zijn inzet onbeloond bleef richtte de jongen zijn overige hersencapaciteit ook maar op de gesprekken om hem heen. Terwijl de angst onder de menigte afnam (“nog zo’n mooi kenmerk van het menselijk ras; snelle aanpassing aan uitzonderlijke situaties” dacht de jongen met een zure glimlach) keerde de rust enigszins terug en werden de gesprekken samenhangender. Allerlei theorieën werden overwogen, beargumenteerd maar uiteindelijk verworpen, zodat er, ondanks de terugkerende rust, nog geen feitelijke verbetering van de situatie was opgetreden. Terwijl de jongen verder liep ‘scande’ hij zijn kennis van films over dergelijke situaties en bleef uitkomen op droomwerelden, aliens en waanideeën, gezien deze beperkte opties wederom geen sprake van verbetering.

Weer een black-out

Een vreemdsoortig wezen stond op de top van een van de heuvels die grensde aan de vlakte waar de jongen sinds een dag verbleef. Geen groen mannetje met een oranje ruimtepakje aan, geen twaalf ogen of vier armen. Slechts een gestalte dat een rustgevend, bekend voorkomen had maar zeker geen mens was, even later was het weer verdwenen. Het wezen had een verbeelding kunnen
moeten!
zijn. Als hij alleen was geweest had hij dit ook inderdaad kunnen geloven, nu werd hij echter geconfronteerd met diverse mensen die al even onzeker waren over de recente beleving en deze twijfel, in tegenstelling tot de jongen, hardop uitspraken.

Weer een black-out.

Het volgende dat de jongen zag (zijn hersenen schakelden zich weer in terwijl hij op een boomstronk aan een vlakbij gelegen beekje zat) waren groepen mensen die zich gemobiliseerd hadden en zich met een, slechts voor hun bekend doel, voortbewogen richting de ‘heuvel-waarop-raar-wezen-verscheen’, hij zag enkele jeeps en bemerkte zelfs enkele wapens onder de gelederen. Dit maakte de situatie alleen maar nog onbegrijpelijker, hij nam nu zelfs ook primitieve (leger)kampen waar. Hij richtte zich op en liep een eindje langs de beek.

Tot zover zijn herinneringen aan de afgelopen dagen. Nu werd het lastiger. Nu moest hij leven met het heden, een nachtmerrie die zich elke seconde uitbreidde en de vastberadenheid en het ongeloof van de jongen langzaam verzwolg en verving door verslagenheid en krankzinnige erkenning van de waarheid.
Welke waarheid?!?
-Aliens, sinterklaas, de kerstman! Het kan me godverdomme niet meer schelen! Ik wil terug naar mijn leven! IK WIL WAKKER WORDEN!
Terwijl hij steeds beter begon te beseffen hoe de situatie ervoor zorgde dat zijn verstand en denkvermogen steeds sneller begon af te takelen, besloot de jongen in plaats van de situatie maar steeds opnieuw –wanhopig- te blijven analyseren, het misschien tijd werd om zich op zijn opties te richten. Als hij zo door zou gaan zou hij over niet al te lange tijd krankzinnig achterblijven, tot niets in staat. Hij moest actie ondernemen en die actie moest hij baseren op de scenario’s die hij zich op dit moment kon indenken. Helaas waren de scenario’s beperkt. Wederom zag hij slechts drie mogelijkheden, waarvan de derde hem niet veel verder hielp. Of hij was a) aan het dromen, hoe onwerkelijk dit idee hem -gezien de volledigheid van zijn geheugen aan de afgelopen tijd- hem ook leek. Of hij was b) onderdeel van het een of ander vreemd, onbegrijpelijk experiment van buitenaardse wezens, ook al geen plausibele verklaring. Of het was c) iets anders, een scenario waarmee hij ook niet echt vooruit kwam. Scenario “a” gaf de jongen weinig opties, indien dit waar was zou hij de droom op de een of andere manier zien te beëindigen en wakker moeten proberen te worden. Scenario “b” bood eveneens weinig perspectief, behalve dat hij binnen afzienbare tijd zijn saniteit zou verliezen en scenario “c” was al even nuttig als een pacemaker voor een aids-patiënt.

Na lang overwegen kwam hij met een
-de enige!
oplossing voor de eerste twee scenario’s. En aangezien het derde scenario geen ruimte gaf voor een bruikbare oplossing bleef er voor de jongen maar één ding over. Uit zijn ervaring met dromen kon hij zich alleen herinneren dat dromen òf uiteindelijk vanzelf ophielden, òf gedwongen ophielden in geval van ‘doodgaan’ in een droom. Mocht hij niet aan het dromen zijn en was er inderdaad sprake van een experiment van buitenaardse wezens, dan wilde de jongen –gezien zijn aftakelende geestelijke gezondheid- hier niet langer aan meedoen. En als er op de een of andere manier misschien toch iets anders aan de hand zou zijn… nou dan was dat maar zo!
Klinkt als een goed onderbouwd, onweerlegbaar besluit beste man.
-Genoeg is genoeg godverdomme! Ik zal tenminste verlost zijn van jouw sarcastische kutopmerkingen!

Zelfmoord. Hij draaide zich om en liep –voor een eventuele toeschouwer toevallig en onverschillig- richting een van de ‘kampen’, daar aangekomen en zonder dat iemand hem opmerkte vond hij al snel waarnaar hij zocht. Hij zette de loop tegen zijn hoofd. "Als het goed is, word ik dadelijk wakker" dacht de jongen...
nee...
hij haalde de trekker over.


@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens