dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - Nazareth Quanten
Gepubliceerd op: 10-09-2002 Aantal woorden: 11358
Laatste wijziging: - Aantal views: 1608
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Nazareth Quanten

Rik van Schaik


Rik van Schaik
Nazareth Quanten


Deel I

“Als ik niet speel groeit mijn paranoia tot een beangstigende tumor”
Asha Sahabi ontmoet Nazareth Quanten voor een aflevering uit de serie ‘acteursportretten’ in Het Parool – 20 december 1998

Asha Sahabi spoot Chanel onder haar oren en boog licht voorover. Gezeten aan haar brede salontafel wierp ze een blik op haar decolleté en zag voldoende. Ze streek met haar slanke vingers over haar borsten die strak verpakt waren in het glimmend rode jurkje dat ze eigenlijk voor de kerst gekocht had. Maar gisterenavond was gebleken dat ze het vandaag al nodig had. Als snoep moest ze over een uur Nazareth Quanten tegemoet treden. Ze moest zichzelf prostitueren om deze afstandelijke man te verleiden openhartig over het Nederlandse theaterwereldje te spreken.
Gisteren, na de première van ‘De kinderen van Don Quichot’ in de Amsterdamse schouwburg, had ze een glas witte wijn met hem gedronken nadat ze zijn gesprek met een vriend van het toneelgezelschap angstvallig had staan afluisteren. Met een voorhoofd vol pareltjes zweet had hij druk rokend om zich heen getuurd en zijn angsten voor de volgende morgen geuit. Hij wist precies hoe hij in de recensies opgevoerd zou worden als ‘de quasi klassieke acteur die woest de scepter zwaaide in een akelig familiedrama’. Ze zouden hem bespotten, zijn technieken wegwuiven door ze te benoemen als ‘die eeuwige Ko van Dijk maniertjes’. Hij wist ook al te vertellen welke foto’s er van hem zouden verschijnen. Hij had de apparaten wel zien flitsen tijdens de scène waarin hij gekleed in enkel een boxershort de trap af kwam waggelen, brakend van alle alcohol, en probeerde om zijn jongste schoondochter te versieren. Zijn ‘vijanden van de linkse’ pers moesten wel genoten hebben van het moment waarop hij als mislukte vader door het ijs zakte en zijn geilheid en frustraties afreageerde op een jong mokkeltje in een satijnen pyjama. Daar had hij het klikken van de toestellen gehoord, op het moment dat hij met de tong uit zijn mond zijn hand tussen de knoopjes op de kleine borstjes legde.
Wankel op zijn benen had hij tegen de bar van het theatercafé geleund, een arm om diens vriend geslagen en gesist van woede dat er in Nederland geen plaats voor hem was: “Laat ze maar lachen, och man ze kwijlen nu al bij het idee dat ik straks na de zomer in New York op mijn bek ga, vertrapt ga worden door de journalisten van de pers op Broadway. Moet jij eens opletten hoe neutraal ze straks alle Amerikaanse kritiek overnemen in hun voorspelbare kikkerland pamfletjes. Ze doen het in hun broek, komen kreunend klaar achter hun tekstverwerker of boven hun ontwikkelbad wanneer ik onder het water opdoem als dat Nederlandse lulletje dat dacht voor het theater bestemd te zijn. Grinnikend van de pret gaan ze op zoek naar synoniemen waarmee ze me volledig in mijn hemd kunnen zetten. Maar mij krijgen ze niet gek Karel, ik pak de handdoek op en droog me er mee af. Wat dat betreft heb ik het gehad met ze”.
“Dat hoop ik niet” had Asha gezegd terwijl ze vriendelijk haar hand tussen Karel en Nazareth op de bar had gelegd. In haar hand zat een kaartje van haar krant met haar persoonlijke telefoonnummers en e-mail. “Ik heb genoten vanavond. Ik denk dat ik die vader begrepen heb. Net zoals ik jou denk te begrijpen”.
Nazareth keek haar wazig met een licht wantrouwen aan en richtte vervolgens een kort moment zijn blik op haar benen.
“Wat wil je drinken?”
“Witte wijn. Zoet”.
Karel had zijn collega bemoedigend op diens schouder geslagen en was meegegaan met zijn jonge vriendin die de aantrekkingskracht van Asha vlot had ingeschat en resoluut de autosleutels uit haar laktas had getrokken.
Quanten had de glazen naar een tafeltje meegenomen in een hoek van het café en had de consumpties op zijn rekening laten zetten. Hij was pas gaan zitten nadat Asha haar tas over de rugleuning van de stoel had gehangen en plaats genomen had. Na twee slokjes begon ze hem te vertellen dat ze het karakter van de vader al vroeg in de voorstelling was gaan begrijpen, dat had zijn naderende val ook zo angstaanjagend gemaakt en zijn kinderen in haar ogen ook echte kinderen: Naïef en wanhopig op zoek naar de erkenning die ze van hun vader hadden willen ontvangen. Dit maakte voor haar deze ‘moderne klassieker’ uniek in zijn soort. Ze was zoiets nog niet eerder tegen gekomen.
Ze nam een door Quanten aangeboden sigaret aan, boog haar rode lippen naar hem toe om de vlam in de tabak te zuigen en keek hem met een troostende glimlach aan. En omdat theater niet alleen het vak was van erkende acteurs nam ze gracieus een slok voor ze hem de vraag stelde die zijn ‘ik’ moest ontsluiten: “Volgens mij staan die kinderen dichter bij je dan die vader, ben je zelf zo’n kind?”
Quanten draaide het glas met zijn duim en wijsvinger aan de steel, keek een kort moment in het walsende drankje voor hij opkeek en sprak: “Ik denk dat dat waar is. Niet iets unieks overigens… Veel mensen hebben zo’n vader en bewust of onbewust houdt dat mensen klein, ze willen tot het uiterste vechten om zijn aandacht, zijn liefde en wie weet wel zijn straf. Ik heb dat in ieder geval lang gewild”.
“En nu wil je dat van de pers?”
“Straf? Ach ja, als ze toch niets anders voor me hebben”. Verlegen lachend goot Quanten de wijn in zijn keel en keek met waterige ogen naar de jonge oosterse vrouw die zachtjes met haar pumps tegen zijn schenen tikte.
“Of niet, je wilt immers naar Amerika”.
“Ja. Maar ik weet niet of ik daar voor straf heen ga of voor lovende kritieken. Kijk, de programmering bij theatergroep Oorsprong is volgend seizoen niet van dienaard dat daar een rol voorbij zal komen die mij de mogelijkheid geeft me te laten zien zoals ik wil en…”
“Je wilt je zelf dus op een bepaalde manier laten zien”. Tevreden met haar constatering wenkte Asha naar de passerende ober.
“Ja. Kijk, ik moet me op een bepaalde manier laten zien omdat ik anders gek ga doen. Dat wil ik niet. Als ik niet speel kan ik mijn energie niet kwijt, kan me ook niet concentreren. Dan moet ik kranten lezen, normaal gaan leven en televisie kijken. Dat maakt me bang. Ik wil niet te veel nadenken, wil vluchten en me zo verstoppen voor de realiteit. Daar ben ik niet echt blij mee namelijk, met die realiteit”.
“Je denkt daar dus wel over na, over die realiteit”.
“Natuurlijk, voortdurend. Hele verbanden maak ik in mijn kop. Nogal onrustig allemaal. Wil ik zo min mogelijk”.
Asha probeerde de acteur zo lang mogelijk aan te kijken. Hij moest haar lieve gezicht gaan vertrouwen, moest haar ogen vannacht voor zich zien.
“Mag ik daar morgen verder met je over praten, voor een aflevering in mijn reeks acteursportretten?”
Terwijl Quanten verbanden ging leggen, zijn hoofd volliep met argwaan en zijn onderbuik tintelde van opwinding pakte Asha zachtjes zijn hand.
“Dat zou ik heel fijn vinden Nazareth”. De dubbelzinnigheid van haar opmerking was hem niet ontgaan en omdat de volgende morgen hem zonder een interview met deze mooie vrouw nogal voorspelbaar leek ging hij akkoord. Daarna hadden ze hun glazen leeggedronken en gelachen om zijn vrouw uit het stuk van die avond. Asha deed een niet onverdienstelijke poging om haar hartstocht te imiteren. Als dank voor zijn medewerking had ze hem lang op één wang gekust en zijn stevige hand teder gestreeld. Toen had ze haar tas gepakt en was weggelopen. Op de stoep voor het theatercafé drukte ze op de stoptoets van haar recordertje en was hoopvol naar huis gegaan, Nazareth achterlatend in de lucht van haar dure parfum waarin zij opnieuw voor hem zou verschijnen. In alle eenzaamheid had hij vol verlangen nog wat glazen gedronken tot sluitingstijd. Uiteindelijk was hij door de ober in een taxi gezet.
En nu voelde Asha dat ze in vorm was. Gisterenavond was een perfecte voorbereiding geweest voor het interview van vandaag. Als het artikel wat ze in haar hoofd had er na vandaag uit zou komen mocht ze zich verheugen op een tevreden hoofdredacteur die haar contract wellicht met een jaar zou verlengen. Met trots zou ze haar tapejes bij hem inleveren zodat Quanten de krant niets zou kunnen maken wanneer de uitkomst van hun gesprek hem niet aan zou staan. Tapejes waren na een akelig incident van vorig jaar verplicht op hun redactie en eigenlijk maakte die verplichting Asha nog meer gemotiveerd om haar opponenten te verleiden hun verhaal te vertellen. Keiharde bewijzen verankerde haar artikelen rotsvast in het hart van de krant. Ze stopte een nieuw bandje in het apparaat en schoof het op de bodem van haar tas. Vrolijk huppelde ze de trap af en maakte een ontbijt voor haar dochter. Met een grote zorgvuldigheid dekte ze de tafel zo overweldigend mogelijk. Hier, bij haar dochter, lag haar zwakke plek. Ze herkende acteurs zo goed omdat ze deden alsof ze van mensen hielden. Want net als veel lieden uit de Amsterdamse binnenstad hield Asha enkel van zichzelf. Alleen haar dochter kon onvoorwaardelijk op haar rekenen. Haar dochter moest veilig door de slangenkuil van haar pubertijd komen in de wetenschap dat haar moeder er altijd zou zijn. Die wetenschap was echt, de rest was het toneelspel waar haar leven haar toe gedwongen had. Alleen gelaten door haar ex, totaal berooid en misbruikt, nadat haar ouders haar uit de gemeenschap van haar jeugd hadden gekegeld had geresulteerd in de vrouw die ze nu was. Een moeder alleen die er niet aan denken moet niet te kunnen zorgen voor een vrouw die van haar zelf is. Haar mooie dochter die zich met gemak door de wereld liet opzuigen, volledig opging in het leven dat ze leed. Asha had dat nooit gekund. Ze zou dat nu ook niet meer willen. Haar doel was het leven van haar dochter mogelijk maken, zoals het Nazareth zijn doel was om de rollen die hij speelde te laten leven zoals hij dat wenste. Daarmee hielden ze de dreigende wereld en de angst op afstand.
Voordat ze haar lange zwarte mantel omsloeg liep ze naar boven om in een zuurstok roze meidenkamer Rosa zachtjes wakker te kussen. En terwijl de ogen van haar dochter langzaam open gingen en er een tevreden glimlach op haar gezicht verscheen drukte Asha zich voorzichtig tegen haar dochter aan. Ze was warm en schurkte zich in foetushouding tegen haar moeder. Asha haar ogen werden vochtig, ze kneep ze even dicht en fluisterde dat het ontbijt voor haar klaar stond. Ze streelde haar glanzende zwarte haren en rook haar zoete luchtje van gisterenavond. Ze greep een varken dat ze Rosa vorig jaar met Sinterklaas cadeau had gedaan en legde die tegen de hals van het meisje dat al zo groot aan het worden was.
“Tot vanavond lieverd”.
“Succes mam, vertel je het vanavond?”
“Natuurlijk vertel ik het je. Veel plezier en zet hem op met tennissen”.
Vol trots en met een flinke dosis zelfvertrouwen liep Asha de trap af, zich verheugend op de avond met haar dochter. In pyjama zouden ze tegen elkaar kruipen en Asha zou in vele details uitweiden over haar gesprek met Quanten. Zoals ze altijd een toneelstuk voor Rosa opvoerde met de geïnterviewde van die dag in de hoofdrol. Samen stonden ze sterk en lachten om het leven om hen heen. Hoe dat echte leven eruitzag en hoe het je van je grootste geluk kon bestelen wist Asha maar al te goed. Alleen zou zij dat nooit zo in het openbaar verklaren, laat staan hardop uitspreken. Dat liet ze anderen doen. Vandaag zou dat Nazareth Quanten zijn.

Nu de alcohol uit zijn lijf was en de nuchtere realiteit weer bij hem binnendrong liep Nazareth met gebogen hoofd door de Utrechtsestraat. Hij hoefde de blikken van de grachtengordel bewoners niet te ontmoeten. Venijnige ogen die eerder die dag de recensies hadden gelezen en genoten hadden van het feit dat Quanten nog een half jaar met ‘De kinderen van Don Quichot’ tachtig theaters moest gaan bezoeken in de wetenschap dat minstens de helft van de zaal ook de beschouwingen van deze ochtend had gelezen en eens kijken wilde wat er van klopte.
Met zijn kraag hoog in zijn nek en een zonnebril tegen een helder winterzonnetje dook Quanten bij Jan Krommer binnen. Hij kocht drie pakjes Barclay en vijf landelijke dagbladen. Hij las ze wel terwijl hij wachtte op Asha. Vanavond lagen ze er ook in de schouwburg maar om ze daar te lezen was iets wat bijna niemand deed. Zeker geen toneelspelers die wisten hoe slecht ze eraf zouden komen. Binnen je gezelschap speelde je de rol van de afstandelijke man of vrouw die boven de pennenvruchten van het gepeupel van de pers stond. Bovendien was het niet slim om je twee uur voor aanvang door emoties van buitenaf te laten meezuigen. Sommige regisseurs verboden het lezen van kranten in de kleedkamers. Men diende zich ‘leeg te maken’ of middels een bepaald ballet ‘in zijn rol te mediteren’. Quanten deed niet mee aan deze onzin en deed het af als homofiele lariekoek waarmee nog nooit een greintje extra vuurwerk op de planken was gebracht. Theater mocht van Nazareth best ‘fun’ zijn. Hij haalde de elementen van zijn rol uit zichzelf en voelde zich in die methode ook altijd door de regisseurs gesteund. Hij geloofde heilig in zijn echtheid op het toneel. Omdat hij het voelde, omdat hij wist hoe zijn rol in elkaar stak. Hij herkende de vader (Don Quichot) omdat hij diens kinderen kende. Zoals hij het gisteren aan mevrouw Sahabi had medegedeeld was hij zelf ook zo’n kind. Nog steeds vechtend om de aandacht en erkenning van zijn vader. Zijn vader die in een deftig bejaardentehuis in Den Haag nog steeds dagelijks het NRC las.
En daarom was dat ook de eerste krant die Quanten, gezeten aan een raam van het ‘American’ met uitzicht op zijn schouwburg, open sloeg op de kunstpagina. Hij stak een sigaret aan en nam een slok van zijn koffie. Denkend aan zijn vader die, hoewel hij er nooit met Quanten over sprak, wel degelijk de beschouwingen over diens zoon las, uitknipte en bewaarde (Nazareth had wel eens een sigarenkistje met artikelen gevonden maar had zijn vader er niet over willen aanspreken – te trots om naar complimentjes te hengelen) zag hij zichzelf zoals zijn vader er jaren geleden voor hem uit had gezien: Quanten stond met zijn handen in de zakken van zijn badjas met opgetrokken wenkbrauwen naar zijn oudste zoon te kijken terwijl hij de kritiek die zijn nazaat over hem uitspoog ijskoud over zijn rug liet neerdalen. Pijlsnel vlogen Nazareth zijn ogen over het krantenpapier op zoek naar de woorden die zijn vader zouden moeten treffen: “…het is wonderlijk hoe gemakkelijk je het ritme van ‘De kinderen van Don Quichot’ als publiek in kan schatten. Zodra Quanten als hoofd van de familie de drank gaat serveren krijgt de voorstelling wel een heel voorspelbaar vervolg. Quanten gaat dronken worden en zijn frustraties op een manier staan uitschreeuwen waar een zaal dertig jaar geleden van opgekeken had maar zijn pogingen om de vader iets meer diepgang mee te geven dan enkel het dronken stuk bordkarton te zijn van gisterenavond mislukt volkomen. Een tirannieke vader moet meer zijn dan enkel een oude schreeuwlelijk in een badjas en een glas whisky in zijn handen. Dan daarbij is de conditie van deze acteur zo slecht dat veel van zijn zinnen niet verder komen dan rij tien terwijl de mensen op het balkon toch ook veel geld hebben betaald om het verhaal in ieder geval te mogen volgen. Want het verhaal begrijpen en doorvoelen is iets dat naar mijn inzicht compleet onmogelijk is gemaakt door de persoon die eigenlijk de motor van de voorstelling had moeten zijn”.
Quanten vouwde de krant dicht, bestelde nog een koffie en greep De Volkskrant. Ook daarin trof hij een foto van zichzelf. Uitgeput lag hij met diens hoofd in de schoot van zijn vrouw. “…En ja hoor: Daar komt Nazareth Quanten weer zijn clichémaniertjes uitserveren op een manier waar zelfs eerste jaar studenten van de toneelacademie misselijk van zouden worden. Het dieptepunt van de voorstelling is wel de scène waarin de vader geilt op zijn jongste schoondochter en haar dronken tracht aan te randen. Quanten laat ons niks zien of voelen van diens geilheid, laat staan verliefdheid. Quanten maakt zich er als een derderangs amateur vanaf door als een kleuter zenuwachtig aan zijn piemel te sjorren en half brakend over het bankstel te hangen. Het enige opzienbarende tafereel wat we dan te zien krijgen is Quanten zijn witte boxershort dat hem werkelijk als gegoten om de billen zit”.
Ferry, de jongste ober, kwam Nazareth zijn koffie brengen. “Maak jezelf nou niet gek joh! Dat zijn ze niet waard, heus. Maak deze voorstelling lekker af en ga naar de States. Laat ze de rim ram krijgen”.
Quanten deed een poging om hem glimlachend aan te kijken. “Dank je Ferry. Je hebt gelijk. De koffie is heerlijk”.
“Waarom ben je hier eigenlijk? Waarom moet je je in het hol van de leeuw vertonen een dag na de première?”
“Ik heb een afspraak met een journaliste van Het Parool” zei hij haast excuserend naar Ferry opkijkend met een ironisch glimlachje.
“Oh…” Ferry keek verrast, “…dat is de enige recensie die smaakvol was. Heb je hem al gelezen?”
“Nee, zal ik nu gaan doen. Bedankt voor de tip”. Ferry gaf Nazareth een klapje op diens schouder en verliet het tafeltje met een trieste blik. Ferry leefde altijd echt met hem mee en zorgde altijd voor post bij de artiesteningang. Een klein kaartje, een miniflesje Black Label of een ander aardigheidje. Daarom zat Quanten hier ook graag als Ferry werkte. Hij voelde zich iets minder eenzaam dan in andere kroegen.
Het was beginnen te sneeuwen en witte strepen doken schuin weg voor de donkere schouwburg. Het uithangbord van hun voorstelling was hierdoor slecht leesbaar geworden. Quanten stak een nieuwe Barclay op, hield het pakje als een gelukssteen in zijn hand en pakte Het Parool: “…Nazareth Quanten zet het stuk op scherp en slaagt erin om zonder de overdreven en vaak verwarrende theatertechnieken van vandaag de dag de vaderrol angstig geloofwaardig voor het voetlicht te brengen. Persoonlijk heb ik de kritiek op Quanten nooit zo goed begrepen. Zijn rollen zijn ook meestal verbonden aan het kwaad dat ons allen raakt. Wellicht dat we er daarom een bepaalde kritische afstand op willen houden. De vader bracht mij gisterenavond weer even terug naar mijn machteloze jeugd en naar mijn huidige wens om erkenning van ouders die ik, en velen van mijn generatie, helaas definitief hebben verloren. De oorsprong van die wederzijdse contactbreuk maakte Quanten gisteren met prachtig naturel spel glashelder. Vooral het moment aan het slot, waarin het gezin hem definitief de rug heeft toegekeerd en Quanten laat zien dat ook onze vaders nog steeds behoefte hebben aan een moederschoot, is hartverscheurend. De vader kon en wilde dat niet bij zijn kinderen. Misschien dat hij daarom in het rampzalige huwelijk dat hij heeft toch bij zijn vrouw gebleven is”. Hij zag zichzelf opnieuw in de schoot van zijn tegenspeelster en vroeg zich af of Asha hem echt begrepen had of dat ze na het gesprek van gisteren een goede gok gedaan had en haar artikel de toon had meegegeven om het gesprek van vandaag zo goed mogelijk te laten verlopen.
Nazareth was teleurgesteld om zijn wantrouwen en besloot dat het beter was te geloven in haar oprechtheid. Al was het maar voor zijn eigen gemoedsrust.
Die gemoedsrust was kalm en beheerst. Hij wierp een blik op de klok en constateerde dat hij nog tien minuten had. Hij besloot de Trouw te pakken, deze snel door te nemen en dan de hele stapel in de krantenbak op de andere tafel te schuiven. Gezien worden met deze artikelen zou hem kwetsbaar maken in zijn gesprek met Asha Sahabi.
Het kunstkatern liet inderdaad de foto zien die Quanten verwacht had. Zijn hand lag in het blousje van zijn schoondochter en zijn mond hing open als die van een kwijlende rottweiler: “Het blijft raadselachtig waarom de beste regisseurs van ons land genoegen blijven nemen met de matige talenten van Nazareth Quanten. ‘De kinderen van Don Quichot’ had één van de topprodukties van theatergroep Oorsprong moeten worden, althans zo was het ons een aantal maanden geleden op de perspresentatie tijdens de Uitmarkt beloofd. Helaas. ‘De kinderen van Don Quichot’ is een op drijfzand zwalkend stuurloos vlot geworden. Als regisseur Hein Brakman niet de kapitein van deze groep was wie was het dan wel? Ik vrees dat de eigen ego’s in deze productie alle vrijheid hebben gekregen om het op zich boeiende verhaal compleet te verkrachten. Dat de familie die we te zien kregen niet bepaald hecht is neem ik zonder meer aan. Maar ze deelden wel het toneel. Hier stonden acteurs totaal los van elkaar te klagen en te steunen alsof al het leed onafhankelijk van elkaar tot stand was gekomen. Als klap op de vuurpijl bracht Nazareth Quanten in één van de laatste scènes zijn hand naar diens penis met een gelikte mimiek waar menig pornoster hoog bovenuit zal kunnen komen. Treffender had Quanten de voorstelling niet kunnen samenvatten: Zelfbevrediging, daar leek het de acteurs gisteren (met Quanten in de hoofdrol) vooral om te doen. Het is te hopen dat de rest van de zaal deze ironie niet is ontgaan. Dan hebben ze tenminste nog ergens van kunnen genieten”.
De woede borrelde in Quanten zijn maag. De punten van het pakje Barclay stonden aan de binnenkant van zijn vuist die de sigaretten gebroken had. Zijn ogen prikten terwijl hij aan zijn vader dacht en wenste dat er in huize Haagland geen Trouw rondzwierf. Hoeveel zouden de heren en dames recensenten aan honorarium opstrijken voor deze treurige slachtingen? Terwijl Quanten de kranten terzijde schoof wierp hij het vernielde pakje Barclay in de asbak en staarde naar buiten waar de vensterbanken een wit laagje hadden gekregen. Hij dacht na over de ruim tachtig voorstellingen die hij nog moest spelen in dit rancuneuze kikkerland en aan de bevrijding die hem daarna in Amerika hopelijk te wachten stond. Hij maakte zijn ogen schoon en schrok op van de zwoele stem van Asha Sahabi.
“Zit het kind bij te komen van de verhalen over de vader van gisterenavond?”
Nazareth draaide zich om en zag de oogverblinde Asha liefdevol op hem neerkijken. Met een troostgevende trieste blik bekeek ze de kranten op de rand van het tafelblad. Terwijl ze Nazareth zijn hand streelde nam ze plaats. “Durf je het nog aan, een gesprek met een journaliste?”
Quanten dacht lang na, overwoog zijn gevoelens van woede terwijl hij haar troost dronk als een zoet medicijn. Ze was gehaaid maar leek ook bevangen met oprechte gevoelens aangaande de vader en het kind dat ze nu bezocht. Ze had hem gisteren vragen gesteld die hij nog nooit gehoord had. Ze had zich werkelijk ingeleefd, in het gesprek met hem en in haar recensie. In de acteur en in zijn publiek. Ze zette zich daarmee buiten de rest van de critici. En vooral dat laatste maakte dat Quanten zijn antwoord als een bevrijding uitsprak. “Ja, ik durf. Ik geloof dat je het inderdaad begrepen hebt gisterenavond”.
Ze lieten elkaar los en Nazareth voelde dat hij het koud kreeg. Was haar mokka kleurige huid maar de moederschoot voor de komende tachtig voorstellingen, dan kon hij zich vol overgave aan haar geven en zou het wellicht voor het mannelijke deel van het publiek duidelijk zijn hoe de troost van een vrouw werken kon voor een gefrustreerde man als hij. Hij voelde dat hij overeind durfde te gaan zitten, zijn gedeukte zelfvertrouwen werd gemasseerd en hij keek Asha diep in haar ogen toen hij zei al haar vragen te willen beantwoorden.
Op het moment dat Asha haar tas oppakte om er een notitieblok uit op te diepen passeerde achter haar Hein de Vries, de maker van de recensie uit De Volkskrant van die ochtend. Brutaal grepen zijn forse handen de rugleuning van Asha haar stoel vast. Rondom een royale stoppelbaard openbaarde zich een venijnige glimlach.
“Ah, vandaar. Ik was zo in verwarring na het lezen van je stuk vandaag maar dit verklaart een hoop. Ik wens u een prettig gesprek”.
Voordat Quanten een tekst had kunnen verzinnen om de Vries aan het einde van dit intermezzo mee te kunnen geven wurgde de agressie zijn maag. Nazareth kwam in ademnood en de woede sloeg door zijn hoofd. Hij stond op, haalde uit en stootte zijn vuist rakelings voorbij Hein zijn stoppelbaard, verloor zijn evenwicht, viel hard voorover op het tafelblad en begroef met zijn volle gewicht de voor hem zo plagende dagbladen. De Vries hield zijn pas in en keek met een verwarde glimlach neer op de acteur die hij vannacht bij het schrijven van zijn stuk zo had bespot.
“Laten we hier maar nooit meer over spreken Quanten. Je kan je energie beter gebruiken. Goedendag”.
Voordat Quanten zich omhoog kon werken gleden Asha’s vingers over diens hoofd en vlochten zich tussen zijn stugge haren. Met haar vrije hand tilde ze het gezicht van Nazareth van tafel en ze keek hem met getuite lippen aan: “Ssst. Laat het gaan”.
Quanten kwam langzaam omhoog en greep haar hand. Zijn blik doofde en smolt. Ergens in zijn binnenste kwam de vulkaan tot rust en de vernedering vloeide weg in het oogcontact met de journaliste. Hier gaf hij zich, gedwongen door de genante situatie, definitief aan haar gewonnen. Letterlijk. Verlangend naar haar troost vroeg hij haar of ze er bezwaar tegen had bij hem thuis het gesprek te willen voeren. Ze deed haar notitieblok terug in haar tas en knikte zwijgend dat ze met hem mee zou gaan.
Toen ze het decor van zijn val verlaten hadden en de storm van witte vlokken betraden maakte het overweldigende stadsgeluid hun beiden anoniem. Asha greep zich stevig om Nazareth zijn middel en drukte zich tegen hem aan. Een bevrijdende gelukzaligheid overviel hem en hij boog zich half over haar heen. Vanaf dat moment gaf hij zich niet alleen maar groeide bij hem ook het verlangen om haar te troosten, te beschermen. Er waren geen woorden en twee ingepakte lichamen staken licht voorovergebogen het Leidscheplein over, op weg naar de intimiteit van de woonkamer van Nazareth Quanten.

Het is vroeg in de middag wanneer ik de acteur Nazareth Quanten ontmoet. Het is de dag na de première van “De Kinderen van Don Quichot”, het stuk waarin Quanten de vader speelt die het verloren contact met zijn kinderen tracht te herstellen. Het mislukt en uiteindelijk blijft er voor de vader niets anders over dan de confrontatie met zijn gebrek aan liefde. Aan het slot van de voorstelling is de vader totaal kwetsbaar en tracht hij wanhopig ‘iets’ te herstellen door liefde te geven aan de enige persoon die hiervoor nog enigszins openstaat: De jonge, onschuldige schoondochter. Het loopt uit op een droevige aanranding die door de vader nooit als zodanig bedoeld kan zijn. Het stuk eindigt met het beeld van een naakte man wiens hoofd in de schoot van zijn vrouw ligt. Een mooi, herkenbaar beeld. Toch waren de kritieken niet mals en was vooral Quanten in de ogen van de pers de acteur die faalde in zijn poging het verhaal geloofwaardig te vertellen.

Ben je in de voorbereidingen van “De Kinderen van Don Quichot” veel met je eigen ouders bezig geweest?
Ik ben altijd met mijn ouders bezig geweest. De afgelopen twee maanden zeker. Ook ik heb, net als de kinderen in het stuk, nooit de erkenning van mijn vader gekregen die ik altijd gewenst heb. Ik heb geprobeerd te snappen waarom hij me die niet geven kon. Het is me niet helemaal gelukt. Los van het feit dat ik meen dat hij ook geen liefde van zijn ouders gekregen heeft is het denk ik voornamelijk zijn karakter. Hij heeft gewoon altijd een hekel aan aanstellen gehad. Heeft me ook nooit goed kunnen troosten, wantrouwde mijn pijn of verdriet. Daarom denk ik dat hij ook nooit kapot van mijn spel is geweest. Toneelspelen was sowieso iets ‘aanstellerigs’, iets onechts, het aantrekken van andermans leed. Hij verafschuwde dat.

Kon je moeder troosten?
Nooit bij emotionele pijn, dan was ze bang voor mijn vaders harde woorden die mijn verdriet alleen maar erger zouden kunnen maken. Wel bij fysieke pijn. Dan was ze heel lief voor me.

Vertegenwoordigt jouw vader symbolisch de Nederlandse theaterpers?
Natuurlijk! Als er iemand verlangd naar erkenning ben ik het. En juist omdat ik er zo naar verlang zijn de kritieken over mij venijniger dan bij ieder ander acteur. Het staat als het ware op mijn voorhoofd. Het moet eraf maar het zal altijd een gevecht blijven.

Aan het einde van dit seizoen vertrek je naar New York om op Broadway bij The New York Shakespeare Company de verdreven hertog Prospero te spelen in “The Tempest”. Ben je een klein jongetje op de vlucht voor kritiek en op zoek naar erkenning of ben je een volwassen acteur die zich ontwikkelen wil?
Ach, dat hangt met elkaar samen. En dan ben ik heel eerlijk. Te eerlijk. Want wanneer zo’n groot instituut je vraagt om Prospero te komen spelen wil dat eigenlijk wel wat zeggen. The Shakespeare Company is niet bepaald op zoek naar kleine jongetjes die erkenning zoeken. Maar toch, het jongetje speelt enorm mee. Een succesje daar zou me zekerder maken, rustiger ook. De afgelopen jaren is het chaos, onder andere door al die nare, vaak persoonlijke, kritiek.

Ooit aan je talenten getwijfeld?
Dat nooit, eerlijk niet. Nee, ik weet dat ik een goed acteur ben. Ik heb alleen een aantal jaren geleden een stempel gekregen. Ik was emotioneel en betrokken, te veel betrokken, bij een actie binnen de toneelwereld. We wilden vernieuwen, directer theater maken. Ik denk dat ik daarvoor nog steeds de rekening betaal. Mensen vonden dat ik te veel pretenties had door die actie te steunen en nu besmeuren ze me om me te laten voelen dat ik de acteur ben die een hoop niet laat zien. Ik ben het daar niet mee eens maar het stempel is gedrukt. Ik kan alleen maar spelen om te laten zien wat ik kan. Je gaat niet in discussie met mensen die zo vooringenomen zijn. Mensen die alleen maar over toneel durven te spreken wanneer ze Stanislavsky in hun hand hebben. Toneel gaat voor mij om vrij zijn, durven te laten zien. Of iets helemaal ‘echt’ voelt bij de persoon die het acteert zal me mijn reet roesten. Het is aardig meegenomen maar het moet bij het publiek echt voelen, daar gaat het om. Stel je voor dat iedereen die over zijn verkrachting gaat spreken op het toneel het echt zelf gaat voelen. Mooie boel zal dat worden! Is het dan het aanzien meer waard of zo? Ik geloof er niks van! Mensen betalen om te zien en te voelen, de acteur verdient, zo zit het. Toneel is ook een beetje show. En dat moet het naar mijn inzicht ook altijd blijven. Hoe zien de mensen het? Hoe verrassen we hen? Hoe voelen zij het het beste zonder dat het ongeloofwaardig gaat worden? Dat zijn belangrijke vragen. Hoe de acteur het voelt is vanuit dat oogpunt bekeken totaal oninteressant en niet ter zake doende. Het is helemaal geen garantie voor echtheid of mooi spel. Eerder een onzekere factor. Je bent als acteur met een groot geheel bezig. Dat geheel moet kloppen. Als iedereen echt gaat voelen kan het een hele saaie bedoeling worden. Al dat gelul van ‘speel een banaan die op zijn rug in de fruitschaal ligt te rotten’, wat een bullshit. Echt, daar veeg ik nou mijn reet aan af. Saai, saai, saai. Dat zijn de voorstellingen die door dat soort types gemaakt worden dan ook meestal.

Je geeft nogal een uitgebreide uiteenzetting…
Ja zeg, mag ik ook even? Ik ben door iedere krant, behalve door de jouwe, voor lul gezet. Dan wil ook even uitleggen waarom als ik de kans krijg.

Je had het net over het belang van het ‘grote geheel’. De kritiek op jullie huidige voorstelling is juist dat het zo onsamenhangend is.
Dat mag. Maar dat komt niet omdat we zo op de Stanislavsky toer zijn. We zijn nu eenmaal ook een onthechte familie op dat toneel. Als dat niet in die context gezien wordt kan het aan ons liggen. Maar dat betwijfel ik, de meeste mensen die ik gisteren sprak hebben het heel goed begrepen, behalve je collega’s, die zien het niet.

Waarom ben je doorgegaan met toneelspelen, heeft de kritiek je niet kapot gekregen of geloof je echt in wat je doet?
Ik geloof in wat ik doe. En de kritiek doet pijn, daarom grijp ik ook de kans om naar Amerika te gaan. Maar spelen blijf ik doen. Het is namelijk het enige dat ik kan, het is dus noodzakelijk dat ik het doe. Ik wil een verhaal vertellen, anders heb ik geen bestaansrecht. Zo diep zit het. Ik kan niet schrijven, ik kan niet regisseren, ik kan alleen spelen.

Behalve dat je alleen kunt spelen, waarom is het zo noodzakelijk voor je?
Omdat ik anders in een chaos moet leven. Met een stuk, een rol bezig zijn geeft me structuur. Het schept orde en geeft zekerheid. Het is een leidraad voor me en laat me zinnig en doelgericht over belangrijke dingen nadenken. Zonder dat alles verlies ik me. Als ik niet speel groeit mijn paranoia tot een beangstigende tumor.

Wat maakt je dan zo bang?
Alles! De kranten, de politiek, oorlog, geilheid, ga zo maar door. Ik ben een angstig mens. Ik leef voortdurend met een bepaald wantrouwen. Ik heb nooit geleerd dat een bepaalde daad tot iets goeds kan leiden. Zelden in ieder geval. Ik maak me teveel zorgen, zoek altijd naar verbanden en zie ze dan ook. Als er een bom op een Amerikaans schip valt waar komt die dan vandaan en waarom? Ik zie waarom. Dat is beangstigend, ik kan het niet koel analyseren, het maakt me kwaad. Ik smeek je ook om niet naar mijn politieke kijk op de wereld te vragen. Die zou bepaald niet correct te noemen zijn. Nee, daar ben ik totaal ontevreden over, over de politiek dan. Het is schijndemocratie, een groot leugenachtig spel waarin de pers de grote spion is. Ik wantrouw alles. Bijna alles.

Ben je daarom ook niet getrouwd?
Ik ben nog nooit iemand tegengekomen waarmee ik het aandurfde lang samen te zijn. Ik voorzie altijd een machtspel, zie altijd de afhankelijkheid die me zo bang maakt. Het leven is ruilen, zo zie ik het althans. Het tegendeel is me nog nooit bewezen.


Nooit de wens gehad om vader te worden?
Buiten het feit dat dat nooit de basis van een relatie kan zijn heb ik die wens inderdaad niet. Ik durf er niet eens over na te denken. Met mijn eigen vader als voorbeeld en de angsten waarmee ik leven moet, nee beter van niet. Ik kan alleen op het toneel een vader zijn. Een slechte, mislukte vader wel te verstaan. Een goede vader spelen, dat zou een mooie uitdaging zijn. Maar het feit dat er in de toneelliteratuur zo weinig goede vaders zijn zegt ook alweer genoeg over het echte leven.

De harde kritieken en zijn neervallen tijdens zijn mislukte aanval hadden de acteur alleen maar zachter en kneedbaarder gemaakt. Onderweg had Asha met haar vingers de spieren van zijn middel betast en gekneed. Het stugge lijf was week geworden, had onderweg naar zijn huis als een dekbed om haar heen gehangen.
Dit was het beste moment voor Asha Sahabi om toe te slaan, om de prooi te villen en open te rijten, Quanten zijn binnenste bloot te leggen zoals het nog nooit één van haar collega’s gelukt was. Met de juiste montage zou het een overweldigend verhaal worden waarin Quanten de antwoorden snijdend door vragen heen zou brullen en alle schroom van zich af zou gooien. Voor het eerst in zijn leven was er bij de stugge Quanten iemand in diens omgeving geweest tijdens een vernedering en voor het eerst maakte zijn gewillige bloed en vlees zijn geest toegankelijk. Zijn harnas smolt tot een plas vloeibaar zilver waar zijn zolen diepe afdrukken in maakte. Het was niet de herkenning van zijn vader waarnaar hij op dit moment verlangde maar de zachtheid van een troostende moeder.
Quanten hield de deur voor haar open en stapte direct achter haar naar binnen. Daar liet ze zich tegen hem aan vallen en ritste zijn jas open. Haar vingertoppen maakten de knopen van zijn blouse los zodat haar nagels strepen konden trekken in zijn vlees van zijn kin tot zijn tepels. Haar zwarte ogen keken naar zijn openhangende mond en haar lippen kuste deze dicht terwijl kleverig spuug een zegel aanbracht en beide zwijgend de trap opstrompelde, gevangen in de opwinding van Nazareth en de geveinsde geilheid van Asha die de jacht op haar verhaal, haar creatie van de naar New York vluchtende acteur, fel opende en fluisterend vroeg waar de slaapkamer was.

Nog even terug naar je jeugd: Er moet toch een moment geweest zijn waarop je interesse voor het toneel werd gewekt. Wanneer was dat?
De familie van mijn moeder hield van toneel. Ze waren allemaal lid van het amateurtoneel. Mijn moeder oefende haar rol met mij als mijn vader niet thuis was. Vaak was ik dan een vrouw en wilde ook als zodanig gekleed gaan. Mijn moeder hielp me daarbij. Ik mocht dan in haar kleren en met haar lippenstift op haar vrouwelijke tegenspeelster zijn. Dan was ik een ander en had totaal geen last van mezelf. Het was letterlijk een transformatie naar iets beters voor mij. Echt, mezelf kwijt zijn is iets wat ik nog steeds als een absolute bevrijding ervaar.

De acteur toont mij een foto die ‘stiekem’ door zijn moeder genomen moet zijn op een moment van samenzijn waarin het toneel centraal stond. Een klein, stevig kereltje, tilt zijn rok op naar de camera. Het kind lijkt gek genoeg volkomen zichzelf. Het kijkt zelfverzekerd in de lens. Ik zie een waarachtig kind, een kind van zichzelf zonder angst. Dit kind gelooft in iets.

Tussen Asha haar vingers smeulde een king size filtersigaret waar ze Quanten een trekje van voerde. Nazareth blies de rook over haar warme bruine borsten waar zo-even zijn hoofd gelegen had.
“Ik wil je een hele gekke vraag stellen Nazareth” sprak Asha zacht nadat ze lang zijn kruin gekust had.
“Je mag me alles vragen, veel gekker kan het vandaag niet worden”.
“Ik moet nog een foto maken voor bij het artikel. Zou jij je nog één keer als vrouw willen verkleden?” Ze vroeg het zacht, teder en bemoedigend tegelijk. Alsof het beeld van hem als vrouw niet alleen haar verhaal maar vooral ook zijn verhaal compleet zou maken.
Nazareth ging akkoord en stapte uit bed om Asha haar kleren aan te trekken en de make-up uit haar tas te pakken. Vol overgave maakte Quanten zichzelf tussen lege flessen en asbakken vol half opgerookte joints een vrouw en liet zich bij de details door de journaliste assisteren in de volle overtuiging dat ze vertederd was geweest bij het horen over zijn verkleedpartijen als kind.
Het feit dat hij verkleed als vrouw een halve pagina in Het Parool zou bezetten drong niet wezenlijk tot hem door. Laat staan de verbazing die het bij de lezers teweeg zou brengen in samenhang met het zojuist geboren artikel waarin zijn openhartigheid groter was geweest dan hij ooit had kunnen vermoeden.
De moeder had hem ingepakt met troost, alcohol, drugs en sex. Ze had hem als het ware opnieuw laten verkleden. Maar dan schaars en puur. Meer zoals hij was. En dat was iets dat hij, juist als acteur, nooit gewild had.


Deel II

“New York heeft me groot gemaakt en in die stad kom ik volledig tot rust. Van Amerika zou ik eigenlijk moeten wegblijven. Er is niets anders te bedenken dat me kwader en onrustiger maakt dan dat land”
De dagen rondom het tweede interview van Asha Sahabi met Nazareth Quanten voor Het Parool – 10 tot en met 15 september 2001

Het gorgelende espressoapparaat overstemde Nazareth Quanten zijn opgewekte gefluit. Het zonlicht danste in het porseleinen kopje dat de acteur met een vrolijke zwier naar zich toe trok. Het eerste slokje nam hij staande voor de brede ramen van zijn penthouse superior op de twintigste verdieping van het ‘On The Ave Hotel’ aan 77th street. Tevreden glimlachend overzag hij de skyline die vrolijk in de bescheiden ochtendzon aan zijn voeten lag. Vanavond ging ‘zijn’ King Lear met de The New York Shakespeare Company in reprise nadat ze vorig seizoen de publieksprijs van The New York Times hadden mogen ontvangen. Vanavond zou Quanten uit handen van Burgemeester R.W. Giuliani de prestigieuze Tony Award overhandigd krijgen voor zijn ‘originele, naakte en overrompelende’ vertolking van de koning.
Nazareth zijn vlucht naar Broadway was succesvol geweest. Het treffen met de tweeënzeventig jarige regisseur Barry Whitecamp had een thuiskomst voor hem betekend. Daar waar Quanten in Nederland gewend was zijn emoties zo klein mogelijk te maken moedigde deze man hem aan alles uit te bouwen en groot te maken. Het gezelschap speelde in de schaduw van Quanten zijn rollen. Hij had aan deze aanpak moeten wennen, het ongeloof en wantrouwen vloeiden pas halverwege de serie voorstellingen van The Tempest weg. Maanden had het geduurd eer Nazareth zag dat zijn vrijheid in blijdschap ontvangen werd door medespelers, publiek en pers. Pas toen Barry hem op zijn kantoor had ontboden en hem voorstelde wat gastcolleges aan diverse academies te geven had Quanten zich gewonnen gegeven aan zijn welslagen.
De acteur draaide zich om en liep op zijn brede eettafel af waar de Washington Post voor hem klaar lag naast een stapel persoonlijke post. Hij stak een sigaret tussen zijn lippen en neuriede opgewekt het Amerikaanse volkslied. Dadelijk zou hij worden opgehaald om in het ‘West Side Arts Theatre’ nog een aantal scènes te repeteren en met de voorzitter van het gezelschap het protocol aangaande de prijsuitreiking van die avond nog even stevig door te nemen.
Quanten voelde zich voor het eerst in zijn leven onafhankelijk. Het leek of de afstand van Nederland en zijn groeiende succes hem de vrijheid hadden gegeven los te komen van alles wat hem in het verleden persoonlijk gekwetst had en boos gemaakt. Hij schuwde tegenwoordig niet meer om zijn mening te geven omdat deze voortkwam uit ergernis aangaande externe zaken. Woede hield tegenwoordig enkel verband met algemene zaken. Zijn maag was in deze omgeving tot rust gekomen en zijn geschiedenis had een plaats gekregen in de hoek van zijn ziel. Een passende deksel had zijn verleden gevoelsmatig begraven.
De eerste maanden had hij nog kaarten gestuurd naar zijn vader en oud collega’s maar in zijn tweede seizoen was hij daarmee gestopt. De enige waar hij zo nu en dan nog contact mee had was Ferry, de ober van het Americain. Van hem trof hij ook een kaart op zijn tafel. Het was een zwart-wit foto van Amsterdamse schouwburg van honderd jaar geleden. Een paard van een melkwagen boog eerbiedig zijn hoofd voor de ingang. De kaart was met vulpen beschreven: “Helaas kan ik er vanavond niet bij zijn. Van de week zal ik alle New Yorkse dagbladen kopen en de stukken kopiëren en verspreiden in het gebouw aan de voorkant. Mijn blijdschap is haast even groot als die van jou. In gedachten spook ik vanavond in het felle licht van de spots die je ongetwijfeld als een held zullen grijpen! Proficiat, Ferry”.
Nadat Quanten gelukzalig de kaart in de binnenzak van zijn colbert gestoken had liep hij opnieuw naar de keuken voor een tweede kopje espresso. Toen hij over de drempel van zijn keuken stapte ging de telefoon en direct daarna hoorde hij de klik van het antwoordapparaat. – Blanche had hem aan moeten laten staan omdat ze hem nog wat slaap gegund had -. Nazareth hield stil, het kopje voor zich uit in het luchtledige houdend, en luisterde naar de stem die hem opnieuw kippenvel bezorgde: “Hallo Nazareth, Asha van Het Parool. Ik wil je alvast een hele fijne avond wensen en je alvast feliciteren met deze prachtige prijs. Wat moet het je gelukkig maken… (zucht) Ondanks het feit dat ik de afgelopen jaren niets van me heb laten horen hoop ik dat je het prettig zal vinden om te weten dat ik vanavond in de zaal zit. Ik heb het plan om een nieuw artikel over je te maken. Nederland zal van je opkijken! Als je het ziet zitten zou ik je graag één van de komende dagen spreken, ik logeer nog een week in het Mayflower Hotel aan Central Park west. Je zal het vanavond erg druk hebben maar wellicht wil je mee werken. Je kan je eventueel laten doorverbinden met kamer 335. Heel veel liefs en heel veel geluk vanavond. Dag”.
Een kort moment bleef Quanten staan, toen liep hij naar zijn kalender en noteerde haar kamernummer. Terwijl het antwoordapparaat een aantal blikkerige klikken liet horen doemde het beeld van de verklede man weer voor Quanten zijn netvliezen. Zijn mannelijke behaarde armen had hij hoerig uitgestoken naar de lens. De spot en hoon waren de dagen na het verschijnen van dat acteursportret niet mals geweest. Hij had nog een kaartje van Asha ontvangen waarop ze hem haar excuses schonk maar tevens de overtuiging gaf dat al dat sarcasme wat hem de dagen na het verschijnen ten deel was gevallen nooit haar bedoeling was geweest. Ze was ontroerend lief voor hem geweest en hij had zich, ondanks alles, minder alleen gevoeld.

De taxi stopte pal voor de artiesteningang van het ‘West Side Arts Theatre’ waarvan de automatisch openende glazen deuren als een spiegel Nazareth Quanten zichzelf toonde toen hij uitstapte en met een swingend gebaar zijn zonnebril op diens neus schoof.
De taxichauffeur had Quanten zijn tas uit de kofferbak gehaald en overhandigde hem deze voor de deur met een joviale “Good luck sir Quanten”. De fooi was niettemin bescheiden en Quanten schonk de man een minzaam knikje terwijl hij met rechte schouders het theater betrad. De geur van haarlak en make-up kwam hem al tegemoet bij het betreden van de lange, oplopende gang waaraan links en rechts alle beroemde acteurs en actrices van het gezelschap gevangen zaten achter glimmend glas. Quanten had zijn portret, dat vanavond zou worden bijgezet aan het einde van de hal, gisteren al mogen zien. Don, de homoseksuele huisfotograaf van het gezelschap, had hem liever naturel geportretteerd maar de voorzitter van het gezelschap had er belang aan gehecht dat Quanten er als King Lear kwam te hangen. Waarschijnlijk om zo nog duidelijker te kunnen vermelden welke prijs er aan deze rol verbonden zat. Quanten stond achterovergebogen met een lange baard naar de hemel te staren waarnaar hij een priemende vinger opstak.
De tweede kleedkamerdeur links droeg zijn naam met daaronder in cursief de naam van zijn rol. De deur stond op een kier en hij hoorde Simon, zijn ‘dresser’, vrolijk ‘Dead Flowers’ van The Rolling Stones zingen. Met zijn voet duwde Nazareth de kleedkamerdeur open en in het licht van de lampen rondom de kaptafel zag hij tientallen bossen bloemen, flessen drank en kaarten staan. Over de glazen van zijn zonnebril heen tuurde Nazareth naar diens vriend. Simon hief zijn rinkelende armen – aan beide polsen vier armbanden - ten hemel en begroette hem met de extase van hun heuse fan: “Mister Quanten, it’s you! Kijk nou eens eventjes wat hier allemaal al voor je klaar staat!” Zenuwachtig dribbelde Simon langs de kaptafel en tikte met zijn lange nagels even ieder presentje aan. Met een arm om de schouder van diens vriend bekeek hij rustig alle kaartjes en briefjes. Allen van collega’s van het gezelschap, een aantal van zijn vaste fans waarvan er sommige wel eens na afloop de kleedkamer waren binnengekomen.
“Ontroerend hè? Ik ben er gewoon zelf helemaal emotioneel van” gilde Simon.
“Het is nu al een prachtige dag. En veel hiervan heb ik aan jou te danken!”
“Als jij me nu eens echt wil bedanken, Quanten…” Simon trok een vermoeid gezicht en zette zijn handen quasi stoer in zijn zij, “dan laat je je vandaag extra mooi maken door mij. Vanavond is alle pers aanwezig dus ook ik wil graag beslagen ten ijs komen. Ik wil eigenlijk straks al beginnen. Je haar en je baard moeten één zijn. We laten het vandaag eens lekker ‘groeien’. Kan ik een half uur voor aanvang nog wat bijwerken, moet jij eens zien! Koffie? Ik heb lekkere donuts voor je meegenomen bij ‘Charlie’s’”.
Met een geslepen blik keek de acteur naar zijn grimeur. Het was waar, hij had Simon beloofd dat hij voor vandaag alles uit de kast mocht halen. ”Allright. Ik ga zitten, ik ben niet nerveus en ga gewoon even lekker zitten”.
“Precies Nazzie, jij gaat gewoon even lekker bij Simon zitten en laat je verrassen”.
Terwijl Simon de kokende hars roerde trok Quanten zijn blouse uit, gooide zijn zonnebril op tafel en nam plaats voor de spiegel. Achter zich zag hij zijn pruik op de paspop staan die Simon zo-even uitvoerig gekamd had.
“We beginnen eens even met een lekkere crème. Doe je oogjes maar toe want ik ga je lekker lang masseren”. Simon gaf hem een vette knipoog in de spiegel en tevreden sloot Quanten zijn ogen. Het was waar, Simon kon masseren als de beste en vaak had Nazareth met gesloten ogen aan zijn moeder gedacht. Het was een soort instoppen wat Simon deed. Hij legde hem letterlijk en figuurlijk in de watten. Toen na een dik kwartier Simon zijn handen drie keer afsloeg was dat het teken voor Quanten om uit zijn slaap te ontwaken. Voor hem stond een dampend kopje koffie met op een schotel ernaast een royaal geglazuurde donut met een servetje ernaast.
“Ik heb nog een verrassing voor je, blijf zitten”. Simon trok zijn wenkbrauwen hoog op en haalde met zijn vingers een enveloppe uit zijn borstzak. “Alsjeblieft, dit moet wel de grootste surprise van je dag zijn!”. Terwijl Simon op zijn kruk ging zitten en deze een paar meter naar achteren rolde, stak hij het Nazareth toe. Het was een telegram. Voor hij het open durfde te vouwen keek hij naar Simon in de gladde spiegel. Hij had zijn hand voor zijn mond en er stond water in zijn ogen. Dit had Quanten inderdaad niet gedacht.

Lieve jongen,

Ik heb gehoord en gelezen wat je vanavond te wachten staat.
Ik wil je daarmee van harte feliciteren en je vertellen dat ik ondanks mijn zwijgen en eeuwige afwezigheid al die jaren intens met je heb meegeleefd. Mijn hart kan een lange vliegreis niet aan dus ik zeg het je op deze manier: Je hebt het dik en dik verdiend. Je bent één van de grootste doorzetters die ik in mijn leven ben tegengekomen. Na zoveel tegenslag zo sterk terugkomen, dat zijn de echte helden.

Succes vanavond (en geniet),
Je vader.

Alles was doodstil. Alleen het borrelen van de kokende hars hield ritme in dit van alle tijd bestolen moment. Quanten huilde zoals hij nog nooit gehuild had.
En Simon huilde met hem mee.

Door de lange, donkere gang, wierp een lange gestalte grote schaduwen over de wand met acteursportretten. In het weinige licht zag men diepe groeven en een opvallend grote neus. De ogen van de man stonden dicht bij elkaar en droegen een fel licht. Toen hij de deur van de ontspanningsruimte opende en er rijkelijk licht de gang in viel zag men de lange grijze baard en de weelderige haardos. Het gaf de man met de rechte rug de gedaante van een heuse verschijning. Nazareth Quanten was King Lear.

Voorover gebogen over de flipperkast gooide Quanten al zijn emoties eruit. Sinds hij Simon kende had hij vaak lange gesprekken gevoerd over hun beider vaders. Alle twee hadden ze zich lang verstoten gevoeld. De één was acteur geworden, de ander homoseksueel. Het had hetzelfde effect gehad. Simon had het telegram al gelezen en ergens voelde dat voor Quanten als een uniek gevoel van verbondenheid, een broederschap.
De zilveren ballen rolde over een ordinair vrouwenfiguur met naakte borsten en achter elkaar doken de kogels in de holletjes van haar tepels, goed voor honderd punten. Het apparaat loeide en gilde en zo kwam het dat Nazareth de deur van de ruimte niet had horen opengaan.
“Sorry dat ik stoor, ik moest je gewoon…”
“Hoe kom jij in Godsnaam hier binnen zonder…”
“…zien. Sorry”.
In het zwarte gat van de deur stond de oosterse Asha van Het Parool met een geschrokken blik naar de bejaarde Sinterklaas te turen. “Je ziet er prachtig uit”.
“Neem me niet kwalijk, ik was…”
“Je was je aan het ‘leegmaken’?”
“Zoiets ja” stamelde Quanten ongemakkelijk. “Ga alsjeblieft zitten. Wil je iets drinken?”
“Ik weet niet of het nu wel…”
“Ik heb nog ruim drie kwartier. We kunnen een beginnetje maken. Doen we de rest morgen, dan ben ik vrij. Ok?”
“Alleen als je het echt wilt”.
“Ik wil het echt. Ga zitten. Fijn je weer te zien”.
Een kort moment stonden ze tegenover elkaar en Asha greep een hand vol rimpels en bruine vlekken. Ze schrok en liet de hand pardoes los. “Sorry” zei ze weer.
“Geeft niet. Ik doe Simon geen groter plezier dan hem nog een volle ronde geven”.
“Een volle ronde geven, noemen jullie dat zo? Ik lust wel een kopje thee”.
Na een lange glimlach draaide de koning zich om en pakte het telefoontoestel voor de bestelling. Alsof het een doodnormale ontmoeting betrof, een logische optelling van klare feiten, gingen ze tegenover elkaar zitten en pakte de draad weer op waar ze hem een paar jaar geleden hadden losgelaten.

Een paar uur voor aanvang zit ik tegenover King Lear (Nazareth Quanten) in de futuristische ontspanningsruimte van het ‘West Side Arts Theatre’ die half sauna, half gokhal is. Quanten slurpt ontspannen een milkshake met een rietje en kijkt me tevreden aan. Uitdagend recht hij zijn rug wanneer hij zegt zich in jaren niet zo goed gevoeld te hebben. Ik mag hem alles vragen want de angsten die hij een paar jaar geleden nog dagelijks bij zich droeg zijn gekrompen, zo zegt hij, tot vrolijke kabouters die alleen tevoorschijn komen wanneer hij erin geloven wil.

Een aantal jaren geleden spraken we elkaar in het kader van een acteursportret ten tijde van "De Kinderen van Don Quichot”. Er is een hoop veranderd.
Hier is enorm veel waardering voor mijn acteren. Zowel in de zaal, als bij de pers als binnen het gezelschap waarin ik werk. Het is enorm overrompelend voor mij geweest. Het heeft me ook ruim een jaar gekost om al het wantrouwen, alle ballast uit Nederland, van me af te werpen en werkelijk te geloven in wat me hier overkomen is. Niet te geloven wat een verschil. Het theaterwereldje in Nederland is voor mij verworden tot een oude kruimel. Werkelijk, in Nederland wordt toneel ‘bekeken’, hier wordt toneel beleefd!

Vanavond krijg je uit handen van de burgemeester van New York de Tony Award, de grootste prijs die er in Amerika voor een theateracteur te winnen valt. In Nederland is men verbijsterd.
Dat zal wel ja. In Nederland snappen ze al sinds jaar en dag geen moer van toneel. Men geeft zich niet over zoals hier. Staat niet open. In Nederland let men op wetmatigheden die zijn bedacht door koppen die nog nooit iets in de spotlights gepresteerd hebben, laat staan over de grens. Nee, in Nederland bedenkt men aan de toog van een ordinaire kroeg ‘regeltjes’ waarop men moet ‘letten’. Hier geniet men, voelt men. Waar het toneel betreft is dat een goede zaak. Daar is ligt namelijk ook de oorsprong van deze kunstvorm: in het voelen. In Nederland ligt de oorsprong in het begrijpen. Daar koop ik niks voor.

Je vertelde me dat je angsten geminimaliseerd waren. Je bent nog wel rancuneus, ben je ook nog boos?
Zeker. Maar even over dat rancuneus zijn: Kijk, ik zit hier met iemand van de Nederlandse pers. Dan is het toch logisch dat ik het Amerikaanse tegen het Nederlandse afzet of niet?

Het is ook niet vreemd, het valt me op. Blijkbaar ben je niet dermate ontspannen dat al je woede verdwenen is. Daar wou ik het over hebben. Wat is nou precies het verschil?
Ik heb het meer onder controle. Voor mezelf dan. Ik ben niet meer zo bang. Boos nog wel. Amerika is natuurlijk zo primitief als wat. Neem nou wat hier vorig jaar in Florida is gebeurd. Dat is toch ongelooflijk? In Nederland zou men daar niet zomaar mee zijn weggekomen, dat is dan weer het goede van ons vaderland. Kijk, die Gore maakte natuurlijk inhoudelijk gehakt van die Bush. Het is onmogelijk dat die aap het winnen zou. Maar goed, broertje is senator, merkwaardige doordruk kaarten waar niemand de logica van snapt slingeren Bush en zijn ape-rechtse holmaat Cheney het Witte Huis in. Het is toch een grof schandaal! Maar hier gaat alles door. Oh nee, niet aan het idee komen dat er iets mis is met de democratie. We kwebbelen wat, strijken wat plooien glad, Gore zegt ‘sorry’ voor de camera en geeft op. Zelfs Gore geeft op omwille van een belachelijk sprookje. En niemand die er serieus werk van maakt. En als iemand dat zou dan krijgt hij twaalf republikeinse rechters voor zijn snuit of een blaffer. Nee, Amerika en democratie… Daar maak ik me inderdaad flink boos om. Bush is een schoft, een eerste klas misdadiger. Veegt zijn harde reet af aan het Kyoto-verdrag, wil boren op Alaska en een wapenschild bouwen waar niemand op zit te wachten. Nog nooit heb je daar iemand op straat over horen lullen. Waanzin! En dan te bedenken dat de idioot na vier woorden begint te stamelen en te kwijlen, de man houd zijn eigen trage gedachten niet eens bij, hij snapt het gewoonweg niet. Je ziet hem kijken naar zijn spiekbriefje met een blik in zijn ogen die gelijkt aan die van prinses Juliana. Nee boos ben ik nog steeds, maar het is onder controle.

“Wat zit je nou te lachen?” vraagt Nazareth vrolijk terwijl Asha de pauzeknop van haar recorder indrukt en een slokje thee neemt.
“Zoals je daar zit – met die baard en dat haar onder die handdoek die Simon net gebracht heeft. Het lijkt wel een tulband en nu lijk je net op… hè, hoe heet die moslim nou die opdook tijdens dat Lewinsky schandaal?”
“Bin Laden?”
“Bin Laden ja! Had jij ooit eerder van die vent gehoord? Zoals jij hier nu met die vinger zo lekker Nederlands zit te wijzen. Je lijkt sprekend op hem”.
“Dank je wel. Dat zou wel eens een hele grote kunnen worden. Ookal is die man bedacht, het is het geweten van Amerika, let op mijn woorden”.
In Asha haar ogen ontbrande een felle steekvlam en ze boog zich voorover, haar duim gleed vlot van de pauzeknop. “Zou je dat even kunnen herhalen? Dat is mooi gezegd”.
“Luister eens even, er is geen touw aan vast te knopen op deze manier… wat hebben de mensen hieraan? Wat voor verhaal ben je eigenlijk aan het maken?”
“Het oude interview drukken we ook af. Daar had je het ook al over de democratie. Ik wil het allemaal niet te eenzijdig belichten”.
“Nee, nee” sprak Quanten met een opgewekt wantrouwen. Het plezier in dit gesprek won het en daarmee was er meer vertrouwen dan de bedoeling was en Nazareth herhaalde zijn tekst.

Ik neem toch aan dat je niet zomaar overal deze mening met mensen kunt delen.
Oh jawel. Wel in New York en zeker bij dit gezelschap. Allemaal verstandige democraten waar je enorm goed het verschil te zien krijgt tussen deze geweldige stad en de rest van het land. New York zou zich eigenlijk zelfstandig moeten maken, los van de VS. Deze stad heeft me alles gegeven, New York heeft me groot gemaakt en in die stad kom ik volledig tot rust. Van Amerika zou ik eigenlijk moeten wegblijven. Er is niets anders te bedenken dat me op dit moment kwader en onrustiger maakt dan dat land.

Je vader, heb je die meer los kunnen laten?
Wonderlijk genoeg gaat dat uitstekend. Het lijkt op deze dag alsof alles overwint. Vandaag heb ik eindelijk datgene van hem ontvangen waar ik al mijn hele leven op wacht. Zijn waardering valt samen met die van heel Broadway. Die ouwe heeft een goed moment uitgekozen, wil ook niet zo graag alleen staan denk ik. Ha, ha.

Quanten kijkt op zijn horloge. Het is tijd. Hij moet zich nog voorbereiden en bij zijn grimeur Simon onder behandeling gaan. We spreken af dat we elkaar morgen, op Quanten zijn vrije dag, opnieuw zullen ontmoeten. Met een sprong van een jonge vent springt de oude, klassieke, King Lear uit zijn zetel, op weg naar zijn kleedkamer, vervolgens naar zijn toneel, zijn publiek en zijn grote prijs.

Met zijn handen aan de dikke ruwe touwen rekte Quanten zich op in de coulissen. Achter hem kneedde Simon zijn taaie nek en fluisterde de openingszinnen van King Lear ondersteunend in het oor van zijn vriend. Zacht zuchtend opende het toneeldoek zich en zag Quanten de dansende stofdeeltjes in het grijs – blauwe toneellicht. Hij drukte zijn kin op zijn borst, zijn wervels knakte en Simon zijn handen grepen de hoge schouders van de koning. De doodse stilte in de zaal was oorverdovend en met een lichte tinteling in zijn maag stapte Quanten in het wit van de felle frontspot.

The New York Times: “…De Nederlander Nazareth Quanten is een fenomeen op ons Broadway. Liet hij onze theaterwereld in ‘The Tempest’ al huiveren bij zijn krachtige rol van Prospero, sinds ‘King Lear’ laat hij New York op zijn grondvesten trillen. Met een fabelachtige techniek waarmee hij vooral met fijnzinnige mimiek elke hoek van de zaal weet te besluipen grijpt hij ons New Yorkers bij de keel. En terwijl we langzaam het slot van de voorstelling naderen omvat zijn lage basstem onze ziel en knijpen zijn bijtende woorden onze aderen dicht. Totale stilte is al wat overblijft. Op weg naar huis dringt zich de wetenschap aan ons op dat deze betoverende koning ons ‘echt’ heeft laten geloven in de eindigheid van onze wereld, ons bestaan, onze gedachten. Dat is geen vrolijke filosofie maar wel een keihard noodlot. Het kunnen alleen de grote acteurs zijn die ons deze verschrikkelijke boodschap met zoveel troost kunnen schenken, als ze al geloofd worden. En geloven is nu juist wat het publiek in deze Nederlander doet. Nazareth Quanten ontving gisterenavond dan ook volkomen terecht uit handen van burgemeester Rudolph Giuliani de fel begeerde Tony Award. Het duurde lang, heel lang, eer het publiek na een luidruchtige staande ovatie weer nederig durfde te gaan zitten voor de brenger van ons bizarre lot.
In een kort maar intens dankwoord schonk Nazareth Quanten liefdevolle woorden aan zijn vader die hem al die jaren in bescheidenheid was blijven steunen…”
Terwijl het zweet door zijn wenkbrauwen sijpelde staarde Quanten dodelijk vermoeid maar intens voldaan naar de binnenkant van het donkerrode gordijn waar de koorden als vrolijke slangen door de ogen dansten. Voorzichtig depte Nazareth het zoute water met de mouwen van zijn goudkleurige mantel, keek vervolgens opzij en maakte een vuist naar de geëmotioneerde Simon die met zijn vingertoppen in zijn mond tegen het brandblusapparaat stond.
De koorden spande zich en langzaam groeide de kier van het gordijn tot een golvende streep die naar links en rechts opzij schoof. Quanten stond voor een hel wit gat, maakte zich groot en liet zijn bovenlichaam vervolgens elegant voorover buigen met zijn rechterhand tegen het koord van zijn mantel.
Geleidelijk werden de contouren van het publiek zichtbaar en filterde het licht zich weer tot normale proporties. De opverende mensenmassa aan zijn voeten en boven zich op het balkon veroorzaakte een hels applaus. Zijn hele wanhopige geschiedenis wierp zich op dit moment in de gretig happende vlammen van een onstuimig vreugdevuur.
Op de derde rechts stond Asha te klappen. Haar hoofd iets schuin gebogen knikte ze aan één stuk door in zijn richting. Naast haar stond een jong meisje vol vuur haar handen stuk te slaan dat danig contrasteerde met het lollystokje dat speels uit haar mond kwam. Dit was haar dochter, dat kon niet missen. Dezelfde zoete schoonheid zat gevangen in een soepel jonge huid. Het enige merkwaardige waren haar felblauwe ogen. Als kristallen lagen ze in haar donkere huid te glinsteren. Betoverd maakte Quanten in die richting een tweede buiging.
Van rechts kwam achter Simon de burgemeester het toneel op met een uitgestoken hand. In zijn linkerarm flikkerde de trofee, een glazen masker met een zilveren rand. Terwijl het geluid verstomde en Giuliani een speech begon leek Quanten weg te zakken in een diepe hypnose. De woorden van de burgervader werden niet door hem verstaan. Nazareth was gevangen in zijn spiegelbeeld want turend in het masker zag hij zichzelf. In de diepe groeven van zijn gelaat herkende hij zijn vader zoals hij hem voor het laatst gezien had.

~

De volgende morgen rook zijn penthouse heerlijk fris en had een lange hete douche gezorgd voor een montere geest. Behaaglijk wandelde Quanten langs de door Blanche keurig in vazen gestoken boeketten, las wat kaartjes en nam plaats aan tafel achter de ochtendbladen. In de oven had hij een verse appeltaart gevonden met daarop een felicitatie van zijn moederlijke schoonmaakster die er in een PS aan toegevoegd had dat hij vanavond niet te laat naar bed moest gaan omdat de serie van ‘King Lear’ hem nog wel eens zwaar zou kunnen tegenvallen. Inderdaad was het schema met dertig voorstellingen uitgebreid, de belangstelling was enorm.
Toen de akelige zoemer ging stond Nazareth opgewonden op. Het bezoekje van Asha was naar de achtergrond van zijn bewustzijn geschoven. Hij liep naar de deur, verwijderde de hoorn en zag haar in het scherm. Ze streek wat haar over een oor naar achteren, in haar vrije hand hield ze een enorme bos zonnebloemen. Hij drukte het blauwe knopje in en Asha stapte uit beeld.
Snel sloot Quanten het raam en zette daarmee de frisse dag even buiten de deur. Achteloos knipte hij de televisie aan en zette de deur op een kier.
Na ruim vijf minuten liep Asha Sahabi met haar naaldhakken bedachtzaam over de houten vloer naar de woonkamer. Quanten stak zijn armen in de lucht: “Moet je mij nu eens zien, hadden we dat kunnen denken een paar jaar geleden, dat ik omringd zou zijn met felicitaties en bossen bloemen?”
Ze kwam lachend op hem af en zoende hem verrassend op zijn mond. “Het was geweldig gisteren. Ik schaam me een beetje, ik had moeten weten dat je zat bloemen had gekregen”.
“Geen zonnebloemen lieverd, die had ik nog niet. Ga lekker zitten! Appeltaart? Blanche, mijn huishoudster maakt de lekkerste van de stad, echt waar”.
“Heerlijk”.
Met trage passen sloop Asha verwonderd door zijn huis. “Het is prachtig hier. Prachtig!”
“Ga lekker zitten, stoor je niet aan de TV. Is puur voor de achtergrond, koffie, thee?”
“Kopje thee graag”.
Aarzelend gleden haar vingers langs de kaarten en telegrammen. Op zoek naar iets onthullends. Bij het telegram van zijn vader werd ze gestoord door de binnenkomende acteur met dienblad. “Ik heb er echt zin in vandaag! Vraag maar raak maar niet te veel want ik heb een hoop te vertellen”.

We waren gisteren gebleven bij de waardering van je vader. Ik zie dat je een telegram van hem ontvangen hebt.
Jazeker. Dat mag letterlijk en figuurlijk in de krant. Ik zal hem straks even onder de fax leggen kun je er een kopie van afdr

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens