woensdag 24 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
rikvanschaik@hetnet.nl - In de naam van de Vader
Gepubliceerd op: 20-08-2002 Aantal woorden: 11892
Laatste wijziging: - Aantal views: 2297
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

In de naam van de Vader

rikvanschaik@hetnet.nl


In de naam van de Vader
Een familiegeheim


“D e w a a r h e i d i s w a t i k e r z e l f v a n m a a k”
Godfried Bomans


“H e t e n i g e w a r e i s j e e i g e n v e r b e e l d i n g”
Maarten Toonder


Hoofdstuk I
De vondst
28 december 2002 ~ Onnozele kinderen




De polderweg is glad van ijzel en de taxichauffeur rijdt kalm over de doodstille weg. De grijze lucht hult zich in een rode gloed. Met mijn mouw maak ik de ruit schoon en kijk, op de achterbank gezeten, naar het landschap van mijn jeugd. De weilanden zijn leeg en bij veel boerderijen zijn de luiken gesloten. Een enkele tuin is versierd met kerstverlichting die in dit mistige weer nauwelijks tot zijn recht komt. Ik zie de schuurtjes waar ik me vroeger in verstopt heb, deuren waar ik met de angst in mijn lijf heb aangebeld en het grind waarover ik hard ben weggerend. Ik zie land en goederen die na mijn jeugd een andere eigenaar hebben gekregen. Voorzichtig schuif ik het raam een beetje open. Ik stel mezelf gerust: De geur is nog dezelfde als die ik als kind rook. Ik druk mijn tas stevig tegen me aan. Het is niet zozeer het gewicht, het is de inhoud die drukt.
Hier, in dit landschap, tussen deze weilanden omringd met knotwilgen kwam mijn vader zevenenvijftig jaar geleden ter wereld. In dit sompig grasland stichtte mijn opa en oma hun, voor mij, genoeglijke tempel. Hier groeide hun gezin waar ik later, na de dood van mijn vader, steeds hardnekkiger naar toe trok. Daar, bij mijn vaders oorsprong, dacht ik jarenlang het geheim van die man te vinden. Het werd echter een eindeloze trip van ontelbare kneuterige logeerpartijtjes in het bedehuis van mijn grootouders, eindeloze belevingen van verjaardagsfeestjes, toneeluitvoeringen, huwelijksfeesten, begrafenissen, voetbalwedstrijden, avonturen in de appelboomgaard met donkere schuren en vooral veel avonden vol imitaties van mensen die mijn familie gekend had en op een ironische wijze voor het voetlicht werden getoverd met een voor de ‘kennis’ in kwestie niet al te florissante ontknoping. Ik rook de geur van een oud huis, de schimmel in de kelder, de mottenballen tussen de kleren in de bedstee, de gekookte boerenkool, het fruit in de boomgaard en het aroma van oude mensen met onverwerkt verdriet. Ik hoorde de wind over het dak en langs de regenpijpen die zijn vingers net als ik fanatiek onder het fundament wurmde, het Latijns gezang van mijn opa, de oude langspeelplaten van Wim Sonneveld en Godfried Bomans, de hits uit de jaren vijftig en zestig, de stem van Ko van Dijk in een televisieserie en het fluisterende bidden van mijn geknielde oma. Ik zag de Paus op wandborden aan de schouw, het Heilig Hartbeeld met een rood knipperend lichtje, de tranen van Jezus aan het kruis, het grotje van de Heilige Maagd in de tuin en het gezicht van mijn oma in de kerk, opkijkend naar de pastoor die haar verdriet weg masseerde met zijn nederige stem en zijn zalvende woorden.
Ik maakte kennis met een alles verhullend decor waartussen de spelers glansrijk acteerden en duizenden malen mijn schaterlach lieten klinken zonder één woord te hoeven zeggen. Tussen al die geschilderde panelen, wierook, katholieke sfeerimpressies, theatervoorstellingen en gebeden door zocht ik wanhopig naar een teken, een openbaring, een uitkomst, een woord. Ik zocht de waarheid. Maar het bleef stil. Doodstil. Uiteindelijk bleek de voorstelling niet meer dan een tragikomedie met eindeloos veel bedrijven waarin de rollen verworden waren tot typetjes zonder tekst.
Als kind weet je wanneer je op een geheim stuit, wanneer het geroezemoes verstomt en de zakdoeken in de mouwen worden gestoken. En nu ik achtentwintig ben voel ik me nog steeds de speurhond die, gehinderd door een teveel ‘houden van’, niet door wil bijten en de gewijde aarde niet omwroet op zoek naar een been. En natuurlijk zie ik vanuit de glijdende taxi tientallen huisjes langs de dijk met evenveel geheimen als dat er stenen in de muren zitten. En wie weet is er helemaal geen geheim, is het decor de waarheid en wat heimelijk verborgen blijft enkel een mistig landschap waar de echtheid om heen sluiert in honderden woorden, geuren, gezichten, geluiden en uitingen van geloof. Wellicht is het doel van deze reis, het bezoeken van mijn vaders geboortehuis, enkel de zoveelste poging om op zoek te gaan naar een verzonnen waarheid van waaruit een nieuw, definitief verhaal over vroeger, mijn vader, mijn familie en mijn oorsprong kan ontstaan.
Misschien wil ik alleen maar eeuwig leven scheppen vanuit de dode geschiedenis van mijn vader. Door te graven, diep te graven, te verbeelden en het op te schrijven.
Ik ga nog één keer terug.
Ik kan niet anders.

~

Ik ben alleen, een eenzame toeschouwer in het holle huis van God. Ik staar naar mijn geknielde oma die met gevouwen handen huilt zonder dat er tranen vloeien. Wat is hier aan de hand? Welke woorden uit het evangelie maken mijn oma bedroefd? Het zonlicht dat door de hoge glas in lood ramen over onze banken valt geeft mijn oma een gouden bos haar. De plooien van haar huid hebben een licht laagje dons gekregen, het puntje van haar tong rust op haar ondergebit.
Waar zijn haar gedachten? Waar is haar gevoel? Het lijkt alsof de stem van pastoor Meeuwsen een soort goochelaarstruc is en de duidelijk aanwezige resonantie ervan de hoge hoed vol onverwerkt, en voor de buitenwereld onbekend, verdriet leeg giet.
Een groter contrast tussen het geloven van mijn oma en dat van mijn opa bestaat niet. Nadat mijn oma en ik na de communie Gods lichaam kauwend terug in de banken zitten, en mijn oma in oprechte aanbidding haar leed en schuld in stilte neerlegt voor de voeten haar schepper, komen de koorzangers van boven en lopen van achteruit de kerk naar voren. Voorop wandelt mijn opa vol statigheid met een voorgewende bescheidenheid een grimas op te houden waaruit men zijn zogenaamde eerbied voor de Heer moet kunnen lezen. In werkelijkheid zie ik een venijnige grijns waarmee hij zachtjes jaknikkend naar voren schrijdt alsof hij in stilte alle bezoekers van het huis zeggen wil dat hij het allemaal al lang weet. ‘Ja, ja mensen… Dit is de waarheid, het woord Gods. En ik ben, evengoed als pastoor Meeuwsen waar ik nu ter tafel ga, zijn plaatsvervanger op aarde. Ik zal tot u spreken want ik weet Het. Middels het St. Joseph genootschap zullen mijn collega zangers mijn woord doorgeven aan u’. Hij weet dondersgoed hoe de mensen naar hem kijken, hij die in de volksmond de ‘pastoor van de Dijk’ heet. Het volk dat op eindeloze verjaardagen, trouwerijen en koffietafels na de Heilige Mis al zijn woorden beaamd om eeuwig durende zinloze discussies te vermijden. Wanneer hij het woord neemt zwijgt men en knikt. Over wat er achter al dat zwijgen zit denkt hij niet na. Het zwijgen is een bevestiging.
Een uur later fiets ik met opa en oma naar huis voor het vervolg van mijn logeerpartij. Ik fiets naast oma en zie mijn grootvader voor ons stevig doortrappen. Soms snuif ik zijn sigarenrook op die in weelderige slierten onder de laaghangende bloesem is blijven hangen als de wierook onder het kerkgewelf. Mijn oma fietst zachtjes, ze geniet. “Laten we er maar zachtjes onder door fietsen. Wie weet is de bloesem volgende week als sneeuw voor de zon verdwenen”.
Thuisgekomen drinken we alledrie een kop thee in de koele keuken waar mijn opa zijn zangboeken in de kast schuift terwijl hij luid de Latijnse gezangen nogmaals samenvat.
“Volgens mij hebben we de zegen mogen ontvangen hoor! Voor vandaag zijn we klaar. We hebben ons zegje met gesloten ogen mogen doen en nu drinken we even gezellig thee. Hier vader, een lekker bakkie. Daar kom je van bij. Wat jij?” In het voorbijgaan streelt oma me door mijn haren en toont me de koektrommel.
“Het woord Gods heeft ons opgenomen en omringt ons moeder!”
“Och, er omringt mij zoveel vader. Kijk nou toch eens naar de prachtige boomgaard met al die betoverende bloesem. Betoverend is het…”
Over mijn kopje blazend observeer ik mijn oma nauwkeurig en zie haar vol ontroering door het keukenraam naar buiten kijken waar aan de overkant van de sloot de takken van de appelbomen zachtjes door een bries in het ijle deinen. Ik verbeeld me dat ze haar zoons ziet lopen, luidruchtig appels plukkend op vervlogen dagen. Ze ziet mijn vader en ze wrijft met haar handen over het tafelkleed alsof het een babyhuidje is wat middels een liefdevolle koestering het kind stil doet zijn en de herinnering gevangen houdt.
Even later ren ik zelf over het houten bruggetje de boomgaard in, spring enkele malen in het luchtledige en werp me aan een laaghangende tak. Het zonlicht strooit zijn stralen tussen het blad en schittert figuren in het gras die groeien en krimpen door de bewegende schaduwen van de buigende takken. Ik til mijn voeten in de lucht. Vanachter het keukenraam zwaait mijn oma me toe, ze mompelt iets wat ik niet kan verstaan en veegt vervolgens haar handen af aan haar blauwe schort. Ik laat me vallen en pak een stok, ren onder de vruchten en schreeuw mijn blijdschap tussen de stammen. Dit is mijn vredige domein, mijn huis van God en ik hol langs struiken waar ik duizend malen Robin Hood speelde en zwaarden in bomen stak, de oplichters der armen. Honderden slagvelden heb ik hier beleefd. Alleen maar nooit in eenzaamheid. De vrede omarmde me hier voor eeuwig en leek me altijddurend trouw.

~

Vanuit zijn zilveren lijst kijkt mijn vader me glimlachend aan terwijl ik vanuit de deurpost het familieportret op het wandmeubel bekijk.
De duisternis regeert in mijn opa’ s woonkamer. De gordijnen zijn gesloten en de lampen zijn uit. Alleen Maria staat in het licht. De kaars die voor haar beeld staat zet een dansend silhouet op de muur.
Boven kraakt af en toe het bed van mijn grootvader, afgewisseld door de voetstappen van mijn verplegende tante. Verder is het doodstil.
Ik trek mijn jas uit en werp hem over de stoel waar mijn oma altijd op zat, aan het hoofd van de tafel. Mijn tas zet ik tegen een tafelpoot. Vervolgens open ik beide deuren van de bedstede waarvan de lampen automatisch aan springen en ook mij een schaduw geven op de roomwitte schouw. Ik maak het luik in de bodem los en trek het open. Stof komt omhoog wanneer ik mijn handen op de richel van het gapende gat zet en me de diepte in laat glijden. Door de kieren in de muur stromen straaltjes licht naar binnen. Op mijn knieën schuif ik over de koude, stenen vloer tot ik de eerste doos kan betasten, ik trek deze naar me toe en begin, een paar jaar na het overlijden van mijn oma, opnieuw te grissen. Pakken met brieven, oude krantenknipsels en agenda’ s sorteer ik op een drietal stapels. Ik weersta de verleiding om nu, gezeten in die muffe bedstede, meteen te gaan bladeren. Jaren geleden, na het overlijden van mijn oma, was mijn beheersing er geenszins en waren alle documenten in een oogwenk achter mijn rug, door een mij onbekend familielid, weer opgeborgen.
Met het spinrag in mijn haren en plekken van stof op mijn broekspijpen kruip ik uit de donkerte de enigszins mildere duisternis van de kamer tegemoet. Ik sluit de deuren, laat het haakje in zijn oog vallen en schuif de spullen in mijn tas. Mijn handen zijn nauwelijks leeg wanneer mijn tante de kamer binnenkomt en een pot thee op de kachel zet. Met een scherpe taxerende blik maar met een lieve glimlach neemt ze me in zich op.
“Kon je niet wachten jochie?” Ze knikt naar de zojuist gesloten deuren achter mijn rug.
“Het moet nu” zeg ik hees. Ik kan moeilijk inschatten wat ze van mijn gegraai, vier meter onder mijn stervende grootvader, denkt. Ze zwijgt terwijl ze het theezakje op en neer in de pot laat zweven.
Ik maak mijn lippen nat en staar naar alle broers en zussen van mijn vader op het bergmeubel. Ik schraap mijn keel en wil haar omslachtig opheldering geven. Ze steekt haar hand naar mij op en doet mijn woorden keren.
“We hebben het er nog wel over. Ga eerst maar naar hem toe. Hij is klaar.”
Ik knik aarzelend en staar naar het bord met Johannes Paulus II aan de muur. Alsof ik word geroepen kraakt de sponde van mijn opa in zijn kamer boven ons. Ik schuifel op de deur toe wanneer mijn tante zegt dat er bij zijn bed nog een doos moet staan.

Ik open het luik boven de trap en stap het slaapvertrek in. De geur die er hing bij mijn logeerpartijtjes van jaren terug omarmt me liefdevol. De pispot staat nog steeds onder de poster van Wim Sonneveld. Mijn oma heeft ooit de cabaretier in haar slaapkamer gehangen. Het streelt mijn grootvader dat die er nog steeds hangt.
In een donkere hoek ligt mijn opa op zijn rug piepend adem te halen. Lichtjes werkt hij zijn hoofd omhoog om me te zien.
“Ik ben het” zeg ik. “Blijf maar liggen”. Zijn hoofd valt terug op het kussen en ik ga aan zijn voeteneind staan. Hij ligt kaarsrecht op zijn rug, de handen gevouwen op zijn buik. In de door hem gewenste pose ligt hij als het ware klaar voor de dood waarvan de geur al door de spijlen van het bed aan het kruipen is. Hij opent zijn ogen voor de helft en zijn lippen trekken krom. “Jij bent één van ons… Jij blijft één van ons…” klinkt het tussen zijn piepen en rochelen door. Dat zegt mijn grootvader altijd als het slecht met hem gaat. De laatste keer was met oma’ s dood. Toen ik hem veertien jaar geleden telefonisch mededeelde het Heilig Vormsel te weigeren kreeg ik een hele andere mededeling.
“Ik wil niets liever opa” zeg ik hem toe terwijl mijn ogen de doos zoeken waar mijn tante me op attent gemaakt heeft.
“Wil je wat drinken?” De doos staat naast zijn nachtkastje met daarop een glas water, een foto van oma, het boekwerk van het ‘St. Joseph genootschap’ met daarin zijn toespraken en een gebedenboekje. Hij schudt zijn hoofd één maal in één richting. Richting doos.
“Wil je bidden?” vraag ik hem terwijl ik constateer dat het touw waarmee het karton is dichtgebonden oud en gerafeld is.
“Met jou zeker…” klinkt het schamper.
Zijn gezicht is spierwit met zwarte oogleden en ik zet mezelf op de rand van zijn bed. Ik spreek het Onze Vader terwijl ik met mijn linkervoet de schat naar me toe trek. De doos schuift geruisloos over de kale vloerbedekking terwijl ik mijn hand naar de map van het St. Joseph genootschap uitsteek om het te grijpen.

~

Bij het keukenraam zit mijn oma in haar blauwe schort met daaronder dunne benen vol dikke spataderen. Aan haar voeten zitten wollen sokken die gestopt zijn. Haar mond staat een stukje open en d’r haar zit in de war. Ik kijk naar haar. Ik ben zachtjes binnengekomen en aanschouw haar in alle stilte. Ze schilt en pit de aardappels kalm en secuur. Wanneer ze soepel een pieper te water laat staart ze een kort moment naar de boomgaard alwaar de appelplukkers haar vriendelijk groetten.
Nadat de kinderen het huis uit zijn gegaan lijkt ze haar dagelijkse arbeid te vertragen waardoor er geen andere zaken een plaats in haar leven kunnen krijgen. Die houdt ze hiermee op afstand en heeft ze ook niet nodig. Het zou haar alleen maar verwarren. En het zou mij niet zo doen verlangen naar de intimiteit van haar huis. Zij is er namelijk altijd en geeft het huis daarmee een ziel. Een ziel die ik de rest van mijn leven vanuit de herinnering zal koesteren. Haar rustige huishouden, haar haast spookachtige verschijning in en rond het huis verhult een geschiedenis. Ze spreekt nooit over wat er is gebeurd, ze kan er alleen maar om huilen en ze kan enorm goed troosten. Ze stopt je stevig in en schenkt je een nachtzoen, fluistert je welterusten met een stembuiging die je niet langer eenzaam doet zijn want zij weet wie je bent en zij is met jou. Samen hopen en geloven we in iets dat ons verlossen zal. We weten dat we het hopen. Waarom we het hopen is nooit uitgesproken. Ik vermoed dat ze aan mijn vader denkt. Maar er moet meer zijn behalve het sterven van haar jonge zoon. Zoals ze naar pastoor Meeuwsen kijkt, geknield in de kerkbank, mond iets open en met waterige ogen: Alsof ze kracht vraagt om ‘iets’ te kunnen vergeven wat ‘een ander’ haar heeft aangedaan. Het ‘waarom’ wil ze denk ik niet eens weten.
Zoals ze naar pastoor Meeuwsen kijkt, zo kijkt ze nu ook. Ze fatsoeneert een slonzig permanent met één streek van d’r hand waarin ze het mesje heeft. Ze zet haar bril recht en fluistert: “Jochie, ben je gekomen?” Ze is niet verbaasd want ze wist dat ik kwam. Ze lijkt enkel oprecht blij dat ik er nog ben. Zoals ze iedereen met een blijde verontwaardiging begroet. Ze is dankbaar voor de simpelste ontmoeting.
Ik zet mijn koffer neer, loop op haar toe en geef haar twee kussen op haar wangen die meeschuiven met mijn lippen. Ze ruikt zoet.
“Wat een koffer heb je bij je jochie.”
Ik pak de koffer en leg hem open op de keukentafel, pak de doos bonbons eruit en geef hem aan oma. Haar mond zakt weer ietsjes open en ze wrijft over het doosje alsof het een kindje is.
“Dat is toch niet nodig. Heeft je moeder zeker weer gedaan?”
Ik knik en ze aait over mijn hoofd.
Dan zwaait de deur van de kamer open en verschijnt mijn opa. Hij is gehuld in een zondags pak en draagt glimmende schoenen. Zijn zojuist aangestoken sigaar laat hij dansen in de ruimte voor zich op het ritme van zijn woorden. “Ah, Rik! Zeg, ben jij niet een beetje aan de vroege kant?”
Mijn oma schiet uit haar trans en verheft licht haar stem: “Rik komt hier logeren vader!”
Hij had me niet verwacht en kijkt confuus naar de grond. “Ik dacht dat die wat later in de middag…”
“Hij is er nu. Kan hij nog de hele middag lekker spelen.”
“Buiten toch zeker?” Mijn opa is ietwat angstig en kijkt met felle ogen naar de keukenklok.
“Oh, dat weet ik heel niet vader. Zo’n best weer is het niet.” Doodkalm komt ze overeind en strooit de aardappelen in de vergiet op het aanrecht. Ze zet haar hand in haar zij en ook zij werpt, maar dan laconiek, een blik op de klok.
“Ik krijg immers dadelijk Bram en Gerard voor een bespreking aangaande de zondagmiddagbijeenkomst van ons genootschap en…”
“Dat kan prima vader. Het is toch geen kabinetsvergadering?” Ze lacht minachtend en schudt haar hoofd terwijl mijn opa zuchtend op het kastje bij het raam toeloopt om daar een map te pakken. Met gouden stickers is er een tekst op aangebracht:

St. Joseph genootschap
Onderdeel van St. Joseph zangkoor, Parochie Oudenrijn

In het voorbijgaan valt zijn blik op de goudkleurige bonbondoos.
“Oh, dat is een fraaie voor de visite vanmiddag.”
“Die doos blijft dicht! Die is voor vanavond bij de koffie.”
Mijn logeerpartijtje lijkt alles voor hem te verknoeien. Zijn gasten van die middag zullen het met een taai biscuittje moeten doen.
“Maar daar zal toch best een aardig aantal chocolaatjes inzitten moeder?”
“Hij blijft dicht hoor! Hij is net nieuw.”
Een kort moment knijpt mijn opa zijn ogen dicht en mist daardoor mijn glimlach. Mijn oma waakt met succes over haar eigen presentje en dat maakt me blij.
Zuchtend schuifelt mijn opa weer de woonkamer in, de map van het genootschap stevig in zijn handen.

Iedereen in de familie kent dit genootschap en lacht er kostelijk om. Behalve wanneer de vader van de familie een kind persoonlijk uit één van zijn beschouwingen citeert. Dan blijft het angstig stil. Men luistert dan met een krampachtig beteugeld verzet naar de woorden die hen in hun jeugd gevormd hebben. Mijn grootvader heeft zijn geloof, zijn waarheid, zo stevig dichtgetimmerd dat een dialoog hierover onmogelijk zou zijn. En zo duwt hij het gezin onder zich en knikt naar hen wanneer hij uitgesproken is.
Ik lijk op hem en schrijf mijn evangelie over hem. Ik heb de pen, de rest het papier.
Mijn oma lijkt niet op hem maar herkent hem in zijn kinderen. Zij verwacht, in tegenstelling tot haar nageslacht, niets meer van hem behalve zijn aanwezigheid. Zij hoeft geen waarheid want zij gelooft zonder vrees. Mij opa herhaalt zichzelf en knoopt een touwladder van zijn waarheden waarop het aardig klimmen is.

Zo ook die middag.
Wanneer de deurbel klinkt zorg ik ervoor dat ik de eerste in het halletje ben. Ik doe open en zie de verbaasde blikken van Bram en Gerard. Achter mij komt opa met rechte rug en statige passen de gang ingelopen.
“Heren, goedemiddag!” Mijn opa gaat voor mij staan en maakt met zijn ver uitslaande arm een theatraal ‘welkom’.
Een van de heren ziet mij achter mijn grootvaders rug wegduiken. “Ha Toon. Ik dacht dat we vanmiddag…”
“Jazeker, geen probleem hoor. Mijn vrouw is aan het collecteren en mijn kleinzoon gaat fijn de boomgaard in.”
Opa houdt mij achter zijn rug en draait om de binnenwandelende gasten heen die hij voor zich laat. De deur valt voor mijn gezicht dicht. Binnen hoor ik de heren plaatsnemen. Koffiekopjes worden op tafel gezet en papieren worden uit tassen gehaald. Ik blijf op het bankje in de hal zitten luisteren en wacht op mijn oma. Mijn stille verlangen is verhoord wanneer ik opa in alle stilte naar de keuken hoor gaan. Ik hoor de scharnieren van de keukenkast piepen en ik weet wat hij in zijn handen heeft.
“Goh, dat zijn hele beste zeg!”
“Heerlijk, die koopt Maria niet zo vaak.”
Mijn opa neemt de complimenten van zijn visite bescheiden in ontvangst: “Ja, ik vind ze zelf ook wel lekker. Hoewel ik ze van Nooteboom uit Utrecht het allerbeste vind.”
De stemmen zakken weg en even hoor ik alleen het roeren van theelepeltjes. Na een korte tijd van stilte, waarin ik bang ben gesnapt te worden, hoor ik wederom de kastdeurtjes open en dicht gaan. Dan breekt mijn opa met aanzienlijk volume en het nodige pathos door: “Nou, ik wou het zondagmiddag eigenlijk eens uitvoerig hebben over alle commotie uit linkse kringen aangaande het bezoek van de Heilige Vader volgende maand. Ik heb hier een kladje… Misschien zouden jullie nog iets aan kunnen vullen hoewel ik het redelijk compleet acht. Maar je weet maar nooit.” De laatste woorden missen volkomen de overtuigingskracht van de speech die volgt.
“…ik wil maar zeggen, lieve mensen: Hoe kunnen wij met goed fatsoen de Vorst van onze kerk onder ogen komen wanneer hij door ongelovige, rebelse lieden voor de voeten wordt gelopen? Door pal voor ons geloof te gaan staan ondanks alle weerstand en satire in ons verloederende land! Want ze noemen zich filosofen en ze noemen zich hervormers, die rebelerende jongelui. Maar zijn het werkelijk hervormers?” In gedachten zie ik mijn opa in staan, de wenkbrauwen bij zijn laatste vraag hoog opgetrokken naar de twee luisteraars die grijnzend de woorden van mijn grootvader opslurpen. Ik zie hun tevreden smoelwerken, denkend aan hun eigen kinderen die zich drastisch van de kerk hebben afgesneden. Terwijl ik denk aan de moeders van die kinderen hoor ik het grind onder de fietsbanden van oma knisperen terwijl opa vol vuur aan zijn slotbetoog begint: “Neen, heren van het Roomse Leven. Dat zijn ze niet! Waren ze dat maar, hervormers. Het enige dat door hen hervormt zal worden is het zitvlak van de barkruk waarop zij gulzig innemen van onze belastingcenten! Daar, in de kroeg! Daar moet u ze voor de lol eens opzoeken op de Heilige zondagavond. Daar filosoferen ze erop los dat het een lieve lust is, de heren hervormers! Aan die toog achter een pils verbeteren ze de hele wereld! Maar de volgende morgen, als het er werkelijk op aan komt? Dan zijn ze er niet. Ga die koppies maar eens bekijken. Lamgeslagen van hun drinken en filosoferen hangen ze er ronduit schaapachtig bij. En de échte filosoof uit dit verhaal is de kastelein hoor, die verdient er aardig wat centen aan.” Terwijl ik Bram en Gerard uitbundig hoor lachen en handen klappen gaat de deur open en stapt mijn oma binnen. Ze trekt haar capuchon van het hoofd.
“Ha jochie. Zit jij hier maar alleen?”
“Het is wel zielig voor u.”
Ze kijkt me niet begrijpend aan: “Zielig voor mij? Zielig voor jou. Kom we gaan lekker naar binnen.”
“Nee ik bedoel van de bonbons.”
“Wat? Heb je er lekker eentje genomen jongen?” Ze lacht vertederd en legt haar hand op mijn wang.
“Nee, opa. Opa was het denk ik even vergeten van vanavond na de koffie.”
“Hè? Nee toch zeker…” Driftig stapt mijn oma de woonkamer in en opgewonden loop ik achter haar aan. Mijn opa, die aan zijn geschrokken blik te zien oma nog lang niet thuis had verwacht, morst bij het inschenken jenever over het tafelkleed.
“Welja, mors maar op mijn goede kleed! Dag Bram, dag Gerard. Hoe is het met Maria?” De beide heren staan galant op en geven mijn oma knikkend een hand. “Ik moest je de groeten van haar doen. Ze komt volgende week nog even over de zomercollecte praten.”
“Oh, dat is fijn.” Liefjes knikt mijn oma haar gasten toe voordat ze op een hele andere toon tegen mijn opa verder gaat: “Die chocolaatjes waren voor vanavond! Die heb ik van zijn moeder gekregen!”
Mijn oma gebaart in mijn richting terwijl mijn opa luchtig lachend verklaart dat het er maar een paar waren en speelt alsof er niks aan de hand is.
“We hebben nooit bonbons. Nooit! Ik wilde er juist een beetje zuinig mee zijn omdat het weer zo’n lief cadeau van zijn moeder is. Maar ja, weg is weg…”
“Maar er zijn er nog wel een paar hoor…”
Mijn oma loopt door naar de keuken, opa en Gerard zijn verstijfd en stil. Alleen bij Bram neem ik een ingehouden grinnik waar. Mijn opa serveert met een rood hoofd de borreltjes en neemt bedremmeld plaats in zijn stoel.
“Is oma een filosoof?” vraag ik mijn opa zoet.
Hij murmelt iets onverstaanbaars en probeert nonchalant een slok te nemen. Het mislukt. De jenever loopt over zijn kin en valt in zijn schoot.
“Mooi gesproken Toon!” zegt Gerard met een strak gezicht en steekt zijn glaasje in de lucht. Het lijkt een mislukte troost.

~

Ik sluit met mijn kont de keukendeur en draag in mijn armen de doos en de map van het St. Joseph genootschap. Pas als ik op de tafel toeloop om het neer te kunnen leggen zie ik dat mijn tante niet meer alleen is. Naast haar zit mijn oom. Zijn gezicht staat strak en is rood van kleur. Het glas van de kachel tikt. Mijn tante vraagt of ik koffie wil, staat op om in te schenken en sluipt vervolgens als een geest de huiskamer uit. Het is stil en ik heb een vermoeden van wat komen gaat.
“Hoe was het bij pa?” Mijn oom roert in zijn kopje en kijkt met een bedroefde grimas naar het familieportret op de schouw waarvoor een waxinelichtje haast bezwerend lijkt te fonkelen.
“Hij is moe. Verder weinig nieuws onder de zon”.
“Weinig nieuws? Je komt nou niet bepaald met lege handen naar beneden wel?”
“Ik weet nog niet wat er in zit…”
Mijn oom snuift, neemt een slok en plaatst zijn kopje secuur in de cirkel van zijn schotel. “Zal ik het zeggen Rik? Er zit niks in. Helemaal niks. Dat valt tegen hè?”
“Wat voor jou niks is kan voor mij heel veel betekenen…”
“Dat is jouw probleem. Jij denkt dat er iets is. En je blijft het denken, dat is nou juist zo triest! In en in triest is dat. Geen enkel respect huist er in je donder. Je kruipt als een roofdier om het bed van je stervende grootvader in de hoop iets te vinden… Schande!” Hij knikt naar de map van het genootschap. “Heb je het eindelijk in je klauwen joh? Maar zonder zijn toestemming durf ik te wedden!”
Ik zwijg terwijl mijn oom meewarrig het hoofd schudt.
“Ik wil je wat vragen Rik. Bespot hem niet nogmaals. Spot is niet het medicijn om zijn en onze wonden te genezen.”
“Ik wil niks genezen. Al helemaal niet zijn wonden. Ik zoek iets. Dat genootschap, dat gepreek, dat opgewekte…”
“Het is verdomme niet opgewekt!” Mijn oom verliest zich en laat zijn vuist woest naast zijn kopje op tafel vallen. De kamer trilt. “Dat genootschap was niet opgewekt. In zijn gepreek manipuleerde hij de hele goegemeente in zijn waarheid. En aan die waarheid waren consequenties verbonden. In de eerste plaats voor zijn kinderen! En ondanks ons gewonnen verstand gluurt God, zijn God, nog altijd over onze schouder mee. Dat is niet iets waar jij nu even, rondom de man zijn laatste dagen, de draak mee gaat steken. Je laat het uit je hoofd, hoor je me?”
Ik steek een sigaret op en tracht hem zo kalm mogelijk te aan te kijken.
“Ik steek nergens de draak mee. Als er iemand is die met mijn opa spot dan zijn het zijn kinderen. Jullie maken hem tot een typetje met al dat herhalen van eindeloze citaten van opa. Jullie lachen om woorden die jullie in werkelijkheid tot op het bot hebben gekrenkt en klein hebben gehouden. Ik wil iets meer dan alleen die citaten, die troosteloze humor. Ik wil weten wat nu echt zeer heeft gedaan.”
Mijn oom sluit zijn ogen en schuift zijn open hand over het tafelkleed in mijn richting. Ik hou mijn handen op mijn schoot en luister naar zijn smekende woorden. “Niets Rik. De opvoeding, de deksteen van het geloof. Je mag het allemaal van ons weten, je kent de verhalen al lang. Er is geen geheim, onze schaamte is voorbij…” Langzaam staat hij op en komt naderbij. Zijn handen omvatten de doos met daarbovenop de map van het genootschap. Ik sta op, grijp de spullen uit zijn handen en trek ze naar me toe. Hij legt een hand op zijn schouder. “Rik alsjeblieft, die map wekt enkel spotlust bij je op, ik ken je. Het bevat geen enkele waarheid behalve het belachelijke”.
“Je liegt. ‘Het belachelijke’ is één grote leugen waarmee je volgens mij de hele essentie van jullie verdriet wil begraven. Maar ik heb het vast en ik hou het vast. Je wil mij afschilderen als een spottende kwajongen. Een deugniet. Je doet je best maar. Als je zelf zoveel respect te tonen hebt ga dan naar je vader boven en laat mij gewoon in stilte vertrekken”.
Ik neem mijn jas van mijn oma haar stoel en loop via het koude halletje de vrieskou in. Op het erf, achter de hoge heg, bel ik een taxi. Op de dijk zet ik de doos met map aan mijn voeten en rook een sigaret. Het vee maakt geluiden in de stallen die het huis van opa omringen en terwijl ik sta te wachten en mijn ongeduld om in de map te bladeren bedwing huil ik van woede, ontroering en verbazing. Woedend om de leugens, ontroerd door de kwetsbaarheid van mijn opa en zijn kinderen en verbaasd om de brutaliteit van mijn inval bij een stervende. Eindelijk durf ik, nu de map van het St. Joseph genootschap definitief lijkt te zijn volgeschreven, de boel op te pakken en mee te nemen om mijn opa, het gezag van de familie, er definitief mee van zijn sokkel te slaan in de hoop de stolp die over het gezin hangt er mee aan scherven te meppen.
Terwijl de taxi langzaam tot stilstand komt pak ik het boeltje op in de hoopvolle verwachting nu eindelijk iets op het spoor te zijn.




Hoofdstuk II
De ontmanteling
31 december 2002 ~ Oudjaar




We zijn thuisgebleven dit jaar en hebben ook geen visite. De kinderen liggen verwachtingsvol in bed te vechten tegen de slaap. Naast de schouw wacht het vuurwerk, op tafel staat de doos en ligt de map. Anna schuift verwachtingsvol aan. Voor ons liggen de familiefoto’s, brieven en agenda’s van mijn opa en oma. De foto’s laten een homogene familie zien waar de voorjaarszon al mijn neven en nichten doen glinsteren op het erf van mijn grootouders met opa als stralend middelpunt. Waar mijn oma de kaders van de afdrukken op kousenvoeten uit wil sluipen en ons enkel haar kromme rug toont op weg naar weer een nieuwe pot koffie zit mijn opa met licht opgetrokken wenkbrauwen en een ingenomen grijns in de lens te kijken. Het doet hem zichtbaar goed vastgelegd te worden in de tijd waarin hij zit. Tevreden liggen zijn benen over elkaar geslagen met een sigaar in een rustende hand op diens schoot, alsof het zijn vak is regelmatig op een kiek te worden gezet. Een soort regent die regelmatig met ambtgenoten op de foto gaat. Alleen zijn ambtgenoten ontbreken, hij zet zich graag voor zijn onderdanen.
Albums van zijn reis naar Israël, honderden rouwkaarten, misboekjes van diverse huwelijken en begrafenisdiensten, vakantiekaarten en brieven van de kinderen, kromgetrokken foto’s van diverse kooruitjes of prentjes van zijn lezingen bij het genootschap waar hij staand voor en boven zijn toehoorders het rijk overziet en soms laat sidderen bij zijn verhalen over wat hun te wachten staat.
De tocht door zijn herinneringen, waar ik me zoveel van had voorgesteld, lijkt uit te lopen op een treurig feest der herkenning.
Enkel de agenda’s van oma raken iets van het mysterie aan dat ik meen zo graag te willen onthullen. Het zijn de agenda’s die ik enkele jaren daarvoor, bij het gezamenlijke opknappen van opa’s huis ook al was tegengekomen. Zo boog ik mijn hoofd die middag over de volgende notities uit mijn oma’s agenda van 1975:

14 april 1975: Greet kwam vanmiddag, ze vertelde het!
(Wie was Greet? Wat vertelde ze?)

28 mei 1975: Greet vandaag weer op bezoek gehad. Ze vertelde het weer!

8 juni 1975: Vanmorgen kwam Greet langs. Maar ze sprak nergens over.

Mijn familie kon me die middag niet vertellen wie Greet was. Laat staan dat ze me konden zeggen wat ze mijn oma die dagen te melden had. Was Greet een synoniem? Voor wie dan wel? Was ze een droom? Het was in ieder geval iets of iemand waar ze het niet zomaar in het openbaar over had. De tijd, de dogmatiek van het huis en iets anders hadden Greet weg gegeten uit onze familie. Zo ook mijn oma’s gedachten over haar in het voorjaar van 1975.

~

Iets in mijn maag rolt zich op en trekt in zijn knuisten mijn organen mee naar binnen. Ik heb besloten om me niet te laten vormen en moet van mijn moeder opa dit mededelen omdat zijn visite aan mij volgende week geen grond meer heeft. Ik ben erachter gekomen dat de priester bij het tweede huwelijk van moeder homo was en na die mis uit de kerk is verbannen. Het gaf me het bezwaar om uiteindelijk van het Heilig Vormsel af te zien.
Angstig wacht ik op het einde van de tonen in mijn oor en hoor mijn opa’s stem onze familienaam uitspreken.
“Opa… Met Rik… Ik…”
“Ah, Rik, zeg het eens jongen…”
Ik haal diep adem en stoot de stevig gerepeteerde zin door de hoorn: “Ik heb besloten om me volgende week niet te laten vormen”. De stilte die volgt is pijnlijk en geeft mij niet de kans om het gesprek te beëindigen. Ik hoor een diepe zucht voordat mijn grootvader mij zijn reactie geeft: “Jij wilt dus niet klaar zijn op de dag des oordeels! Fraai hoor! Waarom laat jij je niet vormen?”
“Omdat ik het er niet mee eens ben dat homoseksuelen geen Priester mogen zijn”.
“Dat is niet een kwestie van mogen maar niet kunnen jochie. Je moet diep, diep medelijden met die mensen hebben en ze vandaar uit helpen maar je moet ze ook beschermen en je moet vooral de kerk beschermen… Hoe kan het dat je zo weinig huiver hebt om straks voor God te verschijnen?”
“Ik kan het niet”. Ik hoor een lange zucht, dan blijft het stil.
“Dag Rik”. Hij heeft opgehangen.

~

Anna heeft haar hand om mij heen geslagen en drukt zich stevig tegen mij aan. Waar zij grinnikend de teksten van opa voor het genootschap tot zich neemt moet ik me bedwingen om niet hevig teleurgesteld door de map te bladeren. Op zoek naar dat ene woord, die ene kleine notitie, dat ene foutje wat een puntje van zijn masker af doet breken en waar ik zo gretig mijn vinger achter wil steken. Het is er niet.
Was al het dwalen door de basiliek van mijn jeugd dan inderdaad niks anders dan het baden in veiligheid? Troost voor een eenzaam kind op zoek naar een verdwenen vader, snuffelend in de krater die achterbleef waar feesten en partijen van een wilde familie zich afwisselden met het eeuwig stille verdriet?
Heel even knabbelt mijn gedachten aan het begin van het besef dat enkel verdriet genoeg kan zijn om een mysterie op te doen trekken binnen het merkwaardige gezag van mijn grootvader.
Dan trekt Anna een foto tevoorschijn van mij en mijn opa samen in de boomgaard. Het is een foto die door mijn oom gemaakt moet zijn. Ik ben klein en sta met mijn rubberlaarzen met mijn rug tegen zijn buik. Hij wijst, iets voorovergebogen, tussen de stammen door naar iets dat een Haas of konijn moet zijn. De bomen staan in bloei en het zonlicht golft rondom onze voeten in de droge aarde. Ik voel een tintelende tederheid voor de man die mij op de foto de schoonheid van diens omgeving toont.

~

Ik hou de tak, die een mooie dikte en lengte heeft, stevig in mijn vuist terwijl ik me over lage struiken werp. Ik vang me op, rol door, kom overeind en sla de stammen rondom me hard in hun zij. Schreeuwend wek ik mijn diepste gevoelens en hol door naar de boom waarin ik al spelend het gezicht van mijn vaders moordenaar zie. Kleine stukjes schors kleven in het zweet op mijn nek wanneer ik onder een lage tak buig en voor hem spring. Met mijn hoofd tegen de zijne kom ik tot stilstand na een heftige sprint en ik spuug hem in zijn gezicht, mijn zwaard op zijn kloppende keel duwend. Ik mompel zijn smekende woorden, terugdenkend aan een film die ik nog niet zo lang geleden op de televisie zag: “What do you want? I give you everything you want… I promise”. Voor dat ik hem mijn wens geef lik het zout van mijn lippen en zet mijn voet in diens maag. Zijn gezicht is wit van angst als ik met gesloten ogen zachtjes mijn hoofd schud. Dan open ik mijn ogen die ik meteen tot spleetjes verklein en de wraakzucht tussen mijn lippen ontsnapt: “I want back my father you son of a bitch!” Ik trek mijn arm zo ver mogelijk naar achteren en ik steek het zwaard diep in zijn hart. Terwijl mijn opponent grienend sterft draai ik mij om en loop eenzaam dieper de boomgaard in.
“Zal ik je helpen?”
Ik kijk omhoog en zie een smetteloos geklede jongen in de boom waaronder ik doorloop. Mijn harnas breekt in duizend stukken en de schaamte stijgt op. Rood aangelopen bekijk ik de jongen, de toeschouwer van mijn toneelspel van zo even en ik ben me bewust van mijn vieze kleren.
“Je hoeft niet te schrikken hoor”. Hij glimlacht en werpt zich atletisch voor mijn voeten. “Zal ik je helpen?”
Ik vraag me niet af waarmee terwijl ik in zijn blauwe ogen kijk en de pijn in mijn buik voel afnemen. De jongen raapt zijn t-shirt van de grond, werpt hem over zijn verbrande schouders en steekt zijn hand naar me uit.
“Job”.
Ik leg mijn hand in de zijne en voel hoe hij een zacht kneepje geeft terwijl ik verlegen mijn naam fluister. Hij glimlacht en wijst naar het einde van het pad. “Zullen we zwemmen?”
Ik weet van de sloot, ik ben er meerdere malen per ongeluk kopje onderin gegaan, om er in te zwemmen was nog nooit in me opgekomen. Hij geeft een mep op mijn schouder en holt voor me uit. Met een snelle pas loop ik achter hem aan, zie zijn half lange blonde haren opwaaien terwijl hij schreeuwend vraagt hoe oud ik ben. Ik geef hem mijn leeftijd. Hij roept terug dat hij dertien is. Hij is een jaar ouder en zit dus al op de middelbare school. Op de een of andere manier vergroot die wetenschap mijn vertrouwen.
Bij het water aangekomen werpt hij behendig de resterende kleren van zijn lijf en schopt zijn schoenen in het gras. Zijn naaktheid choqueert me en maakt me tegelijkertijd nieuwsgierig. Een aantrekkingskracht die me volstrekt onbekend is maakt dat ik zijn voorbeeld volg, zij het minder vlot. Ineens krijg ik mijn knoop niet los en is de strik van mijn veters te strak. Terwijl ik met mijn schoen sta te hannesen spat hij me vanuit het water nat en vraagt wanneer ik kom. De schoen schiet van mijn voet en ik val achterover op het moment dat Job gelukkig onder het wateroppervlak is. Hij komt boven en ik ga onder. Het is donker en het ruist in mijn oren. Zijn handen glijden om mijn middel en hij drukt zijn hoofd onder mijn kruis, staat op en duwt me het zonlicht in voor hij me, onder het voortbrengen van een schelle kreet, van zich af gooit. Wanneer ik bovenkom staat hij voor me.
We zwijgen, ik weet niet wat te zeggen maar ademloos kijk ik naar de jongen die vanuit het niets tevoorschijn is gedoken en zich met die ene vraag over me wenst te ontfermen, iets wat ik bij leeftijdsgenootjes nooit ervaren heb. ´Zal ik je helpen?´ dreunt het na in mijn oor.
“Volgens mij heb jij niet veel vriendjes. Of wel?”
Ik voel een lichte schok wanneer zijn directe vraag tot me doordringt. Deze jongen kijkt dwars door mij heen, lijkt mij al jaren vanuit de bomen geobserveerd te hebben.
“Vanaf nu ben ik je vriend” zegt hij beslist. Door het water overbrugt hij de passen die ons van elkaar scheiden, het water golft tegen zijn borst en er liggen kleine druppels op zijn schouder die weggespoeld worden door het water dat nog uit zijn haren loopt.
Ineens besef ik dat hij eruit ziet zoals ik dat voor mezelf altijd gewenst had. Ik begrijp dat wat ik zie door mij mooi gevonden word.
Kippenvel zet zich op mijn armen en ik voel mijn geslacht door het water klimmen. Schommelend komt zijn gezicht dichterbij. Angstig bedwing ik mijn onrust en sluit mijn ogen. Hij drukt zijn lippen op mijn mond, ik wacht af en voel zijn tong. Behoedzaam voor wat komen gaat open ik mijn mond terwijl zijn tong de angst uit me lijkt weg te likken en ik warme urine tegen mijn onderbuik plas.

~

“Zullen we hem vast open maken?” Anna heeft de fles champagne in haar handen en ontdoet de kurk alvast van het ijzertje. Ik geef haar een kus door de lucht en sla de laatste pagina´s van het album om. Wanneer de achterkaft tussen mijn duim en wijsvinger zit valt me ineens de dikte op. Ik sla alle pagina´s in één klap terug en vergelijk het met de bovenkant. Die is dunner.
Ik pak het zakmes uit de la en zet de punt ervan in het dikke papier van de achterkaft terwijl een beheerste ontkurking de Champagne laat vloeien. Ik verlies me in mijn haast zonder onnauwkeurig te worden. Secuur maakt mijn hand een diepe snee in de marge en legt de oorspronkelijke binnenkant van de achterkant bloot. Mijn middelvinger schuift onder de papieren huid, voelt papier, legt zich er stevig overheen en trekt het naar buiten. Een gele enveloppe valt op tafel. Anna zet snel onze glazen terug maar loopt door naar de telefoon die ik niet meer hoor. Zorgvuldig open ik de enveloppe en laat de inhoud op tafel vallen. Een briefje en een breekbare zwart-wit opname valt voor me op tafel. Aan een kleine tafel zie ik een viertal mannen. Allen roken sigaar. Twee zitten er met een witte band om hun arm. De andere twee dragen een pak. Waaronder mijn opa. Het is voor het eerst dat ik een prent van hem zie waarop hij niet onbeschaamd naar de camera staart, hij lijkt eerder weg te willen duiken en ik verbeeld me dat de hand waarin hij zijn sigaar heeft het begin van een afwerend gebaar maakt. Naast mijn opa zit een oudere man die ik identificeer als pastoor Boerens die ik herken van oude dorpfoto´s. Hij was de voorganger van pastoor Meeuwsen. Ik trek de foto tot vlak voor mijn ogen en staar naar de andere mannen waarvan er één op Bram Koster lijkt, mijn opa´s vriend van het genootschap. Een oudere man zit naast hem. Het gezelschap zit in een huiskamer aan een tafel voor een schouw. Ik zie koffiekopjes en borrelglaasjes, een plant, papieren en fotolijstjes. Aan de schouw wappert een vlag met een mij bekende driehoek. In de hoeken staan de letters: N S B.
Ik pak het briefje op en lees een verklarende tekst in een keurig handschrift: Beste Toon, mocht je ooit, geheel tegen mijn vurige wens in, geconfronteerd worden met het verraad dat we deze avond als onnozele kinderen hebben gepleegd dan zal dit je vrij kunnen pleiten. Het is duidelijk wie er op de foto pronken met hun lidmaatschaap van een dubieuze club. Jij en de pastoor zijn bandloos. We dachten goed. We deden fout. Dat de Heilige Vader het ons ooit zal mogen vergeven. In vriendschap, voor nu en later, Bram K.
Mijn kin valt op mijn borst en mijn nek doet zeer. Ik draai mijn hoofd en hoor mijn pezen kraken.

~

Het hoge gras kietelt mijn huid wanneer ik mijn ogen open. Ik heb het koud. De enige plek waar ik het warm heb is mijn borst, daar ligt de arm van Job.
Ik kijk op zij en zie hem op naar mij toe liggen, de ogen samengeknepen tegen het zonlicht.
“Waar is je vader?”
“Dood”.
Zijn wijsvinger streelt mijn lippen voordat hij zwijgend opstaat.
“Waar logeer jij?”
“Bij Greve, mijn oom en tante”.
Hij wrijft in zijn navel en knikt met zijn hoofd in de richting van de dijk.
“Waar woon je?”
“Amsterdam”.
In gedachten zie ik hem rondlopen in die hele grote stad. Mijn verbeelding zegt dat hij niet eenzaam kan zijn. Dat er meerdere moeten zijn in zijn omgeving zoals ik. Dat maakt hem stoer, sterk en betrouwbaar. Ik voel me trots.
Plotseling klapt hij naar een groepje eenden die aan de rand van de sloot aan komen waggelen. Ze duiken allen hoog op en vliegen weg. Hij kijkt ze na en zegt: “Vanaf nu zijn we vrienden, ok?”.
“Graag”.
Hij legt zijn hand op mijn borst. Ik doe hetzelfde bij hem.
“Dat is dan afgesproken! Morgen weer hier?”
“Morgen weer hier” zeg ik hem toe.

~

Goddank reden er nog taxi´s voor elf uur en kon mijn haast functioneren in de wetenschap dat ik vanavond nog op de dijk zou zijn.
Het is aarde donker als ik daar aankom. In de keuken zitten mijn ooms en tantes met in hun midden pastoor Meeuwsen die zijn jas alweer aan heeft. De bediening van mijn opa is achter de rug en de stilte is angstaanjagend. Mijn binnenvallen verstoord een ritueel dat eigenlijk alleen de kinderen toebehoort.
“Rik,” de pastoor staat op en pakt mijn hand “vanavond hebben we je opa voorzien van de Heilige sacramenten. Mag ik jou alvast heel veel sterkte wensen bij dit moeilijke afscheid”.
“Dank u wel”.
Een klein moment legt pastoor Meeuwsen zijn hand op mijn schouder dan draait hij zich statig om: “Lieve mensen, ik wens u kracht op deze opmerkelijke grens. Morgen kom ik terug”.
Mijn tante staat op om hem uit te laten terwijl er ingehouden ´bedankjes´ klinken. Er worden sjekkies gerold en sigaren aangestoken. Er komt een fles op tafel en een oom vraagt of ik een biertje lust. Op tafel staat een schaal oliebollen. Wanneer mijn tante weer de keuken in komt gaan er weer stemmen klinken en langzaam maar zeker komen de vertrouwde verhalen weer op gang en begint de familie weer de jas de dragen die het zo goed past. Ze lachen, redeneren en imiteren met een respectvol volume terwijl ik mijn ooms en tantes één voor één onderbreek om ze te kussen en de hand te schudden. Het telefoontje dat Anna die avond kreeg bracht het nieuws dat mijn opa´s situatie verslechterd was en ik wilde mijn kans niet mislopen. Ik wist welke vraag ik in petto had en terwijl ik plaats neem voor mijn biertje komt de jongste zus van mijn vader van boven voor een glas water. Ze houd een kunststofbeker onder de kraan. Ik sta op en pak het van haar over. “Mag ik het hem brengen?” Ze aarzelt, kijkt snel naar het gezelschap aan tafel en in de stilte die er heerst knikt ze en geeft me daarna een zoen. Ik voel ogen in mijn rug terwijl ik op de deur van het halletje toeloop maar ik weet dat niemand mij tegen zal houden en loop door. Wanneer ik de deur achter mij sluit hoor ik mijn oom beheerst kuchen. Even blijf ik staan, trek ik de enveloppe onder mijn blouse vandaan en hoor het volume in de keuken zachtjes aanzwellen. Ik hoor een grinnik, een intiem vriendschappelijke waarschuwing omdat iemand in een herinnering onverdienstelijk ten tonele komt.
Ik kijk omhoog en voel voor het eerst sinds lange tijd medeleven met de patiënt die ik ga bezoeken. De treden knarsen onder mijn schoenen en dringen het geluid van het complete gezin weg. Boven schijnt een lamp een flauw schijnsel over het voeteneind van het bed. Ik hoor zijn zware ademhaling en loop op hem toe. De wekker zegt me dat het tien over half twaalf is.
“Dag opa, ik heb wat drinken voor je”.
Ik hoor hem piepend ademhalen en hij draait zijn gezicht naar de rand van het bed.
“Kom, ik zal je helpen”.
Hij laat me hem helpen en in stilte leg ik mijn hand half achter zijn nek, half achter zijn rug. Langzaam komt hij ietsje omhoog, zijn ogen bewegen zich traag en ik lees angst. Op de tast vinden zijn lippen de rand van de beker. Hij buigt zijn hoofd met hevige inspanning licht naar voren en ik ruik zijn zweet. Hij neemt twee kleine slokjes met in het midden een diepe zucht waardoor het oppervlak van het water trilt. Dan ontspant hij zich en mijn hand brengt zijn hoofd kalm terug op het kussen. Ik dep zijn voorhoofd met de washand die naast de wekker ligt, zet de beker neer, streel zijn kale hoofd en blaas hem wat koelte toe. Twijfel maakt zich van mij meester nu ik hem zo zie vechten, zich zo zie overgeven. Ik besluit niets meer te vragen.
“Dag opa. Goede reis. Doe je de groeten?”.
Ik wil nog wat in zijn oor fluisteren terwijl ik zijn hand omhoog zie gaan. Slijm propt zich op in zijn keel en een enkel fluiten is wat ik hoor.
“Rustig maar opa. Kan ik nog iets voor je doen? Wil je nog een slokje?”
Hij schudt zijn hoofd.
“Wil je me nog iets vertellen misschien? Wil je me iets vertellen opa? Iets over u en Bram Koster?”
Zijn hand valt omlaag en raakt de grond. Zachtjes nemen mijn handen die van hem op en leggen deze terug op de dekens. Ik zie een verstarring van de spieren in zijn gezicht. Zachtjes openen zijn lippen zich en maken een klein spleetje waartussen hardnekkige slijmdraden zich als kauwgum lijken vast te zetten.
Dan hoor ik een medeklinker. Ik leg mijn oor boven zijn mond terwijl ik hem troostend en aanmoedigend over zijn bol aai.
“Greve… Greet Greve. Vraag naar haar… Greve”.
In een flits zie ik een mond, een navel, blauwe ogen.
Ik zie het handschrift van mijn oma op het vergeelde papier van haar agenda.
Ik knik en fluister hem mijn dank. Ik fluister hem toe tot het lijkt of hij slaapt. Ik dep nogmaals zijn voorhoofd en zie dat het twaalf uur is. Een diepe zucht ontsnapt mij wanneer ik wankel opsta naar beneden ga.

~

Ik lig in het grote tweepersoonsbed naast dat van mijn grootouders. Wim Sonneveld kijkt me vanaf de wand bedenkelijk aan met zijn hand onder zijn kin. De treden van de trap kraken. Mijn oma verschijnt in het licht wat door het opengeschoven trapluik de kamer in valt. Traag komt ze licht gebogen op mijn bed af.
“Zo jochie, lig je lekker?”
Ik knik en voel hoe ze de dekens langs mijn lijf stevig onder het matras schuift en me daarmee lekker strak legt. Ze zet zich naast mijn middel, buigt voorover, zet een kruisje op mijn voorhoofd en zoent mijn wang. Ze ruikt zoet en stoffig tegelijk. Haar botten kraken wanneer ze weer rechtop gaat zitten.
“Oma?”
“Ja lieverd?”
Ik weet niet waarom ik haar dit vraag. Wellicht om haar zo via een omweg deelgenoot te maken van mijn geluk.
“Is het raar als je in één keer heel gelukkig bent met iemand, heel veel van iemand gaat houden?”
“Ben je nog meer van me gaan houden?” grapt ze terwijl ze met haar hand door mijn haren strijkt.
“Ja… ook wel, maar…”
“Het is die jongen van Greve hè?”
Ik knik. “Kent u hem?”
“Ik heb jullie gezien. Dat is heel goed jochie. Deed de rest van de wereld dat ook maar, meer van elkaar houden. Dan zou er vast een stukkie minder oorlog zijn”.
Ze buigt zich weer naar voren en kust me opnieuw. Daarna staat ze knarsend op en verlaat de kamer.
In het donker en in de overweldigende stilte die volgt zeg ik Job hardop welterusten. Alsof ik wil dat God het hoort.

~

In het halletje voor de deur naar de keuken staat mijn oom. Zijn gezicht licht op bij de vlam van een ontstoken lucifer. Hij steekt een sigaar op en kijkt mij over rand van zijn bril streng aan. Zijn stem is echter zachter dan een paar dagen geleden als hij me het beste wenst voor 2003.
“Waarom sta je hier op mij te wachten? Heb je iets dat de rest niet weten mag?”
“Omdat ik denk dat je iets wilde vragen aan pa. Ik denk niet dat je puur vanwege zijn verslechterde toestand op oudjaar hier naar toe gekomen bent?”
Hij stelt een vraag en deelt tegelijkertijd opnieuw mede hoe ik er bij hem voorsta en toch hoor ik aan zijn toon dat hij het niet slecht meent.
“Ik heb iets gevraagd. En ik heb antwoord gekregen. Ik weet niet of je er van wist of dat je echt gelogen hebt maar opa heeft iets met de N.S.B. te maken gehad”.
Ik trek de enveloppe met een gescand exemplaar van de gevonden foto tevoorschijn en reik hem die aan. Zijn geschoktheid lijkt oprecht en hij knipt met een driftig gebaar het licht in het halletje aan. Hij brengt zijn ogen dicht bij de prent. Hij mompelt iets wat lijkt op een vloek. Ik hoor dat zijn ademhaling zich versnelt, even lijkt zijn bovenlichaam voorover te hangen, dan recht hij zijn rug en kijkt me woedend aan.
“Jij hebt zeker het origineel?”
“Inderdaad. En ik weet wie Greet Greve is. Een paar jaar geleden wist je me daar geen antwoord op te geven. Niemand van jullie trouwens”.
“Greet?”
“Die het vertelde. Aan oma”.
“Is zij familie van die luitjes van dat huis…”
“Zij is familie van die luitjes in dat huis. Dat huis dat tijdens een zomer lang geleden verkocht is aan Boer Huygen ja”.
Mijn oom haalt diep adem en streelt liefjes mijn bovenarm: “Rik, jongetje, wat heeft het voor zin? Het verteld je niks over je vader, heus”.
Hij noemt me nooit jongetje. Waarom nu wel? Ben ik ineens te gevaarlijk? Moet er daarom lief gedaan worden?
“We zullen zien… We zullen zien. Kom, ik ga een borrel drinken, daar ben ik aan toe”.
Mijn oom draait zich om en legt zijn arm voor de deur. Hij haalt diep adem, zijn woorden komen niet naar buiten. Hij breekt, zijn ogen staan ineens vol water en ik hoor een snik.
Dan schraapt hij zijn keel en doet het licht uit.
In het donker, voordat ik de deur open hoor ik hem fluisteren dat het hem spijt. Dat hij dit niet wist.
“Dan hoeft het je ook niet te spijten. Tenzij het je spijt dat je me bijna verboden hebt te zoeken vanuit een respect voor je vader wat ik tot de dag van vandaag niet begrepen heb. Die foto licht het een en ander toe. Jij herinnert je de Duitsers die in dit huis waren ingekwartierd, jij hebt de sfeer geproefd, de angst en het onderdanige in die tijd. Behalve voor God was hij op een foto voor niemand zo onderdanig dan voor de bezetter! Waarom? Wie weet kom ik ooit iemand te spreken die Greet gekend heeft want die Bram Koster is dood, ik… Ik weet het niet”.
Ik open de deur en laat hem alleen met de foto.
Mijn complete desoriëntatie acteer ik weg tussen het decor van mijn familie. Ik drink een borrel, zeg dat opa ook goed gedronken heeft en bedank mijn tante dat ze Anna eerder die avond gebeld heeft.






Hoofdstuk III
Het offer
6 januari 2003 ~ Drie koningen




Nauwlettend bekijk ik mezelf in de spiegel terwijl mijn scheermes haast automatisch de contouren van mijn gezicht bezoekt en glad maakt.
Het is stil in huis en mijn gemoed is kalm. Vandaag gaan we mijn opa begraven en het lijkt of daarmee een definitief einde gekomen is naar het zoeken.
Ik heb het gevonden en ik heb hem ermee geconfronteerd.
Sinds het bericht van zijn sterven lijkt ook de wens om verder te graven te zijn opgelost in de nevelen die ons laatste gesprek verhullen. Alsof ik de laatste dagen in een soort coma heb geleefd en enkel de foto met de wapperende NSB vlag al de alles omvattende verklaring voor mij zou zijn. Ik ben niet op zoek gegaan naar Greet Greve, naar het adres van de voormalige bewoners van het pand van boer Huygen.
Als ik mezelf de twijfelachtige vraag stel waarom ik in vredesnaam enkel met die ene foto genoegen zou moeten nemen komt Anna terug van het wegbrengen van de kinderen naar school. In haar handen heeft ze de post. Een grote witte enveloppe legt ze voor me neer bij de wastafel.
Ik lees mijn naam in het handschrift van iemand die oud moet zijn. Het is bibberig en de letters zijn gebroken.

~

Mijn laatste hap brood zit nog tussen mijn kiezen als ik de brug over ren op weg naar mijn vriend, de jongen die mij wil helpen mijn vader te vinden. In mijn gedachten groeit de betovering nog steeds met ieder uur als ik denk aan zijn reactie. De raadselachtige vanzelfsprekendheid die uit zijn ogen sprak nadat hij me betrapte de held te spelen die de moordenaar van mijn vader het leven ontnam.
Ik durf luidruchtiger te zijn dan de dag ervoor en brul zijn naam tussen de appelbomen richting sloot.
Maar er komt geen antwoord.
En de waterkant kent alleen het gras met een wit t-shirt, achtergebleven na de zwempartij van gisteren.
Ik laat me achterover vallen en staar glimlachend naar een stralend dak van een bruisende maar intieme wereld. Ik pak zijn shirt en leg het over mijn gezicht, ruik, haal adem door de stof met zijn geur en wacht.
Ik wacht uren.

~

Dit had ik niet verwacht. Mijn nieuwsgierigheid dreigt het te verliezen van mijn vermoeidheid en ik zou alles graag een week willen stopzetten.
Vakantie nemen van mijn gedachten.
Maar ik ga aan tafel zitten en weer valt er een foto uit de enveloppe. Een grotere dan die op oudejaarsavond.
Ik zie hem meteen.
Ik zie hem zoals ik hem nog nooit heb gezien.
Er is geen glimlach op mijn vaders gezicht.
Hij staat een paar passen van mijn opa, oma en een vrouw die ik moet gaan kennen. De vrouw die mij gevonden heeft. De vrouw die mij nu, nu mijn grootvader gestorven is, mag vinden.
Het is een nieuwe afdruk en de lamp boven onze tafel schijnt terug in mijn gezicht vanaf het gladde papier.
Hier is Greet. Eindelijk.

Ik weet nog niks maar een vermoeden begint de uithoeken van mijn realiteit schoon te schrobben en zet mijn geschiedenis en die van mijn hele familie op een wankel voetstuk dat snel omver geworpen zal worden.
Alleen een foto, geen brief. Het is een vooraankondiging van een verklaring die op me af komt en die ik niet meer kan ontwijken. Ik heb gekaatst maar dreig een bal te ontvangen die me te groot en te zwaar is.
Binnen een halve minuut ben ik struikelend van de eettafel naar de badkamer gestrompeld, heb me ontkleed en ben brakend onder een hete douche gaan staan. Met mijn ontbijt tussen mijn voeten richt ik mijn huilende ogen op de harde straal en ik hoor mezelf om mijn moeder roepen. Een paar minuten die uren lijken ben ik een baby die totaal afhankelijk de borst wil hebben en eigenlijk het liefst een navelstreng.
Dan draait Anna de kraan dicht en vangt me op in een handdoek. Ze drukt me tegen zich aan en langzaam verdwijnt mijn snikken en haal ik diep adem.

~

Het loopt al tegen het middaguur wanneer ik mijn belofte verbreek en opsta. Bedeesd sluip ik door de boomgaard, om het huis, over het erf naar de dijk. Ieder huis lijkt ontdaan van zijn bewoners, auto’s zijn weggereden en honden slaan niet aan. Het is doodstil.
Onderweg naar het huis van Greve passeert me slechts één auto.
Behoedzaam neem ik het lange tuinpad. Alleen de bijenkorf in de voortuin maakt enig gerucht. Een onheilspellend gezoem omringt het huis waar ik voor sta, het geluid van de deurbel klinkt bevrijdend.
Het duurt niet lang eer de deur opengaat en mevrouw Greve voor me staat met schoonmaakhandschoenen aan haar handen die ze afwachtend over haar schouders legt alsof er een gure wind waait.
“Is Job thuis?”
“Oh, Job. Nee jongetje die is vanmorgen weer naar huis gegaan”.
Ik schud mijn hoofd. Door mijn verwarring heen klinken de mij uitlachende bijen.
“Maar… We hadden afgesproken, in de boomgaard”.
“Oh, juist. De Boomgaard”. Ze trekt hooghartig haar wenkbrauwen op alsof we het over iets vunzigs hebben.
“Nee, sorry. Mijn man heeft hem vanmorgen weer naar zijn ouders gebracht. In Amsterdam”. Vooral met die laatste toevoeging lijkt het alsof ze wil zeggen dat het boek Job definitief gesloten is.
Het komt niet in me op om haar te vragen waarom. Bedeesd knik ik, mompel dat ik het begrepen heb en wandel weg.
Zijn t-shirt heb ik in mijn hand.

~

Met een merkwaardig soort koorts zit ik achter mijn ooms en tantes in de kerkbank die mij te klein is geworden. Mijn knieën doen zeer en Anna masseert met haar hand mijn bovenbeen.
Pastoor Meeuwsen spreekt zalvend terwijl ik besluit mijn familie niet te verdenken van enige kennis aangaande de foto’s en de geschiedenis die erachter zit.
Verwachtingsvol, maar niet zonder enig wantrouwen, begluur ik de kerkgangers om mij heen. Het zijn de bekende gezichten die mij omringen. Mensen uit het dorp die er precies hetzelfde uitzien als in mijn jeugd. Toen waren ze immers ook al oud. Allemaal oude bolletjes met vlokken in het haar, diepe groeven in het gelaat en een gezicht dat standaard een soort gekwetstheid uitstraalt die mij tamelijk ergert. Ze hebben zich op deze gelegenheid ook typisch stemmig gekleed zoals alleen zestig-plussers dat kunnen: Smakeloos.
Ze zitten strak en strijdbaar. Strijdbaar tegen de dood, strijdbaar tegen het noodlot dat hen allen in de nabije toekomst grijpen zal.
Alleen de kleinkinderen zijn jong. Soms kruisen onze blikken elkaar, is er een knipoog. Alsof we zeggen willen: ‘Wat een grap hé? Dat we dit dan toch nog mee maken’.
We hebben gelijk. Zijn sterven is iets dat we door zijn lange gezonde leven bijna ongeloofwaardig vinden. Maar we zitten er. Uiteindelijk.
Het Latijns gezang klinkt vertrouwd, de geur van wierrook is nostalgisch en de rituelen zijn troostend.
Eerbiedig zitten we allemaal nog één keer in het gelid voor de pater familias . Het gaat ons gemakkelijk af, we weten niet beter.
We gaan hem nog missen.

~

Ik had me een dag opgesloten in de boomgaard. Starend naar wuivende bladeren heb ik me afgevraagd waarom Job ineens was verdwenen en waarom hij me gisteren in hemelsnaam had aangesproken. Wanhopig probeerde ik de essentie van onze korte ontmoeting te doorgronden en de door ons beide gewenste toekomst van onze vriendschap in te schatten.
Maar het vertrek zonder enige verklaring had me onzeker en de vriendschap onbetrouwbaar gemaakt. Alle mogelijke redenen voor zijn plotselinge vertrek trokken één voor één aan mij voorbij: Hij was ziek, hij had gestolen of was brutaal geweest. De jongen zijn gezicht veranderde als een daderprofiel in opmaak voor mijn ogen tot ik zwart zag.
Ineens staat mijn oma aan het voeteneind en treed naderbij. Ik heb haar niet horen aankomen en terwijl ze op me afsluipt voel ik dat mijn kussen nat is. Ze komt bij me zitten, trekt de deken strak en zoent mijn voorhoofd. Haar lippen blijven hangen boven mijn oor waar ze me fluisterend troost met een wijsheid die in mijn familie wel vaker is gebezigd wanneer het spannend gaat worden: “Wees maar stil lieverd, wees maar stil”.

~

Ik doe een pas naar voren en zet mijn hakken in het grind. De blanke kist voor mijn voeten blinkt zwakjes in een zon die ons niet verwarmt. De vorst heeft van de berg aarde naast de kist steen gemaakt en met kleine kristalletjes bestrooid.
Anna heeft haar arm door de mijne gestoken. Even kijkt ze me aan in de hoop dat ik iets fluisteren zal, maar ik krijg geen woord over mijn lippen. Letterlijk bevroren staar ik naar het hout. Ze trekt de bos rozen zachtjes uit mijn handen en legt deze op het hart van de deksel. Ze fluistert shalom en wrijft over mijn rug. Dan draaien we een kwartslag en lopen achter de rest van de familie richting de parkeerplaats voor de kerk. In tegenovergestelde richting komt pastoor Meeuwsen, inmiddels omgekleed in een strak zittend pak met een sjaal stevig om zijn hals, op ons toegelopen. Hij blijft voor ons staan en in witte wolken spreekt hij de woorden tegen mijn jas.
“Rik, er is iemand in de pastorie die je spreken wil. Ik heb haar uitgenodigd. Ze kan je iets vertellen. Iets wat jij, naar ik me heb laten vertellen, weten wilt. Anna, jij mag natuurlijk ook mee tenzij je de voorkeur…”
“Nee. Ik ga met de familie koffie drinken. Succes lieverd. Zet hem op, je mag alles weten”. Ze kust me en pakt me stevig beet. Dan loopt ze om ons heen richting de familie die op ons wacht.
De pastoor kijkt me kalm aan en ik voel dat hij weet wat ik doormaak. Zijn mond gaat open, hij wacht af, wil een verontschuldiging maken die secuur gewogen dient te worden.
“Ik heb altijd geweten hoe het zat maar ik had te maken met een…”
“Biechtgeheim”. Mijn aanvulling doet hem zichtbaar goed terwijl ik begrijpend knik.
“Als je wilt blijf ik bij het gesprek maar ik wil jullie ook alleen laten. Wat je wilt”.
Hij begint te lopen en ik ga naast hem over het pad richting het huis dat de geschiedenis als enige al die jaren heeft gekend.
“U kunt ons alleen laten. Ik voel me kalmer dan ik een uur geleden had durven vermoeden. Ik kan dit dragen pastoor, alleen hoop ik u…
Ik hoop u te mogen spreken wanneer dit allemaal achter de rug is”.
“Dat lijkt me een uitstekend voorstel”.

Terwijl ik me in de grote spiegel bekijk en een hand door mijn haren trek hangt de pastoor mijn jas aan een hangertje. Ik voel me niet meer nerveus. Mijn lijf voelt prettig en ik ben haast opgewekt wanneer Meeuwsen om mij heen loopt en de deur voor me open doet. Een rijk gemeubileerde kamer waar vele ruiten zorgen voor een verrassende hoeveelheid daglicht ligt aan mijn voeten.
Vanuit de fauteuil tegenover de deur staat een oude dame op verpakt in een fel roze mantelpak dat nauw om haar magere gestalte zit. Ze lijkt ingesnoerd en naar me opkijkend zet ze een paar passen in mijn richting.
“Blijft u zitten mevrouw Greve, fijn u te mogen ontmoeten”.
Ik geef haar een hand en leg mijn vrije hand op die van haar. Zwijgend kijken haar waterige blauwe ogen in de mijne. Ze voelt mijn handen, pakt mijn arm en drukt haar handen er strak omheen. Heel even lijkt ze zich aan me vast te willen zuigen. Dan verslapt haar greep en maak ik een uitnodigend gebaar naar haar stoel. Ze neemt weer plaats.
“Ik laat u nu alleen. Ik zal koffie laten brengen”.
Ik knik de pastoor toe en neem vervolgens tegenover Greet plaats voor een grote klok die alle stilte opslurpt in een stevig tikken.
“Mevrouw Greve, fijn dat u me wilt zien. U moet mij een heleboel pijnlijks te vertellen hebben. Laten we afspreken dat u uw tijd neemt en ik zwijgend naar u luister”.
Er ontsnapt haar een diepe zucht. Ik schat haar op een jaar of negentig. Ze grijpt naar het tasje naast haar stoel en vist er een pakje Miss Blanche uit. Ze zet een sigaret tussen haar lippen en steekt het pakje in mijn richting. Ik weiger. Met moeite krijgt ze met haar trillende handen een vlam uit de aansteker. Ze neemt een trekje, sluit haa

@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens