dinsdag 16 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - Het Excarta Manuscript
Gepubliceerd op: 09-08-2002 Aantal woorden: 5228
Laatste wijziging: - Aantal views: 1667
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het Excarta Manuscript

Rik van Schaik


Het Excarta Manuscript

Voor het dolste en toch doodgewoonste verhaal dat ik nu van plan ben te schrijven,
reken noch hoop ik op enig geloof.

Edgar Allan Poe - De Zwarte Kater

Noot van de Uitgever:

De nu volgende tekst kwam op nogal toevallige wijze in handen van een van mijn medewerkers. Deze vond een enveloppe met het zogenoemde “Excarta Manuscript” in een antieke klok afkomstig uit de erven van M.C. Bastiani, voorheen Rue Chateaudun 28, Parijs.
Doordat de klok op een veiling door mijn medewerker is gekocht en dus rechtmatig in diens bezit is gekomen is deze uitgave onaanvechtbaar.
Voor eventuele vragen van mogelijke familieleden zijn wij te allen tijde ontvankelijk.

Jean Jacod
Uitgeverij Jacod - Parijs.

*

Ik voelde me misselijk en een totaal hulpeloze slemiel. De manier waarop ik die nacht weer met mezelf geconfronteerd werd deed me besluiten stappen te zetten, die me naar een andere wereld zouden brengen. Een wereld waar ik weleens over had nagedacht en me had proberen voor te stellen, maar die nooit een wereld was geworden waar ik in kon geloven. Nu is dat anders. Ik kan niet meer om die wereld heen. Die wereld bestaat en hij is groter dan ieders door realisme doordrenkte fantasie kan bevatten.

*

Ik schoot die nacht wild overeind. Mijn gil deed me weer beseffen dat ik leefde. Dat ik leefde in mijn eigen huis, in mijn eigen stad met mijn eigen geschiedenis. Mijn geschiedenis zoals ik die kende. Tergend schoten flarden van mijn nachtmerrie door m’n geheugen. Plaatjes, figuren, angsten, gezichten en gebeurtenissen vlogen langs mijn netvlies met de snelheid van het weerlicht. Het waren afdrukken die ik reeds kende. Ik zag ze iedere nacht. Ik voelde dat mijn kussen drijfnat was en strompelde m’n bed uit. Aan het voeteneind lag mijn poes vredig te slapen. Ik voelde een lichte jaloezie jegens het dier en ik nam het zachtjes in mijn armen. Onderweg naar mijn werkkamer liep ik tegen de klok van mijn moeder op. Het ding irriteerde me. Het leek of het tikken van de seconden en het slaan van de uren indringender klonk nu moeder dood was. Ik zag dat het vijf voor twee was en besloot dat ik het ding vannacht niet meer wilde horen. Zonder aan m’n poes te denken strekte ik mijn armen uit naar de kast waarin de slinger hing, maakte de deur open en trok de koperen stang zo hard naar me toe dat het glas van het deurtje uit de sponning werd gedrukt en in grote scherven op de vloer terechtkwam. Vloekend stak ik mijn bezeerde vinger in mijn mond en stak de overloop over naar mijn werkkamer. Mijn poes, geschrokken van al het geweld, was de trap af gevlogen. Ik stak wat kaarsen aan en schonk een glas cognac in. Mijn agressie spoelde ik weg door m’n glas in één teug leeg te drinken. Behalve dat ik niet kon bevatten dat bepaalde angsten me met nauwkeurige regelmaat nachten lang uit m’n slaap hielden, maakte het me ook kwaad en hulpeloos. Mijn fauteuil, omringd door stapels boeken en knipsels van artikelen over slapeloosheid, angsten en dromen, lokte me weer, met het verlangen, om er achter te komen wat me op een mysterieuze manier al een maand lang uit mijn slaap hield. Ondanks dat ik het niet wilde (iedere keer wanneer ik in die stoel ging zitten voelde ik me intens machteloos) nam ik toch weer plaats en gaf me over aan een dwangmatig zoeken dat me erg onzeker maakte. De fles en het glas als enig houvast over mezelf hield ik binnen handbereik. Alcohol maakte me iets kalmer en het feit dat ik dat zelf in de hand had gaf me m’n laatste restje zelfvertrouwen dat er voor zorgde dat ik nog met mensen kon praten, de straat op ging, m’n werk nog deed. Na twee glazen lukte het me weer om tegen mezelf te zeggen dat al die artsen ongelijk hadden. Mijn psychiater kon er ook geen grip op krijgen. Geen slaapmiddel hielp en toch was ik niet gek… Maar hoelang dat nog zou duren durfde ik niet te zeggen. Iets had me ´s nachts in de tang. Iets dat er ook voor zorgde dat mijn dagen een ritme kregen dat ik steeds meer ging haten. Een dagenlange zoektocht langs boekhandels, bibliotheken en artsen bracht me niet meer inzicht dan dat ik zelf al had. Ik dronk een derde glas en maakte de fles daarmee leeg. Ik voelde me kalm en durfde het weer aan om m’n leven voor de zoveelste keer onder de loep te nemen. Zachtjes schoof ik het gordijn opzij en zette het raam open. De lekkende regenpijp spuugde water in het midden van de ruit. De heerlijk frisse buitenlucht was een injectie voor mijn doffe en sombere geest. Het aanschouwen van de Seine, die rustig voorbij mijn raam stroomde, gaf me steun. Samen met de drank was die rivier op dat moment mijn enige zekerheid. Uren had ik er ´s nachts langs gewandeld en haar aanschouwd, op zoek naar woorden en verklaringen. Zoals ik ook nu, vanuit mijn raam, weer naar haar keek. En via haar naar mijn eigen geschiedenis. Waar was mijn onderbewuste zo druk mee, wat greep me ´s nachts naar de strot? Maar ook deze keer vond ik niets dat me logisch genoeg leek om me elke nacht te doen stoeien met deze angsten.

*

Mijn jeugd was eenzaam maar vol van klein geluk geweest. Bij mijn ouders kreeg ik als kind alle ruimte om het leven te ontdekken, op zoek te gaan naar dingen, mensen en dieren, waar ik later zoveel inspiratie uit putte. Herinneringen bewaren is mijn grote motivatie om te werken en om me met dat werk onsterfelijk te maken. Een vlucht in een herinnering. Dat zijn al mijn schilderijen: schetsen van een gevoel met als middelpunt de figuur waarvan dat gevoel afkomstig is. Vaak is dat van vroeger. Ze verkopen goed en zorgen niet alleen voor eten en m’n huur maar ook voor veel extra’s. Ik kan gaan en staan waar ik wil en aanschaffen wat ik mooi vind. Ik denk dat juist die vroege eenzaamheid ook de oorzaak van mijn huidige productie is. Thuis, in de rust van het platteland, was niets dat mij afleidde. Ik was alleen en kon alles ontdekken. In bossen, polders, dorpen, kerkjes en gebergten zoog ik mezelf vol met alles wat ik zag, dacht, geloofde en beleefde. En tevens verheugde ik me, terwijl ik bezig was dieren te tekenen en de natuur te observeren, op m’n thuiskomst ‘s avonds. Mijn lieve moeder aan het fornuis, met vader naar de radio luisteren, een spelletje doen met z’n drieën. Mijn ouders hebben me altijd aangemoedigd en me later naar de academie in Parijs gestuurd. En die stad heeft mij opnieuw betoverd. De stad waar weer een hele andere sfeer en ontroering op me wachtte. De diversiteit aan mensen, de studenten die mijn vrienden werden, de kunst en boeken die mijn geluk en ideeën konden verklaren. De stad ook, waar mijn werk goed verkocht en onder de handen van winkeliers en galeries nog beter ging verkopen. De stad die mij vertelde wat vrouwen waren en waarom je er niet mee hoefde te trouwen. De mooie kroegen waar ik meisjes ontmoette, gaven mijn gevoelige persoon het zelfvertrouwen van een volwassen man. Ik weet nu dat ik het leven dat ik in Parijs begon te krijgen mede aan kon, omdat ik bijna ieder weekend terugging naar mijn ouders. Hun dood was het enige waar ik aan denken kon die nacht. Dat was de enige verklaring, als het al een verklaring was, voor mijn onrust ‘s nachts. Misschien was de basis voor mijn werk en het leven in Parijs, het ouderlijk huis, iets dat ik eigenlijk altijd nodig zou blijven hebben. Was er iets in mij wat nooit ontwikkeld was, een vorm van zelfstandig worden wat ik nooit had geleerd? Ik dacht hier over na en probeerde de waarde van deze veronderstelling in te schatten terwijl ik in mijn atelier op zoek ging naar een nieuwe fles. Nachten zwierf ik zo door het huis. Maar het bleef telkens doelloos en ik had er heel wat voor over om er vanaf te komen. Bij het vinden van een fles rode wijn verwierp ik mijn veronderstellingen weer en mompelde in mezelf dat er niets met me aan de hand was wat mijn onrust kon verklaren. Ik had er zoveel voor over om er vanaf te komen dat ik een paar dagen eerder allemaal advertenties van alternatieve genezers uit de kranten had geknipt in de hoop dat er iets tussen zat wat ik zocht. Of waarvan ik dacht dat ik het zocht. Mijn atelier lag in de kelder van het huis dat ik huurde en de atmosfeer die daar hing was een vertrouwde: een prikkelende en uitdagende. Het atelier trok me een beetje uit de roes waar mijn slaapgebrek me in had doen belanden. Ik opende de fles en schonk wat in een kom waar ik overdag, wanneer ik aan het werk was, koffie uit dronk. Buiten begon het hevig te regenen, het water stroomde door de goot die buiten, boven mijn atelier, langs de weg liep. Terwijl ik wat onafgemaakt werk bekeek en m’n handen door een stapel vellen met schetsen liet gaan, weerlichtte het. De schrik joeg zich door mijn lijf, mijn hand trilde en een paar druppels wijn vielen op het vel dat ik zojuist aan het bekijken was. Angstig wachtte ik op de donder. Die kwam niet, gerustgesteld dat ik me over het onweer vergist had, boog ik me over de vellen.
Ik had een maand geleden tijdens een onweersbui alleen maar gevoeld dat de bliksem in het dak van mijn huis was geslagen. Het geluid van die knal was in de kelder, ik was aan het werk, hetzelfde geweest als het geluid van ieder andere knal. Maar het gevoel… Alsof alle spieren in mijn lichaam zich samen trokken. Ik was de controle over mijn lijf verloren en tegen mijn werktafel aangevallen. Mijn huid was de dagen erna zeer gevoelig geweest. Wanneer ik wilde douchen leek het of er azijn in open wonden vloeide. Hoewel mijn spieren slechts een kort moment ineenkrompen bleef mijn huid ruim een week zeer geïrriteerd. Het leek of mijn huid zich pantserde tegen iets dat zich met geweld bij me naar binnen wilde dringen. Het was dat mijn buren na de inslag m’n voordeur forceerden en me kwamen halen. Ze troffen mij aan, zo vertelden ze later, als het lijk van een oude man. Ik had er zelf geen idee van gehad dat mijn dak in brand stond. Zo’n verschil maakt het of je in die kelder bent of in de rest van het huis. De brandweer was er snel bij geweest en had erger kunnen voorkomen. Maar die korte pijn die ik toen voor mijn val voelde maakte dat ik nu opnieuw angst ervoer die heftige elektriciteit. Ook dit had ik bij mijn dokter als een reden voor mijn nachtmerries en slapeloosheid aangevoerd. Maar volgens statistieken en onderzoeken kon dat geen oorzaak zijn voor zulke regelmatige slapeloosheid. Ook volgens mijn psychiater was dit niet van invloed op mijn nachtelijke onrust.
Maar terwijl mijn angst voor het onweer zich wederom manifesteerde schrok ik op van een merkwaardige ontdekking. De tekening die ik zojuist in mijn handen genomen had was er een die ik niet kende. Ondanks het feit dat ik hem zelf gemaakt zou moeten hebben kwam hij me vreemd voor. Het was mijn tekenstijl, zeker. Maar het onderwerp…, zoiets had ik in jaren niet getekend. Er stond geen datum onder aan het vel dus ik kon alleen maar constateren dat de tekening de afgelopen maand moest zijn gemaakt. De druppels wijn uit mijn kom waren op het blad naast een toren gevallen. Een toren van een kasteel dat ik totaal niet kende. Ik nam het vel mee naar mijn leeskamer waar ik er in de fauteuil onafgebroken naar bleef kijken terwijl ik al mijn vakanties en reisjes na ging. Was er dan helemaal nergens een kasteel geweest dat ik in deze tekening via mijn onderbewuste had weergegeven? Ik had de afgelopen nachten immers zeer veel tekeningen gemaakt. Ik schonk mezelf nog wat wijn in en begon tussen fotoalbums te scharrelen. Een uur lang nam ik foto’s en plattegronden van mijn vakanties door maar nergens vond ik een aanwijzing van een kasteel die kon lijken op de afbeelding die ik zojuist in de kelder gevonden had. Kon het niet zijn dat mijn interpretatie van dingen zich zo ver buiten de realiteit gingen begeven dat mijn schetsen zuiver fantasie waren waarin, zoals doorgaans in mijn werk het geval is, geen spoor van de werkelijkheid meer te ontdekken viel? Ik probeerde de tekening nog eens aandachtig te bekijken om te onderzoeken waar eventueel een grens kon zitten tussen fantasie en werkelijkheid. Helaas bleef dit vaag. In plaats daarvan ontdekte ik iets merkwaardigs. Terwijl veel stenen van het kasteel uiterst nauwkeurig waren aangegeven, op sommigen kon ik zelfs letter - cijfercombinaties zien staan, had ik de toren in een soort veeg neergezet. Dit betekende niet dat de toren vager was maar juist tastbaarder. Het begin van de toren bestond nog uit een duidelijke opbouw, maar hoe hoger hij kwam hoe vager het werd. De spits bestond niet meer uit steen maar uit rook. Het leek alsof men de rest van het kasteel van een afstand kon bekijken terwijl de toren zich zeer dichtbij bevond. Onder aan de toren lagen tussen een partij stenen diverse schedels en beenderen. Sommige schedels waren voorzien van lange cijfercodes. Waarom raakte mijn geheugen niet het moment aan waarop ik dit had gemaakt?
Ik legde de tekening naast me neer en scharrelde de advertenties op die ik de afgelopen weken had vergaard. Terwijl ik deze bekeek en er voor de laatste keer die avond een weerlicht flitste viel mijn oog op een merkwaardige tekst: “Een herinnering is geen troost, een herinnering is ieders route voor de toekomst” M.C. Bastiani - Rue Chateaudun 28.

*

De naam van de persoon waarop deze advertentie betrekking had kwam mij bekend voor. Het stelde me gerust dat er nog iets in mijn geheugen bestond dat niet was ondergesneeuwd door mijn huidige kwaal. De naam die door mijn geest spookte trok mij naar de kast met boeken over religie, cultuur en wetenschappen. Terwijl mijn ogen langs de ruggen van mijn boeken gingen moet mijn voet per ongeluk m’n kat hebben geraakt die met een snerpende gil weg schoot. Ik werd overvallen door een merkwaardig schuldgevoel. Het feit dat ik zelfs niet meer in staat was om fatsoenlijk voor mijn kat te zorgen, hem zo nu en dan zelfs totaal vergat, gaf me het gevoel intens eenzaam te zijn omdat ik mezelf door mijn ziekte had laten opsluiten.
M.C. Bastiani - “De weg naar een vorig leven”. Ik trok het hoge en tamelijk zware boek uit de kast en blies het stof eraf. Ik had het boek nooit helemaal gelezen maar het waarschijnlijk lange tijd geleden met een hele stapel andere boeken aangeschaft omdat het onderwerp op dat moment mijn interesse had. De foto op de achterkant toonde de heer Bastiani als een forse bebrilde man met een volle zwarte baart. Ik herinnerde me hem weer. Hij had ooit in een galerie eens wat van me gekocht. Het was een groot schilderij van een vrouwenfiguur in een bos. Hij had er meer voor betaald dan nodig was.
Ik bladerde door het boek en las bepaalde passages die ik al eens eerder onderstreept had: slechts weinig mensen komen met reïncarnatie in aanraking omdat de herinnering die daarvoor nodig is in mijn ogen iets onnatuurlijks is. In veel gevallen komen mensen met hun vorige leven in aanraking doordat er iets bovennatuurlijks gebeurt. Mensen die via hypnose naar een vorig leven teruggaan kunnen dat alleen maar wanneer zij in aanraking zijn geweest met het gegeven “Excarta”. Dit is een kort moment waarin mensen door andere gereïncarneerden benaderd worden. Dit is echter alleen mogelijk wanneer de veroorzaker van het contact hetzelfde is overkomen. Ik verwijs hierbij naar het hoofdstuk “Excarta”.
Ik begon te zweten en dronk snel mijn glas leeg. Wilde ik niet flauw vallen dan moest ik snel wat te eten klaar maken en ik spoedde mij naar de keuken op zoek naar wat lapjes vlees en brood. Terwijl ik de rollade in een pan legde en het vuur aanstak zag ik weer het gezicht van Bastiani voor me. Zijn blik was uitermate indringend geweest toen hij me in die galerie de hand kwam schudden. Langzaam drongen nu ook zijn woorden weer tot me door: “Niet alleen je werk maar ook je gezicht is mij uitermate vertrouwd. Dank daarvoor”. Ik draaide me om van het fornuis en zocht in een la een pakje sigaretten waarvan ik er, toen ik het vond, snel één op stak. Ik sloot mijn ogen en probeerde tot rust te komen tot ik achter me in de pan ineens een enorm gesputter hoorde. Zonder aarzelen gooide ik het deksel op de pan en zette het vuur zachter. Ik zat gevangen in mijn onbeschrijflijke emoties. M’n angsten in mijn slaap, m’n dalende zelfvertrouwen en het voorgevoel dat ik niet voor niets die advertentie en het boek van Bastiani had gevonden.
Ik liep weer naar boven waar ik het grote boek met het mooie paarse omslag oppakte en me weer in mijn fauteuil liet zakken. Het boek was geïllustreerd met tekeningen over het thema wat mij erg naar de keel vloog. Nog nooit heb ik zo naar daglicht verlangd als die nacht. Terwijl mijn geest me de ogen van Bastiani lieten zien, kon ik mijn blik niet van een tekening af houden die mij om een of andere duistere reden in zijn greep hield. De donkere schets liet een soort reusachtige ridder zien, gehuld in een goudkleurig harnas. Zijn ogen waren net zo wit als zijn gebit. Zo leek zijn blik grimmig en vastberaden terwijl er zich aan de linkerzijde een wijsvinger tegen zijn slaap drukte, vanuit een soort zwevende hand, waar deze heen leidde was niet te zien. Het was een lugubere schets die mij des te meer angst inboezemde daar een serieuze man als Bastiani ervoor had gekozen deze in zijn boek te zetten.
Ik besloot om die nacht niet meer te gaan slapen en na mijn maaltijd op te blijven om bij het eerste zonlicht de straat op te gaan richting Rue Chateaudun 28. Op weg naar de keuken sloot ik op de overloop een raam dat al een uur in de wind had staan klepperen. Ik legde een handdoek op de plek onder het raam waar wat regen naar binnen was gekomen. Toen ik naar de trap liep deed ik mijn laatste en gruwelijkste ontdekking van die nacht. Mijn poes was in de klok geklommen. Ik moet in het voorbijgaan de deur van de klepelkast hebben dichtgedaan. Het opgesloten dier had geprobeerd door de kapotte ruit naar buiten te springen om zo de vrijheid te heroveren. Het was mislukt. Met het maken van de sprong had het beest zich in het glas geworpen en was doodgebloed.

*

De volgende morgen, het regende opnieuw, liep ik door de straten van Parijs. Ik vraag me vaak af hoe ik er toen uit moet hebben gezien. Het huis van Bastiani lag in een statige wijk met grote herenhuizen waaromheen indrukwekkend sierhekwerk was neergezet. Ik aarzelde niet meer maar wreef de door de wind veroorzaakte tranen uit mijn ogen en volgde de huisnummers. Nummer 28 dook tamelijk onverwachts op. Het leek of het iets dieper lag dan de huizen rondom. Twee reusachtige bomen stonden aan weerszijden van de hoge ramen. Terwijl ik het hek opensloeg en het pad naar de deur opging ving ik een glimp op van het imposante interieur. Pas toen ik had aangebeld begon ik te beseffen wat mijn onderneming precies inhield. Ik ging een man opzoeken die ik nauwelijks kende om daar mijn huidige problematiek op tafel te leggen en vervolgens, via het verleden, mijn eigen ziel af te schrapen. Althans, dat was wat ik ervan verwachtte na alles wat ik over Bastiani en zijn theorieën te weten was gekomen.
Toen de deur langzaam open ging zag ik de ogen waar ik sinds de afgelopen nacht zo’n enorm ontzag voor had gekregen. “Ik had u al verwacht. U was in mijn dromen vannacht”. Terwijl hij dit zei deed hij een stap opzij om mij binnen te laten. Me volledig bewust van het feit dat ik vanaf nu een open boek zou worden knikte ik beleefd en liep de hal in. Met een glimlach om mijn lippen trachtte ik de heer Bastiani vriendelijk aan te kijken. Ik was er onzeker over of ik daarin slaagde en voelde me spiernaakt.
Nadat hij me enige ogenblikken in die donkere gang had staan observeren wees hij naar de trap; “Na u”. Ik ging de man voor en probeerde nogmaals het doel waarvoor ik hier was gekomen op te roepen om het als een stevig houvast tegenover mijn groeiende angst en onzekerheid te zetten. Ik wilde gewoon kunnen slapen. Maar ik was bang dat mijn eigen doel ondergeschikt zou worden aan iets dat veel groter zou zijn. Boven aan de trap waar ik een overloop had verwacht verrees een enorme bibliotheek met behalve ramen enkel boekenkasten langs de wanden, van vloer tot plafond. Ik was enige ogenblikken compleet verrast en Bastiani gunde mij de tijd om de enorme kamer in me op te nemen.
“Gaat u zitten, geeft u uw jas maar aan mij”. Onhandig trok ik mijn jas uit en legde deze in zijn naar voren gestoken armen. Terwijl ik plaats nam in een riante zetel trok mijn gastheer aan een bel en verscheen er na enkele seconden een oudere heer met dienblad. Nadat hij deze op het tafeltje tussen onze stoelen had neergezet nam hij de jas van zijn baas over en vertrok. Met een geruststellende glimlach nam Bastiani tegenover mij plaats. “Gelooft u in engelen?”. De vraag verraste me. Het lag in mijn verwachting dat er eerst naar de reden van mijn komst zou worden geïnformeerd. Deze directe opening voelde als een bedreiging. Het leek alsof de heer Bastiani al een soort scenario klaar had liggen. “Ik geloof dat er meer is tussen hemel en aarde. Zeker. Ik heb me alleen nooit een duidelijke voorstelling kunnen maken van…”. Voordat ik was uitgesproken wuifde Bastiani mijn woorden met een groot handgebaar weg. “Uw schilderijen zijn niets anders dan voorstellingen. U bent bang. Bang voor zaken die u niet kent. Maar ondertussen leveren uw fantasieën wel degelijk voorstellingen op. Koffie?”. Er zat een brok in mijn keel en ik antwoordde met een knikje. Nadat hij de koffie met grote zorgvuldigheid had ingeschonken vervolgde hij. Ik onderging zijn preek: “U moet weten dat ik over paranormale gaven beschik. Ik heb u altijd gevolgd. Ik ken uw werk en zie behalve uw jeugd en huidige leven ook uw toekomst en vorige leven. Ik ken u, ben bij u en wanneer u de tijd neemt voor overpeinzingen en niet teveel geleid wordt door angst, dien ik u van advies. Dat doe ik vanuit deze stoel. Ik sluit mijn ogen en ben bij u”. Mijn handen begonnen licht te trillen en ik waagde me niet aan het optillen van mijn kopje. Deze enorme bibliotheek was het uitzicht naar mijn ziel voor een medium! Ik weigerde zijn woorden in twijfel te trekken. Terugkomen op mijn besluit van vannacht had geen enkele zin. Terwijl de paranormale man tegenover mij een pijp begon te stoppen sprak hij zachtjes verder: “Het is belangrijk voor mij om van u te horen of u in engelen gelooft. Ik ben het namelijk die op uw schouder zit. Ik ben uw engel”. Een enorm schuldgevoel begon zich in mij te roeren. Wat had ik gedaan dat door een ander in de gaten gehouden moest worden? Wat was er zo gruwelijk misgegaan dat ik nu hier bij de man, die zich mijn engel noemt, zit om rust te krijgen? “Hoe bedoelt u ‘op mijn schouder zit’?” Waagde ik.
“U heeft mij vermoord. Mijn ogen bekeken u via de gedaante van uw poes. Vannacht ben ik gestorven aan de tijd die u uw hele leven al heeft willen stilzetten. U en uw schilderijen zitten net als ik gevangen in herinneringen en zo zullen wij sneller dan anderen door de tijd worden uitgewist.”.
Mijn geest werd scherper. De talloze vragen die door mijn hoofd spookten joegen mij niet op. Het feit dat ik erop vertrouwde antwoord te zullen krijgen maakte de hele situatie zeer overzichtelijk. Mijn angst zakte dan ook zachtjes weg en ik liet de heer Bastiani het woord voeren.
“Mijn gave heeft ervoor gezorgd dat ik u kende vanaf het moment dat ik uw schilderij zag. De vrouw die u geschilderd heeft was mijn moeder. Ik kende u dus ook uit de levenskring waarin ik haar zoon was en u mijn vijand. Voordat ik deze zekerheid had moest ik zien dat ik met u in contact kwam. Ik moest tijdens het onweer van een maand geleden tot u toe treden. U moet weten dat ik daar lang op heb moeten wachten. In die periode heb ook ik zeer slecht geslapen. Ik wist immers dat u en ik iets goed te maken hadden. We hebben opnieuw voor elkaar gekozen. Wij beiden zijn toegetreden tot deze kring en zie: hier bent u. Sinds het moment dat ik in uw herinnering ben doorgedrongen slaapt u slecht. Een deel van uw geweten is gaan rommelen. Om dit gerommel tot bedaren te brengen had u mij nodig. Dat wist ik. Deze ochtend is er dan ook één van groot geluk”. Terwijl de heer Bastiani een slok van zijn koffie nam kon ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en waagde me wederom tot het stellen van een vraag:
“Bedoelt u dat u en ik iets hebben…goed te maken? Is er iets onopgelost gebleven?”.
De heer Bastiani zette zijn kopje neer en trok aan zijn pijp.
“Dat moet u juist kunnen interpreteren. Ik ben het die een stuk ongenoegen mee heeft genomen uit een vorige kring. Wanneer ik daar mee wil breken zal ik het eerst moeten oplossen. Mijn gave bezorgt me dus in die zin ook enorm veel werk. U moet weten dat u niet de enige bent waarmee ik vertakkingen heb naar een andere levenskring. Door boeken te schrijven en mijn diensten als medium aan te bieden zie ik gelukkig kans om regelmatig met zielen in contact te komen die mij verder kunnen brengen, mij wijzer en rustiger kunnen maken. In die zin kan ik hetzelfde voor u betekenen”. Hier liet de heer Bastiani een stilte vallen die ik niet durfde te verbreken. Wie was ik om deze openhartige, gastvrije en behulpzame man meteen te verplichten tot het geven van feiten over mijn verleden…mijn vorige levens?
“U heeft echter een moeilijk te benaderen ziel. U bent te aards. Toen de Excarta middels het onweer tot stand was gekomen wilde u wel met mij in contact komen, maar het moest op uw manier. Het moest aardser, het moest echt: volgens de maatstaven die in deze maatschappij gelden, in levende lijve dus. Onbewust vermoordde u de engel die met u in contact wilde komen. U deed dat terwijl uzelf tevens druk doende was toenadering te zoeken met hetgeen u zolang uit uw slaap hield en u nachtmerries bezorgde uit een vorige levenskring. Maar, wees gerust, weldra kunt u verder want het is u gelukt mij te benaderen”. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en wilde de geschiedenis die ons tot elkaar had gebracht kennen. Terwijl ik het laatste slokje koffie uit mijn kopje m’n keel in liet glijden bereidde ik me voor op het stellen van de vraag die mij zo kwelde. Er was echter geen tijd meer om hem te stellen. De heer Bastiani stond op en liep naar het bureau dat tussen de beide ramen stond. “Komt u hier staan, hier liggen wat materiële zaken die u uw herinnering uit een vorige kring zullen geven. Hier ligt uw route voor de toekomst”.
Langzaam stond ik op en liep voorzichtig met korte passen op het bureau af. Ik hoefde mijn vraag niet meer te stellen, het antwoord lag als een grote onthulling op het bureaublad. Kleine regendruppels weerkaatsten via de ruit in de enorme bril van de heer Bastiani die mij met een glimlach tot de tafel zag toetreden. Pas nu zag ik het door Bastiani gekochte schilderij staan. Het stond rechts van het bureau, verscholen in de schaduw van één van de zware boekenkasten. Behalve mijn schilderij trof ik er meerdere zaken aan die mij doodsbang begonnen te maken. Was dit mijn herinnering, mijn route voor de toekomst? Ik zag een kromgetrokken zwart-wit foto van een gezin. Een vader, moeder en twee kinderen om een goed gevulde tafel. De foto lag uiterst rechts op het bureaublad. De gelijkenis van de moeder op de foto met de vrouw van mijn schilderij was, voor zover je een vergelijking met een schilderij en foto maken kunt, angstaanjagend identiek. Rechts van de foto lagen voedselbonnen en een viertal jodensterren. Een foto van Auschwitz maakte deze immens griezelige collage compleet. De foto van het oorlogskamp liet het tafereel zien dat mij gisterennacht op m’n schets zo bezig had gehouden. De in een veeg uitlopende kasteeltoren vertoonde grote gelijkenis met de schoorsteen op het kampterrein. Ik voelde me misselijk worden en haalde diep adem. Na enige tellen mijn ogen gesloten te hebben durfde ik mijn blik naar opzij te wenden. Het glimlachende gezicht van Bastiani dat zachtjes naar me knikte begon met een raspende keel te verklaren; “Wanneer u mijn boeken werkelijk goed zou hebben gelezen dan zou u kunnen begrijpen wat de Excarta-theorie voor mogelijkheden biedt aan jonge oorlogsslachtoffers en hun trauma’s. Voor mij betekenen de ontmoetingen met oud-nazi’s echter veel meer dan therapie alleen. Mijn grote meesterwerk, het boek ‘Excarta’, zal onder meer door hen, en vanaf nu dus ook door u, geschreven worden. Zij zullen hun ervaringen met hypnose en mijn technieken beschrijven om daarmee het ultieme bewijs leveren dat mijn theorie klopt”. Ik voelde hoe mijn duizeligheid groeide en greep mezelf vast aan een stoel. Mijn wazige blik gleed over het bureaublad en zag het weinige licht van buiten door een aantal merkwaardige prisma’s vallen. Toen verloor ik het bewustzijn.

*

Sindsdien zit ik opgesloten in dit merkwaardige cellencomplex dat zich in een keldergang moet bevinden. Mijn gezelschap bestaat uit geluiden van andere gevangenen die in een ijzig ritme schrijven om hun maaltijd ‘s avonds te verdienen. Ik slaap nog altijd slecht. De druppels vocht die van het plafond op de vloer vallen houden me vaak uit m’n nachtrust. Deze druppels en het ritme waarmee ze vallen doen mij terugdenken aan de slapeloze nachten die veroorzaakt werden door mijn moeders klok. Om niet gek te worden schrijf ik mijn ervaringen met Excarta. De beelden die mij destijds nachtmerries bezorgden worden hier verklaard wanneer Bastiani achter de tralies verschijnt en mij met zijn slingerende fakkel onder hypnose naar de andere levenskring brengt.

© Rik van Schaik
Montfoort – september 1998
http://home.hetnet.nl/~rikvanschaik/

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens