woensdag 24 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Mark - Baevon
Gepubliceerd op: 31-07-2002 Aantal woorden: 1373
Laatste wijziging: - Aantal views: 1955
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Baevon

Mark


Het volledige verhaal is te vinden op deze site. Mail me om jouw reactie te geven!

Hoofdstuk 1

Zzzooeeff, zzzooeeff… “Daar rent er een, schieten, kom op!”, schreeuwt een soldaat van het leger van Psur, terwijl hij een vlijmscherpe metalen schijf in de yaktar stopt. “Richten, 45 graden, even wachten… NU!”. Zzzooeeff, het gezoem van de schijf nadert een vluchtende Hratèh. Bijna, ik ben er bijna… als ik alleen maar achter die… “Aaaahh!”, de Hratèh schreeuwt het uit. De schijf heeft zijn bovenbeen geraakt en blijft steken in de boom waar de Hratèh achter wilde gaan staan. De jonge Hratèh valt met een klap op de grond. Hij draait zich om en ziet een aantal Psurmin met roodgloeiende ogen op hem afstormen. Hij wil wegrennen, het lukt hem niet. Hij kijkt naar zijn been, of wat er nog van over is. Alles zit onder het bloed, met elke pomp die zijn hart maakt loopt er bloed uit zijn been. “M’n been, m’n been!”, riep de jongen. Hij voelde of zijn been nog wel aan zijn lichaam vast zat. Zijn ogen werden groter op het moment dat hij zich realiseerde dat zijn been nog maar met wat pezen en spieren aan zijn lijf vastzat.
De schijf is net boven zijn knie dwars door het been gegaan. De jongen probeert tevergeefs weg te kruipen. Maar de Psurmin zijn inmiddels al genaderd en hebben hun bahr al in de aanslag. Een laatste blik werpt de jongen op zijn geboortedorp, Qufor.

Alles vertraagt. De doodsbenauwde jongen kijkt angstig om hem heen. Zijn ogen zijn waterig van zweet en tranen. Overal om hem heen ziet hij zijn broeders door de Psurmin gedood worden. Onophoudelijk klinkt het geschreeuw van bloeddorstige Psurmin die mannen, vrouwen en kinderen genadeloos uitmoorden. Een stevige trap tegen zijn zij brengt de jongen met zijn gedachten terug naar zijn eigen positie. “Neeeeeeeee!!”, schreeuwt hij. En op dat moment plaatst een Psurmin zijn bahr in de borst van de jongen. Grommend draait de Psurmin zijn bahr een aantal keer rond en met elke beweging gutst er bloed uit het inmiddels levenloze lichaam. Het gekraak van ribben en scheuren van ingewanden is duidelijk te horen.

“Brand het dorp plat!”, snauwt een legeroverste tegen zijn soldaten. “Maar Bra’Lak, er zijn nog vrouwen en kinderen in het dorp.”, zegt een Psurmin.
“Wat wil je daar mee zeggen?! Wil je soms net zo eindigen als zij?!” Bra’Lak richtte zijn fjetrin op het hoofd van de Psurmin.
De Psurmin pakte een fakkel en stak een huis naast hem in brand. Het vuur greep om zich heen en binnen enkele seconden stond het hele huis in lichterlaaie. Hij hoorde de kinderen huilen en schreeuwen. Moeders probeerden hun kinderen rustig te houden, maar het hielp niets. Hun kleding schroeide vast aan hun huid. Kort daarna was het stil, angstig stil. De Psurmin liet zich op zijn knieën vallen. Het angstzweet brak hem uit en tranen stonden in zijn ogen. “Voelt dat niet geweldig, Gnar?”, zei Bra’Lak spottend. De ogen van Gnar werden rood als vuur en vulden zich met haat. Hij stond op en draaide zich naar Bra’Lak. “Dit… dit is niet te vergeven! Het is niet goed wat hier gebeurt, Bra’Lak, en dat weet je maar al te goed! Wacht maar tot de koning hiervan hoort!”. Bra’Lak lachtte en gromde wat in Psurmin. Toen draaide hij zich om en liep van Gnar weg. Gnar rende achter hem aan en pakte de fjetrin van Bra’Lak af en richtte het wapen op hem. “Jij! Jij zult boeten voor wat je hier hebt gedaan, Bra’Lak!” schreeuwde Gnar. Bra’Lak die even van zijn stuk gebracht was door de zeer moedige of zeer domme actie van Gnar lachtte. “Wat wil je hiermee bereiken, jongen? Kijk om je heen… als je mij neerschiet zijn er wel tien Psurmin die jou vervolgens neerschieten!” Gnar keek om zich heen. Inderdaad, er stonden bijna wel tien Psurmin rond Bra’Lak. In enkele seconden schoot zijn hele leven aan hem voorbij. Nu moest een keuze gemaakt worden. Als ik schiet, moet ik vluchten, maar heb ik grote kans dat ik neergeschoten word. Aan de andere kant, als ik niet vlucht, word ik wel gevangengenomen en gemarteld vanwege mijn daden. Plotseling schoot Gnar naar achteren en schoot met zijn fjetrin in de buik van Bra’Lak, die ineen schoot van de pijn. “Aaaahh! Grijp hem, grijp hem!”, kon Bra’Lak nog net uitbrengen. Gnar rende voor zijn leven. Door de bomen, richting de bergen. Als ik eenmaal in het Gebergte van Laevirr ben, ben ik wel veilig! De takken sloegen Gnar in het gezicht. Achter zich hoorde hij nog het gevloek en getier van Bra’Lak. Aan weerskanten naast hem zag hij nog zo’n vier tot vijf soldaten rennen. “Je gaat eraan, Gnar!”, schreeuwden ze. “Wacht maar tot we je hebben!” Ik moet doorgaan, ik moet doorzetten. “Aaauuww!” Gnar verstapte zich en verstuikte zijn enkel. Een stekende pijn ging door hem heen. Hij beet op zijn lip om niet in krijsen uit te barsten. De tranen liepen over zijn wangen. Hij voelde het zout van de tranen in de wonden lopen. Hij verroerde zich niet in de hoop dat de Psurmin soldaten hem niet zouden zien.
“Aarrgh!”, hoorde Gnar een aantal meter naast hem. Gevolgd door een aantal doffe klappen. Er was een soldaat geraakt. Maar door wat, door wie?! Ongeveer vijf meter voor hem zag hij een schim. De schim vloog naar een andere soldaat die meteen op de grond werd geworpen. De drie soldaten die nog over waren werden een voor een te grazen genomen. Gnar hoorde korte kreten van pijn en het gerochel en ophoesten van bloed overal om hem heen. Een beangstigend geluid. Ben ik de volgende? In de schemering kon hij nog net de silhouet van een Hratèh ontdekken. De Hratèh stond gebukt over een Psurmin en hakte met zijn fraghji op de soldaat in. Gnar hoorde hoe het wapen van de Hratèh de schedel van de Psurmin doorboorde. Hij hoorde hoe de Hratèh hijgde en zacht schold bij elke keer dat hij uithaalde en weer zijn wapen in de soldaat stak.

Toen was het stil. Gnar durfde zich niet te bewegen. Hij hoorde nog wat geschreeuw en hatelijk gelach van de overgebleven soldaten in Qufor. Schoften! Hij keek nog even naar zijn enkel. “Auw”, zei hij zacht. Zijn enkel was behoorlijk dik geworden. Hij wist dat hij zo geen meter vooruit kwam, maar hij moest gaan, voordat Bra’Lak doorhad dat zijn soldaten niet meer uit het Gebergte terugkwamen.
Opeens hoorde hij geritsel in het kreupelhout achter zich en binnen een seconde zette iemand een bebloed mes op zijn keel en werd zijn mond dichtgehouden met een of andere vieze, stinkende doek. Gnar schrok en wilde zich verzetten, maar hij werd stevig vastgehouden door drie Hratèh. “Aeg na dou?”, fluisterde een Hratèh met halflange blonde haren, spitse oren en felblauwe ogen. Gnar, die best bekend was met de taal Hratèh, kon niet echt plaatsen waar de blonde man het over had. “Aeg na dou?”, herhaalde de blonde man. Het moet een of ander accent zijn. Aeg na dou… Plotseling werd het hem duidelijk. De blonde man vroeg of ik me bij hun aan wilde sluiten. Hij antwoordde: “Dii nag na nos! Dii nag na nos!”, wat zoveel betekent als ‘Niets liever dan dat!’. Er verscheen een glimlach op het gave gezicht van de blonde man. “Mi, Luftah.”, sprak de blonde man. Het hart van Gnar sloeg een slag over. “W-Wat? B-Ben jij L-Luftah?”, zei Gnar stotterend. Luftah knikte en lachte. “Kom snel mee, we hebben geen moment te verliezen.”. Twee Hratèh hielpen Gnar overeind en ondersteunden hem terwijl ze achter Luftah aanliepen.
Na ongeveer twintig minuten lopen en strompelen door het prachtige, herbergzame gebied, wat het Gebergte van Laevirr heette, stopte het gezelschap. Het was inmiddels al behoorlijk donker geworden en de Gnar en de drie Hratèh konden de fruoija al horen huilen. “Snel!”, zei Luftah, “Hierheen!”. Hij legde wat takken en struiken aan de kant en daar kwam een ingang van een grot tevoorschijn. Luftah bleef even buiten de ingang staan, terwijl de Hratèh Gnar naarbinnen droegen. “Luftah…”, zei Gnar, “Mijn naam is Gnar.”. Luftah zweeg, maar knikte vriendelijk.

Wordt vervolgd

@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens