zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
GerJan van de Kamp - Tunnel
Gepubliceerd op: 09-03-2005 Aantal woorden: 3107
Laatste wijziging: - Aantal views: 1756
Easy-print versie Aantal reacties: 5 reacties

Tunnel

GerJan van de Kamp


“Volg mij maar...”
Mijn Jezus draait zich om, zonder op antwoord te wachten. Hij is het duister ingelopen en wanneer ik hetzelfde doe, ben ik hem reeds kwijt. Enkele tientallen meters verder het duister in, zie ik een lichtpuntje langzaam mijn kant op komen. Hij loopt rustig - met een sjekkie in zijn mond - naar me terug.
“Ja, als het zo de hele tijd zal gaan, dan ben je natuurlijk ten dode opgeschreven!”
Ik lach om deze lugubere uitdrukking. Hij niet.
Hij draait zich weer om.
“En nu in de buurt blijven!” is het commando. Ik volg gedwee en probeer telkens niet verder dan twee meter achter hem te lopen. Maar tegelijk ook niet te dichtbij, want ik wil niet te opdringerig en onervaren overkomen.
We lopen tussen de rails van een reeds jaren geleden buiten gebruik gestelde metrotunnel. Het ruikt er muf; naar oud vuil, uitwerpselen en lucht die te lang stil heeft gestaan. Het enige licht dat hierbinnen doordringt, zijn enkele zwakke stralen van de ondergaande zon. De oranje gloed die dit veroorzaakt, geeft het eerste stuk van onze tocht een ietwat romantische aanblik.
Het is hier wonderbaarlijk hoog. Ik had nooit gedacht dat dergelijke tunnels wel een meter of tien hoog zouden zijn. Ruimtes als dit heb ik dan ook mijn hele leven willen vermijden. Ze doen me denken aan dood, verderf en eenzaamheid, in willekeurige volgorde.
Mijn leider loopt voor me en rookt zijn sjekkies. Zijn doelbewustheid stelt me aan de ene kant gerust – we zullen niet verdwalen, daar lijkt hij zeker van te zijn -, maar maakt ook, dat ik me ongemakkelijk voel – het blijkt dat hij hier veel vaker is geweest, maar dat doe je toch niet voor je lol?
Er lijkt geen einde aan de tunnel te komen. Ik raak bedwelmd door het steeds zwakkere licht, de zware lucht en de hypnotiserende regelmaat van de bielzen van het spoor. Vlekken in de prachtigste kleuren krijg ik voor mijn ogen en een geruststellend gezoem neemt mijn denkvermogen over. Er lijkt niets anders meer te zijn dan het duister om me heen en de bielzen onder mij. Het totale idee van tijd en afstand valt weg. Door de strakke regelmaat van de bielzen, ben ik niet staat te stoppen: Steeds in hetzelfde tempo het geestdodende duister inwandelend.
Na wat voelt als een eeuwigheid, staat mijn leider plots stil. Hij wijst naar links en nu pas zie ik, dat daar een grote, afdalende trap is. Voor zover mogelijk, stijgt er een nog onaangenamere lucht op uit de diepte.
Of ik voorop wil lopen.
”Grapjas,” antwoord ik en schouderophalend daalt hij de trap af. Ik volg met knikkende knieën. Een zware en zompige gedreun doet de trap licht trillen. Als we ongeveer dertig treden zijn afgedaald, begrijp ik het waarom van dit geluid. We zijn in een zaal beland van zo’n vier meter hoog, vijftien meter breed en vijfentwintig meter lang, waar zich zo’n honderd mensen bevinden. Er is blijkbaar een feest of iets dergelijks.
Ik ben mijn gids kwijt geraakt. Enigszins verward inspecteer ik de zaal. Terwijl Dark Entries van Bauhaus uit de gigantische boxen schalt, gehoorzaamt de menigte aan de dominante beats. Gemiddeld schat ik de bezoekers tussen de 25 en 30 jaar en allen zijn in het zwart gekleed. Langs de wanden staan verschillende houten wijntonnen voorzien van een kleine kraan, waarmee de feestgangers zichzelf van drank kunnen voorzien. De zaal is slechts verlicht door grote hoeveelheden kaarsen die in nissen branden. De lucht is dik van wierrook, sigaretten en zweet.
“Anne! Wat doe jij hier? Waar ben ik? Wie zijn dit? Gaan we al weg?” zijn de batterij vragen die ik afvuur op het meisje, dat me bij mijn arm pakt en me de dansvloer opsleurt.
Ze brengt haar wijsvinger naar haar lippen: “Stil…” gebaart ze.
Oh mijn God, het is haar echt, precies zoals ik me van vorige keren herinner en zelfs nog innemender dan mijn stoutste dromen. Anne; zwart geverfd haar en een lange zwarte jurk met een korset-achtige strak bovenstuk. Ze is licht bezweet en ruikt dientengevolge verrukkelijk.
Ze loodst me naar het midden van de zaal, draait zich vervolgens naar me toe, biedt me een kruidnagelsigaret aan – die ik verdwaasd opsteek - en laat zich onderdompelen in de vocale uithalen van de charismatische zang. Terwijl ze danst, kijk ik naar haar schitterend gezicht met de gesloten ogen en de gelaatsuitdrukking van totale overgave.
Het duurt slechts enkele maten en dan ben ik ook verdronken in de bas. Mijn hartritme volgt de mathematisch verantwoorde drumkits en mijn hoofd wordt gevuld met de zware, donkere en depressieve teksten.
Hier wil ik verdrinken, verdwijnen of mijn hele leven slijten. Ook al zou ik op dit moment ineenzakken om nooit weer te herrijzen, het is goed. Alles is goed…
“Kom mee, je droogt nog uit”, hoor ik iemand in mijn oor schreeuwen. Vanuit een grote draaikolk van kleuren, geluiden en vibraties trekt deze mededeling me omhoog en ik bevind me weer in de ondergrondse ruimte. Anne leidt me naar de zijwand en geeft me een gevulde stenen mok. Ik nip voorzichtig, merk dat de mok is gevuld met zeer goede rode wijn en drink hem vervolgens in één teug leeg. Anne vult hem opnieuw, drinkt deze keer zelf en de derde ronde geeft ze de mok weer aan mij. Nu minder dorstig delen we de wijn in stilte. Ik heb me nog nooit zo gelukkig gevoeld. Zittend naast de – naar mijn mening – mooiste vrouw van de wereld, mag ik – onder het genot van goede wijn – luisteren naar mijn favoriete muziek. Beter kan het niet.
- - -
Zoals een ieder weet, zijn het juist deze momenten die plots overgaan in een stuk minder aantrekkelijke tijden, wat bij menigeen de neiging oproept nimmer aan een gelukkig moment toe te geven – puur en alleen uit angst, dat door deze overgave ook de genoodzaakte negatieve verandering onafwendbaar is gemaakt.
Erg onverwacht is het dan ook niet dat de sfeer omslaat. Ineens ziet de menigte me daar wel zitten met mijn stenen mok rood vocht, opeens zijn alle ogen op mij gericht en ik weet plots niet meer wat er nu ook alweer zo fijn en leuk was. Ik kijk naast me, maar Anne is verdwenen. De meute komt als bloedhonden dichterbij. Het voelt alsof een zwart fluwelen laken langzaam over me heen wordt gedrapeerd, met daarin slechts gelige gaten met zwarte pupillen en tentakelachtige armen die grijpend en graaiend naar me zoeken. Ik ben er niet zeker van of deze armen me omhoog willen helpen of juist willen verstikken, maar door de penetrerende blikken van de gele ogen, verwacht ik het laatste.
Het zweet breekt me uit en mijn ademhaling wordt gejaagd. Ik kan niet weg komen, de graaiende armen ontnemen elke vluchtroute. Ik ben van plan me via de wand omhoog te werken, maar wanneer ik mijn hand naar achteren steek, merk ik dat de verwachte wand verdwenen is. Op zich komt dit handig uit, want nu heb ik een manier gevonden om weg te kunnen komen van de graaiende menigte. Een jammerlijke bijkomstigheid is echter dat niet alleen de wand is verdwenen. Er is helemaal niets meer. De vloer is ook verdwenen, geen plafond is meer te onderscheiden, zelfs de lucht lijkt weg. Ik val naar achteren en zink weg in een substantieloze leegte.
Er is hier niets.
Ik kan niet eens zeggen of ik überhaupt nog besta. Hoe een rare gewaarwording is het dan ook als je niet weet of je valt, stijgt of dat je juist blijft waar je bent en dat de rest van de wereld verschuift. Ik raak nog heviger in paniek; niet zo zeer door het vallen of stijgen, maar meer door het idee dat ik wel eens nooit meer zal kunnen stoppen daarmee.
Wat nu als er nooit een einde komt aan deze wervelende zwartheid? Zal ik altijd in deze staat blijven voortdrijven? Hoelang kan een mens dat volhouden? Kan een mens eigenlijk wel sterven als er geen substantie om hem heen is? Zo nee, wat gebeurt er dan? Uitdoving misschien?

Ineens pakt iets of iemand me bij mijn schouders. Een soort zuiger lijkt me uit het duister te trekken, om me vervolgens in een nieuwe substantie te laten belanden, welke het gevoel geeft levend begraven te zijn. Ook hieruit word ik bevrijd. Iemand schudt me hevig door elkaar om me aldoende weer bij te brengen.
Het is mijn metgezel, mijn voorganger. “Je moet niet hier tussen de bielzen gaan liggen met je gezicht in de blubber. Als je even wilt rusten, kun je dat ook gewoon zeggen.”
Ik ga op de rails zitten en probeer weer een beetje op adem te komen.
“Gaat het weer?” vraagt hij na een minuut of vijf ongeduldig ijsberen. Ik knik, niet in staat te antwoorden door een golf van misselijkheid.
“Laten we dan weer verder gaan”, en hij zet de pas er weer in. Ik sta moeizaam op. Deze keer blijf ik echter dichterbij hem lopen; ik zorg ervoor dat hij constant niet meer dan één pas op me voorloopt.
“Kijk, het is niet zozeer hoe groot en stoer je bent, maar het is je innerlijke kracht. Dat is het enige wat je op een nacht als deze op de been houdt. En whisky natuurlijk.” Voegt hij er glimlachend aan toe en haalt een flacon uit zijn binnenzak.
Ik mompel een paar onsamenhangende lettergrepen om duidelijk te maken dat ik luister. Hij steekt zijn hand met de flacon achteloos naar mij uit en ik pak de drank dankbaar aan. Na een teug te hebben genomen, geef ik de fles weer terug.
“Het belangrijkste is het vinden van een geschikte slaapplek. Eten en drinken komen later pas.”
“Maar we gaan toch maar één nacht?” zijn de eerste woorden die ik sinds lange tijd spreek en ik merk dat het geluid eng dichtbij blijft. Ondanks de grote ruimte lijkt het alsof het geluid in een bel om me heen blijft hangen.
“Dat hoop je maar.” Antwoordt hij geheimzinnig.
‘Sterker nog, daar ga ik vanuit.” Repliceer ik gepikeerd.
“In ieder geval, gaat het dus om het vinden van een goed en veilig onderkomen. Ik ken er hier in de buurt een paar, maar die zijn bij meerderen bekend en het zal er om spannen of we er het eerst zijn.”
We zijn ondertussen bij een soort tussenruimte gekomen. De rails splitsen zich en hier vandaan kunnen we een klein stukje van beide sporen zien. Ze worden gescheiden door een massieve stenen muur. Als de poten van een Griekse Y verdwijnen de twee tunnels voor ons in het donker. De afsplitsing aan de rechterkant lijkt licht af te dalen en het plafond is daar een stuk lager.
“Wat je ook doet, ga nooit van je leven daarheen…” sinds lange tijd valt mij begeleider stil en ik meen hem zelfs te zien huiveren. Hij neemt een ferme teug whisky en draait zich van de rechtergang weg.
Ondertussen diep ik mijn sigaretten op en bied mijn leider er één aan. Wanneer ik hem de aansteker voorhoud, wordt het vlammetje onheilspellend de rechtergang ingetrokken.
We gaan de linkergang in.
Het spoor loopt hier langzaam omhoog en de lucht lijkt iets minder drukkend te zijn. Terwijl ik me iets rustiger begin te voelen, vervolgt mijn Jezus zijn lezing.
“Er is hier één belangrijke wet: wie het eerste komt die het eerst maalt. Het gaat erom als eerste bij bijvoorbeeld een voortreffelijke slaaplek te komen. Als je dat eenmaal is gelukt, kan je blijven. Die zal niemand je afpakken… Stil nu even.”
We zijn langzaamaan steeds hoger gekomen en volgens mijn leider komen we binnenkort bij één van de beste slaapplekken zullen komen. Zo te horen is deze bezet.
Aan de linkerkant kan ik een inham onderscheiden. Het wordt verlicht door een hevig rokend kampvuurtje dat tussen ons en de inhoud van de kleine ruimte brandt. Uit de nis komt een overweldigende stank en de holte ligt vol vuil. Een deel van dat vuil beweegt. Eerst zie ik de hond; een vieze, onverzorgde en Duitse herder. Hij heeft kalen plekken en schurftige zweren op zijn lijf. Schuimbekkend en luid grommend positioneert hij zichzelf tussen ons en de resterende hoop vuil.
Mijn gids begint sussende woordjes tegen het creatuur te fluisteren. De overgebleven hoop vuil wordt door dit gefluister gewekt, en er richt zich een man half op. Even stokt mijn adem; dat zo’n gedrocht nog kan en mag leven. Hij ligt geheel naakt onder een paar stukken nat karton. Hij is klein en uitgemergeld, mist één oog en over de gehele linkerzijde zijn gezicht loopt een ontstoken litteken.
Kwijlend schudt hij zijn hoofd en brabbelt enkele onverstaanbare woorden. De gelijkenis tussen hem en de hond is verbazingwekkend. De kerel lijkt ons niet te zien, maar begint wel agressief met een versleten honkbalknuppel te zwaaien.
“Hij is blind,” fluistert mijn metgezel. “Maar daarom niet minder gevaarlijk. Ook met die hond kun je beter geen ruzie krijgen.”
We laten de man alleen met zijn hond en de duisternis. Nog meters ver hoor ik het gegrom van het tweetal.
Ik begin vraagtekens te zetten bij deze onderneming. Als dat één van de beste plekken was, wat moet de rest dan wel niet voorstellen? Mijn persoonlijke goeroe loopt onverhinderd en zacht neuriënd door.
“Het ziet er nadelig uit, kerel.”
“Laat me raden; alle slaapplekken zijn op.” Ik ben moe en serieus chagrijnig geworden.
“Nou, ze zijn natuurlijk nooit op. Je kunt overal slapen. Maar de meest veilige zijn wel zo’n beetje bezet.”
“Handig, we lopen hier al de halve nacht. Ik ben moe, mijn sigaretten zijn op en zelfs de whisky is verdwenen.”
“Niet zeiken, man. Dit wou je toch?”
Daar heb ik helaas geen antwoord op. Ja, dit is wat ik wilde, maar ik had het me veel romantischer voorgesteld. Wat ik precies had verwacht, weet ik niet, maar dit in ieder geval niet; ik heb natte sokken en een loopneus.
“Er is nog wel een mogelijkheid, maar die is wel iets linker.”
Ik laat mijn meest bezwaarlijke gezicht zien. Hij negeert me.
“Maar toch denk ik dat het op dit moment de beste keus is. We gaan daarheen.”
Hij wijst, maar ik zie niets. Hij begint ergens aan te sjorren en zo’n ouderwetse uitklapbare brandtrap schuift piepend en krakend naar beneden. Het geeft een rare en beangstigende echo, het geluid blijft wederom in een luchtbel hangen, maar het lijkt wel of hij tig meters naar links en recht weerklinkt. Alsof de bel in zijn geheel wordt doorgegeven.
Mijn leider klimt behendig omhoog en ik klauter moeizaam achter hem aan. Boven gekomen, ga ik languit op de vochtige grond liggen om bij te komen. Wanneer ik om me heen kijk, zie ik dat we via een luik in een veel leefbaarder gedeelte van het metrostelsel terecht zijn gekomen. De lucht ruikt hier naar leven en met een ferme teug laat ik de geuren van vervlogen parfum, slappe koffie, oud zweet en verregende kleding mijn longen vullen.
“Ja,” zegt mijn rokende compagnon, zittend op een perron. “Dit gedeelte wordt nog steeds gebruikt. Niet heel druk bezocht, want vooral de lege metro’s startten hiervandaan voor de dagelijkse rondes. Kijk maar...”
Hij wijst achter me en als ik me omdraai, zie ik een twintigtal blikken ogen mijn kant op kijken. Als in gelid staan de gevaartes klaar voor de bestorming. Ik krijg het er benauwd van en klim ook op het perron.
“Het lekkerste is nu om in zo’n metro te kruipen en je te rusten te leggen. Naar binnen komen is simpel.”
“En wat is dan het gevaarlijke gedeelte?” vraag ik huiverig.
“Op tijd wakker worden. Dat is voordat de metro wordt gereedgemaakt. Als de metro wordt opgestart, zijn de deuren onmogelijk open te krijgen. Dat betekent dus dat je daarvoor uit je treintje moet zijn. Dat is lastig, want je kunt niet op een geluid of beweging afgaan. Het gaat puur om je eigen gevoel en intuïtie. Als ze je vinden, ben je te laat.”
Ik kijk hem bedenkelijk aan.
“Waar denk jij dan dat het hoge gehalte zelfmoord-door-je-voor-de-metro-te-gooien vandaan komt?”
Ik zit nog even na te luguberen over dit idee, wanneer mijn partner opstaat. “Ik neem de 46, die gaat als één van de eersten weg. Als je die op tijd hoort, dan heb je nog de meeste kans om ongezien weg te komen. Neem jij de 11 maar, die gaat als tweede. Daarna wordt het hier een gekkenhuis.”
Ik open de deuren van metro 11 zoals mij is uitgelegd en inderdaad; dat is een eitje. Ik laat me uitgeput op de eerste beste bank naast de deur vallen. Ik zink weg in een droomloze slaap.
- - -
“Godverdomme, weer zo’n kolere jong!”
Ik schiet omhoog en kijk verschrikt om me heen. Drie metromannetjes staan denigrerend over me heen gebogen. Voordat ik zelfs een woord kan zeggen, krijg ik een stomp in mijn gezicht en wordt alles weer zwart.
- - -
“Zit ‘ie vast?”
“Jep. Beter boegbeeld kun je je niet wensen!”
Ik krijg wederom een klap in mijn gezicht, nu met de bedoeling me te wekken.
“U bevindt zich aan de voorzijde van metro 11.” schreeuwt iemand in mijn gezicht. Zijn speeksel spettert tegen mijn wang. “Dit ritje zal u niet overleven. Ik wens u een goede reis!” Ik probeer de touwen, waarmee mij enkels en polsen zijn vastgeboden, los te wrikken, maar dat blijkt een onbegonnen zaak. Om de vernedering nog groter te maken ben ik naakt vastgebonden. Het is me nog niet duidelijk waarom ik dit niet ga overleven. Afgezien van grote schaamte, begrijp ik niet waarom dit heel pijnlijk moet gaan worden.
Het metaal waartegen ik hang, wordt echter wel steeds warmer. Langzaam komt het gevaarte op gang en hoe harder we over het spoor razen, hoe heter het metaal achter me wordt. Ga ik dan verbranden?


Plots kan ik mijn benen weer bewegen; door de hitte zijn de touwen blijkbaar losser gaan zitten. Het duurt maar een minuscuul, verschrikkelijk moment: de touwen schieten los en euforisch trek ik mijn handen voor mijn borst, om vervolgens onder de metro te worden gezogen.
De zuigkracht draait me met mijn rug richting grond, en zo kan ik de besmeurde onderkant van de metro zien, met daartegenaan het gelaat van mijn Jezus geplakt. Voor de rest is er niets van hem over. Zijn gezicht kijkt me glimlachend aan.



GerJan van de Kamp @ 16-03-2005 17:48:59
bedankt voor jullie sugestie, idee-en en aanvullingen.
1 ding wil ik nog wel even nader uitleggen: dit hele verhaal is een droom en dus hebben jullie gelijk; hij loopt een beetje vreemd en onwerkelijk of. omdat het echter een droom was, wilde ik het wel zo houden...


René @ 13-03-2005 17:24:05
In het begin dacht ik dat je het over een bijna dood ervaring wilde hebben, maar je gaat voor het beschrijven van het leven in de hel (naar ik denk). Heel mooi gedaan. Alleen begrijp ook ik het einde niet.

1. Het vastmaken van jou in die metro. Wat voor functie heeft het? En waarom gebeurt het?
2. De dood van jouw Jezus is inderdaad onduidelijk. Wist hij dat metro 11 niet tot de 'dood' zou leiden en die van hem wel? Ben 'jij' nog 'levend'?
Kortom: het einde komt iets te snel. Werk dat verder uit. Het is voor mij geen moment om te stoppen met schrijven. Ik zou wel die alinea, die aankondigt dat er een minder leuke wending komt, weglaten (lekker tangconstructie trouwens deze zin).Die wending ervaren we zelf wel. ook de ruimtebeschrijving in het begin (2e alinea) mag wat compacter. De eerste alinea kent een zeer boeiende dialoog, die zou ik graag opgevolgd zien. Misschien kun je de alinea wat naar achteren plaatsen.


sprakeloos @ 11-03-2005 21:39:05
Wat ik van het einde begrijp is dat ondanks de waarschuwingen Jezus zelf niet voorzichtig genoeg heeft gedaan, maar
1. Hij zat toch in een ander toestel
2. de beschrijving van het gelaat en voor de rest niets over komt mij onwerkelijk over, daardoor niet eens luguber.

Misschien dat deze uitleg een indicatie is van mijn niet onbegrip voor het einde van het verhaal.


GerJan van de Kamp @ 11-03-2005 14:08:14
dank voor de lovende woorden.
ik heb meerdere discussie reeds gehad over het wel of niet gebruik van formele taal en ik vind het zelf erg verfrissend om juist ouder taalgebruik in nieuwere genres terug te laten komen, maar nogmaals ik ben er nog niet uit hoe ik dat precies wil.

er hoort nog een gedeelte bij dit verhaal, waarin ik uitleg dat mijn leider (Jezus dus) de vriend is van een van mijn zussen en dat hij mij uitgenodigd heeft voor deze tocht, na interesse van mijn kant. (ik moest het er nu echter uitlaten, omdat mijn voordracht niet langer dan 15 minuten mocht duren)

en ik heb voor de benaming Jezus gekozen, omdat de ik-figuur steeds achter de Jezus loopt, als een apostel. (en daarbij lijkt de vriend waar het over gaat naar mijn mening op Jezus...)

wat begrijp je niet aan de laatste alinea? dat is toch juist de ontknoping??



sprakeloos @ 10-03-2005 20:56:00
Beste Ger Jan Kamp,
Allereerst moet ik zeggen dat het indringend en intrigerend geschreven is, maar ook luguber hier en daar.
De onverwachte onderbreking van de wandeltocht namelijk het binnenvallen in een feest bij Anna was leuk, maar ook het einde van deze onverwachte 'droom' maakte het verhaal aanhoudend spannend.

Af en toe valt mij op dat je wat afstandelijk en/of formeel taalgebruik hanteert. Als voorbeeld geef ik de volgende zin.
"Hoe een rare gewaarwording is het dan ook als je niet weet of je valt, stijgt of dat je juist blijft waar je bent en dat de rest van de wereld verschuift."

Ik heb wel nog een aantal vragen:

1. Waarom gaat de ik figuur mee met Jezus.
2. Waarom Jezus.
3. De laatste alinea begrijp ik niet helemaal (of misschien wel helemaal niet)

Al met al met plezier gelezen, al is het mijn genre niet helemaal.



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens