dinsdag 16 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - Sophie - Het vervolg
Gepubliceerd op: 15-07-2002 Aantal woorden: 3384
Laatste wijziging: - Aantal views: 2072
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Sophie - Het vervolg

Rik van Schaik


Vervolg op Sophie:

*

’s Nachts floot de wind scherpe tonen tussen de planken rondom mijn hoofd. Na het avondeten hadden we met z’n vieren mens erger je niet gespeeld en had de situatie heel even ‘gewoon’ geleken, alsof er niemand werd gemist, alsof iedereen op de juiste stoel op de juiste plaats zat.
Ik kon de slaap niet vatten en het spook in mijn hoofd rekte en strekte zich om de brief van Catullus te verklaren totdat m’n slapen bonkten met felle pijnscheuten. Ergens in huis klapperde een deur en het leek of dat voortdurend klapperen een ritme gaf aan het wenken van het spook, het liet me niet los. Ik besloot uit bed te stappen om de deur te vinden en hem te sluiten. Ik trok een paar dikke sokken aan, nam het zaklampje van mijn nachtkastje en sloop mijn kamer uit. De overloop was koud en alle deuren stonden op een kier. Ik voelde me betrapt, bedacht dat men die deuren open had gelaten om mij, wanneer ik onverhoopt op jacht ging naar het één of ander, te kunnen verrassen. Voorzichtig gleed ik langs de slaapkamerdeuren en spitste mijn oren om te peilen of alles stil bleef. Het enige geluid kwam van de deur. Het kwam van beneden. Op kousenvoeten glipte ik naar beneden, de treden onder mij secuur beschijnend met de lamp. Eenmaal beneden leek het geluid zich nog lager te bevinden. Snel maakte ik een ronde langs keuken, woonkamer en hal. Alle deuren zaten dicht. Op het moment dat ik me wilde omdraaien om naar de trap te gaan trof ik een klein luikje in de muur naast het fornuis. Achteraf ben ik blij dat ik een moment van besluiteloosheid genoot. Ik hoorde een knal en het geklepper hield op. Daarop volgde voetstappen op een trap die naar boven kwam, achter het luik. Mijn ademhaling leek het blazen van een instrument en vlug zette ik mezelf achter de keukenkast en bracht mijn vinger in m’n mond. Erwin kwam gebogen achter het luik vandaan, sloot het af met een hendel en knipte het keukenlicht uit. Pas toen z’n voetstappen boven tot stilstand waren gekomen durfde ik mijn ogen weer te openen. Tien minuten heb ik stokstijf tegen de kastdeur in het donker zitten staren voordat ik het licht van mijn lantaarn dorst aan te knippen. Zachtjes liep ik naar het luik in de muur, opende het en bescheen het trapje naar beneden. Het ophouden van het klepperen werd verklaard door de gesloten deur die gevangen werd in mijn spot. Zonder de gevolgen van een eventuele heterdaad te overdenken opende ik de deur, sloop naar binnen en sloot de deur achter mij in het slot. Daar zwom een naakte Sophie tussen chemicaliën in plastic bakken. Mijn bloed kietelde mijn maag bij het zien van de schone portretten. Sophie zoals er tot voor kort moest hebben uitgezien. Ze was niet veel veranderd. Behalve dat haar slanke blanke lijf kleine, puntige borstjes droeg. Sophie op bed met haar linkervoet uitdagend omhoog naar de camera, Sophie op d’r knieën met haar borstjes die het laken onder haar strelen, haar rode haar dat over haar ogen valt. Duizelig zette ik een paar passen naar achteren, mijn hoofd raakte een lijn. Ik draaide me om en daar hing ze tientallen keren aan knijpers: Glimlachend, uitdagend, opwindend, gespeeld verdrietig, armen om haar knieën, vinger langs haar volle lippen, hand in d’r nek, hand over haar borst, op haar rug in het gras, languit liggend in bad met een glas in d’r hand en een vrucht in haar mond. Hier hing Sophie in de verleden tijd, in de donkere kamer van Erwin, zijn schatkist vol herinneringen.
Tollend van lust, verdriet en gemis draaide ik me om en liep met schuifelende passen terug naar mijn slaapkamer waar ik vol begeerte met mijn handen in het kruis op mijn buik in slaap viel.

Een paar uur later werd ik wakker, voelde een koud lijf tegen het mijne. Licht viel van de overloop in mijn kamer. Met één hand werkte ik mij omhoog en keek naast me. Julia lag met open ogen tegen mij aan en fluisterde: “Ik heb wat voor u tante. Een brief van uw vader, gevonden in mama’s toilettafel”.
“Liefje, mag ik… Is het wel goed dat…?”
Ze knikte en stak een vel papier onder mijn gezicht. “Ik zag haar vlak voor haar vertrek met hem in het café, ze spraken met elkaar. Ik zag het door het raam toen ik de hond van Gerrits uitliet. Antoinette Gerrits heeft hem de dag voor u kwam voorgelezen. Het is ons geheim”.
“Wat zeg je?” Vroeg ik harder dan bedoeld. Ze herhaalde wat ik prima had verstaan.
“Heb je dat tegen iemand verteld?”
“Alleen aan oma. Die zegt dat ik niet mag liegen. Ze gelooft me niet. Mag ik bij u slapen?”
Ik knikte. Zoende haar wang en stopte haar naast me in. Ze rook naar Sophie, ze rook naar vroeger. Ik pakte mijn zaklampje en begon te lezen.

30 augustus 1962

Lieve Sophie,

Eindelijk heb ik je gevonden. Via de dokter die je samen met mama ter wereld bracht. Schaamte heeft me ervan weerhouden om het via je moeder of oma te vragen. Mijn besluit van jaren geleden heeft me nog nooit één minuut spijt bezorgd. Ik wil jullie alleen mijn verhaal vertellen. Niet om het te begrijpen, enkel om het te weten. Jullie hebben daar recht op. En je hebt recht om het van mij te horen. Wellicht kun jij me ook vertellen waar je zuster is. Onder haar naam is ze onvindbaar. Het is mogelijk dat ze onder haar eerste naam door het leven gaat. Haar moeder heeft haar namelijk vernoemd naar een Latijns dichter voor Christus, Catullus. Ze had zo graag een jongetje gewild dat ze haar dochter een mannelijke naam schonk. Helaas, ik vind nu geen enkel spoor.
Je bent een mooie vrouw geworden Sophie. Ik heb je een paar keer voorbij zien komen in de haven. Ik heb je in de ogen gekeken. Je hebt me gezien zonder te weten dat ik je vader was. Je was samen met je dochter die onvoorstelbaar veel op je moeder lijkt. Het kost me veel pijn hier te zijn en dit te schrijven. Toch is mijn besluit juist geweest en vind ik dat je de oorsprong daarvan moet weten. Ik zal op je wachten. 2 september, 14.00 uur. Café ’t Schuitje, Eemshaven.

Met Liefde, Hendrik van Rome,
Je vader.

Het leek of ik mijn ribben hoorde kraken, mijn huid hoorde scheuren. De vragen in mij hadden geen enkele ruimte meer, hun omvang was buiten proportioneel gegroeid en ik wist werkelijk niet wat me verder te doen stond. De tintelingen van een paar uur geleden waren volkomen uitgebannen door de indringer die mijn vader was, door de onthulling van mijn oorspronkelijke naam. Hendrik van Rome, mijn vader, leefde nog. Hij had contact gezocht met Sophie, een van de weinigen in de familie die mijn verblijfplaats niet wist. Het was volstrekt uitzichtloos en mijn komst naar Eemshaven schonk mij een broeinest vol vragen gehuld in totale duisternis.
Een uur na het lezen van de brief vouwde ik het papier op en schoof het in Julia d’r pyjama. Nog één maal rook ik haar vlees, tilde mijn nichtje op en legde haar in d’r eigen bed. Daarna kleedde ik mij aan en verliet in alle vroegte het huis en vertrok naar Amsterdam.

Hoofdstuk VII
De Woorden van Catullus
(januari/februari 1963)

Met onder mijn huid een groeiende tumor die kilo’s van mijn gewicht opvrat sloeg ik in Amsterdam flink aan het verbouwen. Ik zette mijn bureau midden in mijn kamer, met daarboven op vellen papier, pennen, enveloppen en postzegels. Voor het raam plantte ik een ezel en een strak gespannen doek met aan de voeten van de standaard legio tubes. Ramen en gordijnen gingen dicht en de kachel op de hoogste stand.
Mijn hoofd stond op zijn kop waardoor mijn onderbewuste boven kwam te liggen en flarden van mijmeringen naar het bewuste zeefden waar het even bleef liggen totdat het dieper zonk, richting mijn maag. Ik vocht tegen misselijkheid en op de dagen van mijn ongesteldheid bleef ik zonder te eten of te drinken dagen lang in bed. Het leek of de geluiden die van de straat tot me doordrongen één grote schaterlach werden. Ik hield me stil en school veilig onder mijn dekens.

Twee weken na mijn bezoek aan Eemshaven viel de eerste brief van Catullus op mijn deurmat. Op de achterkant van de enveloppe trof ik zijn naam. Alle mogelijkheden van wat ik met de brief kon doen woog ik zorgvuldig af. Verbranden, doorsturen naar de politie, eerst lezen en dan doorsturen, lezen en versnipperen of gewoon direct laten verdwijnen.
Als een hete steen bleef de brief liggen in het midden van mijn tafel. Alle mogelijke gevoelens mixten zich in hoofd en maag: Angst, achterdocht, lust, liefde, eenzaamheid, vernedering en chaos kneedden zich tot één compacte bal. Mijn woede en het beven van mijn handen reageerde ik af op inmiddels het derde schildersdoek. Ik begon aan een nieuw naakt, een nieuwe Sophie, de portretten in de donkere kamer van Erwin bewogen op mijn netvlies. Met dikke klodders was het of ik haar lichte lijf op het witte linnen boetseerde. Zou ik ooit blind van liefde worden dan zou ik tot in eeuwigheid haar naakte profiel onder de toppen van mijn vingers tot me kunnen nemen.

14 januari 1963, Londen

Zeer beminde mevrouw van Rome,

In de hoop dat het u zal sterken om te weten dat het Sophie goed gaat schrijf ik u eerder dan dat ik oorspronkelijk van plan was.
Middels inlichtingen van uw familie ben ik u op het spoor en weet ik dat u naar uw geliefde op zoek bent. Het is dus enkel om u gerust te stellen dat ik u schrijf. Sophie is bij mij en verlangt evenveel naar u als naar mij. Het gaat me nu te ver om u uit te leggen waar de oorsprong ligt van de wens om zich zowel met u als mij te willen verenigen. Toch is het Sophie haar diepste verlangen. Haar keuze om te verdwijnen is dan ook een glasheldere geweest. Er is van mij uit dan ook geen sprake van ontvoering. Wij, Sophie en ik, noemen het begeleiding. Wij zullen u zeker van deze noodzakelijke maar ook zo waardevolle verwording op de hoogte blijven houden.
Ik heb, geheel tegen de afspraak met Sophie in, het woord tot u genomen. Ze wilde de eerste zijn die het contact met u zou leggen. Deze belofte heb ik gebroken en ik zal daarvoor boeten. Laat het u nogmaals duidelijk zijn dat deze woorden enkel voor uw gemoedrust zijn.

Dit is slechts het begin. De zoektocht zal worden voortgezet door Sophie of mij geschreven woorden totdat de ontstane helderheid het toe zal laten u te herenigen met uw liefde, verleden en ondergetekende.

Ik wens u kracht en helderheid.

Catullus.

*

Met mijn ogen dicht en de brief tegen mijn lippen gedrukt maakte ik dagen later een definitieve keus. De brief bleef bij mij en zou door niemand anders worden gelezen.
Wie was Catullus? Wat was hij met Sophie van plan? Was het vrijwillig? Wist de in de steek gelaten familie of de verloren vader meer dan dat mij was voorgehouden? Welke rol speelde het doodgeboren kind? Wie was mijn moeder? Wat waren Sophie’s eventuele ontboezemingen geweest voor haar verdwijning? Wie wilde haar kwaad doen? Waarom begreep ik de woorden van Catullus zo slecht? Hoe kwam het dat mijn gedachten ineens zo slecht zeefden dat het enkel een troebele drab in mijn bewuste stortte?
In volstrekte eenzaamheid vouwde ik de brief dicht, stak hem in de enveloppe en legde hem op het uiterste puntje van het tafelblad en viel zwetend in slaap.
De tumor in mijn maag kromp, groeide, kromp en groeide. De namen, handelingen en achtergronden wentelden zowel voor als achter mijn ogen.

*

Mijn adem besloeg de glanzende spiegel en daarmee vertroebelde het beeld van mijn magere gezicht. De weegschaal onder mijn voeten kraakte nauwelijks en met mijn tenen verborg ik het schrikbarend lage getal.
Futloos sloeg ik de haartjes van het scheermes tegen de binnenkant van mijn wastafel, ik spoelde mijn gezicht en trok een trui aan. De tumor had vele organen en zenuwen weggedrukt en aan de oppervlakte leek alles gevoelloos.
In mijn woonkamer nam ik een glas water, koffiezetten was een hels karwei geworden. Met de traagheid van een slak kroop ik langs de doeken in mijn kamer. De portretten waren donkerder geworden de laatste tijd, Sophie haar ogen leken te verdwijnen in de schaduwen van haar kassen en zo verschrompelde ook mijn jeugdherinneringen tot ze omkrulden en afbraken omdat de beschermlaag van de koestering was verdwenen en droogte had toegelaten. Terwijl ik vermoeid naar een penseel greep om vol van machteloosheid een poging te doen de schade te herstellen, klepperde mijn brievenbus.

27 februari 1963, Londen

Beminde mevrouw van Rome, minnares van uw zuster,

Hierbij stuur ik u, nu het nog kan, een boodschap van Sophie. Tegen het einde van deze, voor haar laatste, dag zal ze het hoogtepunt van beminnen bereiken en volledig tot mij komen. Om uw vertrouwen in mijn woorden te winnen heeft Sophie een tekst op de achterkant van bijgaande foto geschreven. Met hart en ziel verlang ik naar uw overgave en minnen en wens ik dat u het bijgevoegd ticket zal verzilveren om u bij ons te voegen voor de onthulling van het noodzakelijke mysterie.

Hoop u over twee dagen te ontmoeten op de locatie waar uw zuster zich heeft laten fotograferen vóór de metamorfose.

Catullus.

Uit de vouw van de brief nam ik de foto van mijn zuster. Voor een glazen koepel stond ze te schitteren in sneeuw en zon. Alsof ze bevrijd was in plaats van ontvoerd leek ze volkomen ontspannen te glimlachen. Haar rechteroog keek me helder aan en onbewust wachtte ik met verder lezen in de zinloze hoop dat de beeltenis voor me zou gaan bewegen. Dat haar ranke benen in mijn richting zouden komen, haar glimmende haar zou golven en van haar linkeroog weg zou waaien zodat haar blik vol zou worden.

Lief,

Aan mijn stille minnen en groeiende herinnering komt een vervolg…
Een, voor ons beide, bevrijdende daad zodat vrijheid ons deel zal zijn en waardoor ruimte na vele stille jaren onze liefde kan omhelzen.

Sophie.

Hoofdstuk VIII
De Tuinen van Londen
(maart 1963)

Sterven, of het idee waar een dode zich bevindt, had ik al eerder meegemaakt. Onze melkman die de dag na mijn moeders overlijden de flessen naast onze keukendeur wisselde maakte dat ik ging zweven, los kwam van een werkelijkheid of leven van alle dag. Dat tafereel heb ik ingelijst als een moment waarop ik ‘eeuwig’ was. Waarop al het andere werkelijk anders was: anders at, anders sliep, anders ademhaalde en anders dacht. Ik was alleen met mijn verdriet, maar dit isolement was onwerkelijk, zo los van al het andere dat ik enkele momenten dood was, opsteeg en al het leven achter me liet en terwijl ik vloog al het andere onder mij door zag trekken.

Zo ervaarde ik, nu ik haarscherp aanvoelde dat mijn levensvraag een antwoord zou krijgen en ik emotioneel een eindstation zou bereiken, de drukte op Heathrow. De complete wending van mijn leven, het antwoord op al mijn vragen ging volledig aan al het koffer sjouwende volk voorbij. Zo ook de dame van het reisbureau die gisteren voor mij het tafereel van de foto herkend had als Kew Gardens en een hotel voor me had geboekt in Covent Garden: Ze leek totaal gevoelloos weg te zinken in een moeras van oppervlakkigheid. Ik wandelde als enige levende tussen ontelbare doden richting metro.

Ik voelde me Lazarus en was opgestaan uit het graf waartoe mijn kamer de afgelopen maanden was verworden. Alle draden en knopen in mijn kop en maag waren verbrand in een vreugdevuur. Ontstoken door Catullus.

Toen ik in Covent Garden boven de grond kwam sneeuwde het. Midden op het trottoir hield ik stil en stak mijn kop achterover. Starend langs de hoogte van de mij omringende gebouwen opende ik mijn mond en hapte in de koude vlokken. De gesmolten sneeuw was die ochtend mijn eerste drank.

In mijn hotel liet ik thee en een lunch brengen. De vers gekochte bloemen zette ik in een waterkan voor het geopende raam in de vensterbank. Klokgelui kwam over de daken mijn kamer binnen terwijl ik op bed viel en de kou als een deken over mij heen liet komen. Mijn huid ging weer ademen en tintelend van verlangen wachtte ik op de roomservice.

De lunch had mijn maag genezen en masseerde nog na toen ik naar buiten ging. Bij de kiosk naast mijn hotel kocht ik The Times van die dag: 1 maart 1963. Verrukt was ik met een tastbaar stuk heden. Het was alsof ik met het kopen van die krant stevig in mijn pols kneep. Het leven van vandaag was geen droom. Gerustgesteld liep ik het metrostation binnen waar ieder mens een vaag wezen voor me bleef. Sophie bleef als een dia een paar meter voor me uit bewegen en zou op mijn uiteindelijke bestemming halt houden. Daar zou ze tastbaar worden. Haar geur zou bij me binnen komen als een bruistablet in een glas water. De springende vloeistof zou bij het tot rust komen een drank worden die me zou genezen.
In de metro vielen het ritme van de trein en de stemmen om heen samen tot één groot muziekstuk die mijn euforie omhelsde en koesterde. Ik had een kind en moest het verzorgen.

*

De poort van Kew Gardens glom in de middagzon en het verbaasde me dat het gezelschap van bezoekers om mij heen zo gering was. Op dit uur, waar in talloze kantoren om mij heen vele lunchpauzes waren, was iedere gast in deze tuin een enkeling.
De massage in mijn maag wisselde af met talloze bosjes spijkers die mijn opwinding begeleiden met een kietelen dat net geen zeer deed.
Tussen door de vorst verharde paden en kale takken nam ik de route naar het midden van de tuin waar de glazen koepel onder duizenden sneeuwvlokken zou verrijzen als een sprookjeskasteel waarin ik zoveel jaar na mijn jeugd opnieuw was gaan geloven.
Ik ging zitten op een stenen bankje, een paar meter voor het glas, zette mijn hakken in de bevroren aarde en voelde dat hartslag en ademhaling regelmatig werden. Een kort moment zag ik geen mens. Ik keek op bij het kraken van bladeren. Al wat regelmatig voelde verslapte en zakte weg in een lager tempo.
Sophie, verworden tot Catullus, naderde mijn bank. Diverse wonden waren nog niet genezen en trokken een spoor van rode druppels door de sneeuw op haar route naar mij toe. Ik stond op. Mijn ledematen leken bevroren terwijl onder mijn huid al mijn gedachten, organen en spieren als één dikke pap omlaag vloeide. De wasem uit haar mond was het enige bewijs dat ze leefde, voor de rest was haar doorzichtig omsluierde lijf en gezicht, op haar ogen na, angstaanjagend verminkt. Als een kapot geknuffelde en door moeders naaimachine weer in elkaar geflanste pop stond ze voor me met een totaal mislukte glimlach. De zwarte hechtingen onder haar kaken gaven haar iets dierlijks in plaats van iets mannelijks. Doodsbang legde ik mijn armen om haar heen en trok haar tegen me aan. Meer uit plicht dan uit liefde. Ze trilde van pijn toen mijn wang die van haar streelde. Ik voelde dat haar borsten verdwenen waren. Voorzichtig trachtte ik liefdevol haar kruis te betasten. Een misvormde bobbel gleed aan de binnenkant van mijn handschoen. Ik omhelsde haar opnieuw. Zelfs haar geur was verdwenen. Ik proefde de smaak van geronnen bloed toen ik zachtjes in haar vlees beet en mijn ogen voor haar gruwelijk noodlot sloot.

© Rik van Schaik
Utrecht – oktober 2000
Website: http://home.hetnet.nl/~rikvanschaik/

Verantwoording
Het in Sophie opgenomen gedicht “Zoenen” van Catullus is een vertaling van Paul Claes, uitgegeven in 1995 door Athenaeum-Polak & van Gennep.

Website: http://home.hetnet.nl/~rikvanschaik/




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens