zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - Sophie
Gepubliceerd op: 15-07-2002 Aantal woorden: 11835
Laatste wijziging: - Aantal views: 2968
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Sophie

Rik van Schaik


Sophie

Hoofdstuk I
Sophie
(1944)

Twee jaar na mijn moeders overlijden staarde ik wederom langdurig naar haar bed. Met een zelfde soort spanning. Naar een andere vrouw. Maria, mijn vaders nieuwe echtgenote. Zo stil als mijn moeder overging, zo veel herrie maakte Maria bij het schenken van een nieuw leven. Het luidruchtige gevecht, dat de storm buiten met onze schoorsteen leverde, werd regelmatig overstemt door haar pijnlijke gebrul.
Angstig lag ik in oma’s bed achter het gordijn mee te kijken naar de strijd van een vreemde vrouw.
Aanhoudend liepen er mensen tegen de flikkerende lamp die in het midden van de duistere zolder hing. De forse dokter en mijn oma met de natte doeken dansten om het bed. Mijn vader zat vlak voor mijn bed te kreunen en te bidden. Ik zag zijn brede, spierwitte handen. Zijn rug, waarlangs ik de diepte in keek, sloeg golfjes aan de rand van de dunne opening van het gordijn.
De belevenis van deze avond is de meest verwarrende uit mijn jeugd. Angstiger dan de honger uit die dagen, mysterieuzer dan het bloed tussen mijn benen jaren later, wonderlijker dan het sterven van mijn moeder.
Ineens was alles doodstil. Niemand brulde, steunde of pufte. Mijn vaders rug spande zich strak, de lamp hing stil, de storm bleef ver van de schoorsteen en geen regendruppel raakte de ruit. Bevreesd dat ik in deze lugubere stilte gezien zou worden schoof ik dieper onder de dekens. Mijn hart sloeg de sprei op mijn buik snel op en neer. Als iets me zou verraden was het mijn bloeddruk, versneld door iets wat ik niet kon bevatten.
Hooguit vijf tellen duurde dit merkwaardige intermezzo waarin stille geesten aan onze angstige zielen knaagden tot de paniek zwol en klapte. De grote dokter wierp zich op het bed, de schaar in zijn hand scheerde door de lucht naar de dekens onder Maria’s benen. Toen hoorde ik de scharnieren van het enge gereedschap. De lamp bewoog weer.
“Snel! Snel! Snel! Het gaat mis, verdomme het gaat mis!” Brulde de dokter in Maria’s kruis. Daarna kwam de langste gil die ik ooit heb gehoord. Een gil vol slijm en snot, gevolgd door een zacht gegrien. Mijn oma stond naast de dokter en werkte zich omhoog. In haar handen op spierwitte doeken een bebloede homp vlees. Toen ze in de richting van haar zoon kwam wendde ik mijn hoofd af en sloot mijn ogen. Met ingehouden adem luisterde ik naar de wind, het gegrien en het schorre commentaar van mijn vader: “Maria… Mijn zoon? Mijn zoon… Maria!” Zachte sissende woorden vol van groeiende verontwaardiging. Hij snikte en stond op. De vloer kraakte, de deur ging open en dicht. Mijn vader was huilend weggelopen.
Het volgende hysterische geschreeuw van Maria ging op in het gebrul van de man met de schaar, als door een wonder opnieuw tot leven gebracht: “Opnieuw! Opnieuw! Verdomme opnieuw! D’r zit er nog één!”
Langzaam draaide ik mij om. Mijn krakende beddengoed leek het enige geluid dat de kamer vulde. Het kabaal voor het mislukte kind was overgegaan in een zachte zucht. Even kwam Maria omhoog en keek ik haar, door het voorbij schietende licht van de wiebelende lamp, in haar bloeddoorlopen ogen. Daarna viel ze hard terug op haar kussen. De dokter kwam overeind en stootte zich tegen de lamp. Mijn oma, haar armen opnieuw gevuld, schoof over het bed naar mijn vaders vrouw.
“Hoe heet ze?”
Maria blies een lange stilte om ons heen voor ze haar kind een naam schonk. En nadat ze die had uitgesproken wist ik dat ik de naam had gehoord die ik tot mijn dood zou fluisteren.
“Sophie.”
Het leek uren te duren voordat mijn oma opstond en haar armen onder het gordijn naar mij toe bracht. Ze schonk me alle tijd om het meisje te bekijken. Toen ik elk detail in me had opgenomen dorst ik met mijn vinger over haar hoofd te strijken vlak boven de trillende blauwe ogen. De onverwachte rust en tevredenheid die over mij kwam, leek zijn oorsprong te hebben in het feit dat ik die avond voor het eerst ‘iets’ zag waarin ik mezelf herkende.
Daarna begon ik te huilen tot ik in slaap viel.
Mijn vader kwam die avond niet meer naar boven.

Hoofdstuk II
De Drie Wijzen
(1944-1956)

Daags na de geboorte van Sophie zag ik mijn oma het erf op sluipen met in haar handen de doek waarin ze de eerste vrucht had opgevangen. Ze liep krom, keek schuchter om zich heen en dook achter de eik waartegen ze al een spade had klaar staan.
Boven krijste Sophie en zong Maria slaapliedjes. Eerder voor zichzelf dan voor haar dochter. In de kamer naast Maria was die van mijn oma en daar lag mijn vader. Soms hoorde ik hem snikken, soms snurken, soms dronken liederen zingen.
Vanachter de serreramen zag ik mijn oma in de natte aarde een gat graven. Ze zag er onherkenbaar uit in haar gele regenjas. Mijn oma kwam nooit buiten wanneer het regende maar dit was blijkbaar haar enige mogelijkheid om niet betrapt te worden en datgene te begraven wat mijn vader een paar dagen later zou doen besluiten ons huis te verlaten.
Met een linnen tas vol brood en melk stond hij in de keuken te vloeken en te huilen in mijn oma’s armen. Zachtjes hoorde ik haar een gebedje prevelen en ze streek door zijn vette haar. Daarna draaide hij zich om en keek me aan. “Zorg goed voor je zusje. En voor je oma. Ik hou van je”. Hij drukte me tegen zich aan, gaf een brul en liep het huis uit.
Toen een paar dagen later Maria met Sophie bij haar ouders in Groningen introk en mij met m’n oma achterliet kon ik een week niet spreken en lag misselijk op bed. Hoe was het mogelijk om op deze manier voor mijn zusje te zorgen?
Sophie hing in doeken gewikkeld tegen Maria’s buik te slapen. Uitgebreid dankte ze mijn oma. Toen ze mij gedag zei rook ze zuur en haar ogen waren bol van het huilen. Zwijgend legde ik mijn hand op Sophie, niet wetend wat te zeggen. “Ze komt vaak bij haar grote zus logeren. Daar verheugt ze zich nu al op!” Moedig stapte ze over het grind naar het hek waarachter haar vader met de auto stond te wachten. Terwijl de portieren dicht vielen kneep mijn oma me hard in mijn nek. “Wij redden het wel lieverd. We zijn nog jong”. Toen we even later weer in de keuken stonden vond ik het ineens weer prettig ruiken. Het rook naar de vrede die er altijd was geweest voor Maria en Sophie. De geur en de rust die me dat gaf heeft er voor gezorgd dat ik met liefde aan Sophie’s geboorte kon terugdenken. Behalve dat zij mijn enige familie zou zijn wanneer mijn oma zou overlijden, was ze ook de enige van wie ik echt hield.
Ze was ook de enige die ik echt dacht te kennen.

*
Iedere week, meestal op woensdag, kwam er een brief van Maria aan mijn oma. En zo hoorde ik hoe het met mijn zusje ging. Dat ze groeide, tandjes kreeg, ging lachen en wat ze at. En iedere week toog ik, met de nieuw verworven informatie over mijn zusje, naar mijn kamer om een tekening van haar te maken. Zoals ze er in mijn beleving die week uit moest zien. Diep voorover gebogen liep ik dan diezelfde avond, met de tekening en een brief van oma aan Maria in een enveloppe, over de dijk langs de weilanden naar de brievenbus in het volgende dorp. De complimentjes die ik de week daarop via de post van Maria ontving deden me gloeien van geluk. Als ze me schreef dat mijn tekening zo leek op de werkelijkheid voelde ik een verbondenheid die ik in mijn verdere jeugd niet meer zou ervaren.
Een paar jaar later, na Sophie’s vijfde verjaardag, begonnen de logeerpartijtjes. Tot haar achtste jaar bleven die beperkt tot een weekeinde waarin ik met haar door de weilanden wandelde, koeien aaide, met de poppen speelde en haar brood smeerde. Vanaf het moment dat ze vrijdagmiddag kwam tot het moment dat ze zondagavond ging, observeerde ik haar aandachtig, waardoor ik mijn zus bij me kon houden tot het volgende bezoek en ik me uit kon leven op het papier dat ik dan in het midden van de week weer naar Maria stuurde.
Pas vanaf haar achtste bleef ze een week bij ons in huis. En vanaf die tijd, toen Sophie meer begon te spreken, begon ik meer te voelen dan die verbondenheid. Ik ging naar haar verlangen.

Tijdens een van die logeerpartijtjes in de zomervakantie, toen mijn verlangen een hoogtepunt bereikte, kreeg dat hunkeren op een merkwaardige manier een antwoord.
Ik droeg mijn dunne zomerjurkje en lag naast haar in het gras, las haar voor uit mijn dagboek. Vertelde over onze gekke buurman die me meenam met het koeien melken en dan achter me in het gras zat, m’n handen pakte en me hielp de emmer vol te krijgen terwijl hij zong over Suzanna. Of ik las de verhalen over school, over meester Bruin waar ik soms na schooltijd koekjes mocht komen bakken voor oma en hoe zijn vrouw hem dan voortdurend achterna liep en “Denk erom!” tegen hem siste. Vaak deed ik haar dan na, met mijn handen tegen m’n kont gedrukt om hem groter te laten lijken. Grinnikend zat ze naar me te kijken terwijl ze met haar vingers tussen d’r tenen wreef. Aangemoedigd en vervuld met trots dat ik zo leuk gevonden werd zette we dan samen onze fantasie door en bedachten wat er nog meer kon gebeuren. Dan was Sophie meester Bruin en stond ik tegen het hek, de denkbeeldige oven, naar de rijzende koekjes te kijken. Zachtjes kwam ze dan achter me staan en streelde langzaam mijn benen. Deze door mij verlangde intimiteit mocht niet lang genoeg duren want Sophie eiste een reactie van mevrouw Bruin. Woest moest ik haar achterna met een gefantaseerde deegroller. Ze liet me het hele weiland rond rennen totdat ik het opgaf en zij zich op haar rug in het gras liet vallen met haar armen naar mij uitgestoken. Dan dook ik op mijn zus en kietelde tot het “genade” klonk.
Maar meestal vertelde ik haar het verhaal van d’r geboorte en blies ik de woorden zonder in mijn dagboek te kijken over haar gesloten ogen. In alle rust bekeek ik haar sproeten en blonde haar dat door de wind heen en weer geblazen werd. Wanneer het slot van mijn verhaal geklonken had, opende ze één oog tegen de zon en vroeg me smekend hoe onze vader eruit zag, hoe hij was en waarom hij weg was gegaan. Ze vond het nooit een probleem wanneer ik alleen het antwoord op haar eerste twee vragen gaf. Als ik me excuseerde haalde ze d’r schouders op en zei: “Ik heb jou toch”. Terwijl ze haar ogen weer sloot en ik met een grasspriet d’r voeten, benen, buik en gezicht bestreek zonder dat ze giechelde, voelde ik een nog onbekende angst voor de toekomst. Hoe lang zou het duren voordat Sophie geen genoegen meer zou nemen met mijn beperkt aantal antwoorden? Wanneer zou het meisje, dat totaal geïsoleerd van mannen opgroeide, willen weten wat haar bron was?
In de zomer van 1956 was ze ineens, met haar twaalf jaar, een jonge vrouw geworden en sprong ze na mijn zoveelste ontkennende antwoord overeind en drukte haar voet speels op mijn keel. "Weet je waarom hij is weggegaan?” vroeg ze met haar hoofd baldadig scheef. “Hij wou een zoon!” Toen haalde ze haar voet van mijn keel, kwam naar voren, zoende lang mijn mond alsof ze in opwinding een snoepje nam en keek me aandachtig met samengeknepen ogen aan terwijl ze door mijn haar streek. “Weet je,” fluisterde ze “ik ben blij dat je een zus bent en geen broer. Die buurman en meneer Bruin zijn leuk om toneel te spelen maar ze zijn gek. Gek en eng”. Daarna gaf ze me nog een zoen, gooide haar kleren uit, sloeg haar glanzende rode haren los en sprong in de sloot. Wild spartelend schreeuwde ze dat ik er ook in moest komen.
Bibberend van opwinding kleedde ik me uit. Ik had Sophie nog nooit naakt gezien en ik voelde zowel steken als strelingen in mijn buik. Ze leek op een jongetje zoals ze in het water tekeer ging en eigenlijk wilde ik meteen papier en potlood gaan halen om haar te tekenen. Maar ik sprong naast haar in het glinsterende water en liet mijn plas lopen. De pijn in mijn buik bleef terwijl we elkaar om beurten onder water drukten. Toch leek elke aanraking met haar die steken in mijn maag weg te masseren.
’s Avonds, in bed, zong ik haar in slaap. Liedjes die ze niet kende en wanneer ze mee probeerde te zingen trilde haar neus als dat van een konijn. Ik hoorde dat haar ademhaling veranderde, legde haar op d’r zij, trok het laken omhoog en bekeek haar. Zachtjes zoende ik haar lijf en drukte me stevig tegen haar aan. Zo wilde ik haar altijd bij me houden: Deze schoonheid, deze speelsheid, deze geur, dit zachte vlees met daaronder die dunne botten. Eeuwig haar voet speels op mijn keel, gekieteld worden door haar tenen.
Toen we de volgende ochtend wakker werden zaten we allebei onder het bloed. Ze was ongesteld. Met de tranen in haar ogen sloeg Sophie haar dunne beentjes om me heen en kwam bovenop me liggen. Snikkend stelde ze angstig haar vraag: “Ga ik nu moeder worden?”

*

Een paar maanden later, in de week voor Kerstmis, zetten mijn oma en ik de kerststal buiten rondom de oude eik. Het was koud. Toch pakten we de beeldjes met blote handen uit. Terwijl ik stro in het houten stalletje legde, zag ik mijn oma op haar knieën de drie koningen op de steen onder de eik zetten. Daar stonden ze ieder jaar, bovenop het graf van Sophie’s broertje. Zonder aan de consequenties te denken stelde ik mijn oma de vraag die nooit gesteld was: “Het was een jongetje hè? Daarom ging pappa weg…” Als door een wesp gestoken draaide mijn oma zich af van de figuren die het kind goud, wierook en mirre schonken. “Nee kind. Hij liep weg omdat hij niks meer te schenken had. Zijn broertje…” Ze hield op, blies alleen nog adem in de koude lucht. Voor de tweede keer in mijn leven pakte ze me in mijn nek en nam me mee naar binnen. Daar maakte ze chocolademelk, stookte de kachel op en stak een kaars aan. Ze nam tegenover me plaats en blies over het kopje. Nadat ze voorzichtig een slok had genomen vertelde ze me de geschiedenis van onze vader. Dat hij zijn broertje verloren had en dat ze dacht dat het daarom was dat hij was weggegaan. Schuld. Dat hij ontroostbaar was geweest en ‘leeg’.
Terwijl ik mijn chocolademelk dronk dacht ik na over dat ‘schuld’ maar wist niet welke vragen ik mezelf daarover moest stellen. Ergens, in de verte van mijn gedachten, leek het wel alsof het eigenlijk heel normaal was dat hij niet meer gelukkig kon worden. Maar wat overheerste was het onvoorstelbare, dat het grote geluk dat Maria mij geschonken had, hem niet kon troosten. Ik kwam er niet uit en staarde in gedachten naar buiten terwijl de vellen zich op mijn chocolademelk vormden.
“Waarom teken jij Sophie naakt?”
Nu was het mijn beurt om te schrikken. Oma had in mijn tekeningen zitten snuffelen.
Gedachten flitsten door mijn hoofd. De toon waarop mijn oma me de vraag stelde maakte me bang. Was mijn geluk slecht? Deed ik iets verkeerds? Was het einde van mijn geluk, nu mijn oma dieper op de relatie tussen Sophie en mij in wou gaan, in zicht? Ontsteld gaf ik mijn oma het antwoord waar ik nu, als volwassen vrouw, nog trots op ben: “Omdat ik van haar hou”.

*

Die kerstvakantie sliep Sophie in het bed van oma en bleef ik wakker in het mijne. Ik zweeg tegen mijn oma en bedacht allerlei wegen om samen met mijn zus te kunnen zijn. Op oudejaarsdag liet oma ons een ochtend alleen omdat ze boodschappen moest doen.
“Wil je een tekening voor me maken? Voor mij?” Sophie zat met d’r benen tegen zich aangedrukt naast de kachel, voor de kerstboom. Ik deed wat ze vroeg, pakte mijn tekenspullen en begon. Terwijl ik onafgebroken naar haar keek en bedacht hoe ik haar op papier zou zetten, zag ik dat ze huilde. “Teken me zoals jij me graag ziet. Zo wil ik zijn”.
“Waarom moet je huilen?” Vroeg ik.
“Omdat ik hier wil blijven. Niet naar huis wil”.
Ik begon te tekenen en ze klaarde op. Ik tekende haar zoals ze naar mij keek. Wijs, verlangend, trots en lief. Niet te breekbaar maar toch onschuldig. Wat wist ik eigenlijk van haar? Ik kende Sophie alleen zoals ze bij mij was. Waarom was ik nooit nieuwsgierig naar haar leven thuis? Vanaf het moment dat ik die tekening maakte, bleef ik nadenken over hoe het tussen ons ‘zat’. Ik wist dat ik verliefd was. Verliefd op mijn eigen zus. Ik werd wanhopig.

Die avond, met de oliebollen tussen ons in, speelden we ganzenbord met op de achtergrond de krakende radio. Ik moest eindeloos opnieuw beginnen. Verder was er niets. Geen vrolijkheid, geen verdriet, geen fantasie… Alleen dat eindeloos opnieuw beginnen, de stemmen uit het toestel en de wind om het huis.
“Jij hebt geen geluk” zei Sophie tegen mij. “Wacht…” Ze stond op en liep naar de gang, pakte d’r jas en ging naar buiten. Mijn oma riep haar na maar stond niet op. “Wil je nog een oliebol meidje?” Vroeg ze me. Ik schudde nee, was alleen maar nieuwsgierig naar waar Sophie mee terug zou komen. Na enige minuten sloeg de buitendeur hard terug in zijn post en brak een ruitje. Kleddernat kwam Sophie aan tafel staan: “We gaan hier mee spelen” sprak ze opgewonden en stak haar hand in haar jaszak. Wat er toen gebeurde valt niet te beschrijven en te verklaren. Één voor één strooide ze de drie nieuwe pionnen op tafel: Balthasar, Melchior en Caspar. Mijn oma sprong overeind met haar handen tegen haar oren, gillend dat ze terug moesten. Terug naar de plek waar ze hoorden. Bezeten sloeg ze de beelden van het spelbord. Met een enorme knal en veel venijnig gesis doofde al het licht in huis en kwam door de wind geslagen een tak door de ruit. In het donker voelde ik hoe Sophie zich op mijn schoot stevig tegen mij aandrong terwijl oma gillend het huis door rende op zoek naar een kaars.
Het was de laatste keer dat Sophie bij ons logeerde. Het was het einde van alle geborgenheid die wij zussen in onze jeugd hadden gevonden. Op nieuwjaarsdag zette mijn oma, nadat Sophie verdwaasd het huis verlaten had, de drie wijzen weer op hun steen.

Hoofdstuk III
In de Stilte
(1956-1959)

Na die rampzalige kerstvakantie schreef ik twee keer in de week een brief met tekening naar Sophie. Pas na een jaar begon ik te beseffen dat ze met Maria verhuisd moest zijn. Oma kon eventuele antwoorden niet onderscheppen omdat ik iedere dag veel sneller dan zij bij onze brievenbus de postbode opwachtte. Wanneer ik dan met enkel een enveloppe voor mijn oma terug de huiskamer in kwam keek ze me aan en vertelde ze me met haar ogen dat al mijn hoop zinloos was. Dagen achtereen probeerde ik die gitzwarte ogen te trotseren. Maar het was vergeefs. Ik las in haar ijzige blik de aanwijzingen van een regisseur die alles strak in de hand hield. Dat dagelijkse oogcontact was de enige verbinding die we, waar het Sophie betrof, nog in huis deelde. Verder zweeg ze over mijn zus als het graf en langzaam maar zeker werd er in ons huis geen woord meer gesproken.

Maanden spookten de beelden van Sophie uit het verleden door mijn gedachten. Liggend in het gras met gesloten ogen, de lichte sproeten, het rode haar, haar voet op mijn keel, haar voor mij uitrennen door het weiland. Aaneengeschakelde beelden die bijna zonder onderbreking over mijn netvlies vlogen. Het begon bij het opstaan, het vasthouden aan een droom over haar. Het eindigde bij het naar bed gaan, verlangend naar een droom over ons beiden. Daartussen zat de rest, zich eindeloos herhalende taferelen die zich tussen ons hadden afgespeeld. Na maanden van slecht eten had ik de energie niet meer om te hopen dat het incident, dat zich met kerst had afgespeeld, een zoete wending zou kunnen krijgen. Langzaam trok de verdoving uit mijn lijf en werd de pijn weer voelbaar. Ik begon te merken hoe eenzaam mijn leven was. Niet alleen het zwijgen thuis maar ook het missen van contact op school en in het dorp. Voor meester Bruin en de buurman was ik inmiddels te oud. Alles in mijn leven had ik opgehangen aan Sophie. De rest van de wereld speelde een figurantenrol. Deze bittere constatering kwam te laat. Alle geestkracht om iets in mijn sociale situatie te wijzigen was vervlogen. Er waren zelfs dagen dat ik mij afvroeg of die zin er eigenlijk ooit was geweest. Had ik het eigenlijk ooit geprobeerd om contact met anderen te maken? Volgens mij zat het gewoon niet in mijn systeem. Die geboorte van mijn zus had mij gestuurd langs al het andere wat me uit het isolement waar ik nu in zat had kunnen halen. Mijn zwijgende oma, het stille huis en mijn ontroostbaarheid waren mijn enige gezelschap. En zelfs het verdriet verloor op den duur zijn scherpe kantjes waardoor op sommige dagen het enige wat ik nog waarnam het ruisen in mijn oren was.

*

De krakende vloer had me wakker gemaakt en de fluorescerende wijzers en cijfers vertelden me dat het 03.00 uur was. Ik rook Sophie. De lakens begonnen te knisperen en te verglijden. Mijn ogen wilden zich niet openen en ik riep haar naam. Ze hield haar hand op mijn oogleden en fluisterde dat ik ze niet hoefde te openen. Het verlangen om haar te zien vond een weg in het voelen. Ze was groter geworden, haar lijf strekte zich tegen mij uit, haar voeten raakten mijn scheenbeen waar het vroeger tot net onder mijn knieën kwam.
“Hoe ben je binnen..?” Haar vinger smoorde mijn vraag.
“Ssst. Niks zeggen. Ik heb nou eenmaal de sleutel. Onverwacht glijd ik je onderbewuste binnen nu je me zo nu en dan dreigt los te laten”.
Eerst voelde ik d’r haar, daarna de zoete lippen en weer werd een reactie van mij onmogelijk gemaakt. Ze zoende nog net als toen. Ze nam grote zachte happen van mijn mond en ik smolt. Daar waar ik haar wilde toeschreeuwen dat ze nooit mijn gedachten zou verlaten gaf ik me over aan haar wezen. Zonder haar te zien bewoog ik mijn ogen in haar richting. Ze schoof mijn nachthemd omhoog en bracht haar kruis strelend op mijn buik, haar benen langs die van mij. Alsof ze verwachtte wat ik haar wilde zeggen sprak ze tussen twee lange zoenen door dat dat onmogelijk was: “Je hoeft niet bang te zijn, je zult me niet los kunnen laten. Ik zit hier onder!” Ze wreef over mijn wimpers en ik voelde een druppel. Even later snoof ze luid en legde haar betraande gezicht op het mijne.

Mijn ogen zaten niet meer vast want ze opende zich direct in het felle licht van de lamp. Mijn oma stond aan het voeteneind en keek vriendelijk op me neer. Ik lag alleen in bed.
“Het is tijd meisje. Pannenkoeken voor ontbijt!” Ze gaf me een knipoog en liep naar beneden. Het was zondag en het was tijd. Ik wist wat ze bedoelde en pakte mijn tas. We hadden het hier al een aantal keren over gehad. Ze had een kamer voor me. In Amsterdam, bij kinderen van een goede vriendin. Ik zou gaan studeren.
Kleren, dagboeken, tekeningen, pennen, potloden, papier, een foto van mijn vader en moeder en het diploma van de middelbare school. Dat was alles. Voor ik de tas dicht riste keek ik langs de muren, langs de zoldering en door het open raam over de lege weilanden. Ik luisterde naar de stilte en rook de geur van mijn jeugd. Toen ging ik naar beneden.

De tafel was feestelijk gedekt en mijn oma had bloemen geplukt. Ineens voelde ik sinds jaren weer liefde voor haar. Ze snapte het gewoon niet. Dat was alles. Ik schoof aan en glimlachte naar haar. Ze knikte en vouwde haar handen terwijl de kat bij d’r op schoot sprong. Ik kreeg een pannenkoek en ze schreef mijn naam met stroop. Ze streek door mijn haar en ik at zonder smaak maar uit liefde. We zwegen en keken elkaar een tijd aan terwijl ik kauwde en oma melk dronk. Na mijn laatste hap legde ik het bestek schuin op mijn bord. Oma stond op en liep naar de kast. Ik zag haar een laatje openmaken waar ik nog nooit in was geweest. Toen ze terugkwam stonden de tranen in haar ogen.
“Hier is een spaarbankboekje en een enveloppe met geld. Ik verwacht dat het allemaal genoeg zal zijn. Als je tekort komt weet je me te vinden”. Even rilde ze en sloot haar ogen. “Soms denk ik dat ik je heb vernield. Als dat zo is, sorry. Ik wilde echt het beste voor je. Ik heb van je genoten, je bent een lieve meid. Ook als je zwijgt. Nou, er komt een taxi aan de dijk, we moesten maar eens opschieten”. Ze streek met haar handen over d’r schort en liet zich door mij omhelzen en zoenen. Toen de klok tien uur sloeg pakte ik mijn tas op en liep naar buiten.
Toen de taxi, die mij naar mijn kamer in Amsterdam zou brengen, wegreed draaide ik mij om en bleef door het achterraam naar mijn oma zwaaien. Ze zwaaide terug en hield niet op totdat ze voor mij zo klein was geworden dat ik haar niet meer kon zien.

Hoofdstuk IV
Amsterdam
(1959-1962)

Iedere wandeling door de Raadhuisstraat naar de Dam, om daar de tram naar de universiteit te nemen, was als een genezende naald met alcohol door een open wond. Steeds strakker werd de groef gehecht en sloot de plek waar Sophie, oma en de boerderij in schuilde. Ik had absoluut niet durven verwachten dat mijn nieuwe leven plezierig zou kunnen zijn. De zekerheid begon te kietelen, maakte mijn voet slapende en trok langzaam maar zeker door mijn hele lijf. De energie van de stad en de structuur van mijn studie trokken hand in hand mijn leven in een hoopvolle richting waarin ik voor het eerst kennis maakte met kunst die mijn jeugd een plaats gaf. Sophie had na deze ontwikkeling moeten komen, dan was de volgorde geschikt geweest.
Ik kon koken, bepaalde de groente die ik op de markt kocht. Iedere bos bloemen deed me beseffen dat ik kon kiezen voor een schoonheid in een smaakvolle vaas op een plek in mijn kamer die daardoor een andere aanblik kreeg. Ik stuurde de details en richtte mijn leven in op een manier die ik gezellig vond. Ik ontdekte dat ik een roer in handen had en dat de rotsen waar ik angst voor had niet op me af kwamen maar bleven liggen waar ze waren en zagen hoe ik om ze heen ging. Zoals mijn studiegenoten m’n zwijgen in geïnteresseerde observaties aanschouwden om later heel voorzichtig contact te maken en iedere reactie van mij met toewijding ontvingen. Als ik voor ze kookte, vertelde over mijn jeugd of aan één van de verjaardagen van de studiegroep had gedacht zag ik dat ik voor hen in plaats van een studieobject veranderde in een deel van de groep dat zonder bravoure en alcohol objectief naar ze luisterde en keek en zo ook kon helpen op een manier die daarvan in het verlengde lag. Ik veranderde van de geliefde van een enkeling in iemand met een bescheidener rol in een gemeenschap zonder eenzaam te worden. Dat ik dat bekoorlijk vond gaf me rust en hoop. Tegen al mijn verwachtingen in was het niet de chaos die regeerde. Verwarring was zelfs iets wat ik in Amsterdam absoluut niet kende. Nog niet…

Loom streek ik met mijn vingers langs de lijst van een nieuw schilderij. Ik was voor die dag klaar met mijn studie. Uitgeput maar ingenomen met hetgeen ik die dag bereikt had stapelde ik mijn boeken op elkaar, schoof ze naar de hoek van het tafelblad en struinde door mijn pas geschilderde kamer in afwachting van Jonathan. Mijn nieuwe huisgenoot, die net als ik studeerde aan de Rietveldacademie, zou me meenemen naar het atelier. Zonder ons van de rest van het tafelgezelschap te isoleren troffen onze wederzijdse interesses elkaar tijdens de traditionele etentjes in ons huis.
Ik, overweldigd door alle nieuwe impulsen die ik van Amsterdam kreeg, hield van tekeningen van de stad. Met name van die kleine stukjes stad waarin alle elementen van beroering samenkwamen. Jonathan, verlangend naar de rust en sfeer van het platteland, luisterde uren naar de verhalen over mijn jeugd, mijn omgeving. Dat had hij samengebracht op een merkwaardig doek dat nu bij mij aan de muur hing. Vanmiddag zou hij me meenemen om me kennis te laten maken met datgene waar ik me nog niet in verdiept had: Portretten.
Omdat ik veronderstelde dat die kennismaking een even soepele expeditie zou zijn als dat de schilderijen dat waren geweest tijdens de verschillende diners, kon ik niet vermoeden dat dit eerste uitje met een man meer los zou gaan maken dan een rustige excursie naar datgene waar mijn interesses in die dagen naar uit gingen. Zodoende gaf ik me over aan het schilderij aan mijn muur en tuurde ik in alle rust naar de beeltenis totdat ik er middenin stond en het stadsverkeer oorverdovend werd. Pas bij de derde keer dat Jonathan aanbelde kon ik me los maken en open doen.

*

Toen ik voor Jonathan open deed stond hij met het stuur in zijn handen en keek naar de plek achter zijn zadel. Ik sloot de deur, zette mijn kont op het harde staal en pakte uit angst om te vallen de heupen van mijn chauffeur. Voor het eerst in mijn leven zat ik achter op de fiets bij een man. Iets wat aanvoelde als een merkwaardig soort beloning. Als een ‘alsnog’. In een rap tempo slingerde hij de fiets door de stad. Terwijl hij zonder enige moeite wandelaars in het Vondelpark ontweek draaide hij zijn gezicht om en keek me geheimzinnig aan: “Als jij denkt dat je alleen ‘thuis kan komen’ door naar landschappen te kijken dien je je voor te bereiden op een wel heel speciale thuiskomst! Portretten, echte portretten, waar ik mijn best voor doe, die eten je op, vreten zich naar binnen. Eerlijk waar!”
Niet wetend dat ik later vaak aan Jonathans woorden terug zou denken boog ik iets naar voren en drukte mijn neus tegen zijn rug om te schuilen voor een plots losgebroken regenbui.

Het was er vochtig en donker. Voorzichtig liep ik op het hekwerk af waar Jonathan iets voorover gebogen een kettingslot losmaakte. In de stilte van deze merkwaardige bunker veroorzaakte deze bezigheid een oorverdovend lawaai. De ketting viel met een klap en een echo op de grond en met een groot gebaar schoof Jonathan het hek omhoog, het plafond in. Alsof hij een poort van een kasteel geopend had bracht hij zijn hand naar de mijne en leidde me binnen in iets dat ik niet snel kon plaatsen. Van slechts één raam waren de gordijnen niet gesloten en zorgde voor het weinige licht in deze diepe, kale hal waar ik, heel in de verte met de rug naar ons toe, een vijftal ezels zag staan. Daar naar toe leidde een pad met aan weerszijden tafels vol schalen oude groenten en fruit waar overheen diverse doeken lagen. Half volle flesjes wasbenzine, borden met laatste restjes verf van een specifieke kleur, flesjes bier en asbakken vol met peuken.
Er was gekraak en een naald van een pick-up zocht het begin van zijn route over een trage jazzmelodie.
“Dit…” sprak Jonathan, een platenhoes omhooghoudend achter een aantal emmers schildersmateriaal, “…is het mooiste wat ik ooit heb gehoord!” Met samengeknepen ogen taxeerde hij mijn gevoelens bij de klanken die me totaal in verwarring brachten. Ik kon de lijn van de melodie niet grijpen, liet de muziek los en het enige wat ik waarnam was de geur en Jonathans teleurgestelde blik.
“Wacht! Voor je verder gaat moet ik nog iets doen”. Hij bukte en liet me een kort moment geloven dat hij in het niets was verdwenen. Toen zag ik zijn schaduw opdoemen tegen de grijze muur. Met twee brandende kaarsen kwam hij weer overeind en liep op me af. Transpiratievocht stond op zijn slapen en hij trok een glimlach zonder dat zijn taxerende blik verdween. Zachtjes zoende hij mijn voorhoofd, liep naar de doeken en zette de kaarsen in een tweetal kandelaars die naast de doeken waren opgesteld.
Jonathan streelde met één vinger mijn wang en fluisterde zijn vraag of ik er klaar voor was. Ik legde mijn hand in de zijne en samen liepen we, op de laatste klanken die de langspeelplaat ons schonk, naar de doeken. Bij het eromheen lopen nam Jonathan een kandelaar mee en legde zijn vrije hand op mijn ogen. Hij leidde me naar de juiste plaats. Ik rook zweet.
“Zeg me, als ik dadelijk mijn hand wegneem, wat je ziet. Impulsief. Ik weet zeker dat je iets zal voelen. Het is voor jou”. Ik kreeg het benauwd, zijn hand leek bloedheet en hij haalde deze net op tijd weg. Zwaar ademend opende ik mijn ogen en wat ik zag drong langzaam naar binnen. Als een mes dat eerst een puntje zet, dan dieper drukt en snijden gaat. Vijf maal zag ik mijzelf. Van links, rechts, voor, achter en van boven. De spieren van mijn oogleden knepen, trokken de doeken tot vlak voor mijn netvlies en drukte ze later diep bij me naar binnen. Door mijn luchtwegen en mijn maag naar mijn ziel om zachtjes op Sophie’s graf te vallen en het te openen.
De portretten lieten me niet zozeer mezelf zien maar vooral Sophie zoals ze er nu uit moest zien. Als ik deze vrouw moest voorstellen dan scheen ik veel op mijn zus te lijken. Maar moest ik het wel voorstellen? Vlak voordat ik om leek te vallen greep Jonathan mijn schouder.
Naast diverse schaduwen had hij sproeten op de gezichten aangebracht die gelijk leken aan de sproeten van Sophie. Althans, dat verbeelde ik me.
Het feit dat ik tegen Jonathans borst leunde bracht me in verwarring evenals het feit dat hij nog steeds mijn schouder vasthield. Maar ik kon niet los komen, al mijn energie zat buiten mijzelf, leek te zweven tussen mijn lijf en de doeken. Pas toen hij me op een kruk zette wendde ik me van de portretten af en keek naar hun schilder.
“Ben ik dat?” Het klonk hulpeloos.
“Ben je zo onder de indruk van jezelf?” Jonathan moest lachen.
“Mag ik een sigaret?”
Hij stak er een voor me op en schonk een glas wijn in. Pas toen ik dat leeg had keek ik opnieuw naar Jonathan en verbrak de gevoelige stilte: “En? Wat heb je geschilderd?”
Hij streek met zijn hand door mijn haar. Ik rilde, voelde me gebruikt.
“Een meisje dat… op zoek is naar…”
“Naar wat?”
Jonathan haalde zijn schouders op, streek over mijn neus en kwam dichter bij me staan.
“Naar wat denk je? Naar wat voel je?”
Na een lange stilte waarin ik zijn hand van mijn gezicht haalde en opstond zei hij, peinzend in zijn onderlip bijtend, het antwoord helaas schuldig te zijn. Helaas.
“Breng me dan maar naar huis”. Terwijl Jonathan de kaarsen uit blies en de glazen omspoelde liep ik naar buiten waar de frisse lucht aanwezig was als op een morgen na strenge vorst.

*

Een week na mijn bezoek aan Jonathans atelier begon de herfst. Ik kwam minder vaak buiten. De diners bleven gewoon doorgaan en het leek alsof ik mij redelijk ‘doorgaans’ op kon stellen. Maar in werkelijkheid, en dat wist ik donders goed, miste ik de scherpte om iedereen aandachtig te observeren en zo het contact met eenieder helder te houden. Bij Jonathan bleef ik uit de buurt. We zaten nooit meer naast elkaar aan tafel, ik was bang voor elk mogelijk gesprek met hem. Ik was achterdochtig waar het die portretten betrof. Had hij echt mij trachten te schilderen of was het een ander? Was het Sophie? Even vaak als ik deze vraag stelde verwierp ik die mogelijkheid weer, zag ik er ineens het belachelijke van in. Aan de andere kant had hij mij iets getoond wat een tijd was weggeweest en nu, na de ontdekking in het atelier, langzaam iedere dag weer een stukje dieper bij me naar binnenkwam.
Ineens lag ik ‘s nachts weer van haar te dromen en vroeg ik me af waar ze was, hoe het met haar ging en, de meest kwellende vraag; of het niet de bedoeling was dat wij weer bij elkaar kwamen? Zouden wij beiden niet verloren zijn zonder elkaar? Of kwamen deze vragen enkel bij me op omdat ik opnieuw verliefd aan het worden was? Verliefd op een portret van mezelf. Verliefd op het beeld zoals een ander mij zag en het geschilderd had. Hoe dieper ik erover nadacht hoe banger ik werd. Op een gegeven moment raakte ik de draad volledig kwijt en probeerde ik met alle macht de noodzaak om mezelf vragen te stellen uit te bannen. Ik ging drinken, roken, snel met Jonathan naar bed, ontvluchtte mijn studie voor een uurtje snelle seks in het atelier zonder hem ook maar iets meer te geven dan dat. Maar in plaats dat het de gaten waar de vragen zaten opvulde, maakte het mijn leven kleiner. Letterlijk en figuurlijk. Deze herfst kwamen dan ook de muren van mijn kamer in beweging en zette ze zich steeds dichter naar binnen toe. Ik zag enkel nog de bank, de tafel en een raam. Een raam dat of beslagen was, of onder regendruppels zat. Zelfs de kleur van mijn pas geschilderde kamer verbleekte van rood naar lichtroze tot grijs.
Ik verloor mijn nieuwe leven in drie weken tijd. Ik verloor gewicht, at slecht en sliep evenmin. Nachten lang keek ik naar een pikzwart plafond en vervloekte de dag dat ik naar het atelier was gegaan. Die schilderijen en de herinneringen en vragen die ze opriepen hadden mijn leven compleet overhoop gegooid. Het was dan ook een logisch gevolg dat op een vroege maandagmorgen in oktober ineens de politie op mijn stoep stond. De schilderijen hadden iets in beweging gezet en ik wist niet zo snel een tegengif te vinden dat alles stop zou zetten en me mijn leven terug kon geven zoals het er ruim twee jaar had uitgezien.

Hoofdstuk V
Het Bezoek
(eind 1962)

Iedere avond, na weer en een dag te hebben beleefd waarin ik totaal in mezelf teleurgesteld was geraakt, sprak ik mijn nieuwe plannen hardop in het donker uit. Hoe ik, al was het maar voor een paar uur per dag, opnieuw structuur in mijn dagen moest zien te krijgen. Nadat ik dit ritueel negen avonden achter elkaar herhaalde stopte mijn hopeloos falen. Ineens waren daar drie dagen zonder sigaretten, drank en seks. Hoewel de chaos nog dagelijks mijn geest regeerde wist ik deze in ieder geval voor een paar uur lam te leggen waarin ik serieus studeerde, een was deed, gezond kookte of een krant las. Die paar geslaagde activiteiten maakte dat ik het voor mezelf verdiende om vervolgens een uur onder de douche te staan, in slaap te vallen of muziek te luisteren zonder de rest van de dag nog een vin te verroeren.
Zo had ik het ook verdiend om op die bewuste zaterdag in het najaar van 1962 flink uit te slapen. Toen mijn deurbel me als een alarm op deed veren sloeg de schrik me om mijn hart en strengelde de onzekerheid zich tussen de chaos als een zweepslag in mijn kop. Hoe vaak was die bel al gegaan terwijl ik lag te slapen? Jonathan kon het niet zijn. Buiten het feit dat we de afspraak hadden dat hij me nooit op zocht was het al twee weken geleden sinds we elkaar hadden gezien. Ik dook in mijn kamerjas en vloog naar mijn wastafel waar ik mijn gezicht en haren nat maakte. Mijn rode ogen keken geschrokken in de spiegel. Vlug borstelde ik mijn haar naar achteren en trok een paar schoenen aan. Met een venijnige kramp in mijn maag struikelde ik in de haast van de trap. Ik herstelde me, doodsbenauwd dat de persoon achter de deur mijn val had opgemerkt, streek nog eens door mijn haar en opende de deur.
Twee mannen van middelbare leeftijd stonden onder een paraplu in de stromende regen voor mijn deur met een pasje in hun hand.
“Mevrouw van Rome?”
Ik knikte, snakte naar adem.
“Zouden wij even mogen binnenkomen?”
Ik knikte opnieuw, streek over mijn knieën en deed de deur verder voor hen open. Beleefd als ze waren attendeerde de voorste man mij erop aan de kant te gaan. Heren gaan voor schaars geklede dames. Murw kwam ik tien treden achter hen aan de trap op, sloot de deur en sloot mijn ogen.
“Vindt u het goed wanneer ik even wat aantrek?”
De heren knikten. Voor ik me terugtrok in mijn slaapkamer zette ik nog snel een ketel op het vuur. Koffie was belangrijk, zeker nu roken niet meer mocht.
Ik bleef een minuut met mijn rug tegen de binnenkant van mijn slaapkamerdeur staan, hoorde de heren uit hun stoelen komen en aan een gang door mijn kamer beginnen. Ik kneep in mijn hals, wilde het kloppen en gloeien doen stoppen. Snel schoot ik in een schone trui en trok een broek aan, ging nog een keer met mijn kop onder de kraan en raapte een nieuw paar sokken uit de mand. Ik spoot een luchtje op waarvan ik misselijk werd en sloeg voor het eerst sinds jaren weer een kruis. Ik wist waar ze voor kwamen, ik had ze uitgedaagd, het noodlot verzocht. Ik snoof, sloeg mezelf op de borst en ging naar binnen om op de spreekwoordelijke blaren te zitten.

Nadat ik met een dienblad op de beide heren was toegelopen en koffie had gegeven, streek ik neer in de bank. Mijn handen warmde zich aan mijn mok. Terwijl ik zachtjes over de drank blies trok ik mijn wenkbrauwen zo hoog mogelijk op – of de heren wilde beginnen. De oudste en breedste van het stel kuchtte, ging verzitten en graaide in zijn jaszak. In de tijd dat de man met de enveloppe op me af liep begon de jongere heer te kuchen. Alsof het diverse keren strak gerepeteerd was trok brede de inhoud uit de verpakking terwijl de jonge zijn vraag stelde: “Dit is uw zuster?”
Heel even floot en suisde het in mijn schedeldak. Ik morste wat koffie. Toen ik weer opkeek zag ik eerst de natte, grijze stof van een regenjas die rook naar een oude tas met gymspullen die te lang in een hoek had gelegen. Mijn kamer stond schuin en ik richtte mijn blik op de foto in de brede, schurftige hand van mijn gast. Tussen zwarte afgekloven nagels en smoezelige vingertoppen stak mijn beeldschone zuster. Haar betrapte gezicht droeg een ondeugende glimlach. Ze keek tegen de zon in. Ergens, diep in mijn maag, liep een lange brede band leeg die zich vervolgens als een prop in mijn keel vastzette. Even genoot ik van haar pracht en mijn verliefdheid, blij eindelijk weer over helder en verklaarbare gevoelens te beschikken. Toen nam mijn gevoel weer een duikvlucht bij het zien van de jongeman rechts van haar. Wie was hij? Hoe recent was deze foto? Was ze gelukkig? Waar was ze? Waarom heb ik zolang niks van haar gehoord? Waarom waren deze mannen hier? Waarom kwamen ze bij mij? De vragen bleven steken in mijn keel en ik staarde met troebele ogen in het norse gezicht van de man die mij mijn liefde toonde. Onder diep gebogen doorlopende wenkbrauwen trok zijn verdachtmakende blik over mijn lijf. Mijn gezelschap had beduidend minder moeite met het stellen van vragen. Als rijpe appels vielen ze van de boom en ik zakte weg in een zuigende pap die me lamlegde en pijnlijk mijn achterstand op de hele situatie bij me naar binnen hamerde.
“Nogmaals,” vroeg de jonge man “is dit uw zuster?”
Ik knikte en nam een slok om iets weg te slikken.
“Wanneer heeft u haar voor het laatst gezien?”
Ik haalde onzeker mijn schouders op: “We waren nog kinderen”.
“Hoe was uw verstandhouding met Sophie?” Was. Hoezo was?
“Zij is mijn dierbaarste vriendin”. Ik schrok van mijn eigen openhartigheid. Toch voelde ik tegelijkertijd ook trots en arrogant keek ik naar de twee rechercheurs die elkaar een kort moment verbaasd aan zaten te staren. De oudste zoog op zijn kapotte nagels.
“Waarom heeft u haar dan zoveel jaar niet meer gezien?”
“Omdat dat niet mocht. Niet van mijn oma, niet van haar moeder. Ze verdween uit mijn leven. Een adres heb ik nooit gekregen en mijn oma, als ze al wist waar ze woonde, zweeg als het graf”.
“Enig idee waarom ze dat deed?” De dikke rechercheur keek me venijnig aan.
“Jazeker!”
Stilte.
“En dat idee is?” De foto werd weer in de binnenzak geschoven.
“Omdat we van elkaar hielden. Te veel van elkaar hielden?”
“Zou u het erg vinden iets specifieker te zijn?”
“Ja, dat vind ik erg. Niet uit schaamte, maar om het feit dat ik me blijkbaar moet verdedigen en ik niet weet waarvoor. Wat is er met mijn zus? En wat weet u daarvan? Waar is ze?”
“Ze is vermist. Al vier weken. Wij weten niks… Nog niks… Hier heeft u het telefoonnummer van haar moeder. Ze vroeg ons u dit te geven wanneer we bij u zouden langs gaan… Maar, u heeft niks van haar gehoord?”
Ik schudde mijn hoofd, nam nog een slok en zag hoe de jongste een stukje papier op het midden van de tafel legde. Het nummer, een opening van Maria. Te laat.
“U weet dat ze een kind heeft?”
Ik verslikte me en hield met moeite mijn koffie binnen. Mijn ogen prikten. “Wat voor een kind?”
“Een meisje. Vier jaar oud! En u weet heel zeker dat u haar in geen jaren hebt gezien?”
Ik wist niet wat ik voelen moest. Een dochter… Ik was tante van de dochter van Sophie… Die ze verlaten had…
“Ik wou dat het wel zo was”. Ik moest hoesten.
“U heeft dus ook geen enkel idee waarom ze weg is gegaan of wat er met haar is gebeurd”.
“Een oude familiekwaal”.
De twee heren zetten gelijktijdig hun kopje op de tafel tussen ons in terwijl ze schouderophalend vroegen wat ik bedoelde.
“Weglopen. Dat is een oude familiekwaal. Dat heeft wellicht…” Ik dorst het niet te zeggen.
“Dat heeft wat?”
“Heeft waarschijnlijk met liefde te maken”. De mannen bleven kijken of ze me niet begrepen.
“Onze vader is ook weggelopen”.
“Dat weten we”. De jongste wuifde mijn laatste bekentenis weg en voor het eerst in mijn leven voelde ik hoe mijn bloed ging koken. Echt ging koken.
“Wat bedoelde u zo-even met ‘te veel van elkaar houden’?”
“Dat we met elkaar naar bed gingen. Zou u zo vriendelijk willen zijn nu te vertrekken?”
De beide heren stonden op, gaven me een kaartje (om me met hen in verbinding te kunnen stellen voor het geval ik iets belangrijks was vergeten of even wilde praten) en deden de belofte me van hun ontwikkelingen op de hoogte te houden. De oudste deed zijn best beminnelijk te knikken. Ik sloot mijn ogen en keek pas weer op nadat de deur al tien minuten dicht zat. Ik keek rond, rook regenjas en constateerde dat het eigenlijk vreselijk smerig was. Ik voelde me definitief verlaten. Door mijn vader, mijn oma en nu ook door mijn zus, om het compleet te maken, om me te doen geloven dat het niet anders met mij kon gaan dan op deze manier. Heel even verdween ook het idee dat Sophie niet voor deze situatie had gekozen. Ook voor haar moest het blijkbaar zo gaan, op deze manier.

*

Met grote passen gleed ik over de bevroren klinkers en omarmde de vrieskou als een warme minnaar. Drie dagen had ik op mijn bank gelegen zonder in slaap te kunnen vallen. Als een groeiend, niet te onderdrukken gezwel, stapelden de vragen over mijn jeugd, Sophie en haar verdwijning zich in mij op. Met drank en sigaretten maakte ik mij uur na uur sterk om alle banden met Sophie te verbreken en te besluiten mezelf te herpakken, met dit leven in Amsterdam door te gaan als nooit tevoren. Luttele tellen na het legen van een glas of het uitmaken van een peuk drong het besef door dat er geen ‘mezelf’ was en dat een ‘Amsterdams leven’ niet haalbaar was door het gebrek aan ‘mezelf’. Zeker niet na deze akelige wending, deze angstige omwenteling die zoveel vragen opriep. De situatie trok me weer naar die liefde, maakte dat mijn kop vol met zorgen om haar kwam te zitten. En weer verloor ik mezelf en kroop in mijn verloren liefde en in haar mysterieuze verdwijning.
Toen na drie dagen de erotische fantasieën over Sophie weer begonnen te leven en ik merkte dat mijn spieren te vast zaten om mezelf te kunnen bevredigen greep ik naar de lichtschakelaar en pijnigde mijn ogen, nam een douche, maakte naakt het huis schoon en hees me in een fris stel kleren. Mijn besluit stond vast. Ik zou haar gaan zoeken. En met dat besluit bevrijde ik me uit mijn isolement en holde de koude nacht in waardoor mijn huid slaag kreeg van de striemende kou. Wakker. Wakker moest ik worden. En fit! Weten moest ik. En snel! Wat moest ik weten? Wat waren de verbanden? Wie was mijn moeder? Wie was mijn vader en waarom liet hij ons alleen? Waarom weigerde mijn oma zijn weglopen en al haar angsten te verklaren? Waarom wilde Maria geen contact meer? Wie had Sophie waar leren kennen? Was ze verliefd geworden? Was het kind uit liefde geboren? Wat had haar doen vluchten? Waar moest ik beginnen? Schrijven met mijn oma? Schrijven met Maria (wat was haar adres?) Waar was haar man? Misselijk van de vragen en het dolle rennen greep ik me vast aan de reling van de brug over de Prinsengracht en spoog ik al mijn vragen in het koude water. Met het bijtende zuur in mijn strot kneep ik mijn handen blauw om het ijzer. Ik opende mijn ogen en hield één vraag over: Waar was Sophie? Want zij was mijn jeugd en bleef mijn leven. Zij was de grond van mijn bestaan. Door de essentie te grijpen zou ik vele nare confrontaties omzeilen en veel kostbare tijd besparen. Deze keuze die ik toen als dapper, verstandig en constructief zag werd in werkelijkheid genomen uit een diep verlangen naar bondgenootschap en liefde doorspekt met erotiek. Ik wenste een schoot, een huis, een plaats, een oorsprong omdat het zonder dat alles niets met mij zou worden. Opgesloten door deze feiten duwde ik het slachtofferschap ver van mij af en zag het heldendom als zoeker en redder van mijn lief. Alleen in die rol zou ik haar kunnen vinden. Ik voelde me opgelucht en grabbelde de huissleutel uit mijn jaszak, haalde diep adem en nam de snelste route naar mijn bed. Ik sliep, ongehinderd door welke droom dan ook, vierentwintig uur aan één stuk tussen schone lakens in een frisse kamer.

*

Het was fris in mijn hoofd, mijn ideeën waren vers en ik voelde me gemotiveerd als nooit tevoren. Het had me geen enkele moeite gekost om het kaartje ter hand te nemen en het nummer te draaien.
“Natuurlijk mevrouw. U kunt hier naar toe komen, wij willen ook naar…”
“Komt u maar hier naar toe. Ik ben wat vergeten en wil even praten”.
“Kunt u ons enigszins aangeven waar…”
“Nee. Voor wat hoort wat. Ik wil een adres van u. Het adres van Maria, de moeder van mijn zus”.

En zo liet ik de volgende ochtend voor de tweede keer in korte tijd de heren van de recherche binnen. Het leek alsof er een bizarre wisseling van rollen had plaatsgevonden. Ik was monter, voelde me wellicht wat opportunistisch.
Alles had ik uitstekend geregeld. Mijn studie zou niet in het slop raken. Iedere week hield ik, door van maandag tot en met donderdag als een bezetene te werken, de vrijdag, zaterdag en zondag vrij voor mijn zoektocht. Nu was het vrijdag, het weekend lag voor me en de beide heren, gelokt in het hol van de leeuw, zouden mij gaan helpen. Ze kregen de bank, ik schonk koffie waar ik extra mijn best op had gedaan, het huis was piekfijn aan kant en ik droeg mijn beste jurk. De heren waren nieuwsgierig, verre van ontspannen. Hun ruggen raakten de leuning niet, ze zaten naar voren. De één krabde met zijn nagels over oneffenheden op diens vingers, de ander streek voortdurend met twee vingers over het boordje van zijn blouse. Brutaal trok ik een schoon blocnote uit mijn la, schroefde de dop van mijn vulpen en ging zo gewapend en uitdagend tegenover mijn gezelschap aan de eettafel zitten. Ik zat hoog, zij laag. Ze waren van hun stuk gebracht en de één wachtte tot de ander zou beginnen. Maar ik was hen voor.
“U heeft het adres waar ik om vroeg?”
“Oh… Jazeker, hier heb ik het. Alstublieft”. Het was komisch om te zien hoe de lange opstond om de enveloppe bij mij op te tafel te komen brengen. De nood was hoog, het onderzoek moest muurvast zitten.
“Bent u al aardig op streek?” Er viel een korte stilte, men keek elkaar aftastend aan. De kleine nam het woord.
“Het is… Het is lastig mevrouw. We hebben geen enkel spoor. Helaas. Wij hoopten dat u…”
“Ik heb u inderdaad niet voor niets laten komen. Althans, dat hoop ik. Even was ik bang dat ik u wellicht met mijn verhaal een verkeerde kant op zou sturen. Dat zou uiteraard niet mijn bedoeling zijn. Mijn verhaal, mijn intuïtie moet u op waarde schatten”. Ik voerde de spanning op door uitgebreid onze koppen opnieuw met koffie te vullen. Benen werden over elkaar heen geslagen, oren werden bekrabd, hun blikken bleven aan mij kleven. Nadat ik weer rustig aan mijn tafel zat en deed of ik iets opschreef rechtte ik mijn rug, roerde in mijn koffie en wachtte tot de klok al zijn elf slagen had geslagen.
“Heeft u werkelijk naar mijn zus gezocht?”
“Wij hebben heel Eemshaven uitgekamd mevrouw. Daar woonde ze, samen met haar man bij haar moeder. Normaal gesproken verwacht je iets, al is het nog zo klein… We hebben niets gevonden. Helaas. Geen kleren bijvoorbeeld, geen brieven uit de tijd na haar vermissing, er kwam geen contact van iemand die de ontvoering op zou eisen, er was…”
“Had u dat dan verwacht?”
“Wat?” Het klonk verstrooid.
“Dat iemand een ontvoering op zou eisen?”
Er viel weer een stilte waarin het wisselen van blikken eerder een formaliteit dan een uitzondering betrof. Dit hele bezoek was belachelijk, onwerkelijk.
“Daar gaan we nog steeds vanuit”.
Stilte. De ogen van de kleine man vernauwden zich en trachtten mij te grijpen. Ze waren nieuwsgierig, ze hadden honger, ze waren dronken van het peuren in een groot niets.
“Mag ik concluderen dat u ons uitgangspunt merkwaardig vindt?”
“Merkwaardig? Ik vind het volkomen belachelijk en ik vraag mij af waar u die veronderstelling op baseert”.
En weer was daar enkel het zware tikken van mijn klok. Ik hield vol, liet me niet intimideren. Ik dwong ze tot het stellen van hun vraag, ik trok hier aan het koord en ik zou wachten tot ze in hun zwijgen zouden stikken. Rood was de kleur van hun huid, piepend hun ademhaling.
“Wat denkt u dan mevrouw? Wat was u vergeten te vertellen?”
Dit was het moment om met scherp te schieten op alles wat mijn liefde vernietigd had.
“Ze is niet ontvoerd. Ze is vermoord. Ik weet het al een hele lange tijd, ik ken alleen haar moordenaar niet, enkel haar verwekker. Graaft u eens in de tuin van mijn oma. Onder de drie wijzen zult u haar stoffelijk overschot vinden. Dat zweer ik u”.
“Mag ik weten hoe u tot die hypothese bent gekomen?”
“Door mijn jeugd. Voor de rest zal ik op deze vragen, net als u daarnet, moeten zwijgen. Verder weet ik niks”.
Toen ik de heren had uitgelaten wezen de wijzers van mijn klok dat het vijf voor twaalf was. Ik had nog de hele middag.

Hoofdstuk VI
Eemshaven
(januari 1963)

Een week voor mijn bezoek moest Maria mijn kaart hebben ontvangen. Ze verwachtte me.
Nadat de bus me op een stormachtige weg had afgezet en ik schuilend in mijn jas de ijzel had getrotseerd zag ik haar boerderij aan de rechterkant liggen achter een paar treurige knotwilgen, tegen de dijk aan het water. Bij binnenkomst trof ik de hele familie, of wat daar van over was, om de kachel in de woonkamer. De gezichten waren wit, die van Maria zwart en grijs. Als een vogel stortte ze zich op me in de deuropening, ik legde mijn kin op haar gehaakte vest en keek naar Erwin, Sophie’s man en Julia, Sophie’s dochter die aan Maria’s been hing en op een koekje sabbelde. Er was geen spoor van Sophie in het gelaat van haar dochter te herkennen. De afstand was zo groot geworden en dit huis een poel van het onbekende. Ondanks alle informatie over deze familie die ik middels het politierapport had verkregen was de verrassing groot. Ik moest mijn adem inhouden om sentimenteel gesnik te voorkomen. In plaats daarvan schudde ik handen en noemde mijn naam. Het onwezenlijke van de hele omstandigheid werkte verstikkend en om mijn aandacht een andere richting op te sturen nam ik het interieur van de klassieke boerderij van top tot teen in me op. En terwijl mijn blik langs schouw, servies, klok, schilderij, kachel en ramen ging vroeg ik mij angstig af hoe ik Sophie in godsnaam terug moest vinden, hoe ik ooit de afstand langs al dit onbekende af zou moeten leggen en ik besloot naar Erwin te kijken, goed te kijken. Zonder me af te vragen hoe hij dit zou vinden of wat hij zou voelen. Zijn lijf, dat normaal groot en stevig moest zijn, stond krom. Het witte, huilerige gezicht met wantrouwende ogen deed me geen greintje medelijden voelen. Ik voelde me eerder superieur. Ik veroordeelde deze broze man die, zonder het ooit geweten te hebben, nooit een kans op de liefde van Sophie moet hebben gehad. Ik staarde naar zijn onverzorgde sluike haar tot ik misselijk werd en wegkeek richting het landschap achter de gedeeltelijk bevroren ruiten waar wit weiland als een eenzaam niets deze man zijn uitzicht was. Als Erwin de scherpzinnigheid had gehad om te beseffen dat liefde van haar nooit mogelijk zou zijn en de daadkracht had om met haar te breken was Sophie niet verdwenen. Ik voelde woede en walging, was vastbesloten hem te laten boeten. Ik maakte kennis met een stuk van mezelf waarvan ik niet wist dat het bestond.
“Kom kind, ik breng je even naar je kamer. Ik ga er vanuit dat je het weekend blijft”. Maria pakte mijn tas, ik maakte een knikje naar de man tegenover me en volgde mijn stiefmoeder.

De vloer kraakte onder onze voeten en het raam klapperde in zijn sponning van de wind. Maria zette mijn tas op het bed en stortte op het matras. Ze legde haar kin op d’r borst en sloot een moment haar ogen, vocht tegen tranen, zocht naar woorden en nam mijn hand in de hare. Ik ging naast haar zitten en kuste haar oprecht op d’r rimpelige wang. Ze nam een grote hap lucht en keek me met een treurige glimlach aan, streelde mijn haar en zoende mijn hand.
“Ik had nooit weg moeten gaan… Ik had… Ik had geen gezag over jou”.
“Oma”.
Ze knikte.
“Gisteren belde ze me boos op. Ze zocht je en vroeg of ik wist waar je was. Ik loog, heb niet verteld dat je vandaag naar ons toe zou komen. De politie heeft haar hele tuin afgegraven en vonden het kinderlijkje… Het broertje van Sophie…”
Ze huilde en streek over haar buik, leek contact te willen maken met de plek waar ze hem het laatst gevoeld had.
“Je had ze daar nooit op af moeten sturen. Dat had je niet mogen doen. Het is niet daarom dat ze… Het is niet daarom dat ze weg is gegaan”.
“Ze had een jongen willen zijn, Maria. Ze had haar broertje willen zijn. Dan had ze nu ook nog een vader gehad”. Geschrokken door het uitspreken van mijn weinig fijnzinnige conclusie wende ik mijn gezicht af. Verrast door haar koude handen die liefdevol mijn kin pakte en m’n gezicht naar haar toe draaide keek ik in haar troostende ogen: “Die veronderstelling heb ik ook lang gehad. Maar daarom is ze niet vertrokken liefste. Ze wilde van jou kunnen houden en je oma heeft dat tegengehouden. Niet uit haat maar uit angst. Daarom weet ik zeker dat ze je op gaat zoeken. Dat is mijn enige troost”.
“Kent Erwin deze gedachte van jou?”
Ze schudde resoluut haar gezicht: “Als ze je ooit weet te vinden dan is het vroeg genoeg”.
“Ik ben niet zo optimistisch”.
Wederom pakte ze mijn kin en streek met haar vingers langs mijn kaken: “Ze leeft, lieveling. Heus, ze leeft”. Ik sidderde en voelde me voor het eerst sinds tijden geborgen. Alle kracht die ik verzameld had om dit bezoek aan te kunnen vloeide uit mij weg. Totaal bevrijd en euforisch om het feit dat mijn mysterieuze en geheime liefde voor Sophie door haar moeder was gekend en begrepen schurkte ik me tegen haar aan en legde mijn gezicht in haar warme schoot. Haar vingertoppen namen mijn tranen op en snotterend betuigde ik spijt: “Wanneer ik je zie voel ik me schuldig… Je pijn, je verdriet… Het is zo onwerkelijk voor me om je na zoveel jaren te zien. Dat je me liefdevol binnenhaalt en dat ik, alsof de tijd niet heeft bestaan, met je praten mag over liefde, over een verborgen jeugd waarover ik mezelf tot grote wanhoop heb kapot gepeinsd. Dat uitgerekend deze gebeurtenis en de politie me bij je brengen is haast bedrog aan…”
“Ssst… Ik ben blij dat je gekomen bent. Ik voel dat je liefde nog niet over is. Sophie zal terugkomen. Blijf een paar dagen, dan praten we wat en geven troost. Maak kennis met Erwin en merk dat hij niets heeft misdaan. Hij verdient geen haat. Hij heeft zijn best gedaan”.
Het feit dat ze mijn gevoelens jegens haar schoonzoon zo scherp had waargenomen had iets bemoedigends en het leek of het goed was.
Ik hield mijn hoofd in haar schoot en liet me strelen door haar handen. Luisterend naar haar liedjes van vroeger, met op de achtergrond de storm, viel ik beschut in slaap.

*

Traag kropen flarden mist om onze voeten. De dijk was lang en onbekend. De afstanden tussen de ene stal en de volgende schuur gaf me vaak de tijd om een hele sigaret te roken. De ogen van het vee, die zo nu en dan uit de grijze slierten tevoorschijn kwamen, bekeken mij alsof ik een indringer was. En eigenlijk voelde ik me dat ook.

Nadat ik die middag was wakker geworden van geuren uit de oven ben ik naar de badkamer gegaan en heb mij met alle middelen die ik tot mij had opgeknapt. Toen ik beneden kwam had Maria een lunch klaar staan waar we alle vier van aten. Daar, aan die tafel onder die lamp, in de schemer van de kamer, werd het gevolg van mijn komst voor het eerst voelbaar. Indringer. Ik was en bleef iemand uit een andere tijd die zonder iets te melden over het verdwijnen van de moeder binnenkwam in hun gezin, opgenomen werd door hun oma, hun troost. Ik was in slaap gevallen en aangeschoven en sneed een bolletje open terwijl vader en dochter me argwanend bekeken. Ik legde mijn brood en bestek neer en hield, zonder van tevoren over mijn tekst na te denken, een korte rede: “Ik heb Sophie maar kort gekend, enkel als kind. Maar ik moet jullie zeggen dat ik nooit van haar los gekomen ben. Ze heeft een onaantastbare uitstraling, ze is een mysterie voor me waar ik nooit uit zal komen. Ook nooit van los zal komen. Daarom ben ik hier, uit liefde voor uw vrouw en moeder. Als ik ergens mee helpen kan, laat me helpen. U mag alles van mij weten”. Langzaam verdween de achterdocht en ik zag een voorzichtige glimlach opkomen in het gezicht van Erwin en zijn dochter. Schuchter lachte ik terug en pulkte aan mijn broodje.
Het was Erwin die als eerste reageerde: “Leven, Lesbia, is liefhebben en geen rode duit geven om het gebrom van oude heren. Catullus, Latijns dichter omstreeks 70 voor Christus”. Vlot nam ik een paar slokken thee om mijn verbazing weg te spoelen. Toen ik mijn kopje had neergezet en mijn wenkbrauwen naar Erwin had opgetrokken vroeg hij mij om een wandeling.

Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en groeide met iedere meter die onze voeten maakte. Toch hield ik wijselijk mijn mond, wilde niet nog opdringeriger zijn als een indringer kan wezen. Na de laatste boerderij voor het dorp lag in een haakse bocht Café ’t Schuitje. Erwin wuifde ten teken me daar te willen spreken. Onbewust versnelde ik mijn passen en langzaam maar zeker leek de mist iets op te trekken.

Een loeiend haardvuur begroette ons vriendelijk alsmede een oud vissertje aan de bar die de enige bezoeker leek. Achter de tap droogde een oudere vrouw glazen. Haar neus trilde toen ze mij zag. Eenieder wist hier natuurlijk van de mysterieuze verdwijning en vroeg zich af wat de achtergebleven echtgenoot met een vrouw in een café moest. Erwin bestelde twee koffie en we namen plaats in een nisje, onder zwarte balken waaraan allerlei visserstuig hing. Toen de koffie door de zwijgende dame voor ons was neergezet legde Erwin een enveloppe op tafel naast een druipende kaars die knetterde in het vet.
“Een mysterie noemde je haar… Een mysterie was ze… Een mysterie was ons huwelijk en een mysterie is ons kind. Sinds ik op haar verliefd werd ben ik mezelf kwijt of heb ik mezelf gevonden. In ieder geval ontbreekt sindsdien elke structuur of logica”. Erwin roerde oneindig lang in zijn koffie en keek over mijn schouder in een verte die ik niet kende, tastte zijn herinnering en gevoelens af zonder mij aan te kijken waardoor ik hem scherp kon observeren.
“Haar liefde was als een hypnose. Ze was zorgzaam zonder het met woorden te verklaren. Ze zorgde voor me. Punt. Nooit sprak ze verklarende woorden of bevestigingen die bij de liefde horen. Wellicht kwam het omdat ze zo jong moeder werd… Ik heb, althans dat hoop ik, haar ware liefde mogen proeven. Maar ik betwijfel of ik haar echt heb gekend”. Hij bestreek de enveloppe en keek me aan. “Twee weken geleden ontving ik deze brief, een kopie heb ik opgestuurd naar het onderzoeksteam. Per omgaande kreeg ik een brief waarin ik hiervoor werd bedankt. Veel verder zijn ze er helaas niet mee gekomen… Ik heb al jaren een boekhandel in Groningen maar van Catullus had ik nog nooit gehoord. Lees hem, wellicht zegt het jou iets. Iets vaags uit een ver verleden, een herinnering die ik niet ken…”. Voorzichtig nam ik de enveloppe aan terwijl Erwin iets te flink mijn behoedzaamheid wegwuifde. In dat gebaar geloofde ik niet en maakte met hetzelfde respect de brief open als waarmee ik hem had aangenomen. De kaars doofde in zijn eigen vloeisel terwijl ik het vel glad streek en de raadselachtige tekst begon te lezen.
2 januari 1963

Geachte heer E.W. Zeeman,

Als verlosser van uw geliefde’s lot wend ik mij tot u als een heer, een man die niet weg loopt voor zijn daden. Ik, Catullus, kende de diepe zieleroerselen uwer vrouw. Kende haar ware liefde en haar geschiedenis. Beide behorend tot een verleden dat zo ver van het heden ligt dat het onmogelijk met elkaar te verenigen is.
Wanneer uw liefde voor haar zuiver is en uw wens haar geluk behelst vertrouw dan. Vertrouw dan op de verlossing van uw vrouw, moeder van uw kind, die reeds heeft plaats gehad.

Leven, Lesbia, is liefhebben
En geen rode duit geven
Om het gebrom van oude heren.

De zon gaat uit, gaat aan.
Als ons licht eenmaal is uitgedoofd,
Wacht ons de nacht – voorgoed.

Geef me duizend-en-een zoenen,
En duizend-en-een erbij
En duizend-en-een tot slot.

En zo duizend keren
Tot we de tel verliezen
En het getal vergeten.

Zodat geen boze tong jaloers
Kan zijn als hij te weten komt
Hoeveel het er zijn geweest.

Lesbia, Lesbia
Caelius, Lesbia, onze Lesbia,
Die Lesbia die Catullus ooit meer
Liefhad dan zichzelf, dan wie ook,
Stroopt nu in straten en sloppen
Romes hoogverheven geslacht af.

Als bewijs dat mijn woorden uw vertrouwen verdienen doe ik u hier haar trouwring toekomen en een lok van haar rode haar, zodat u haar begraven kunt en een goedwillend maar onzuiver verleden kunt begraven.

Catullus.

Begerig graaide ik over de bodem van de enveloppe en vond de ring en een rode lok van Sophie. Onbeschaamd bracht ik het haar naar mijn neus en rook. Zoet.
Pas toen keek ik op naar het betraande gezicht van Erwin.
“Wie is die man? Wat heeft hij met haar gedaan? Hoe moet ik dit ooit aan Julia uitleggen en wat heb ik verkeerd gedaan? Wat bedoelt hij met onzuiver verleden? Waarom wil hij dat ik iets afsluit?”
Ik pakte zijn hand en wreef over zijn vingers. “Als het waar is dat Sophie nog leeft, dan leeft ze dankzij jou. Ik zal haar vinden”.
“Waarom? En waar is ze?”
“Ik weet net zoveel als jij Erwin. Bedankt voor je vertrouwen”.

Na koffie en twee stevige borrels verlieten we het café voor de invallende duisternis en zwegen omdat al onze woorden zouden vervliegen in een aanwakkerende storm.

*

’s Nachts floot de wind scherp

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens