woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - De Geheime Liefde van Paus Johannes Paulus I
Gepubliceerd op: 15-07-2002 Aantal woorden: 6368
Laatste wijziging: - Aantal views: 2456
Easy-print versie Aantal reacties: 3 reacties

De Geheime Liefde van Paus Johannes Paulus I

Rik van Schaik


De Geheime Liefde van
Paus Johannes Paulus I

Een woord vooraf

Ik schrijf dit niet uit wraak maar uit liefde.
Mijn naam is Filippo Gelli, de geheime liefde van Albino Luciani, beter bekend als Paus Johannes Paulus I. Velen hebben zich de afgelopen jaren bezig gehouden met de onverwachte dood van deze geliefde Paus. Nu het einde van mijn leven nadert zal ik helderheid verschaffen over ‘Het Geheim’ en de ‘Mysterieuze Dood’ van de man die slechts drieëndertig dagen aan het hoofd van de Rooms Katholieke kerk heeft gestaan. Ik doe dit niet uit ergernis over al mijn voorgangers die het over geld en maffia hadden – Zeker: Ik heb mij hieraan gestoord. Maar een oorzaak moest immers gevonden worden en daar heb ik begrip voor. Nee, ik schrijf deze ‘verklaring’, ‘getuigenis’ of hoe u het noemen wil om drie heldere redenen. Allereerst omdat ik de enige ben die beschikt over de woorden van Albino Luciani zelf: Ik gebruik immers zijn aan mij gezonden brieven, of fragmenten daaruit, alsmede zijn aan mij nagelaten dagboeken. Ten tweede: Paus Johannes I was een bescheiden maar wel degelijk sterke Paus. Hij zou nooit het onderspit hebben gedolven tegen mensen die met geld knoeiden: Albino Luciani was een man die zich met de essentie van het geloof bezig hield: Liefde, gelijkheid voor allen, rechtvaardigheid en vernieuwing. Natuurlijk had Luciani tegenstanders in en rond het Vaticaan, dat zal ik niet ontkennen: maar met zijn dood heeft het niets te maken gehad. De derde en tevens meest belangwekkende reden voor het opschrijven van dit verhaal zit hem in de man zelf, of in de liefde voor de man. Ondanks het feit dat Albino Luciani en ik elkaar na 7 juli 1935 nooit meer zagen is onze liefde blijven bestaan middels talloze brieven. De dag dat Luciani tot priester werd gewijd in de San Pietro te Belluno en ik hem liefdevol feliciteerde was de laatste dat wij elkaar zagen.
De kerk die mijn vriend met zoveel toewijding diende heeft zijn liefde altijd afgekeurd. Er zal zeker flink wat afkeuring klinken uit het Vaticaan en de ‘Roomse Heisa’ zal groeien als nooit tevoren met het verschijnen van dit document. Mag ik u nu verzekeren dat dat ver weg ligt van mijn bedoelingen met het schrijven van dit verhaal. Toch voelt het alsof zijn wijze woorden en liefde de ware daden zijn die deze Paus heeft verricht. Daarom moet ik dit opschrijven. Een monument voor mijn liefde: Een man die helaas niet de kans gekregen heeft een kerk te maken zoals hij die zag. De kerk is nooit verder gekomen sinds hij het Vaticaan verliet. Ik wel sinds hij uit mijn leven verdween voor het ambt van Priester en later dat van Paus.


Psalm 7
David door wreede vijanden omringd, stelt zijn vertrouwen op God, en beroept zich op zijne onschuld.

Op het seminarie van Belluno, 1927
Het dichtvallen van het luik boven mij klinkt dof. Alles is pikzwart en ik sluit mijn ogen. Probeer mijn moeder te ruiken en zie haar voor me: Haar armen naar me uitgestrekt, haar ontvankelijke schoot aanbiedend. Wat zou ik daar graag gaan zitten, mijn hoofd onder haar kin drukken. Wanneer ik mijn vader toelaat in deze fantasie hoor ik hem zeggen: “Als jij het niet was die de inktpotten om liet vallen, wie was het dan? Wijs hem aan! Laat niet met je sollen! Wat voor een beeld krijgt men daar van jou als jij je steeds voor andermans daden laat hangen?” Ik open mijn ogen. M’n wimpers zijn vochtig. Wanneer mijn ogen langzaam gewend zijn aan het donker ontwaar ik achter de spleten, die tussen het luik en de keet vallen, het zonlicht. Thuis genoot ik van dit weer, de geuren in de tuin zijn dezelfde als die hier in de boomgaard hangen. Waarom verstop ik me hier? Waarom sluit ik me niet aan?
“Waarom huil je?”
Ik schrik van de stem. Voel me verward. Ben ik te zien? Zit ik samen met een ander die me in het weinige licht observeert? Ik ben ongelovig en stel een onnozele vraag: “Is daar iemand?” Heel even is het stil, dan schuift er iets over het oppervlak van de houten vloer langzaam in mijn richting. Ik voel een aarzelende hand die mij aftast op mijn dijbeen. De geur van jong zweet snuif ik angstig op terwijl ik heus besef dat, wie het ook is, hij het niet kwaad met me voor heeft. De hand laat mijn dijbeen los en een warme plek na. Dan voel ik hem weer: in mijn hals deze keer. Ik voel kippenvel en ril wat. Dan spreekt de stem opnieuw: “Ssst. Je bent nooit alleen. Nooit.” Zijn hand lijkt mijn starre hals licht te masseren. Hij wrijft steeds een iets groter oppervlak. Van boven mijn rug wrijft hij tot onder mijn haar. Ik voel me warm worden en adem iets sneller. Toch voel ik me kalm en wacht op meer woorden en meer troost. De woorden komen niet. Wel voel ik een tweede hand op mijn borst komen, langzaam aait deze de rondingen rond mijn tepels. De jongen die tot mij sprak moet van mijn leeftijd zijn en ik vraag me af waarom hij hier opgesloten zit. Mijn gevoel streelt het vermoeden dat het iets te maken moet hebben met hetgeen hier en nu tussen ons aan de gang is.
Mijn ogen wennen meer en meer aan de donkerte en ik zie vaag waar de warme adem, die mij nu omringt, vandaan komt. Een blank gezicht met lichte sproeten dragen zwarte ogen. Zwart, vochtig, melancholiek… Er dringen zich vragen aan mij op: Waarom de jongen hier zit? Hoe de jongen mijn angsten kent? Waarom hij me tracht te troosten? Maar ik stel ze niet. Kippenvel kruipt over mijn huid wanneer de hand van mijn medegevangene steeds lager over mijn buik wrijft om uiteindelijk uit te komen bij mijn broek. De snellere ademhaling zaait verwarring: Hoor ik de jongen, of is het enkel mezelf? Ik wil zwijgen, in stilte de troost z’n werk laten doen maar het lijkt als vanzelf te gaan wanneer ik zeg onschuldig te zijn. Bang dat deze woorden hetgeen wat nu met me gebeurt zal stoppen spreek ik ze uit en merk dat ze zacht klinken, rustig, in woorden die heel zijn en niet door zenuwen gebroken. Niets stopt, alles blijft zoals het is en ik vraag me af of de jongen ze wel gehoord heeft, of ik de woorden überhaupt wel gesproken heb. Mijn lippen worden warm en nat, ik ruik de zoete geur van jongensvlees en laat me teder kussen terwijl de jongen mijn geslacht omvat. Wat hier gebeurt bestaat, dat heb ik altijd geweten. Maar ik heb nooit kunnen geloven dat het ook met mij kon gebeuren. Ik sluit mijn ogen en mijn onderlijf schuift met kleine schokjes tegen mijn metgezel aan. “Was het daarom dat je zong? Psalm 7, van David?”
Hij heeft m’n woorden verstaan, maar heb ik ook gezongen? De verleiding om hem alles uit te leggen en daarbij mijn ogen te openen is groot. Ik doe het echter niet. Met gesloten ogen hul ik me in lekkere geuren en fijne strelingen, bang om de betovering te verbreken. Ik geef wel een antwoord, hoewel het slecht te horen moet zijn: Ik beef en vertel dat mijn moeder dat altijd zong. De jongen schuift dichter tegen mij aan en ik voel dat hij naakt is. Ik zou moeten schrikken maar zak in plaats daarvan verder onderuit en leg mijn hoofd tegen zijn borst. Z’n hand wrijft over mijn billen terwijl hij me verrast met woorden die ik nooit vergeten zal: “Je moeder is dus van de andere kant… Een moeder die zingt geeft les en troost zonder dat ze je klein houdt. Melodieën en teksten gaan lang mee, zelfs tot hier… Toch kun je beter maar op één man vertrouwen…” Hij spreekt de naam van die persoon niet uit en ik schrik dat ik er zolang over doe eer ik begrijp wie hij daarmee bedoelt. Zijn hand omvat weer mijn geslacht en zijn lippen zoenen mijn wang. Ik draai mijn gezicht en vang zijn mond met een lange kus. Heftig begin ik te schokken tot mijn onderbroek nat is geworden. Ik merk dat ik me letterlijk en figuurlijk aan de jongen heb vastgezogen.

Aangezien de jongen eerder vrij kwam had ik hem nooit echt in het volle licht gezien. Hij was me ook nooit eerder op gevallen. De volgende zaterdag, bij het wekelijkse appelplukken, dat we met het hele seminarie deden, stond ik onverwacht met hem oog in oog. We keken elkaar gedurende enkele seconden zwijgend aan. Ik zag de jongen zoals ik hem de afgelopen week wanhopig gefantaseerd had. Vlassig, pezig, niet te groot, zacht en ogen zo zwart als de nacht. Sinds onze ontmoeting voelde ik me meer ‘thuis’ in deze merkwaardige gemeenschap waar het leek of alles wat ik deed, wenste, schreef of zei als ‘slecht’ uitgelegd werd. De verschijning van deze jongen, die zich later zou voorstellen als Luciani, liet me geloven in troost, vergeving, geborgenheid en genot. Omdat hij zowel in God als in deze begrippen geloofde en ze mij tevens kon openbaren zette ik mijn studie door. Als dit soort mensen studeerde om de kerk te besturen dan moest er integriteit zijn.
“Ik heb een brief voor je moeder geschreven. Met een gedicht” verbrak hij ons zwijgen. Ik wist niet wat ik hoorde. Het klonk ook zo vanzelfsprekend: Natuurlijk moest mijn moeder getroost, allicht. En wie kon dat beter dan mijn nieuwe vriend… “Als je hem goed genoeg vind kan hij verstuurd…” hij haalde een sleutel uit zijn broekzak en ging fluisterend verder: “Ik zorg hier voor de opslag van de kistjes en de ladders. Ik moet ze schoonmaken en soms schilderen. Als jij me vandaag mee komt helpen kan ik een goed woordje voor je doen. Dan maken we voortaan iedere zaterdag de boel schoon. Ik kan de deur altijd op slot doen…”. Het klonk heel mooi en ik wilde hem bedanken. Voor zijn brief aan mijn moeder en zijn voorstel tot samenzijn in het schuurtje. Ik zat op slot, piepend kreeg ik wat slijm omhoog maar voor de rest bleef alles stil. Zijn hand streek door mijn haar en ging naar m’n schouder. Hij leidde me en bracht me naar het kistenschuurtje waar we de komende weken zo vaak met z’n tweeën zouden zitten. Het rook er lekker naar verf en oud hout. Uit een wandkastje trok hij de brief voor mijn moeder, zogenaamd door mij geschreven. Ik las de woorden zoals ik ze graag aan mijn moeder zou willen geven. Als Luciani mijn gevoelens tot dit kon vertalen dan miste hij niks aan het feit dat ik zo-even mijn stem verloren was. Heel zacht, na heel diep ademhalen, prevelde ik een ‘dankjewel’. Daarna vleide ik me tegen hem aan. Ik was onvoorstelbaar tevreden en buitengewoon gemotiveerd om me te laten opleiden tot priester. Waarom dat zo ineens allemaal tevoorschijn kwam was iets waar ik niet over na wilde denken.

Onze liefde bloeide op gelijk de boomgaard, in het midden waarvan onze liefdestempel stond. Op een zaterdag in september holde ik tussen de appelbomen door naar het schuurtje. Nu had ik een gedicht geschreven. Ik wist zeker dat als ik bij Luciani was, ik toch geen stem zou hebben om het gedicht voor te dragen dus had ik hem zeer zorgvuldig op mooi wit papier geschreven. Bij het schuurtje aangekomen wilde ik de deur openen maar merkte dat hij op slot zat. Dit was nog nooit voorgekomen. Ik klopte opgewonden op de deur en riep de naam van mijn vriend. Ik hoorde dat er beweging in het slot kwam en zag later de deur voorzichtig open schuiven. Een hand trok me aan mijn haren naar binnen. Toen de deur achter mij gesloten was keek ik op en zag het gezicht een der professoren. Namen waren bij ons niet bekend, alle leraren noemden wij professor. Alleen was deze man ons bekend omdat hij zijn initialen in zijn mouwspelden had staan: K.W. Het zijn twee letters die mij en mijn vriend altijd zijn blijven achtervolgen. De man had tranen in zijn ogen staan en brulde tegen me: “Heb jij Luciani gezien? Wat hebben jullie met elkaar gedaan? Dachten jullie dat God dat niet zag? God ziet alles! Alles! Zonde, vergeving en troost kan enkel worden verkregen door het hogere, hoor je me? Vertel me wat jullie deden?” Ik begreep wat hij bedoelde. Een antwoord als: ‘Appels plukken en kistjes schilderen’ zou niet worden geaccepteerd. Terwijl ik nadacht over een voor ons beiden bevredigend antwoord liep het gezicht van de professor rood aan en stak hij zijn hand in z’n broek. Zijn macabere gelaat met de brede kromme neus zocht mijn gezicht. De man zakte door de knieën, ik raakte in paniek en realiseerde me dat ik het noodlot niet meer af kon wenden. Er schoot me geen enkele tekst te binnen die daar voor zorgen kon. Met zijn vrije hand scheurde hij woest m’n blouse en betastte me snel en hardhandig. Ik dacht aan Luciani en vroeg me af waar hij was en wat hem eventueel was overkomen. De professor begon te hoesten en verloor, zittend op zijn knieën, alsnog zijn evenwicht. Het enige wat me te binnen schoot was het ‘Wees Gegroet Maria’. Ik begon te bidden terwijl de man, die mij zo onverwacht en bruut in het schuurtje had verwelkomd, proestend stierf.

Na dit incident moest ik bij het hoofd komen. Ik kreeg een korte uitleg. ‘Het was spijtig dat een geweldig leraar zo ziek was geworden’ en ‘Je bent sterk en ongeschonden uit de strijd gekomen. Je hebt geen zonden. We bidden voor je schrik en je zwijgen. Het heeft namelijk geen zin mensen overstuur te maken’. Jaren later moet ik nog vaak aan deze zinnen denken. Na het ‘Onze Vader’ zijn het zo’n beetje de belangrijkste woorden die de kerk laat bestaan zoals die toen was, nu is en ook na mijn dood zal zijn.
Twee weken na het overlijden van onze professor kwam ik weer wekelijks met Luciani bijeen in het geurige schuurtje onder takken met appels. Hij las me voor of vertelde me verhalen die hij volgens mij ter plekke bedacht. Hij liet mij dan een door hem bedacht verhaal afmaken. Het is één van de mooiste bezigheden van mijn leven geweest: Samen met de liefde verhalen maken. Dat zijn namelijk allemaal verhalen waarin je kunt geloven, of waar je, omdat het liefde is, wel in moet geloven.
Twee maanden later trof ik Luciani niet meer. Hij was weggehaald bij de appelpluk en kwam niet meer in de buurt bij de studenten van mijn jaar. Vanaf die dag stond ik alleen in de schuur. Ik schilderde trappen, repareerde kistjes en luisterde naar de vogels en andere geluiden in de boomgaard terwijl ik verhalen af bleef maken. Alleen sprak ik ze niet uit. Ik schreef ze ook niet op.
Nadat ik twee maanden in mijn eentje bezig was geweest met de kisten en de verf trof ik, toen ik op een zaterdagmorgen het schuurtje binnenkwam, een schrift en een brief op de werkplank aan. Luciani bracht mij post: Prachtige verhalen, troostende brieven, moedige gebeden en liederen en gedichten voor mijn moeder. Deze laatste geheel in het teken der Psalmen, zodat mijn moeder ze eventueel ook nog zingen kon. Zo werden de zaterdagen weer een feest. Ik zoog me vol met alle verhalen en liefde en fantaseerde zijn aanwezigheid. Soms kon ik het niet uitstaan dat ik niet wist waar ik eventueel post voor hem neer kon leggen. Het waren Luciani’s eigen woorden die mij voor zo’n eventuele bezorging behoedden. Het was gevaarlijk en ‘in de Geest waren we immers samen’. In het schuurtje dorst ik niks neer te leggen wat de relatie tussen ons kon verraden. Op een warme dag heb ik een keer mijn blouse laten liggen. Een week later schreef mijn vriend dat hij deze bij zich droeg en dankte me er uitvoerig voor. Zo was alles goed en we hielden dit vol tot het eind van zijn studie aan het seminarie.

Psalm 8
David verheft ten hoogste Gods majesteit, almacht en wonderbare regeering; inzonderheid Zijne goedertierenheid over den ellendigen mensch.

De San Pietro te Belluno, 7 juli 1935
Albino Luciani was tweeëntwintig jaar toen hij tot priester werd gewijd. Ik was die dag al vroeg aanwezig en luisterde, nadat ik achter in de kerk op de bank geschoven was, naar het oefenen van de organist en de kale, onverstaanbare stemmen die klonken uit diepe echo’s. Ik was bedroefd. Natuurlijk was ik bedroefd. We werden ouder en, Albino in ieder geval, ging het leven leiden waarvoor we bestemd waren. Albino zou morgen al als kapelaan in zijn geboortedorp, Canale d’Agro, de mis opdragen. Ik zou mijn tijd op het seminarie vol maken terwijl het dienstbare leven van de aanstaande Paus een kant op ging die in de tegenovergestelde richting van onze vriendschap lag. Mijn vriend had me beloofd te zullen blijven schrijven en dat hield voor mij in ieder geval de droom in stand. Ik hield mijn hoofd schuin omhoog en keek naar de glasinlood afbeeldingen in de ramen aan weerszijden van het schip. Ik kon er geen verband in ontdekken. Er waren afbeeldingen van de kruisweg bij maar ook tekeningen van gebeurtenissen die, naar mijn mening, uit het oude testament kwamen. Plotseling viel mijn oog op een voor mij luguber detail in het meest verlichte raam. Links onder aan de beeltenis, een man met lam, stonden de volgende tekens: K W 3 3. Mijn gedachten gingen terug naar het schuurtje met appelkistjes en het merkwaardige sterfgeval. Ik wilde me onttrekken aan deze nare herinnering en nam uit mijn binnenzak de laatste brief van Luciani.

Liefste Filippo,

De dag van ons definitieve afscheid nadert. Na mijn priesterwijding begint mijn missie. Graag wil ik je bij deze verzekeren dat jij daar niet buiten zult vallen. Dat het mij gegeven is voor jou te mogen blijven schrijven is een van Gods grootste geschenken aan mij. Trouw zal ik je nieuwe verhalen brengen. De wetenschap dat jij, waar je ook moge zijn, deze zal vervolmaken met je mysterieuze fantasie zal me opnieuw geluk brengen. Wanneer je moeite hebt om mij terug te schrijven, wees dan niet bevreesd dit te laten. Ik zal blijven sturen. Zoals ik je ook verhalen bleef vertellen waar jij enkel zwijgen kon. Ik zal veranderen, jij zult gaan veranderen. Ik zal dingen van de wereld moeten gaan zien waar we de afgelopen jaren al veel over hebben gehoord: Jaloezie en haat zijn zaken die ook binnen de kerk op de loer liggen. Denk hierbij aan wat je overkomen is met onze professor in de appelgaard. Ik vertrouw op God dat ik de mensen met deze verderfelijke zaken milder mag stemmen en dat ik daar door heen het ware mag blijven zien en volgen.
Het is niet voor niets dat Hij ons elkaar heeft laten ontmoeten. Jouw liefde zal mij een ritme geven waarin ik het verdere, soms ook zware, leven kan nemen met de vervelendste en meest scherpe bochten. Je oogverblindende schoonheid zal in mijn herinnering blijven leven en zorgen dat al het bloed naar honing zal smaken. ’s Nachts zal ik me in mijn dromen naast je neer leggen en opnieuw je zachte huid masseren met m’n meest gevoelige zintuig dat ik bezit. Ik ruik je haar en ik ruik je vlees. Ik streel je huid en streel je mond. Masseer je voeten en masseer je lid tot alle tedere en troostrijke gevoelens bij je boven komen en ontladen in een stevige doch fijne zucht die de geur van vrede heeft.

Liefdevol zeg ik je gedag en verzeker je dat mijn laatste blik op jou zal vallen als het licht door een lens. Helaas, maar de mensen zijn nog niet zover. Waren we later geboren, dan hadden we elkaar kunnen blijven zien. Dat voorspel ik je! Dat zal ook mijn streven zijn. Wanneer ik sterf zal alle liefde gewonnen moeten hebben. Ook die van ons. Geef me die kracht door van me te blijven houden. Ik smeek je.

A.L.

Met duim en wijsvinger gaf ik kleine kneepjes in de keurig handgeschreven brief. Ik was tevreden. Voelde geen angst bij de priesterwijding van mijn vriend. Ik was er immers van overtuigd geraakt hem niet kwijt te raken.
Ineens realiseerde ik me dat het orgelspel was afgelopen en de kerk vol begon te lopen met gelovigen. De mis kon mij niet snel genoeg beginnen. De entree van mijn vriend was een prachtig volle processie met wierook, beelden en buiten gewoon mooi gezang van het jongenskoor dat links van het altaar was opgesteld. Ademloos keek ik naar zijn prachtige verschijning. Het jeugdige was hij zeker kwijt, het wijze, het geruststellende van een volwassene was daarvoor in de plaats gekomen. Fris, opgewekt maar toch statig liep hij door het middenpad op weg naar zijn nieuwe missie. Begeleid door een dienst vol prachtig gebed, gezang, gepreek en symboliek veranderde Albino van jongeman tot een indrukwekkende priester. Zijn prachtige paarse habijt met ontelbare stiksels gaf hem toen al, mijns inziens, het aangezicht van God op aarde. Bij het uitgaan van de kerk begon mijn huid opnieuw te tintelen. Langzaam schoof ik op in de rij om nog één maal mijn vriend te omarmen. Onze afspraak, om elkaar niet meer te zien, was verstandig en wilde ik Albino voor de gemeenschap doen behouden dan was deze zeker ook noodzakelijk. Ik begreep het, accepteerde het en, zoals gezegd, voelde ik me tevreden. Toch wilde ik die laatste ontmoeting niet verknoeien. Ik moest hem optimaal benutten. Albino kwam mij in het zicht en ik gaf me over, voor de allerlaatste keer in zijn bijzijn, aan mijn gevoel. Ik legde mijn beide handen in die van hem en voelde hoe hij ze stevig vast nam. Wederom kon ik niets anders dan zwijgen. Het deerde niet. Albino knikte vriendelijk en, ik geloof niet dat ik het me verbeeldde, sloot een moment zijn ogen om het vocht langs de zijkanten te laten ontsnappen. Langzaam bracht ik mijn gezicht naar voren en zoende mijn vriend teder op beide wangen. Nog éénmaal kneep hij in mijn handen. Toen lieten we elkaar los en liep ik, zonder om te kijken, de kerk uit.

Intermezzo I

Er verstreek tijd. Veel tijd.
Na mijn tijd op het seminarie werd ik priester van een kleine parochie in Milaan. Mijn moeder trok als huishoudster bij mij in. Mijn vader was enige jaren geleden gestorven aan een infectie. Tussen mijn moeder en mij heerste groot respect en we leefde in een ontspannen sfeer waarin we ieder onze gang konden gaan. Soms was ze ineens weer enorm dankbaar voor al mijn brieven en gedichten. Die vormden voor haar het ware geloof. Het waren ook die woorden geweest die haar er doorheen hadden gesleept na het overlijden van haar man. Niet dat de liefde tussen hen nou zo enorm groot was, het was meer het vertrouwde dat wegviel en waar ze doorheen moest kunnen leven en geloven. Ze had nooit gedacht daar nog eens hulp bij te krijgen van een katholiek. Zeker, ze bleef haar psalmen zingen. Ze deed dit echter niet uit verzet en tenslotte had ik aan haar gezang altijd een hoop te danken. Zoals ik ook een hoop te danken bleef hebben aan Albino die mij trouw iedere week een brief zond, vaak met een gedicht voor mijn moeder. Voor mijn parochianen betekende de woorden van mijn vriend net zo veel. Zijn wekelijkse post inspireerde mij tot het maken van onvoorstelbaar veel preken. Doordat het zijn woorden waren die door mij gesproken werden klonken ze indringender, geloofwaardiger en intiemer. Mijn parochie groeide en ik had het gevoel mijn missie op deze aarde gevonden te hebben door middels de liefde woorden van geloof, hoop en liefde te spreken die de mensen in mijn omgeving tot grote steun waren. Mensen van mijn vroegere parochie die dit nu lezen mogen alsnog hun dankbaarheid tonen aan diegene die deze werkelijk verdient.
De liefde tussen Luciani en mij veranderde, het vaste ritueel van iedere week post had zo nu en dan echter een uitschieter die mij emotioneel behoorlijk kon raken. Wanneer ik een licht erotisch verhaal kreeg toegestuurd maakte dat onze ontmoetingen van vroeger weer bijna lijfelijk. Vaak was ik dan drie volle dagen van slag en zat barstensvol sentimenten. Ternauwernood herstelde ik me dan net voor de eerst komende zondag door de inspiratie en overtuiging die voortkwam uit onze liefde te gebruiken in het die dag te verkondigen geloof.
Zo bleef onze liefde zeer gestructureerd plaats vinden zonder iets te verraden of ook maar iemand te beschadigen. Zelden sprak Luciani over de kerk als instituut. Één keer slechts voor zijn pauselijke ambt liet Luciani kritiek horen tegen de kerk. Dit was ruim na zijn bisschopsbenoeming in 1958. De kritiek betrof een incident dat zich afspeelde tijdens het Tweede Vaticaans Concilie dat op 11 oktober 1962 begon. Uiteraard was Albino hier één van de 2381 bijeengekomen bisschoppen. Hij schreef me ijverig dat hij die dagen gesprekken had gevoerd over eventuele hervormingen met, zoals hij ze noemde, ‘verrassende vrienden’. Dit waren de bisschoppen Suenens uit Belgie, Wyszynski en Wojtyla uit Polen en Marty uit Frankrijk. Men sprak over een mildere mening van de kerk over bepaalde vormen van liefde en geboortebeperking. Net op het ogenblik dat Albino bij wijze van samenvatting de eikpunten uit het gesprek nog eens herhaalde schoof kardinaal Alfredo Ottaviani aan bij het ‘vriendengezelschap’. Hij verwierp Albino’s woorden met zo’n felheid dat de groep niets anders kon dan verlegen zwijgen. Alle vormen van liefde, behalve die tussen een getrouwde man en vrouw, verwierp Ottoviani met woorden als: “Satanisme” en “Geestesziek”. Geboortebeperking kreeg de term “moord” als toevoeging mee. Mensen die volgens de kardinaal hier ook maar over durfde te discussiëren verdienden het niet om aan te schuiven bij dienaars van God. Hierop schijnt mijn vriend te zijn opgestaan en de volgende woorden tot Ottoviani te hebben gesproken: “Mensen zoals u zijn geen vriend van het leven en houden helemaal niet van groeien, verandering en progressie. Mensen zoals u, die zo zonder enig wederwoord, hun mening over anderen klaar heeft zijn een vijand van het leven en dus van het ware geloof!” Hierop schijnt mijn vriend het vertrek, alwaar het gesprek plaats vond, abrupt te hebben verlaten. Later, na de dood van mijn vriend, heb ik nog vaak aan dit incident moeten denken. Hoe kon het zijn dat deze machtige mannen na de stevige woordenwisseling van het Concilie uit 1962, alsnog kozen voor een Paus die van groeien hield?

Intermezzo II

Ook heb ik na zijn dood de brief opgezocht die hij mij schreef op 8 december 1971 en waarvan de volgende fragmenten zeer interessant zijn geworden.

“…Ik heb opnieuw na zoveel jaren liefgehad mijn liefste. Het voelt niet als ‘ontrouw’. Toch ben ik bang dat het voor jou een belediging zou kunnen zijn. Desondanks kan ik het niet voor je verzwijgen en hoop ik dat je het als iets universeels kunt zien. Ik ben gevallen voor een collega, een man met grote vragen. Het waren zijn oprechte zorgen die mij zo raakte en maakte dat ik troost schonk middels de seksuele wegen die veel van mijn collega’s verwerpen. Ik ben er van overtuigd dat het, wanneer het enkel vanuit liefde gebeurt, alleen maar genezing, heling en kracht met zich mee zal brengen…”

Het feit dat mijn vriend liefhad en mij daar zo openhartig over schreef heeft mij nooit zeer gedaan. Sterker: het heeft het geloof in de liefde alleen maar sterker gemaakt. Ik heb het hem nooit schriftelijk geantwoord. Niet uit onwil, zo was de rolverdeling nu eenmaal. Wel ben ik altijd benieuwd geweest welke collega hij in deze brief bedoeld heeft. Wie was er bij mijn vriend op werkbezoek vlak voor 8 december 1971. Het heeft tot na zijn dood geduurd alvorens ik de man zijn naam aan dit erotische contact kon verbinden.

Te Deum laudamus

Sint Pietersplein, 26 augustus 1978
Ik wist dat het zou kunnen maar toch schrok ik. Hij was er immers bij. Maar toen kwart over zeven in de morgen ik me om wilde keren om terug te gaan naar mijn hotel, zag ik witte rook vrijkomen uit de shoorsteen en verscheen Curiekardinaal Fellici op het balkon en sprak de verlossende woorden: “Annuncio vobis gaudium magnum: Habemus Papam. Cardinalem Albinum Luciani, Johannes Paules I”. Even later haalde ik opgelucht adem toen mijn vriend in een prachtige mantel als nieuwe Paus het balkon op kwam en zwaaide naar de menigte. Hij lachte. Op het moment dat de kardinalen in de Sixtijnse kapel de dankhymne “Te Deum Laudamus” begonnen te zingen verliet ik het plein en de vreugdevolle massa gelovigen. Ik liep terug naar mijn hotel en prevelde een gebed.

Vier weken zou mijn vriend nog leven. Vier weken post mocht ik nog ontvangen. Het waren opmerkelijke brieven. Brieven waarin ik woorden las waarvan ik mij afvroeg of ik ze wel juist interpreteerde. De dagboeken, die ik later met enkele andere dagboeken opgestuurd kreeg, bevestigden echter de waarheid van deze brieven. Zijn woorden werden ernstiger en ik begon me steeds meer zorgen te maken. De toon van zijn brieven klonk teleurgesteld en angstig. De erotische, vreugdevolle en optimistische passages waren verleden tijd.
Ik geef u hier enkele fragmenten uit zijn laatste brieven:

Vaticaan, 1 september 1978

Lieve vriend,
Ik had niet verwacht zoveel weerstand te ondervinden bij de Curie waar het gaat om mijn ideeën omtrent liefde. Ik krijg nog steeds boze brieven met dreigende taal van mijn oude vriend Ottoviani. Het leven hier valt me zwaar. Het lijkt of ertussen deze prachtige muren en zuilen enkel afgunst en wantrouwen leeft. Vaak zit ik uren in stilte te bidden op mijn slaapkamer. Vervolgens probeer ik in de meest fijnzinnige woorden aan het papier toe te vertrouwen wat nu mijn werkelijke motieven als pontifex maximus zijn. Hiermee hoop ik dan ooit mijn tegenstanders milder te kunnen stemmen en de liefde ooit in de kerk te laten winnen van de wetten…”

“…Gisteren ontving de Curie bezoek. Het was dezelfde man waar ik je weleens eerder van verteld heb. De liefde die ik bij mij had in 1971 en troost en sterkte schonk ter verzachting van de problemen die hij toe bezat. Omdat ik, ookal zegt men van wel, God niet ben durf ik zijn naam niet op te schrijven. Hij was gisteren namelijk fel tegen mij gekeerd, iets dat me buitengewoon verraste. Het leek alsof hij zich bij de Curie aan wilde sluiten en mij daar buiten wilde houden. Hoe zeer ik ook mijn best deed hem liefdevol te begrijpen, hij bleef me afhouden…”

“…De curie laat het, voor mij kritische bezoek, lang logeren. Hoewel ik me bij deze man niet meer op mijn gemak voel wil ik er niet op aansturen een eind aan zijn verblijf te maken. Dat zet alleen maar kwaad bloed en wat zal men er van denken?…”

“…Gisterenavond kreeg ik onverwacht bezoek op mijn slaapkamer van mijn oude vriend, de man die inmiddels al enige tijd bij ons in het Vaticaan logeert. Het stoorde mij en dat speet me. Ik wilde echter weer eens een goede preek schrijven die iets toe kon voegen in de geest waarin wij vroeger spraken. Hij wilde me spreken en ik bood hem een stoel aan. We bestelden wat te drinken en ik luisterde aandachtig. Mijn vriend boog zich naar voren en greep mijn elleboog. Ik moest proberen meer los te laten van idealen die de kerk in gevaar kon brengen. Ik maakte de Curie erg nerveus en moest beseffen dat mijn liefde overtuigingen aan hun adres opgevat konden worden als ‘verraad’. Nog nooit heb ik zo zorgvuldig, zo’n lang antwoord losgelaten. Alles haalde ik erbij om mijn geloof te onderschrijven, hoe ik de versoepelingen in de praktijk tot leven zag komen binnen onze kerk en hoe ik naar die veranderingen wilde toewerken. Mijn oude vriend kon mij enkel beledigen. Nog nooit ben ik zo behandeld! Ik heb er niet van kunnen slapen. De man stond op en gaf mij een minzaam tikje op m’n knie. “Denk goed aan wat ik je verteld heb. Neem het alsjeblieft mee in je overwegingen. Denk aan eventuele gevolgen. Laat je liefdesidealen vanaf nu enkel nog leven in de brieven aan je jeugdvriend. Het spijt me, maar ik heb er een aantal door de curie laten lezen alvorens ze door de postkamer werden verstuurd. Het spijt me, maar we maken ons zorgen. We deden dit in Godsnaam. Ik bid voor je”. Hij was al bij de deur toen ik, totaal verdwaasd en voor het eerst sinds vele jaren boos en vernederend mijn stem tegen hem verhief: “Wie is hier nu eigenlijk de Paus?”. Onmiddellijk had ik spijt van deze woorden van machtsvertoon. Ik had ze nooit willen gebruiken. En als ik dat niet had gedaan had ik nooit het antwoord gehad zoals ik dat toen kreeg: “U. U meneer. Nog wel. Maar na u zal een nieuwe komen. Als er gevaar voor de kerk dreigt zal dat spoedig gebeuren vrees ik. En het spijt me oprecht dat ik één van de kandidaten ben”. Z’n woorden klonken venijnig en brachten me enige uren in grote verwarring. Was het waar wat ik hoorde? Bedreigde iemand mijn leven? Was dat door iemand die een opvolger voor mij wenste zoniet zelf de opvolger zou zijn? Ik tracht nu te bidden mijn vriend en hoop dat jij dat ook zult doen. Ik breng deze brief persoonlijk naar mijn secretaris. Niets kan hier privé de deur uit. Ik geef het dus in het vervolg aan hem. Mijn liefste, bid voor wijsheid in deze dagen vol verwarring. Oh God, laat mij niet waanzinnig worden door alle tegenwerking, haat en isolatie die ik hier ervaar.

Je liefde,
A.L.

Psalm 10
Toevluchtneming tot God tegenover de vermetelheid der opvolgers.

Dat mijn nieuwsgierigheid naar de identiteit van de man waarvoor mijn vriend in 1971 liefde had gevoeld groeide mag duidelijk zijn. De identiteit van die man is nu al lang niet meer zo belangrijk. ‘Gedane Zaken Nemen Geen Keer’ sprak mijn vader altijd. De volgende fragmenten zijn afkomstig uit Albino’s laatste dagboek. Ik zal zijn geheime liefde uit 1971 in dit slot enkel opvoeren om u te laten zien hoe de Rooms Katholieke Kerk er werkelijk uitziet en wat deze verloren heeft na het sterven van mijn vriend.

“…Almachtige God,
Ik ben bang dat dit mijn laatste gebed zal zijn tijdens dit aardse leven. Vanavond is het mis gegaan: Het gesprek met de curie ontaarde in een felle ruzie nadat we begonnen waren met een discussie over geboorteregeling en het huwelijk in het algemeen. De gehele Curie, alsmede de aan de discussie deelnemende loge, was het oneens met mijn voorstellen en deden een dringend beroep op mij om ze ‘te laten varen’. Heer, als ik dat zou doen, zo geloof ik, heeft het ambt van Paus voor mij geen enkele zin gehad. Het feit dat mijn oprechte mening onrust zaait tussen de dikke muren van dit kerkhuis in ieder geval al had. De liefde gonst…

…”Geeft u uw hervormingen op?” Ik schrok wakker en keek in het gezicht van de curievoorzitter. Naast hem stond wederom de loge. Van schrik vroeg ik hun brutaal om te vertrekken. “Wij moeten het weten. Met u staat de toekomst op het spel. De woorden van uw eventuele opvolger en die van ons hebben u niet op andere gedachten gebracht. Nu durf ik u dit te vragen uit naam van de Heer zelf. Laat de kerk gezond blijven!” Mijn mond viel open van verbazing. Hoe had ik zo blind kunnen zijn! Hoe had ik ze zo bang kunnen maken! Maar zoals ik reeds zei, ik wil mezelf en u –zoals ik u zie- niet verloochenen. Ik schudde dus als antwoord mijn hoofd. Een knikje van de curievoorzitter deed de loge naar voren komen. Zijn rechterhand stak naar voren en ik las de initialen in zijn zegelring: K.W. Vervolgens drong de spuit diep in mijn maag. Ik versuf snel, maar ik vraag u, of diegene die na mijn dood dit dagboek zullen lezen, na te gaan of de initialen staan voor iets mythisch. Ik ben ze vaker tegengekomen en vraag me af waarom het juist mensen met deze initialen zijn die mij, of mijn geliefde, steeds verraden. Heer, het is mij zoals U niet gegeven mijn verader te kennen. Men heeft mijn deur gesloten en ik ben bang. Naar beste eer en geweten zal ik voor U en mijn opvolger bidden, hopend dat de angst mijn laatste uur niet zal overheersen.

Op 29 september 1978, een halve dag nadat Albino Luciani de bovenstaande woorden had geschreven, sprak kardinaal Villot de buitenwereld toe en bracht het nieuws van de plotsinge dood van Paus Johannes Paulus I.
Ik schaam me tot op de dag van vandaag dat ik uit angst het Vaticaan niet heb durven bezoeken om afscheid te nemen van mijn lieve vriend die trouw bleef aan zijn God, zijn geloof en zijn liefde. Zover als hij kon ik niet gaan en ik verbeeld me sindsdien dagelijks het kraaien van een haan te horen.
De laatste keer dat ik geconfronteerd werd met de lugubere initialen K.W. was toen ik voor de tweede keer binnen twee maanden het Sint Pietersplein bezocht. Ik was de enige van alle gelovigen die de volgende Paus al kende. Ik beloof u en mijn Heer plechtig dat ik voor zijn vergeving zal bidden. Dat is namelijk het enige dat er nu werkelijk nog toe doet. Bidden en hopen op vergeving. Toch kon ik die avond in oktober op het frisse Sint Pietersplein een teleurstellende grijns niet onderdrukken toen de ontknoping zijn einde naderde en de kardinaal de nieuwe Paus aan ons onthulde: “Annuncio vobis gaudium magnum: Habemus Papam. Cardinalem Karol Wojtyla, Johannes Paulus II”.

© Rik van Schaik
Utrecht – december 1999
Website: http://home.hetnet.nl/~rikvanschaik/


anoniem @ 18-02-2008 18:15:41



Hobbitje (15) @ 24-07-2003 20:35:14
Heel proffie hoor, complimentjes! Wist trouwens niet dat die Paus een liefdesrelatie had, erg apart.

Was getekend Hobbitje (15)


Yvonne @ 01-08-2002 21:58:58
Ik ben onder de indruk. Een bijzonder en wellicht controversieel verhaal-idee wat toch heel persoonlijk gebleven is. Brieven en citaten goed ingepast en gebruikt om het verhaal te vertellen en een lange tijdsspanne in een korte tekst prachtig samen weten te vatten, zonder aan het verhaal iets af te doen. Mijn petje af...



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens