woensdag 25 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - De Laatste Zomerdag
Gepubliceerd op: 15-07-2002 Aantal woorden: 9193
Laatste wijziging: - Aantal views: 2367
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Laatste Zomerdag

Rik van Schaik


De Laatste Zomerdag


De hemel kleurt bloedrood
En vindt mistroostig haar dood
Aan de verre horizon;
Geen blik, klank of affect
Zal nog worden opgewekt;
De berouwvolle dag overtrekt
wanhopig haar Rubicon.

A.E. Housman.


Deel I
De Laatste Zomerdag van 1982

Ik viel uit bed en schreeuwde haar naam. Nog voor ik mijn ogen had geopend wist ik van ‘mijn afspraak’ met Hannah. Het was de laatste dag van de zomervakantie. Een vakantie waarin er vele afspraken met Hannah waren geweest. Maar ze waren allen in dienst geweest van deze laatste. Al die zomerdagen voor vandaag had ze, al dan niet samen met mij, het decor voor deze dag in elkaar geschoven. En ik wist dat alles paste en op de goede plek stond. De coulissen waren afgedekt, de acteurs geschminkt, de spots afgesteld en het touw van het toneeldoek lag in Hannah’s hand.
Ik opende mijn ogen en keek naar de rode gloed achter het gordijn en probeerde, aan de hand van het merkwaardige zomerlicht, de tijd te schatten. Nu het iedere ochtend al licht was voor ik ontwaakte was dat een onmogelijke opgave en even voelde ik angst. Maar ik had te onrustig geslapen om te laat voor onze afspraak te zijn.

Een jaar lang had ik achter in het klaslokaal naar haar zitten kijken, mijn zweethanden gebald tot vuisten, mijn benen loom en slap. Ze zat links vooraan bij het raam en keek elke dag één keer achterom, haar blonde haren over de schouders werpend met een oogopslag die me leek te wenken.
Een schooljaar lang leefde ik in onzekerheid aangaande dat merkwaardige, dwingende oogcontact. Ze sprak nooit een woord tegen me. In de pauzes liep ze met vriendinnen naar het winkeltje bij de vijver, ze zag me nooit wanneer ik traag voorbij kroop in de hoop dat ze me aan zou spreken. Soms ving ik een flard van een gesprek op dat ging over een merk oogschaduw, een artikel uit een meidenblad of een oppervlakkige analyse van een popsong. Met moeite struikelde ik dagelijks beschroomd het groepje voorbij, mijn verlegenheid won het gevecht van mijn wensen.
Traag fietste ik na zo’n verwarrende schooldag en kleine honderd meter achter het meidengroepje aan waarvan Hannah met haar achteloze soepelheid het stralende middelpunt was. Met de kramp in mijn maag hing ik over mijn stuur en terwijl de wind langs mijn oren suisde was mijn enige hoop haar blik achterom. Die blik voorspelde iets, verlangde iets wat overeen moest komen met mijn begeren. Ik had geen woorden en geen vertaling voor mijn gevoel. Ik bezat geen wetenschap over liefde, hunkering, jeugd en levendigheid. Thuis, in de kamers van mijn vaders uitvaartcentrum, regeerde de dood en zoog het lijkengif dat uit diverse kamers op mij af stoof alle verliefdheid en de wens het te verklaringen bij me weg. Nog voor de liefde uitgesproken kon worden werd het al door mijn vaders bezigheden in koude grond begraven.
Heel af en toe, op woensdagen en in het weekeind, was er een vleugje Hannah tussen de stinkende muren van ons huis. Margot, Hannah’s twee jaar oudere zus, werkte dan voor mijn vader. Meestal zat ze tussen tientallen lege kisten aan mijn vaders bureau kaarten in enveloppen te schuiven, bloemstukken te schikken of kransen te schikken. Als ik binnenkwam en Margot was er, dan stond ik een kort moment oog in oog met ‘iets’ van Hannah. Maar in plaats dat het iets ophelderde, zekerheid gaf of anderzijds mijn prikkels beantwoorde was er enkel een bedeesd ‘hallo’. Ik ging dan meestal direct naar boven waar ik aan mijn tafeltje bij het raam ging zitten en naar het huis van Hannah keek, dat schuin tegenover dat van ons. Ik zag alleen haar fiets tegen de schuur staan. Haar wezen school aan de achterkant in iets wat een meisjeskamer moest zijn zoals ik dat op verjaardagen bij mijn nichtjes zag. Zo stelde ik me haar voor, net als ik zittend aan wat huiswerk, omringd door roze pluche en de geur van kauwgom. Haar slanke vingers onder d’r kin, haar voeten in witte gympjes onder haar kont getrokken, een zilveren bandje om haar enkel dragend. Verder dan deze beelden ging mijn fantasie niet en terwijl onder mij doden werden gewassen, kisten dichtgetimmerd, kleedjes werden gevouwen en kaarten werden samengesteld sloeg ik mijn schoolboeken open en staarde blind naar de letters totdat mijn moeder onder aan de trap mijn naam riep voor het avondeten.

Ik krabbelde overeind, sloop naar het raam en opende het gordijn. Onder mijn raam stond een zwarte lijkwagen in de ochtendzon te glimmen. Ik richtte mijn blik op de fruitbomen van onze buurvrouw. Met een rood schort beklom ze het trappetje tegen één van de achterste bomen. Ze zag me, glimlachte en stak een stevige appel naar mij op ten teken dat ze die voor mij klaar had liggen. Ik stak mijn hand naar haar op, gebarend dat ik het stuk fruit dadelijk op zou komen halen. Ik had kippenvel en streek over mijn dunne borst. Verbluft aanschouwde ik het licht op mijn venster. Dat deze dag nu echt was aangebroken. Onvoorstelbaar was het, het ongeloof dat je bezat tijdens een val van een trap, dat dit nu echt begonnen was en beneden dichterbij kwam…

Hannah had het langzaam opgebouwd vanaf het moment dat onze zomervakantie begon. Al mijn hoop op contact met haar was al een eeuwigheid vervlogen toen het klassikaal aftellen voor zes weken vrijheid was begonnen. Tassen stonden voor eenieder op het tafelblad, handen gingen de lucht in, de leraar telde mee met zijn horloge in zijn hand en zonlicht viel over de stoffige vloer. Voor de vorm ging ook mijn rechterhand de lucht in terwijl ik met de linker het hengsel van mijn tas greep. Met mijn ogen naar de grond slenterde ik naar buiten en ontving een hand van Daniël op mijn schouder.
“Morgen gaan we naar de plas. Vissen tot het donker is!”
Ik knikte en sloeg hem vriendschappelijk terug toen hij buiten richting bushalte holde. Ik keek hem na terwijl ik mijn fiets uit de stalling trok en traag mijn tocht naar huis begon. Het was stil en er was bijna geen verkeer. Er was alleen getjilp en geluiden vanaf de waterkant waar het fluitenkruid welig omhoog kroop. Ik hing over het stuur en mijn achterhoofd werd warm van de brandende zon boven mij toen ik opnieuw een hand op mijn schouder voelde en het fietsen zwaarder ging. Geschrokken keek ik opzij in Hannah haar blauwe ogen. Haar fijne vingers drukte ze stevig in mijn pezige bovenarm. Ze fietste niet. Dat deed ik voor haar. Ik stamelde iets dat op een begroeting moest lijken en staarde naar haar blote voeten. De gympen bungelden aan het fietsstuur waaraan ze waren vastgeknoopt. Ze blies wat haar uit het gezicht.
“Deze vakantie is van ons. Ok?” Ze keek me met samengeknepen ogen aan en ik wist niet wat te zeggen, knikte enkel. Het was een smeken.
“Waarom ben je nog nooit langsgekomen? We zijn toch buren?” Bij het uitspreken van dat laatste woord bracht ze haar gezicht lachend bij dat van mij. Ze moest me een sukkel vinden en zoiets zei ik ook.
“Ik dacht dat je me…”
“Stom vond?” vulde ze me aan. Ik haalde glimlachend mijn schouders op. Ik was verlegen, voelde me overgeleverd en dwong mezelf haar langer dan een paar seconden aan te kijken. Ze knipperde met haar ogen en leek ineens zelf ook wat terug te deinzen voor de aandacht die ze kreeg. Ik keek weer voor me uit, fietste voor twee en moest lachen.
“Waarom lach je? Lach je me uit?” Ze sloeg speels op mijn achterhoofd.
“Nee! Nee, alleen… Het is zo gek dat jij…”
We zwegen totdat we ons dorp in het vizier kregen.
“Stop eens” ze duwde haar hand weer stevig om mijn schouder.
Ik stopte, stapte af, de fiets tussen mijn benen houdend. Zij rolde die van haar tegen een hek bij een weiland en pakte twee lollies uit haar tas die ze de lucht in stak. “Kom je nog?”
Ik ging naar het hek en zette mijn fiets tegen die van haar. Ze kwam vlak voor me staan, pelde het papiertje om de fel oranje bal vandaan en stak hem in d’r mond. Ze zoog, de bal aan de binnenkant van haar wang. Met een zacht ploppend geluid liet ze hem ontsnappen en hield hem me voor.
“Dank je” stamelde ik terwijl ik het snoepgoed van haar overnam en haar hand op mijn pols voelde. Ik proefde het zoete plaksel en keek haar aan terwijl de binnenkant van haar hand mijn wang streelde en een weg vond naar mijn hals. Ze trok mijn hoofd naar voren en legde haar plakkerige lippen tegen de mijne. Van schrik deinsde ik iets naar achteren. Ze schudde haar hoofd, ging op haar tenen staan en duwde zacht haar zoete tong bij me naar binnen. Ik hield me vast aan het hek en had moeite mijn plas op te houden. Ze beet zachtjes in mijn lip eer ze me los liet. “Jij bent een lief jochie” zei ze. Toen liep ze naar haar fiets en stapte op.
“Morgen bij mij ok? Half elf?”
En zo sloot ze die zomer elk samenzijn af met een nieuwe afspraak voor de dag erna. En altijd een kus als afscheid. Verder ging het niet.
Toen na een week van spannende bezoekjes ook echt lol kwam begon de zomer echt te bruisen en ontdeed het zich van zijn laatste huls. Playbackend op haar kamer, verkledend voor haar spiegel. ‘Vieze boekjes’ van haar vader bekijkend in de boomgaard van de buurvrouw en lachen om het witte snot in het gezicht van een vrouw die op haar moeder leek. Lange fietstochten met lunchpakketjes voor in het bos, spelletjes monopoly bij haar in de tuin en soms fikkie steken op het veld achter haar huis. Oneindig veel lachen en kronkelen van verliefdheid. Ingehouden wachtend en toelevend naar het slotmoment. Nooit deed ze iets meer dan kussen en daar verlangde ik ook niet naar. Ik had daar geen enkele voorstelling bij, wist bij god niet wat ik doen moest, hoe ik haar bekijken of aanraken moest. Soms, wanneer ik een steelse blik op de rondingen van haar borsten wierp, werd ik al duizelig van het idee daar ooit ‘iets’ mee te moeten doen. We spraken er ook nooit over, lachte er alleen maar om wanneer we op één van onze fietstochten een verloofd stel in de kersenboomgaard zagen. Kritisch keurde we hun uiterlijk. Zij van de man, ik van de vrouw. Het bleef bij een stil verbeelden en een spannend kussen. Verder zwegen we.
Tot gisteren.
Ik stond op de Kalverstraat en wilde hem aan haar, de bank, betalen. Ze nam het geld in mijn uitgestrekte hand niet aan maar legde haar gevouwen handen onder haar kin. Er kwam een traan in haar oog en ze slaakte een diepe zucht. Even dacht ik dat ze weer een toneelstukje begon op te voeren waarin we een suf echtpaar moesten voorstellen. Toen ze begon te spreken begreep ik dat we niet op het toneel stonden maar gewoon bij haar in de tuin zaten en dat ze vertelde wat ze voelde. En wat ze wenste.
“Morgen is het de laatste dag van onze vakantie…” ze snikte. “Zien we elkaar dan nog wel?”
“Natuurlijk. We zijn toch buren en we…”
“Ik wil je iedere dag zien. Hoor je me? Iedere dag!” ze stond op en keek me boos aan terwijl ze met haar voet op de grond stampte. Ik stond ook op en probeerde haar door het geven van mijn hand te kalmeren maar ze sloeg hem weg. “Weet je wel dat ik nog nooit zo’n lol heb gehad? Ieder dag moest ik een ander slipje aan! Ik heb gelachen man, gelachen! Het is gezellig zo zonder gezeik. Je bent gewoon lief en er is geen gezanik over hoe je er uit ziet, welk vak je leuk vindt of wat voor ander onderwerp dan ook. Er bestaat niks ‘anders’. Ik heb mijn zus amper gesproken, goddank! En ik zie er tegenop vanaf overmorgen weer met die wijven op en neer te fietsen. Ik ben verliefd man!”
Ik gloeide. Was verwonderd om haar woorden, haar drukte om mij, om ons. Ze ging intens te keer omdat we binnenkort niet meer iedere dag samen konden zijn. Ik wist niet of ik nu iets moest zeggen, gaf alleen toe ook ‘op haar’ te zijn. Ze sprong op me af en wierp me achterover in het gras. Met haar benen aan weerszijde van mijn buik ging ze boven op me zitten en keek me lief streng aan. Ze hield haar hoofd schuin en haar haren kietelde mijn oogleden. Ze zoende me en fluisterde in mijn oor dat ik morgen vroeg moest komen. Iedereen was dan weg. Ze wilde me wat geven. Ik beloofde haar er vroeg te zijn. Het spelletje bleef op tafel staan terwijl we hand in hand op ons rug naar de lucht bleven kijken, om beurten een lachbui krijgend. De zenuwen gierden door mijn keel.

Onder aan de trap viel het ochtendlicht in fraaie bundels uit de aflegkamer, heftig contrasterend met de geuren die eruit ontsnapten. Mijn vader had zijn witte kapje voor en droeg een emmer warm water waar zijn brilglazen van besloegen. Hij liep met ferme passen om de houten tafel waarop het dode lichaam van een oude vrouw klaar lag om gewassen te worden. De onderkant van haar voeten stonden in mijn richting en maakte een grote V. Haar gele buik stond bol en eroverheen lagen haar borsten, als twee grijze dweilen met blauwe stippen. Mijn vader hield de emmer hoog boven de plek waar haar gezicht moest liggen en begon het metaal te kantelen. Wild sloeg de stoom van beneden naar boven toen het chemisch ruikende water in haar gezicht neer kletterde. Mijn vader zette de emmer onder de tafel en nam een spons. Hij greep de dode achter haar hoofd en tilde het gelaat even omhoog. Haar mond viel open en er waren kleine kiertjes tussen haar oogleden. Ze leek te huilen. Mijn vader schrobde haar schoon en liet geen plooi onbenut. Toen hij mij zag wierp hij de druipende spons op haar stakerige bovenarm, nam zijn bril af en graaide in zijn borstzak naar een Camel. Ik had spijt dat ik niet was doorgelopen, nu was ik overgeleverd aan zijn strenge blik. Nu doorlopen zou een doodzonde zijn, een belediging aan mijn vaders adres waar hij ’s avonds nog op terug zou komen. Ik bleef staan met mijn handen in de zakken om toch nog enige onverschilligheid voor te wenden. Hij inhaleerde diep alvorens de rook langzaam via zijn neusgaten te laten ontsnappen. Hij legde zijn hand achter het hoofd van de dode vrouw en keek me aan alsof ik, in plaats van het lijk voor hem, in staat van ontbinding verkeerde.
“Ga je weer naar je meisje?”
Ik knikte zonder hem aan te kijken.
“Je moet je niet zo door een vrouw laten inpakken.” Hij lachte schamper. “Weet je wat het met jou is Sander? Je bent gewoon een mietje! Let op mijn woorden jongen! Wijven, die willen gepakt worden. Die willen een baas hebben. Tegen de tijd dat die meid van jou volwassen is zoekt ze een kerel met kloten. Als ze dat al niet veel eerder doet. Kijk…”
Met de brandende peuk tussen zijn vingers duwde hij de benen van het lijk uit elkaar. Ze vielen aan weerszijde van de tafel en bleven bungelen alsof de persoon die ze droegen weer even tot leven kwam. De hand van mijn vader ging naar haar kruis en met duim en wijsvinger opende hij een zwart nest vol geel snot. “Zo worden ze allemaal jongen, ook die van Hannah. Denk daaraan en maak er wat van! Vooruit, voor het te laat is!” Hij wees naar buiten terwijl zijn akelige lach galmde tussen de witte muren. Ik holde onze tuin in vol walging om de man die mijn vader was. Choqueren was iets dat hij gelukkig na al die jaren niet meer voor elkaar kreeg, al kwam hij steeds weer met nieuwe zaken aanzetten waarmee hij hoopte me definitief ziek te kunnen maken tot ik het mietje zou zijn dat ik in zijn ogen eeuwig zou blijven.

Onder de diep buigende takken van de fruitbomen holde ik in de schaduw naar onze buurvrouw. Haar Duitse Herder liep me tegemoet en sprong wild tegen mijn borst. Hij likte me heftig en ik pakte zijn poten. We maakten een dansje en hij blafte opgewonden. Onder het laag hangend blad van de dichtstbijzijnde appelboom staken twee magere benen met klompen aan de voeten. Ze kwamen de trap af en voor ik haar zag begon ze al te spreken. “Ah Sander! Hoe is het met je vader? Druk in de weer met Vrouw van Vuren zeker?” Ik knikte en keek naar haar schort vol fruit. “’t Is een aparte, die vader van jou. Geen woord hoor je van hem, zeker omdat hij van die zwijgzame klanten heen en weer brengt”. Even hield ze stil en keek me oplettend aan. “Tja, dat is toch niks voor zo’n lekker jochie als jij, al die dooie. Hoe is het met je moeder?”
“Wel goed. Zegt ook niet zo veel hoor” ik glimlachte.
“Nee, het zijn stille, die ouwe van jou. Ga je vandaag weer naar Hannah?”
Ik knikte en voelde mijn wangen warm worden.
“Hier, neem dit maar. Doe je truitje eens ophouden”. Ze liet het fruit van haar schort in mijn shirt rollen en streek even door mijn haar. “Je gaat goed jij. Verdomd goed. Jij komt er wel lieverd. Nou, schiet maar op, straks kom je nog te laat”.
Ik bedankte haar, aaide de hond die lang achter me aan bleef lopen. Toen ik bijna aan het einde van de boomgaard was hoorde ik haar het dier terug fluiten. “Daar mot jij niet bijzijn beest. Dat is iets voor jonkies”.

De achterdeur stond op een kier en met een merkwaardig soort kramp in mijn maag sloop ik de keuken in. Ik riep haar naam maar ik kon geen volume maken. Ik moest hoesten en probeerde het nog eens. Van boven kwam er een antwoord: “Ik ben hier! Kom je?” Haar woorden echoden en ik wist dat ze in de badkamer moest zijn. Mijn buik deed te veel zeer voor grote passen dus langzaam schuifelde ik richting gang. Een schoenveter zat los en ik moest mijn stappen secuur maken zonder mezelf vast te zetten. Het beklimmen van de trap was een rot klus, zeker met al dat fruit dat ik nog steeds bij me droeg. Uitgeput en met het zweet op mijn rug kwam ik boven. De deur van de badkamer stond open en ik zag een beslagen spiegel waarin ze kort geleden een hart getekend had met aan weerskanten onze letters, uit elkaar gehouden door dat tijdloze symbool met een pijl daar dwars doorheen. Angstig, opgewonden maar vooral hunkerend haar weer te mogen zien stapte ik over de drempel. Alleen haar hoofd kwam boven het schuim uit. Ze had haar ogen dicht en haar lippen gespitst. Ik stond vastgenageld aan de gladde badkamertegels en moest mijn best doen een snik te onderdrukken.
“Nou, kom je nog?”
Ik kwam stapje voor stapje dichter naar haar bad en keek in haar gladde gezicht met de getuite lippen als uitdagend middelpunt. Zachtjes boog ik naar voren en kuste haar, al het fruit verliezend in het badwater onder mij. Ze opende langzaam haar ogen, haar wimpers plakte. Ik bleef staan. Ik zweeg. Ik keek. Traag maakte ze haar rug hol en bracht ze haar natte hals, schouders en borsten naar boven. De forse welvingen staken prachtig af bij haar ranke lijf. Zachtjes week het sop van haar roze tepels en gleed het in een rechte lijn via de buitenkant van haar borsten terug in het stomende badwater. Met haar slanke vingers pakte ze mijn pols en bracht ze mijn hand naar haar rechter borst. Teder legde ze hem daarop en streelde mijn vingers. De steken in mijn buik verzakte en staken brand in mijn lies en pik. Ze kwam nog iets hoger en ik zag haar smalle kruis dat als een klein beestje tussen haar dunne bovenbenen verstopt zat. Haar tenen kropen aan het voeteneind omhoog. Met haar vrije hand wreef ze tussen mijn benen. Langzaam kropen haar vingers op tot ze niet verder konden en vriendelijk begon ze te masseren. “Kom je erbij” fluisterde ze lief.
Ik begon me uit te kleden en alle preutsheid wierp ik met mijn kleren af. Ik rechte mijn rug en stapte in het water waar ze haar voeten vandaan getrokken had. Uren zaten we tegenover elkaar alleen maar te kijken. We verdronken in een meter water. We streelden en zoenden afwisselend met open of gesloten ogen. Ze was zo tenger en toch maakte haar vrouwelijkheid haar vol. Het leek uren te duren eer ze de appels één voor één uit het water nam en druipend op de rand van het bad zette. Ze boog voorover en omvatte stevig mijn pik. Ze zoende me, ging op haar knieën zitten en bracht haar borsten naar mijn lippen en ik zoog haar tepels strak en rood.
“Ga mee naar mijn kamer…”
We hezen ons op in een innige omhelzing en wandelde, plassen makend op de overloop, dicht tegen elkaar aan naar haar kamer. Daar had ze de gordijnen al gesloten. Ze legde haar armen op mijn schouders en duwde me zachtjes naar de rand van het bed.
Ik ging zitten.
Ik ging liggen en zij kwam boven op me liggen en streelde mijn tepels, likte mijn buik en navel en zoende mijn penis onwennig en zacht. Ze ging op me zitten en bracht mijn geslacht teder bij zich naar binnen. Even trokken haar lippen strak maar met het schuiven van haar dijen leek ze haar gelaat los te masseren en keek me aan. Haar borsten danste boven mijn ogen, haar gezicht stond schuin op haar hals. Ze zoende me lang voordat ze sneller ging bewegen. Het duurde niet lang eer al mijn botten van stroop leken te worden en scheurde in plaats van dat ze braken. Ik vloeide en zuchtend sprak ik haar naam.

Langzaam verdween de zomer en vervaagde de kleuren om ons heen als de tinten van een tuin wanneer de avond valt. De herfst kwam en iedere avond lag ik alleen in bed, stevig op één helft geschoven zodat het andere deel vrij voor haar zou zijn en in gedachten streek ik met mijn vinger over haar warme lijf.
De eerste schooldag bleef haar plaats in ons lokaal leeg.
Alle andere schooldagen ook.
Hannah was ziek.
Zonder te vertellen wat ze had merkte we allemaal aan de toon van onze mentor dat het iets ernstigs betrof en terwijl ik die wetenschap bezat duwde mijn hunkerende fantasieën een mogelijk einde ver uit mijn gedachten. Iedere dag fietste ik als een dolle naar haar huis waar haar lieve moeder aan de tafel met thee op me zat te wachten. Daar kreeg ik een verslag van de afgelopen nacht en dag. Met een natte zakdoek steevast in haar mouw gestoken kropen haar woorden traag over de tafel naar mij toe. Soms had ze lang geslapen, soms kort vanwege de pijn die ze had. Soms had ze een brief voor me geschreven omdat de dokter het niet goed vond als ze die dag visite zou krijgen. De ogen van haar moeder dwaalde door de kamer, op zoek naar een strohalm, spookte door de stoffige ruiten in de tuin, op zoek naar leven. Altijd bleef haar blik als laatste in mijn ogen hangen en leek ze een hoopvol moment te beleven wanneer ze troostend mijn naam sprak en zei hoe belangrijk ik voor haar was.
De laatste keer dat ik Hannah en haar moeder bezocht was niet anders dan alle andere bezoekjes. Ik kreeg thee en het verslag van die dag. Daarna bracht ze me naar boven, hief haar hand op de overloop ten teken even te wachten. Ze sloop zachtjes naar haar kamerdeur en duwde de klink traag en secuur omlaag. Haar hoofd gleed even uit beeld om later terug te komen met een glimlach richting mij. Ik was welkom en ze streelde mijn wang wanneer ze me bij het trapgat passeerde. Ze liet ons alleen.
Dat ze ons alleen liet is iets dat ik na al die jaren nog steeds zie als een groot gebaar waarin ze alles wat een moeder kan bezitten uit handen gaf om de essentie van het leven door te geven. Het was alsof ze Hannah de vrijheid gaf en haar daardoor opnieuw geboren liet worden.
Ze lag in het donker. Alleen haar gezicht was duidelijk te zien dankzij de lamp op het nachtkastje. Daarnaast stond een foto van ons tweeën, gezeten op de bank in haar tuin. Die foto had haar moeder genomen. Haar moeder had hem ook ingelijst. Het was het eerste kadootje dat ze tijdens haar ziekbed gekregen had.
Zachtjes liep ik op haar af en ging naast haar zitten. Haar gezicht was niet witter dan andere dagen en haar ogen niet grauwer dan de dag er voor. Pareltjes zweet lagen op haar voorhoofd. Ik zoende ze mijn mond binnen en legde mijn hand op haar wang.
“Sander?”
“Hannah?”
“Zul je altijd bij me zijn? Ook als ik stuk en lelijk ben?”
“Je bent niet… Ik zal altijd bij je zijn maar ik ben stuk en jij bent heel”.
“Wil je me die lieve tekening van je geven. Die ene die je van me hebt gemaakt bij het zwembad”.
Na die vraag was het voor het eerst dat ik om haar huilen moest sinds haar ziekte. Ze trok me tegen haar aan en ik voelde dat het haar pijn deed, dat ik te zwaar voor haar geworden was. Ik wilde haar ontlasten maar ze greep me stevig beet en fluisterde in mijn oor dat ze het de mooiste zomer van haar leven had gevonden. Ik knikte en slikte al mijn verdriet weg omdat ik duidelijk wilde zeggen dat ik van haar hield, of ze nu ziek was of niet. Maar ik kon niet en in plaats daarvan fluisterde ik dat ik de tekening aan Margot mee zou geven wanneer ik thuis was.
Ik zoende haar en even leek het of ze stopte met ademhalen.
Toen er weer lucht uit haar longen ontsnapte liet ik van pure opwinding en geluk mijn lijf hard op haar vallen en begon te lachen. Het duurde even, heel even, toen lachte ze met me mee.

Het was gaan te regenen en ik holde, onder mijn jas gedoken, naar huis. Daar rende ik door de keuken langs de borrelende pannen van mijn moeder die me beledigd na keek. Boven trok ik de tekening van Hannah uit mijn bureaula en bekeek hem een kort moment vol tevredenheid. Ik rolde hem op, trok een veter uit mijn schoen en bond het papier dicht. Met een rechte rug liep ik de trap af op weg naar het kantoortje van mijn vader. Toen ik de deur opende was al het licht uit en hoorde ik mijn vader zachtjes vloeken. Normaal gesproken had ik me omgedraaid en het kantoor gesloten maar nu zocht mijn hand brutaal de schakelaar en zette ik een naakte Margot en mijn vader met de broek op de enkels in het volle licht van de TL-buizen. Ik deinsde achteruit en zag hoe Margot geschrokken van de tafel klom en in haar slipje dook. Ze huilde en graaide haar jurk van de grond die ze voor zich hield. Ik hervond me en liep op hen af. Ik legde het papier voor Margot op tafel en vroeg haar die aan haar zus te geven. Dat ze daarom gevraagd had. Margot veegde een traan weg en knikte snel een aantal keren bevestigend.
“En hier,” sprak mijn vader met een aanhoudende r op de tafel wijzend, “zal nooit over gesproken worden. Begrepen, Don Juan?”
Ik knikte, bekeek mijn vader tergend lang tot ik het uiterste aan tijd daarmee had bereikt en draaide me om zonder de deur te sluiten.

Die avond, toen we zwijgend aan tafel zaten, brak er een hels onweer uit. Mijn moeder was bang voor onweer en legde haar bestek naast haar bord. Mijn vader lepelde chagrijnig zijn soep naar binnen, stralen morsend langs zijn kin.
“Eet toch door mens, er gebeurt heus niks”.
Ik keek naar mijn moeder die een gebedje sprak. Ik keek te lang naar haar want ik had een lel te pakken. Mijn vader hing met zijn bolle buik over tafel in mijn richting en siste met volle mond dat ik me nergens mee te bemoeien had.
De regen stond recht op onze ruiten en maakte zo’n kabaal dat de deurbel nauwelijks te horen was. Mijn moeder ontsloot haar handen, stond op en liep naar de hal. Met het openen van de deur kwam er behalve het geweld van de storm ook een ijzig gejank naar binnen. Ik herkende de stem van Hannah’s moeder. Ik zag haar voor me, voorovergebogen in mijn moeders armen, haar hoofd stuiterend tegen de schoudervulling van haar overbuurvrouw.
Gestoken door een venijnig zuur sprongen de tranen in mijn ogen en kletterde mijn lepel terug op mijn bord dat brak.
Even was ik verrast de hand van mijn vader op mijn schouder te voelen en hoopvol keek ik hem aan, zoekend naar troost. Maar wat ik zag was enkel zijn venijnige gezicht. Hij veegde zijn mond af en sprak: “Niks aan de hand jongen. Gewoon een nieuwe klant. Brood op de plank!”

Mijn moeder had me, zeer tegen de wil van mijn vader, ziek gemeld voor school.
Het duurde lang voor mijn vader Hannah mocht behandelen, in het ziekenhuis gingen artsen haar nog onderzoeken.
Dagen lag ik in het donker op mijn bed, emmers vol verdriet en woede brakend en van jaloezie en haat mijn bed vol plassend.
Mijn vader zou de laatste zijn die alleen met Hannah zou mogen zijn en ik kon het beeld van die grijnzende viezerik niet van mijn netvlies af krijgen. In mijn gedachten zag ik de meest vreselijke taferelen voor me terwijl hij met water en watten om het dode meisje heen zou lopen en al haar gaten dicht zou maken.
Mijn moeder zei niks tegen me en toch was ze nog nooit zo goed voor me geweest als in die dagen.
Op een avond hoorde ik haar zachtjes mijn kamer binnen sluipen. Ik rook haar zoete parfum toen ze naast me op bed kwam zitten en mijn haren streelde.
Ze had een brief van Hannah’s moeder bij haar. Ik mocht bij haar komen. Lang schoof ik een beslissing daarover voor me uit maar besloot dat uiteindelijk niet te doen. Ik had genoeg doden gezien en wilde mijn herinnering aan haar vasthouden zoals ik die wenste.
Ik zou alleen op de dag van haar begrafenis komen.
Mijn moeder had een pak voor me gekocht en een bos bloemen voor op de kist. Ik had geen idee dat het de laatste dagen prachtig weer was geweest en dat de temperatuur warm was. Ik had alleen maar in het donker gelegen en mijn ogen deden zeer toen ik het gordijn van mijn raam opzij schoof en de boomgaard in tuurde. Mijn buurvrouw kwam haar tuin ingelopen en keek in mijn richting. Ze bleef staan met de hond aan haar voeten. Het leek een eeuwigheid te duren. Toen gaf ze me een handzoen en maakte een vuist. Ik brak en moest een gevecht aan gaan met een opkomende huilbui. Ik beet de binnenkant van mijn wang open en liep naar de klaar hangende kleren. Mijn moeder kwam achter me staan en keek me aan via mijn spiegel.
“Jochie toch, wat heb ik een huiver voor jouw verdriet!”
Ze kamde mijn haren, zoende mijn hoofd en liet me gaan.
Bij Hannah aangekomen kwam haar moeder op me af en opende haar armen. Ik liet me erin vallen alsof het een groot kussen van troost en herkenning was.
Een paar momenten later dankte ik God dat ik Hannah niet meer had bekeken.
We stonden, Margot en ik aan één kant, Hannah’s ouders aan de andere zijde, in de hal op de kist te wachten toen we al roken dat de warmte zijn morbide werk had uitgevoerd. Boven aan de trap verscheen mijn vader die met kleine, eerbiedwaardige passen, naar beneden kwam met vlak achter hem twee man personeel die de kist droegen. Mijn vader droeg zijn hoed voor zijn buik. Zijn gezicht stond strak, bij de klanten geen venijn. Toen hij bijna beneden was gebeurde het onvoorstelbare.
Terwijl de kist boven hem kantelde, om de tocht naar beneden in te zetten, dropen er straaltjes vocht uit de kieren van de kist op mijn vaders hoofd. De dragers hadden niks in de gaten en bleven met hun neutrale blik vooruit in het niets staren. De straaltjes werden stralen en de onverdraaglijke stank welde in grote doorzichtige wolken de gang in. Het kleverige lijkenvocht stortte zich over mijn vader uit. Niemand sprak een woord terwijl we één voor één, compleet stuk, terug de huiskamer inliepen en mijn vader en diens collega’s in diepe schaamte achterlieten.
Haar dood was leven geworden. Haar sappen, en wie weet nog een miljoenste van die van mij, waren gaan woekeren en opzetten en hadden zich over mijn vader uitgevloeid.
________________________________________________________________________________

Deel II
De Eerste Zomerdag van 2002

Hannah had haar arm door de mijne gehaakt en haar hoofd tegen mijn bovenarm gelegd. De priester voor ons slingerde weelderig met de wierook en liep met eerbiedwaardige passen achter mijn vaders kist. De treurwilgen stonden stil in een blauwe hemel zonder wind.
De lucht rook zoet en vermengde zich met de geur van mijn dochter aan mijn zijde. Ze had een Italiaans luchtje van haar moeder opgespoten en wandelde parmantig aan mijn zijde met een hip zonnebrilletje op haar neus. Het bosje rozen in haar hand had ze eerder voor mij meegebracht dan voor haar opa. Mijn vader had ze nauwelijks gekend en naarmate ze ouder werd steeds minder willen kennen.
Ik keek om me heen en las de namen op de diverse stenen. Meer dan de helft was onder mijn vaders handen het graf ingestopt. Sommige namen kon ik me nog herinneren maar de meeste waren spoken, schimmen uit een lange donkere tijd waarin een kort moment de zon had geschenen.
We hielden halt en Hannah begeleide me naar de rand van het graf naast een heuveltje verse aarde. De kist werd op een katrol geplaatst en de priester nam plaats aan het voeteneind. Ik keek om me heen en luisterde naar de stilte die ons omringde. De zalvende woorden die de priester met omhooggestoken handen over ons heen ademde bande ik uit door over de talloze zerken naar de provinciale weg te kijken. Over die weg zou ik dadelijk voor het laatst de plek van mijn jeugd verlaten.
De kist werd besprenkeld en bewierookt. Het Onze Vader klonk. Ik voelde dat mijn ogen door de voorganger werden gezocht maar ik schudde langzaam mijn hoofd. Zonder schaamte gaf ik de kleine, ons omringende, gemeenschap te kennen geen woorden te hebben. Ik hield mijn handen in de zakken.
“Opgelucht?” Vroeg mijn dochter op fluistertoon.
Ik schurkte haar tegen me aan en zoende haar hoofd.
“Rustig. Tevreden” sprak ik met mijn blik op het blanke hout waaronder mijn vader met gevouwen handen de diepte in ging.
Als mijn dochter niet aan mijn zijde stond had ik wellicht woede moeten onderdrukken en had ik zijn kist het liefst bespogen.
Ik haalde diep adem en we draaide ons om, op weg naar de uitgang. Mijn hakken stevig in het grind zettend zag ik mijn vader voor me, gelegen in zijn kist. Uitgedroogd en uitgeteerd, zijn pens vol stront en smerige gezwellen. Ik wilde die aanblik wegduwen en kneep Hannah in haar schouder.
“Hé, daar lig ik pappa”.
Ik huiverde en liet mijn dochter los die overstak naar een overwoekerd graf met een kleine steen. Misselijk kwam ik achter haar staan en keek over haar heen. Heideplantjes herbergden paarse tinten en kropen tegen de steen, groene vlekken makend onder haar naam.

‘Ik verzeker jullie, als je niet verandert en wordt als kinderen,
kom je het koninkrijk der hemelen niet eens binnen.’

- Matteüs 18

Hannah Bovens
2 maart 1968
~
20 september 1982

Ik hoorde mijn dochter zuchten. De rozen, die ze nog steeds in haar handen had, stak ze tussen twee plantjes op het graf aan haar voeten.
Ik was verdoofd en haalde mijn hand van haar af. Talloze scenario’ s rolde achter mijn ogen. Was het haar recht het leven van dit meisje te kennen? Was de essentie van de problematiek die ze deze ochtend met mij deelde niet verbonden aan dit graf? Ik had haar al veel over mijn vader verteld maar vond nu, in tegenstelling tot het moment van haar geboorte, dat ze enkel mijn dochter moest zijn. Met haar veertien jaar, gescheiden ouders, eerste liefde en heldere gedachten was ze dat ook. De schim van mijn verleden had ze al jaren geleden van zich afgeworpen en ze verdiende de wetenschap los van haar ouders te staan. Zo hoort het bij kinderen, hield ik mezelf voor en keek in de richting van mijn vaders rustplaats.
“Jezus wat jong! Net zo oud als ik…”
Ik knikte en trok haar weer tegen me aan. Omdat ik geen aanstalten maakte naar de parkeerplaats te wandelen gaf ik Hannah de tijd om na te denken en als een lugubere klopgeest maakte mijn voorspellende gedachten me deelgenoot van mijn dochters vragen. Voor ze die had uitgesproken kende ik ze al.
“Heb jij haar eigenlijk niet gekend? Ze was toen net zo oud als jij?”
Met mijn rechterhand kneep ik in mijn sleutelbos tot de punten van het metaal mijn vlees pijn deden.
“Nee. Ik kan me haar niet herinneren… Kom, we gaan naar je moeder”.
Terwijl we over het kiezelweggetje naar de auto liepen zag ik elk café voor me dat we onderweg konden bezoeken. Maar ik wiste ze uit. Zag een uitleg op geen enkele manier voor me en liep stevig door, de vlotte stappen achter ons negerend.
Bij de auto aangekomen hield ik het portier voor mijn dochter open, gaf haar een knipoog en sloot het. Ze deed de zonneklep omlaag en streek door haar lange haar. Schikte het zoals haar moeder dat kon.
“Hoorde jij die haan ook zo fanatiek kraaien Sander?”
Geschrokken draaide ik me om. Achter mij stond Margot. Vet haar kleefde aan haar verwrongen gelaat. Ik herkende haar aan d’r stem. In de kerk had haar wezen niks bij me opgeroepen. Mijn mond stond open en zij sloot hem, streelde mijn kin.
“Is dat je dochter?”
“Ja. Ja, dat is mijn dochter. Ik wil dat zij hier zo min mogelijk mee te maken heeft. Het is zo al erg genoeg allemaal, dacht ik. Ze moet trouwens naar haar moeder dus als je het niet…”
Ze deed een stap naar voren en glimlachte.
“Sorry. Maar we moeten eens praten”.
Moeten eens praten? Hoezo, moeten?
Ik stak mijn hand naar haar uit en zocht met mijn vrije vingers een kaartje in mijn binnenzak.
“Hier is mijn adres en telefoonnummer. Ik heb het erg druk maar blijf het proberen. Ik moet nu, helaas… Ik moet haar nu naar huis brengen. Dat is nog een aardig eindje, snap je?”
Ze knikte en zegde toe me te zullen bellen. Ik gaf haar nogmaals een hand, liep om de auto heen en ging naast mijn dochter zitten.
“Vriendinnetje van vroeger?”
Ik keek opzij. Ze keek me brutaal aan en klapte met haar kauwgom.
“Niet bepaald schat. Niet bepaald”. Ik legde mijn hand op haar knie en tuurde naar Margot die voor ons uit de kerk omliep. Ik vroeg mij af waar naar toe. Ik vroeg me ook af waarom ze hier überhaupt bij geweest was. Een lichte nieuwsgierigheid zette zich in me op die ik zo snel als ik kon van me afduwde. Ik startte de auto en trok op, een spoor van opgesprongen grind achterlatend.
“Wil je wat opzoeken?” Vroeg ik Hannah, een knik richting autoradio gevend. Ze boog naar voren, een BH-bandje schoot van haar schouder. Ze zocht en vond. “God knows I want to break free” schalde Freddy Mercury ons toe terwijl Hannah opnieuw het spiegeltje liet zakken en zichzelf bekeek.
“Weet je, als ik op deze manier ooit jou zou moeten begraven, dan zou ik me kapot schamen!”
We bleven lang stil terwijl we met een rotgang door de polder raasden en Hannah enkel een kort moment naar mijn kilometerteller wees.
“Je hoeft me nog niet te begraven” zei ik tenslotte, me er van bewust dat dit antwoord niets met haar opmerking te maken had.
De zon stond recht in onze ruit en Freddy zong voor mijn dochter. Ik hoorde niets en door hard te rijden voelde ik mezelf vrij genoeg. Mijn gedachten gingen naar mijn GSM en ik moest de verleiding weerstaan om te kijken of ik een SMS-je van Roos had. Alles na Hannah was compensatie geweest, zo opperde mijn psychiater. Zelfs de verwekking van de jonge vrouw naast me was een daad van een demon geweest. Boze geesten waren al twintig jaar druk de puinhopen van mijn vader en mijn vroeg gestorven vriendin op te ruimen. Het probleem was dat ik, net als de vloer van mijn ziel netjes was aangedweild, mezelf wilde belonen na het zien van mijn eigen composthoop. Het bestellen van een callgirl of het aanvoeren van coke was nog het minst erge geweest. Dat was snoep wat niet echt smaakte. Het mezelf verwennen met pijn zou niet alleen mij maar ook mijn omgeving de das omdoen. Mijn ex-vrouw was het zat om iedere nacht wakker te worden naast een zwetende man die zijn ouders moest vermoorden en die twee samen zag komen in de ogen van zijn ‘lief’. Te veel pijn, zo noemde ze het. Te veel pijn van de liefde, te veel pijn van de jeugd en te veel pijn van een vrouw. Ze was weggegaan op de ochtend van de tiende verjaardag van ons kind. De cadeautjes hadden ze samen in de auto uitgepakt. Althans, zo is het me later verteld. Ik was te moe. Ik lag op bed.
“Schuld moet je weg leven. Leven dus!” Doceerde mijn psychiater een week voordat hij me wegstuurde. Leven dus, was het devies. Maar ik kon amper begraven. Laat staan leven, dat veel moeilijker is. De schuld bleef me vergezellen, maakte me onzeker, ook voor de toekomst. En die onzekerheid zou er voor zorgen dat ik opnieuw grote fouten zou maken. Zo maakte ik mezelf banger en banger.
“Kijk uit! Papa!”
Ik keek op en zag een aanhanger vlak voor onze bumper. Ik sloeg het stuur naar links, de weg was vrij en ik dook om het gevaarte heen. Wild nagetoeterd trok ik nog een kilometer hard door, toen minderde ik vaart.
Ik keek opzij. Hannah zat met haar hand op d’r buik rechts uit het raam te kijken. Haar gezicht was voor mij verstopt.
“Sorry…” stamelde ik.
“Man wat mankeert je? Doe normaal! Dat jij er nou allemaal geen reet aan vindt moet jij weten maar ik, ik… Ik vind het bijvoorbeeld lekker weer!”
Ze draaide haar hoofd naar mij toe en ik zag een paar kleine tranen onder haar zonnebril omlaag glijden.
“Hoe kan ik er nou, met jou naast me, geen reet aanvinden?”
“Man lul niet zo slap! Je weet niet eens wat je zegt!” Ze sloeg me hard op mijn rechterbeen. Nu was het mijn beurt om, uit schaamte, van haar af te kijken.
“Kijk alsjeblieft voor je, wil je?”
Ik moest flink zijn. Ik deed flink. Ik keek voor me.
Bij Broek in Waterland besloot ik toch maar de weg af te gaan en een rustig terras op te zoeken.

We zaten, omringd door een diepe stilte, op een verder leeg terras. Ik met een Heineken, Hannah met een Cassis. Ze had nog geen woord tegen me gezegd sinds we uit de auto waren. Ik deed mijn uiterste best om mezelf niet zielig te vinden en keek naar de ruwe basten van de bomen aan de rand van het weiland voor ons.
“Ik ga even naar de WC. Ik ben ongesteld.”
‘Waar heb ik die eerder gehoord’ spookte het door mijn hoofd. Ik probeerde lief te knikken maar ze zag het niet. Ze pakte haar tas en liep bij me vandaan.
Even voelde ik de drang om achter haar aan naar binnen te lopen en aan de bar een pakje sigaretten te vragen. Maar ik duwde deze troost van me af. Ik was gestopt. En ik was juist zo flink.
Na een paar slokken voelde ik me kalmer worden, waarschijnlijk omdat ik voor het eerst die dag alleen was. Me niet bekeken voelde.
Ik zag mijn moeder aan de ontbijttafel staan terwijl ik op blote voeten beneden kwam en ik rook haar geur. Haar ochtendlucht. Ik herinnerde me dat ik dat prettig vond.
Kom op Sander! Je bent aan het zoeken, stop er mee!
Ik dacht aan mijn buurvrouw en de dagen met haar en de hond in de boomgaard. De stilte, het ontbreken van elke vorm van gejaagdheid. Het ontbreken van de spanning om elk moment mijn vader te moeten verwachten. Hij was doodsbang voor onze buurvrouw.
Ik zag de takken van de bomen, gemengd door elk seizoen. Ik rook het blad, het vers gemaaide gras en ik zag de kleuren van het gras. Voor het eerst zag ik de vredige taferelen uit mijn jeugd met het besef dat het voorbij was. Dat het jongetje dat daar gelopen had vader was en er, al zou hij het willen, nooit meer rond kon lopen zoals hij toen gewild had. De tijd had hem al zijn kansen afgenomen en hem in het verdomhoekje gezet tussen andere vrijgezellen hoerenlopers, vluchtige types die aan een hijs en een snuif voldoende hadden om tevreden te zijn met hun ontevredenheid.
Ik maakte mijn glas leeg en ik dacht aan vroeger. Waarom waren sommige herinneringen een warm bad en het huidige, het nu, een vluchtig klusje waar de tijd eerst overheen moest gaan om het op te poetsen voor het weg te kunnen zetten in de vitrine der herinneringen?
Ik keek op mijn horloge en schrok. Hannah was al een half uur op het toilet. Ik voelde in mijn zak naar mijn autosleutels en keek onbewust over mijn schouder naar de parkeerplaats. Ze moest er nog zijn. Ze had geen eens een rijbewijs en kon niet, zoals haar moeder, wegrijden zonder een afscheid.

De rust die ik buiten genoten had was omgeslagen in verwarring en paniek. Bij de bar kreeg ik Hannah in het oog. Maar in plaats dat de paniek verdween zwol deze op en sloeg mijn geweten beurs. Ik zag haar vanaf haar rug. Ze zat tegenover mijn oude buurmeisje, haar hand in die van haar.
Margot zat naar voren gebogen en ik wist dat alles verloren was. Ik wist dat er over haar lippen een geschiedenis kwam die niet voor de oren van mijn dochter bestemd was. Haar mimiek was zacht, de knikjes die ze met haar hoofd gaf haast te vrouwelijk. Ze dronk witte wijn.
Ik herpakte me en bestelde.
Met bier, Cassis en een droge witte wijn liep ik naar hun tafeltje.
“Zo. Je kon blijkbaar niet wachten totdat ik mijn dochter thuis afgezet had?”
Margot keek me aan alsof ze me niet kende, alsof we die dag niet eerder met elkaar hadden gesproken. Hannah keek beledigd.
“Als je me levend thuis had kunnen brengen.”
Ik voelde woede opkomen en pompte mijn schouders op. Ik zette het dienblad op tafel, maakte een knoopje van mijn blouse los en trok een stoel bij.
“Ik geloof niet dat dit iets is wat voor de oren van een meisje van veertien bestemd is.” Ik nam stoer plaats maar voelde me belachelijk en wist dat mijn opmerking een misser was en keihard alle doelen voorbij schoot.
“Alsof jij je daar ooit zo druk om gemaakt hebt. Ga zitten en houd je mond of ga weer naar buiten. Daar zat je prima!”
“Hannah, drink je glas leeg dan breng ik je naar je moeder.”
“Die heeft me al gebeld en is op de hoogte.” Ze nam brutaal een sigaret van Margot aan en boog sierlijk naar voren om de vlam van de aangeboden aansteker naar haar toe te trekken. Ik kreeg het warm en begon gulzig te drinken, mezelf verradend en moed gevend.
“Nou, goed dan: waar zijn we?” vroeg ik murw.
“Ze is dood. Ze is zojuist overleden, gekist en begraven.” Het klonk kil maar Margot haar stem was warm, haast troostend en daarom verleidelijk. Ik zweeg.
Margot nam een slokje, hield haar hoofd schuin en ging verder: “Nou was het zo dat jouw opa, Sanders vader, een niet te temmen verkrachter was. Ik wist dat al een tijdje en ik wist ook dat hij een bedreiging was voor iedereen die nog geld van hem kreeg. Mijn moeder bijvoorbeeld…”
Ik voelde de pezen in mijn nek scheuren en leunde naar achteren. Mijn stoelleuning kraakte terwijl Margot een trekje van haar sigaret nam en Hannah met half dichtgeknepen ogen bekeek.
“Ik voorzag mijn moeder in haar aflossing, zie je. Ik liet hem begaan tussen de kisten en kransen. Liet hem mijn slipje omlaag duwen, liet hem binnenkomen, liet hem in mijn borsten bijten, liet hem ongegeneerd in me klaarkomen, zich niet bezorgd makend over de gevolgen. Die waren voor mij. Voor mij en mijn moeder. Pillen voor het ontbijt!”
“Genoeg! Hoor je? Genoeg! Weet je wat jij moet doen? Een goede psychiater zoeken en daar je ei gaan zitten leggen. Ben je helemaal achterlijk om dit aan mijn dochter op te dienen? Ik betaal hem wel, die…” dronken liep ik naar achteren en ik greep als een amateur toneelspeler naar mijn portemonnee. Mijn billen kwamen tegen het biljart en ik hield stil. Hannah keek me minachtend aan.
“Denk jij dat ik nog nooit dit soort verhalen gehoord heb of zo?”
Ik zag dat mijn dochter, ondanks het feit dat het verhaal haar in een wurggreep hield, genoot van mijn duizeligheid. Ik zag haar groeien, de jaren vlogen erbij. Ze had macht zoals ze daar zat. Zoals ze professioneel haar sigaret rookte, haar hand op Margot haar schouder legde en van me wegkeek.
“Het was vanzelfsprekend dat hij mijn zusje na haar overlijden onder handen zou krijgen. We hadden schulden, konden niet verhuizen en de pastoor was nogal dik met die opa van jou. Vraag me niet waarom. De ijzige grijns waarmee hij bij ons over de drempel kwam nadat Hannah was overleden…”
Margot begon cynischer te klinken. Het was haar toon die me bang maakte. Niet haar verhaal. Dat verhaal had ik mezelf de dagen na haar dood al vele keren voorgesteld. Maar ik wilde het niet horen. Ik wilde niet de zekerheid dat het ook echt zo gegaan was. En ik wilde zeker niet dat mijn dochter dat zou horen. Het suisde in mijn oren en ik betrapte me op de gedachten dat ik ook bang was dat mijn dochter me zou gaan haten. Mijn vader in mij zou gaan zien. Alsof dit hele verhaal een soort verklaring voor haar zou worden, de hele toverpot van de echtscheiding als een wetenschappelijke formule op tafel zou komen te liggen.
“Mijn moeder bracht hem naar Hannah’s slaapkamer, daar lag ze. Het was heet, snap je. Ze moest snel opgebaard en boven een koeling gezet worden. Jouw opa bleef uren boven. Ik zat met mijn moeder beneden. We zaten doodstil en lijkbleek tegenover elkaar, hoorden zijn passen om het bed, hoorden het kraken van de spijlen en het slepen van de glazen kistdeksel. Mijn moeder kon het niet langer aan en ging naar jouw oma. Zwijgend schuifelde ze de achterdeur uit, mij opnieuw achterlatend met dat monster boven. Ik voelde haat, echt haat…”
Er kwamen tranen van woede in Margot’s ogen en ik zag mijn dochter ineens weer een meisje worden. Ik zag haar bang worden en onhandig haar sigaret uitmaken. Ik ging weer op de stoel zitten, was bang dat ik flauw zou vallen.
“… Ik ging dus naar boven. Ik wist waarom maar ik voelde me zo zinloos en daardoor had ik blijkbaar niks te vrezen. Hij moet me hebben horen aankomen. Hij moet de treden van de trap hebben horen kraken, mijn toelopen op de deur…”
“Margot, alsjeblieft… Sla dit alsjeblieft over…”
“Hij had de deur gewoon open gelaten, de klootzak. Ik zag zijn gore reet op en neer gaan tussen de dode benen van mijn zusje. Ik hoorde hem hijgen, zijn kwijl wegslikken. Hij kreeg een hoestbui en kroop hijgend van haar af. Ik zag mijn lijkwitte zuster, haar hoofd opzij. Als een losgelaten marionet lag ze op zijn rolkar na te druipen van zijn geilheid.”
Margot haalde snakkend adem en een golf bier kwam terug in mijn mond.
Ik weet niet hoe lang het duurde voordat Margot opstond, zich excuseerde en naar het toilet liep.
“Dit had je nooit, nooit, mogen horen…”
Ik hoorde het tikken van glazen uit de keuken.
“Oh nee? Waarom niet? Omdat ik jou dan te goed zou leren kennen?”
“Zwets niet lieveling, dit is totaal iets anders.”
“Totaal iets anders? Hoe dan? Waarom dan?”
“Pak je spullen, dan breng ik je naar huis.”
Er kwam een motor de parkeerplaats oprijden.
“Ik wil nu mijn zakgeld, dan kan ik een taxi nemen. Je hebt teveel op.”
Ze stond voor me. Ze was groot en ze keek lief en voor het eerst voelde ik dat ik haar inderdaad in de steek had gelaten. Dit initiatief, om me achter te laten, was er een van een volwassen vrouw. Het was een beslissing die ik twintig jaar geleden ook had moeten nemen. Ik hield haar het geld voor en ze trok het zachtjes, haast respectvol uit mijn hand. Ze zoende me en liep weg.
Margot heb ik niet meer gezien.

Toen ik buiten kwam was de lucht rood en hielden krekels een concert voor dansende muggen boven de plas.
Wankel liep ik naar mijn auto en bleef even op het warme dak leunen, turend naar het landschap van mijn jeugd en van vandaag. Ik graaide mijn GSM uit mijn borstzak, toetste de code in en griste een pakje sigaretten tevoorschijn die ik, voordat ik buiten kwam, uit een automaat had getrokken.
Een piepje.
Niks van Roos.
‘Ben veilig thuis. Ondanks alles hou ik van je. Sterkte, ook namens mama.
Bel je een taxi? Kus, Hannah’.

Rik van Schaik, Utrecht
11 t/m 21 maart 2002
Website: http://home.hetnet.nl/~rikvanschaik/







Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens