zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - In de Trein
Gepubliceerd op: 15-07-2002 Aantal woorden: 4082
Laatste wijziging: - Aantal views: 2415
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

In de Trein

Rik van Schaik


In de Trein




Hier zijn de duigen van een leven,
Aangetast door vuil en kou;
Een roes van bloed en spieren,
Vliezen die als schalen
Hersens droegen en
Hun idealen, zijn verdwenen in de grond.

Tuig waarin de tocht een liedje fluit;
Koets van been onder de zoden
Vastgereden, ooit geledigd
En vernietigd door de nacht;
Ribben klemmen als een deur.
Daar zat misschien een ziel
Die niet meer wist waarheen.

Peter Ghyssaert – Het Skelet

STATION LEEUWARDEN 22.22 UUR

Het overkomt je hoogst zelden dat je ‘s nachts droomt over een oude geliefde om die vervolgens de volgende dag tegen te komen. Het overkwam Alexander Huisman op woensdag 6 januari 1982 in het boemeltreintje Leeuwarden-Stavoren.
Op het koude station drongen de warme gedachten aan zijn droom van de afgelopen nacht zich aan hem op. Plaats nemend op het bankje buiten de gesloten restauratie drukte hij z’n aktetas stevig tegen zijn buik. Terwijl zijn vrouw die nacht nietsvermoedend naast hem lag deelde hij voor de tweede maal in zijn leven de lakens met de vrouw die hem de rest van zijn leven onafwendbaar zou volgen. Kronkelend door zijn gedachten, spiegelend in het zweet op het lijf van zijn geile vrouw, haar naam op de gekste plekken opduikend, op de pui van een eethuis, als een merkje aan de binnenkant van een blouse, als kandidate in een quiz, als een nieuwe collega, als een patiënt, als een vermist persoon in een politiebericht. Ooit was Eva, een jaar jonger dan hij, zijn klasgenote. Maar sterker. Veel sterker. Haar blauwe ogen, rode haar, zoete geur, mooie tred, slanke benen en hese stem zette hem dagelijks terug in de hoek van de anonimiteit. Het oprapen van haar pen was in die tijd de grootste toenadering geweest die hij tot haar dorst te maken. Ze had hem hier niet bij aangekeken. De jongens stonden voor haar in de rij en hij stond achteraan. Maar het mysterieuze meisje zou met niemand meegaan. Ze bleef aan de zijde van haar vriendinnen, onder de rokken van haar moeder, aan de hand van haar vader. Klam was zijn bed in de dagen van zinloze zomervakantie waarin hij haar toevallig in het zwembad was tegengekomen en ze hem met een zacht ‘hallo’ begroette. Het zaad in zijn hand opvangend om z’n moeder de confrontatie met zijn gemiste liefde te besparen.
Vlokken sneeuw dwarrelden op zijn handen neer. Hij opende z’n ogen en zag het boemeltje langzaam het station in glijden. Hij stond op, klopte wat sneeuw van zijn broek en liep naar de voor hem dichtstbijzijnde deur. Het was een gewoonte van hem om, net voor het instappen van de trein, altijd even in zijn binnenzakje te voelen of het kaartje op de juiste plaats zat. Als dit gebeurd was, kon hij zich in de warmte van de coupe terugtrekken. Hij deed dit snel, drukte zich stevig in de zitting bij het raam en sloot opnieuw zijn ogen. Een razende sneeuwstorm over in wit veranderende weilanden negerend. Terug naar het meisje, vanuit een donker plekje in zijn schedel, weer tevoorschijn gehaald door zijn droom van de laatste nacht.

Hij droomde in die tijd van de middelbare school. In de tijd voor zijn Ida en voor haar Jules. Terug naar de dag waarop hij haar naast zich had in de kerstnacht. In hun beider jeugd was het nooit voorgekomen dat ze naast elkaar zaten. Alleen die nacht waarin de heiland geboren zou worden schoof ze, enkele minuten voor de dienst beginnen zou, met haar ouders zijn bank in. Haar moeder naast zich en haar vader aan de buitenkant van de bank. Voor het eerst zag hij haar een rok met daaronder een panty dragen. Voor het eerst zag hij haar benen. Een kleine moedervlek, naast haar rechterknie. Vanuit zijn ooghoeken zag hij haar verschijning maar dorst zijn blik niet van het altaar af te wenden. Toen de situatie geheel tot hem was doorgedrongen keek hij even naar zijn moeder die quasi serieus voor zich uit staarde, hem negerend, zich voorbereidde op de geboorte van Christus. Hij drukte zijn vingers, om een vorm van inwendige jeuk af te wenden, stevig in zijn misboekje. Toen keek hij, zo onverschillig mogelijk met een van angst kloppende keel, heel even opzij. Heel even. Ze sloeg haar haren zacht opzij en keek hem aan. Ze trok haar glanzende lippen in een welvende glimlach als begroeting. Met tintelend kippenvel op zijn armen knikte hij terug. Iedereen zweeg. Dus ook zij. En zeker Alexander Huisman wiens grootste nachtmerrie was nooit iets tegen haar te kunnen zeggen, zijn stem afgeknepen door angst en respect. Tussen het moment van begroeting en het begin van de nachtmis wist hij zeker dat hij nooit bij machte zou zijn haar te kunnen beminnen. Zelfs nu, opgesloten tussen zijn en haar ouders, overheerste de angst om iets tegen haar te zeggen, om op één of andere manier haar aandacht te trekken waarna ze, volledig in hem teleurgesteld, eeuwig haar blik van de zijne zou afwenden.
Volgzaam stond hij op, of knielde, wanneer het moment van de Heilige Mis daarom vroeg. Hij zat gevangen in haar leefruimte. Afwisselend met gesloten ogen of een mistige blik concentreerde hij zich op haar ademhaling, haar minieme bewegingen, het knikken van haar voeten in glanzende schoenen, de welving van haar wreef.
Pas bij het breken van Jezus lichaam nam het scenario een zoete wending. Het waren de slappe spieren in zijn vingers die het misboekje loslieten. Het kwam terecht naast haar rechtervoet. Een korte venijnige blik van zijn moeder gaf hem de moed om na enig aarzelen voor over te bukken om de tekst op te rapen. Van bovenaf kon ze zijn begerige blik niet zien dus schoven zijn ogen langs haar slanke benen, hij snoof met gesloten ogen toen hij het boekje beet had en kwam vlug overeind. Bij het rechten van zijn rug raakte zijn hand, geheel per ongeluk, één kort moment de buitenkant van haar onderbeen. Een poging de hand snel naar zijn knie te trekken mislukte. Ze had hem beet. Haar zachte hand had de zijne teder maar dwingend vast. Haar fijne vingers streelden zijn hand. Zijn adem stokte, zijn hart bonsde, vocht kwam in zijn ogen. Opwinding en de angst dat zijn moeder dit zag, duelleerden om de eerste plaats. De tocht die hun handen inzetten, begon bij haar knie en schoof langzaam op naar boven. Hij sloot zijn ogen, z’n hand kookte. Met zachte schokjes drukte zijn geslacht tegen de rits van zijn broek. Ze leidde zijn hand onder haar rok aan de binnenkant van haar dijen zachtjes hoger en hoger tot ze zijn vingers stevig tegen haar kruis drukte. De warmte en het vocht drongen door haar slipje en panty heen en nestelden zich in zijn bezwete hand. Een korte zucht ontsnapte hem toen ze iets onverstaanbaars fluisterde en de ceremonie van de Heilige Communie begon.

Door het piepen van de remmen ontwaakte hij uit zijn droom. Zijn blik viel op het besneeuwde stationsbordje van Mantgum. Hij voelde de drang van zijn geslacht, de drang om op te staan en naar het toilet te wandelen. Hij pakte zijn aktetas en ging…


STATION MANTGUM 22.30 UUR

De trein zette zich weer in beweging toen hij de deur achter zich sloot en op zoek ging naar zijn stek bij het raam. De tijd na die bewuste kerstnacht vulde zijn herinnering op weg naar het station van Sneek Noord. Zijn lange, bange pubertijd waarin hij haar zelden tegenkwam. En als hij haar tegenkwam, op de dorpsbraderie of op een kermis, was ze gearmd aan een man.
In alle eenzaamheid voltooide hij zijn medische studie inwonend bij zijn ouders. Uitgelachen om zijn verlegenheid, bewonderd om zijn hoge cijfers. Toen hij Eva enkele jaren niet meer had ontmoet en elke illusie was vervlogen door de verstreken tijd trouwde hij, aan het einde van zijn studie, met Ida. Ook een arts. Een vrouw als zijn moeder. Het leven liep georganiseerd verder. Zes uur eten, braaf sparen, geen schulden, ieder jaar Frankrijk, van tijd tot tijd nieuwe meubels, ’s avonds thuis op de bank kijkend naar televisie of lezend en studerend op weg naar de klok van halfelf om vervolgens het grote bed te gaan beslapen. Lakens waartussen niets bijzonders gebeurde behalve iedere dinsdag om 21.30 uur, lakens die elke week volledig schoon en wit uit een draaiende wasmachine kwamen. Zondagochtend na de kerk naar zijn ouders, zondagmiddag naar die van haar. Een enkel congres, verjaardag van een familielid of collega waren de enige uitstapjes.
De verbazing was bij hen beide dan ook groot toen er in het voorjaar van 1975 een uitnodiging voor het bruiloftsfeest van Eva in de bus viel. Ze ging trouwen met Jules Wagenmaker, een dichter met landelijk aanzien. ‘Belachelijk’ vond Ida, ‘uitgenodigd worden voor een bruiloft van een oud schoolvriendinnetje. En dan nog wel voor de hele dag!’ Zij ging niet. De angst van jaren terug drong bij hem binnen. Dagenlang wachtte hij tot hij eindelijk succes zou hebben met de smoes dat je zo’n uitnodiging niet kon negeren. Haar optie om het met een bosje bloemen af te doen, weerlegde hij met het feit dat het zijn klasgenoot was en een reünie wel ‘interessant’ kon zijn. Er was Goddank geen sprake van achterdocht waar het Ida betrof. Eerder een vorm van afkeer tegen vals sentiment. Maar ze speelde uiteindelijk alsof ze hem begreep en hij ging naar het stadhuis van Workum. Alleen. Eva was eenvoudig gekleed. Wat overheerste was haar schoonheid. Onder het angstig naar haar staren, tuurde hij de kring rond op zoek naar bekenden. Niemand. Helemaal niemand die hij herkende. Hij begon zichzelf vragen te stellen. Zichzelf belachelijk makend door in stilte te opperen dat het een ‘diepere’ betekenis had dat hij was uitgenodigd. Hartkloppingen en zweetaanvallen trotserend zat hij de receptie uit. Zich ophoudend in hoekjes waar andere eenlingen zwijgend een jus d’orange dronken en een enkel handje zoutjes namen. Toen de rij wachtenden slonk drong hij naar voren en sloot aan. Haastig het zweet van zijn voorhoofd deppend met een servetje. Zijn hand ging in zijn binnenzak en greep de enveloppe met honderd gulden. De vrouw voor hem schoof door, het feliciteren van de schoonouders. Zijn stem was krassend, z’n gehemelte droog. Hij stelde zich voor en liep door naar de ouders van Eva die hem nog herkenden. Hoe het met hem was? Wat hij nu deed? Waar hij woonde? Hoe het met zijn ouders ging? Zijn benen trilden en hij bad dat alles snel achter de rug zou zijn. Anders zou het misgaan. Hij zou moeten spugen of zijn evenwicht verliezen. Hij schuifelde verder en keek in de norse blik van Jules. Hij wenste hem oprecht geluk. Een knikje, het geven van de enveloppe en door… Eva was voor hem komen staan, haar lippen in de glimlach van die eeuwige kerstnacht. Ze bedankte hem, greep zijn schouders, en hij kreeg door die aktie van haar de moed om naar voren te komen en zijn lippen langs haar wangen te drukken. Het was kort, maar hij rook. Rook haar geur en was even tevreden. Hij keek in haar ogen en vreesde dat ze geen jaar ouder was geworden. Daar waar de tijd en de verveling hem een buikje en een dikke kop had gegeven waren de jaren voor haar genadig geweest. Het sprookje had geen vervolg gekregen. Hij knikte wederom, voelde zich misselijk en verdween in één rechte lijn naar de toiletten. Daar liet hij het koele water uit de kraan en de deodorant uit zijn binnenzak het werk doen. Hersteld van zijn angst besloot hij zijn auto op te zoeken en naar huis te gaan. Op de gang was niemand te bekennen. Muziek uit de feestzaal kabbelde aan hem voorbij, hij ging op zoek naar zijn jas en naar de deur. Zijn hand reikte naar het hangertje toen haar koele hand langs zijn hals kwam en zijn schouder pakte: “Kom eens mee…”. Verloren. Hartkloppingen en zweetaanvallen kwamen terug. Hij liet haar zijn hand pakken en liep achter haar aan de pantry binnen tegenover de garderobe. De vrouwen waarmee hij zijn leven tot dan toe gedeeld had, bezaten enkel logica. Zijn gedachten hielden dit mysterie niet meer bij. Wat was de rede, wat was het doel? Ze sloot de deur achter hen en kwam op hem af. Haar blauwe ogen bekeken hem en hij schaamde zich diep voor zijn verval. “Je weet dat het niet kan Alex, je weet het toch?” De vraag die hij wilde stellen smoorde ze met een kus. Twee keer kwamen haar lippen iets van elkaar wijkend op zijn mond. Ze opende hem met haar tong, maakte alles vochtig: zijn mond, zijn lippen, zijn wangen. Haar vingers maakten zijn broek los, schoven zijn onderbroek binnen, over buik en borst naar boven. Zijn handen deden wat hij zelfs niet bij Ida durfde. Hij voelde zich bevrijd en knoopte haar blouse los en liet deze over haar rug afglijden. Hij streelde haar haar, zijn hand gleed over haar rug en hij zag haar fijne blanke buik, haar navel, haar slanke taille. Z’n handen stroopten haar rok af en ze drukte zich tegen hem aan. Ontsloot haar bh. Haar kruis wreef over zijn pik en haar borstjes brachten de rode tepels naar zijn mond. Hij sloot zijn ogen, kneep ze dicht. Om daarmee vragen en angst te verdringen. Met haar handen strak om zijn polsen gevouwen schoof ze ritmisch over zijn lid. Haar ogen gesloten, het rode haar dansend langs pannen, schalen en bestek. Haar ontlading was een langgerekte zucht in zijn oor, gehijg, een natte tong tegen zijn wang.
Een half uur bleef hij op de parkeerplaats naar adem happen. Toen durfde hij terug naar huis te rijden.


STATION SNEEK NOORD 22.39 UUR

Binnenkomend op het station bonkten de vragen weer tegen het dak van zijn schedel. Wat had haar die dag bezield. Wat had haar al die jaren beziggehouden? Het bedankkaartje dat enkele weken later op de deurmat viel wist hij voor Ida verborgen te houden. Het bevatte een handgeschreven gedichtje waarmee Eva hem ‘iets’ had willen duidelijk maken. Maar tot aan de dag van vandaag brak hij zijn nek erover. Het was een couplet van Vasalis “Idioot in het bad”:

En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.
Daaronder was door haar zelf toegevoegd:
Alles wat onduidelijk is en onduidelijk blijft
heeft mijn interesse en mijn liefde,
doet me huiveren van genot en nieuwsgierigheid.
Liefde draagt de de dood in zich.

Eva.

Het enige wat Alexander zich hier werkelijk over afvroeg was waarom ze hem daar niet mee had willen helpen. Direct daarna kwam dan de schaamte om zijn zwakheid. Vervolgens de verwarring omdat hij zonder die zwakheid nooit haar interesse zou hebben genoten.
Bij het naderen van Sneek gingen zijn gedachten naar de oorsprong van zijn laatste droom. In de Leeuwarder Courant had hij gelezen dat Eva Wagenmaker al enige jaren werd vermist en lang had hij de slaap niet kunnen vatten, zijn hersens pijnigend met de vraag of in haar gedicht de oplossing lag besloten.


STATION SNEEK 22.42 UUR

Zijn gevoel deze afgelopen dag, maakte Alexander bang. De confrontatie met zijn gemiste kans was te schokkend voor hem. Voor het eerst sinds jaren was het een aantrekkelijk vooruitzicht om straks thuis te komen en naast Ida in bed te gaan liggen. Praten over de vergadering van deze avond. Medische kwesties bediscussiëren. Daar waren ze gelukkig goed in: Elkaar scherp houden waar het hun werk betrof. Het ontbijt dat ze morgen te samen op hun vrije dag zouden gebruiken. Zwijgzaam de korte wandeling door de sneeuw. Van hun huis naar de haven en terug. In alle stilte. Het kopje koffie en het lezen van de krant. Hij wist, deze veiligheid kon hem behoeden voor een sluimerende krankzinnigheid.


STATION IJLST 22.47 UUR

Kreunend en piepend kwam het boemeltje voor de vierde keer tot stilstand. Alexander keek naar de knipperende TL-balk van station IJlst. Nauwelijks ontsnapt aan zijn droom en de sprookjesachtige wens held te mogen zijn door het vinden van Eva stond hem een nieuwe confrontatie te wachten. Hij deed even zijn ogen stijf dicht, kneep in zijn vingers om wakker te worden. Maar wat hij zag was waar. Onder de knipperende TL-balk stond, met in iedere hand een koffer, niemand minder dan Jules Wagenmaker. Hij leek in Alexanders ogen te kijken, hem te betrappen op z’n kinderlijke fantasieën. Alexander keek weg en dook in zijn aktetas op zoek naar niets. Alles schoot door zijn handen: notulen, pennen, agenda, een appel, dossiers van patiënten terwijl achter hem de schuifdeur open ging en Jules Wagenmaker hem naderde. De lange regenjas viel een moment op de leuning van Alexanders bank. Vanuit zijn ooghoeken loerde hij naar de dichter die zijn hoed afzette en beide koffers in het bagagerek legde alvorens hij ging zitten, een krant openvouwde en Alexander enkel zijn wenkbrauwen zag. Was hij betrapt of had Wagenmaker hem helemaal niet opgemerkt? Waar kwam de man van de vermiste echtgenote vandaan? Waar ging hij heen? Woonden ze dan nog steeds in Molkwerum? Er kwamen spoken en die spoken maakten Alexander Huisman bang. Een eindeloze film toverde foto’s op zijn netvlies. De nachtmis, het huwelijk, de pantry, Ida in bed wachtend op hem, zijn praktijk, zijn berouw, de wastafels waarboven hij zich had afgetrokken. De conducteur onderbrak de voorstelling. Contact met de ‘echte’ wereld betekende een moment van opluchting. Het gaf hem kracht. Zo gek was zijn sprookje toch immers niet? Wat ertussen hem en Eva had plaatsgevonden was toch een bevestiging van…iets? Haar gedicht een bekentenis? De conducteur liep achter hem naar de volgende coupe. Alexander observeerde Jules, nam zijn gestalte in zich op, vroeg zich af hoe hun huwelijk eruit moest zien… Een druppel gesmolten sneeuw viel van de hoed in het bagagerek op de krant. Wagenmaker keek op en staarde in Alexanders ogen…

STATION WORKUM 22.56 UUR

Onder de dikke golvende wenkbrauwen van Eva’s echtgenoot keek een strenge blik richting Huisman. Het was juist dit moment dat Eva’s vermissing hem moed gaf. Als hij nog één daad wilde stellen, de minimale kans om dichter bij haar te komen wilde benutten, moest hij contact maken. Alexander pakte zijn aktetas en begon tijdens zijn tocht naar de bank van Jules al te spreken: “Jules Wagenmaker! Nu herken ik je pas, neem me niet kwalijk. Ik dacht je zo-even op het perron al te herkennen. Het spijt me”.
- “Kijk eens aan, Alexander…”
“Huisman. Alexander Huisman. Een oud klasgenootje van Eva. Het spijt me maar… Gisteren las ik over Eva’s vermissing. Als er iets is waarbij ik… Ida en ik kunnen helpen dan…” Hij had al spijt gekregen van de hele onderneming. Zijn woordkeuze, zijn niet afwachten op de reactie van Jules… Hij schaamde zich, maar kon niet meer terug en nam tegenover hem plaats.
“Dank je wel Alexander, maar ik vrees dat de situatie te ernstig is om iets te kunnen doen”.
“Natuurlijk, natuurlijk… Het lijkt me vreselijk, die onzekerheid, de vragen die je zult hebben…” Alexander hield zijn mond, opnieuw in zichzelf teleurgesteld.
“Woon je nog steeds in Stavoren?”. De ietwat zakelijke en oppervlakkige vraag verraste hem. De monotone stem gaf hem het onaangename gevoel niet welkom te zijn op de plek waarnaar hij was verhuisd. Hij voelde het warm worden onder zijn oksels en keek naar buiten alsof hij op het station van Hindeloopen iets belangwekkends zag staan. Ondertussen bevestigde Alexander de aan hem gestelde vraag met een verontschuldigen- de glimlach.


STATION HINDELOOPEN 23.01

Voor hem begon de film weer te draaien. Zijn moeder die streng op hem neer keek, het been van Eva, de moedervlek, Ida tegenover hem in een even nutteloze als hopeloze discussie, hij zelf alleen op de hoek van het schoolplein, zijn nederige blik naar Jules Wagenmaker. Hij besloot de dialoog voort te zetten en voelde zich eindelijk een volwassen man toen hij de vraag stelde: “Je moet radeloos zijn. Ik zou gek worden van het zoeken naar het ‘waarom’.”
De blik van de dichter werd grimmiger. Zijn ademhaling klonk zwaar in de cadans van de rijdende trein. Zwetend probeerde hij de blik van zijn opponent te trotseren. Veinzend te rillen van de kou liet Alexander Huisman de rest van zijn blikveld onbenut en staarde in de zwarte ogen van de echtgenoot van zijn geliefde.
“Ben je nou werkelijk zo onnozel of speel je hier een spelletje? Hoe kom je erop mij deze vragen te stellen? Denk je heus dat ik blind was voor de gevoelens die zij voor je had? Als ze werkelijk weg is dan komt dat doordat ze iets begeerd wat ik niet bezit. Misschien ben ik daar te sterk voor, misschien te zwak. Ik weet het niet, jij wel vrees ik. Ik hoop dat je er alle begrip voor hebt dat ik dit gesprek beëindig en hoop dat wanneer je me werkelijk iets te vertellen hebt je bij me terug zult komen. Maar ik denk dat je niet eens weet wat voor rol je speelt in het leven van mijn vrouw en in het huwelijk dat ik met haar heb”. Hij stond op, zette zijn hoed op, trok zijn jas aan en keek nog éénmaal in Alexanders gezicht, alsof hij hem een laatste kans wilde geven zichzelf voor iets te verdedigen. Toen de trein stil stond pakte Wagenmaker zijn bagage en vertrok. Huisman volkomen in de war achterlatend. Deze toevallige ontmoeting had hem van streek gemaakt. Na jarenlang een rustig leven te hebben geleid, begon de angst weer te woekeren. Een, na het lezen van het ‘vermissingsartikel’, grotere, onoverzichtelijke angst. Een mogelijk veranderende angst. Met een rillend lijf keek Huisman Jules Wagenmaker vanuit zijn coupe na. De dichter liep schuin tegen de wind en de sneeuw in het perron van Koudum-Molkwerum af, op weg naar de telefooncel aan het begin van de parkeerplaats.


STATION KOUDUM-MOLKWERUM 23.06 UUR

Bij het op gang komen van de trein op weg naar het laatste station verloor Huisman Wagenmaker uit het oog. Een enorme stuiterbal kraakte zijn hoofd. Wat waren de gedachten van de dichter over het weglopen van zijn echtgenote? Wat had Eva hem over hun seksuele avontuur op de bruiloft verteld? In hoeverre wist Wagenmaker van de tekst die zij hem als dank voor zijn bezoek had toegestuurd? Het waren vragen die hem waarschijnlijk z’n nachtrust zouden kosten. Waarom was zijn prettige herinnering niet sluimerend gebleven, enkel tevoorschijn komend in een jaarlijkse natte droom? Hoe was het mogelijk dat het toeval zo had toegeslagen dat het hem oog in oog met de verlaten echtgenoot had gebracht? Een ondoorgrondelijke man die hem verdacht maakte?
In de laatste bocht van het traject begon Huisman bibberend z’n spullen bij elkaar te zoeken en zijn jas dicht te knopen. Hij keek naar buiten, zag de sneeuwstorm en haalde zijn handschoenen tevoorschijn.


STATION STAVOREN 23.11

Bij het aantrekken van zijn handschoenen viel zijn blik op het bagagerek boven hem. Één van de twee koffers die Wagenmaker bij zich had lag boven zijn hoofd. De trein minderde vaart en een krakerige stem vertelde dat men het laatste station bereikt had. Of eenieder bij het verlaten van de trein aan diens bagage wou denken. Was Wagenmaker nou echt de helft van zijn bagage vergeten? Wat moest hij doen? De koffer achterlaten, de trein verlaten en doen of hij die niet gezien had? Nieuwsgierigheid en angst worstelden voordat Huisman uiteindelijk de beslissing nam. Langzaam begon het boemeltje tot stilstand te komen. NU! Huismans linkerhand greep naar het handvat om de koffer in één ruk omlaag te trekken. Te laat, veel te laat ontdekte Alexander dat de twee sloten van de koffer open stonden. Bij het kantelen van de koffer duwde de inhoud het deksel wijd open. Met een gil viel Huisman terug in de bank, overspoeld door beenderen. Met een harde klap kwam de koffer op de grond en rolde de schedel in een kleine cirkel tot Huismans voeten voordat deze in tweeën brak. Rillend van angst schreeuwde Alexander om hulp, totdat zijn ogen de politiewagen ontwaarde die in een akelig kalm tempo het station op kwam rijden.

© Rik van Schaik
Utrecht – maart 2000
Website: http://home.hetnet.nl/~rikvanschaik/



Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens