zaterdag 20 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
GerJan van de Kamp - Het Kale Meisje
Gepubliceerd op: 14-12-2004 Aantal woorden: 905
Laatste wijziging: - Aantal views: 1738
Easy-print versie Aantal reacties: 3 reacties

Het Kale Meisje

GerJan van de Kamp


Het Kale Meisje

Er was eens een meisje dat was opgesloten in een toren. De toren was heel hoog. Het topje was in de wolken. In het topje zat een raam. Het meisje stond altijd voor het raam. Vaak zag ze alleen maar wolken. Soms kon ze naar beneden kijken. Dan zag ze bos. Want de toren stond in het bos.
Ze wist niet waarom ze in de toren was opgesloten. Ze had geen boze stiefmoeder. Dus die had haar niet opgesloten. Ze had ook nooit iets verkeerd gedaan. Ze zat daar maar.
Ze voelde zich heel alleen. Want er kwam nooit iemand langs.
Soms kwam er een kraai in het raam zitten. Die kraste dan tegen haar. Maar dat begreep ze niet. Want ze kon niet met dieren praten. En verder was er helemaal niemand om tegen te praten.

Op een dag hoorde ze iemand roepen: ‘Hallo? Woont hier iemand?’
Er stond iemand onder de toren. Het meisje kon niet zien wie het was. Ze durfde niets te zeggen.
‘Hallo? Woont er niemand in de toren? Dan ga ik weer weg!’
‘Nee!’ riep het meisje. ‘Ga niet weg! Ik woon hier! En ik ben heel alleen.’
Ze keek uit het raam. Ze zag dat er een jongen beneden stond. Het was een hele mooie jongen. En hij stond naast zijn paard. Het paard was heel groot en wit.
De jongen keek omhoog. Toen zag hij haar. Hij zwaaide.
‘Hallo! Ik ben van heel ver gekomen! Op mijn paard! Ben je echt helemaal alleen?’ vroeg de jongen.
‘Ja.’ zei het meisje. ‘Soms komt er een kraai. Maar nooit een mens. Ik ben helemaal alleen.’
‘Kom dan uit de toren!’ riep de jongen.
‘Dat kan niet!’ riep het meisje.
‘Waarom niet?’ vroeg de jongen.
‘Ik ben opgesloten.’ vertelde het meisje. ‘Ik weet niet waar de sleutel is.’
‘Maar kan je je haar dan niet laten zakken? Dan klim ik daar langs omhoog. En dan kom ik je halen. Dan kunnen we samen naar beneden.’ zei de jongen.
‘Langs mijn haar omhoog klimmen? Doet dat geen pijn?’ vroeg het meisje.
‘Nee hoor.’ zei de jongen. ‘Ik heb wel eens eerder in iemands haar geklommen.’
‘Echt waar?’vroeg het meisje.
‘Ja.’ zei de jongen. ‘Ik ben namelijk een prins. En ik kom je redden. En als ik in je haren klim, doet dat geen pijn.’
Het meisje dacht heel diep na. Dus de jongen was een prins. Misschien kon de prins haar wel redden.
Maar plotseling moest ze ergens aan denken. Ze had helemaal geen haar! Ze was kaal! De prins kon helemaal niet langs haar haren omhoog klimmen. Ze had helemaal geen haren!
Ze vertelde dat aan de prins. Die zei toen: ‘O. Dan weet ik het ook niet.’
‘Maar je komt me toch redden?’ vroeg het meisje. Ze begon een beetje bang te worden. Misschien kon de prins haar helemaal niet redden!

Toen kwam de kraai aangevlogen. Hij ging in het raam zitten. Hij keek naar beneden en zag de prins. Toen zei de kraai: ‘Zal ik helpen?’
Het meisje schrok. De kraai kon wel praten!
‘Wat kan jij doen dan?’ vroeg het meisje aan de kraai.
‘Ik heb een goed idee.’ zei de kraai.
Hij vloog naar de prins. Hij vroeg tegen de prins: ‘Heb je ooit iemand gered?’
‘Jazeker.’ zei de prins trots. ‘Ik heb een prinses gered.’
‘Hoe deed je dat dan?’ vroeg de kraai.
‘Ik klom langs haar haren omhoog.’ vertelde de prins.
‘Wat een moeilijke manier.’ zei de kraai.
‘Hoezo?’ vroeg de prins.
‘Ik zie dat je een heel dik touw bij je hebt.’ zei de kraai. Hij wees naar het touw dat de prins aan het zadel van het grote, witte paard had gebonden.
‘Ja, dat klopt. Daarmee kan ik boeven vastbinden. En boze stiefmoeders.’ vertelde de prins.
‘Ik heb een plan.’ zei de kraai. ‘Geef mij het touw. Dan vlieg ik naar boven. En dan kan het meisje naar beneden klimmen. Dan hoef jij niet omhoog. Dat is veel handiger!’
De prins begreep het niet zo goed. De prins was een beetje dom.

De kraai pakte het touw. Hij vloog naar boven. Het meisje pakte het touw en bond het vast.
Toen klom ze langs het touw naar beneden. Dat was heel moeilijk. En het duurde heel lang.
De kraai vloog met haar mee. Hij zei: ‘Kom op! Nog een klein stukje!’
Toen ze beneden was, zag ze de prins. Deze was boos.
Hij zei: ‘Nu heb ik je niet gered! Dat is oneerlijk!’
‘Nee hoor.’ zei het meisje. ‘Dat is niet oneerlijk. Nu ben ik gered door de kraai.’
‘Maar dat klopt toch niet!’ zei de jongen boos.
En dat was waar. Want kraaien redden geen meisjes. Dat doen prinsen.
Maar deze prins was niet zo slim. En de kraai was heel aardig.
De domme prins ging op zijn paard zitten. Hij was nog steeds boos. Hij reed weg.
Het meisje was nu alleen met de kraai.
Ze vroeg: ‘Kraai, je hebt me gered! Blijf je nu bij mij?’
‘Dat is goed.’ Zei de kraai.
En toen liepen ze samen het bos in. Naar het huis van de kraai.
Het kale meisje was nu niet meer opgesloten in de toren.
Ze kon in het bos lopen. En met de kraai praten.
Nu was het kale meisje niet meer alleen.


GerJan van de Kamp @ 18-07-2005 16:58:11
@ lena. en dat was nu precies de bedoeling


Lena @ 10-05-2005 20:35:10
Leuke variant van Rapoenzel


sprakeloos @ 14-12-2004 20:57:30
geinig



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens